Exodus
Inleiding 1 Wie het priesterambt bekleden 2-5 De kleren van Aäron 6-14 De efod 15-30 De borsttas 31-35 Het bovenkleed 36-39 De tulband met de gouden plaat 40-43 De kleren voor de zonen van Aäron
Inleiding

In Exodus 25-27 zien we hoe God uitgaat tot de zondige mens.
In Exodus 30 zien we hoe de zondige mens tot God kan naderen.
In Exodus 28-29 zien we de wijze waarop de mens tot God kan naderen, en dat is alleen door de priester.


Wie het priesterambt bekleden

1Wat u betreft, laat uw broer Aäron en zijn zonen die bij hem zijn, bij u komen uit het midden van de Israëlieten om Mij als priester te dienen: Aäron, Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar, de zonen van Aäron.

Niet iedereen mag zomaar naderen. God kiest Zelf uit wie van het volk dat mogen doen (Hb 5:44En iemand neemt niet voor zichzelf de eer, maar wordt door God geroepen, evenals ook Aaron.). Alles moet voldoen aan Gods eisen. Alleen de priester mag naderen. Niet het hele volk is daadwerkelijk priester, hoewel God ervan heeft gezegd: U zult voor Mij een koninkrijk van priesters … zijn” (Ex 19:66U dan, u zult voor Mij een koninkrijk van priesters en een heilig volk zijn. Dit zijn de woorden die u tot de Israëlieten moet spreken.).

Er is een duidelijke toepassing op de christenheid. Niet dat er in de christenheid een categorie mensen is die door God speciaal als priester geroepen is. Dat is een van de ernstige dwalingen van de rooms-katholieke kerk. Voor de gelovigen van de gemeente geldt een algemeen priesterschap, zij zijn “een heilig priesterdom” (1Pt 2:55en u wordt ook zelf als levende stenen gebouwd, als een geestelijk huis tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden te offeren, die voor God aangenaam zijn door Jezus Christus.). De toepassing is dat slechts zij die daadwerkelijk naderen tot God dit priesterschap uitoefenen. Veel gelovigen maken van dit voorrecht geen gebruik. Helaas kennen ze dit voorrecht veelal niet, vaak door verkeerd onderwijs.


De kleren van Aäron

2Dan moet u voor uw broer Aäron geheiligde kleding maken om [hem] waardigheid en aanzien [te geven]. 3En ú moet spreken tot allen die wijs van hart zijn, die Ik met een geest van wijsheid vervuld heb, dat zij de kleding van Aäron moeten maken om hem te heiligen, zodat hij Mij als priester kan dienen. 4Dit zijn dan de kledingstukken die zij moeten maken: een borsttas, een efod, een bovenkleed, een onderkleed van bewerkte stof, een tulband en een gordel. Zij moeten namelijk voor uw broer Aäron en voor zijn zonen geheiligde kleding maken om Mij als priester te dienen. 5En zíj moeten [daarvoor] het goud en de blauwpurperen, de roodpurperen, en de scharlakenrode [wol] en het fijn linnen nemen.

De kleren van Aäron dienen ertoe “om [hem] waardigheid en aanzien [te geven]” of, zoals het in de Statenvertaling staat, tot “heerlijkheid en sieraad”. In de Griekse vertaling van het Oude Testament, de Septuaginta, staat hier “met heerlijkheid en eer gekroond”. Dit laatste wordt in Hebreeën 2:9 aangehaald in toepassing op de Heer Jezus. Hierdoor zien we dat Aäron een beeld is van de Heer Jezus als Hogepriester.

De kleren bestaan uit zes delen: “Een borsttas, een efod, een bovenkleed, een onderkleed van bewerkte stof, een tulband en een gordel.” Het materiaal en de kleuren zijn dezelfde als waarvan ook de tabernakel is vervaardigd. Dat verbindt de priesterdienst van Aäron op nauwe wijze met de dienst in het heiligdom, de woning van God.

De kleren moeten worden gemaakt door allen die wijs van hart zijn. Voor ons geldt dat in de kleren tot uitdrukking komt wie de persoon is. Zoals gezegd is Aäron als hogepriester een beeld van de Heer Jezus. In de kleren van Aäron zien we dan ook de heerlijkheden van de Heer Jezus weerspiegeld. Als wij wijs van hart zijn, zullen we steeds meer heerlijkheid in Hem ontdekken.


De efod

6Vervolgens moeten zij de efod maken van goud, van blauwpurperen, roodpurperen [en] scharlakenrode [wol] en van dubbeldraads fijn linnen, werk van een kunstenaar. 7Hij moet twee schouderstukken hebben die [de efod] aan zijn beide uiteinden bijeenhouden, zodat [hij] één geheel vormt. 8En de kunstige band van zijn efod die erop [vastzit], moet op dezelfde manier gemaakt worden [en] er één geheel mee vormen: van goud, blauwpurperen, roodpurperen en scharlakenrode [wol] en dubbeldraads fijn linnen. 9Vervolgens moet u twee onyxstenen nemen en daarin de namen van de zonen van Israël graveren: 10zes van hun namen op de ene steen, en de namen van de zes overige op de andere steen, in de volgorde van hun geboorte. 11[Als] werk van een graveerder van [edel]stenen, zoals men zegels graveert, moet u de twee stenen graveren, met de namen van de zonen van Israël. U moet ze [zó] maken dat ze gevat zijn in gouden kassen. 12Dan moet u de twee stenen op de schouderstukken van de efod bevestigen, [als] gedenkstenen voor de Israëlieten. Aäron moet hun namen namelijk ter gedachtenis voor het aangezicht van de HEERE op zijn beide schouders dragen. 13U moet ook gouden kassen maken 14en twee kettinkjes van zuiver goud. U moet ze ineengedraaid maken, [als] vlechtwerk, en de gevlochten kettinkjes vastmaken aan de kassen.

Het eerste kledingstuk dat beschreven wordt, is “de efod”. Dit kleed is het meest kenmerkend voor de hogepriester. Door middel van een gordel, gemaakt van hetzelfde materiaal als de efod, wordt de efod vastgemaakt. Op elk van de beide schouderstukken van de efod komt een edelsteen. Op de ene steen staan, in volgorde van geboorte, de namen van de oudste zes zonen van Israël; op de andere steen, ook in die volgorde, staan de namen van de jongste zes zonen.

De kleuren spreken van de verschillende heerlijkheden van de Heer Jezus, zoals die in de vier evangeliën gezien worden. De gordel laat diezelfde heerlijkheden (kleuren) zien. De gordel spreekt van dienst (Lk 12:3737Gelukkig die slaven die de heer, als hij komt, wakend zal vinden. Voorwaar, Ik zeg u, dat hij zich zal omgorden, hen zal doen aanliggen en zal naderkomen om hen te dienen.).

In de stenen op de schouders van de hogepriester zien we in beeld hoe de Heer Jezus heel Gods volk, al Gods kinderen, allen die uit God geboren zijn, op Zijn schouders draagt om hen in gedachtenis te brengen bij God. Zijn kracht, waarvan de schouders spreken, ondersteunt ons in onze reis door de woestijn. God ziet al de Zijnen verenigd met Zijn Zoon. De Heer Jezus vertegenwoordigt Zijn volk bij God.

Christus draagt de Zijnen op Zijn schouders. Hij draagt ook het verloren en gevonden schaap op Zijn schouders (Lk 15:55En als hij het vindt, legt hij het blij op zijn schouders.). De heerschappij over de schepping draagt Hij op Zijn schouder (Js 9:55Want een Kind is ons geboren,
een Zoon is ons gegeven,
en de heerschappij rust
op Zijn schouder.
En men noemt Zijn Naam
Wonderlijk, Raadsman,
Sterke God,
Eeuwige Vader,
Vredevorst.
)
. Voor het dragen van de schepping heeft Hij aan één schouder genoeg, terwijl Hij Zijn beide schouders gebruikt voor het dragen van de Zijnen.


De borsttas

15Vervolgens moet u een borsttas van de beslissing maken, werk van een kunstenaar. U moet hem maken op dezelfde manier als de efod: van goud, van blauwpurperen, roodpurperen, en scharlakenrode [wol], en van dubbeldraads fijn linnen moet u hem maken. 16Vierkant moet hij zijn [en] dubbel[gevouwen], zijn lengte moet een span zijn en zijn breedte een span. 17Dan moet u hem opvullen met een [edel]steenvulling, vier rijen [edel]stenen: een rij van een robijn, een topaas en een karbonkel; [dit is] de eerste rij. 18De tweede rij: een smaragd, een saffier en een diamant. 19De derde rij: een hyacint, een agaat en een amethist. 20Ten slotte de vierde rij: een turkoois, een onyx en een jaspis; ze moeten in hun zettingen in goud gevat zijn. 21En de stenen moeten twaalf [in getal] zijn, overeenkomstig de namen van de zonen van Israël, overeenkomend met hun namen. [De stenen] moeten zegelgraveringen krijgen, ieder met zijn naam. Zij zijn voor de twaalf stammen bestemd. 22Verder moet u op de borsttas ineengedraaide kettinkjes maken, vlechtwerk van zuiver goud. 23Vervolgens moet u op de borsttas twee gouden ringen maken, en de beide ringen vastmaken aan de twee uiteinden van de borsttas. 24Dan moet u de beide gevlochten gouden [kettinkjes] vastmaken aan de twee ringen aan de uiteinden van de borsttas. 25Dan moet u de twee [andere] uiteinden van de beide gevlochten [kettinkjes] vastmaken aan de twee kassen. U moet [ze] vastmaken aan de schouderstukken van de efod, aan de voorkant ervan. 26U moet [nog] twee gouden ringen maken en ze bevestigen aan de beide [andere] uiteinden van de borsttas, op de zoom ervan, die aan de kant van de efod, aan de binnenkant ligt. 27Daarna moet u [nogmaals] twee gouden ringen maken en ze vastmaken aan de beide schouderstukken van de efod, van onderen af, aan de voorkant, dicht bij zijn verbinding, boven op de kunstige band van de efod. 28Men moet verder de borsttas met zijn [eigen] ringen aan de ringen van de efod vastbinden met een blauwpurperen koord, zodat hij boven de kunstige band van de efod [vast]zit en de borsttas niet van de efod kan losraken. 29Zo zal Aäron de namen van de zonen van Israël op de borsttas van de beslissing, op zijn hart dragen, als hij in het heiligdom binnenkomt, tot een voortdurende gedachtenis voor het aangezicht van de HEERE. 30En u moet in de borsttas van de beslissing de urim en de tummim doen, zodat die op het hart van Aäron zijn, als hij binnenkomt voor het aangezicht van de HEERE. Zo zal Aäron de beslissing voor de Israëlieten voortdurend op zijn hart dragen voor het aangezicht van de HEERE.

Op de efod is “een borsttas” zichtbaar. Op deze borsttas zijn vier rijen van drie edelstenen aangebracht en ingelegd in goud, in totaal twaalf stenen. Elke steen stelt een stam voor. Aäron moet ze op zijn hart dragen en zo het hele volk in gedachtenis voor God brengen. De borsttas moet met gouden kettinkjes en ringen onlosmakelijk aan de efod verbonden worden. In de borsttas moeten de urim en tummim worden gedaan. Daardoor zal God Zijn beslissing duidelijk maken bij vragen van Zijn volk.

De borsttas komt op het hart van Aäron. Het hart is de plaats van de liefde. Op de schouderstenen staan de namen van twee groepen van zes stammen. Dat legt meer de nadruk op het hele volk van God. Op de borsttas is voor elke stam afzonderlijk een plaats ingeruimd. Zo heeft iedere afzonderlijke gelovige een eigen plaats in het hart van de Heer Jezus.

Iedere gelovige is een unieke edelsteen met een eigen heerlijkheid en glans. Het spreekt van de kostbaarheid die iedere gelovige voor het hart van de Heer Jezus heeft: “Omdat u kostbaar bent in Mijn ogen en hooggeschat en Ik u liefheb” (Js 43:44Sinds u kostbaar bent in Mijn ogen,
bent u verheerlijkt en heb Ík u liefgehad.
Daarom heb Ik mensen gegeven in uw plaats
en volken in plaats van uw ziel.
)
. Hij kent ook ieder van de Zijnen bij naam, wat ook wil zeggen dat zij Zijn eigendom zijn: “Ik heb u verlost, Ik heb u bij uw naam geroepen, u bent van Mij” (Js 43:11Maar nu, zo zegt de HEERE,
uw Schepper, Jakob, uw Formeerder, Israël:
Wees niet bevreesd, want Ik heb u verlost,
Ik heb u bij uw naam geroepen, u bent van Mij.
)
.

We kunnen een stam ook toepassen op een plaatselijke gemeente. In de brieven van het Nieuwe Testament zien we dat elke plaatselijke gemeente voor de Heer Jezus een eigen glans heeft. Het hart van de Heer Jezus gaat ernaar uit dat die ook zichtbaar wordt. Daarom wordt elke plaatselijke gemeente in de aan haar gerichte brief aangesproken op wat die glans verhindert.

In de borsttas zitten ook de urim en tummim. Met persoonlijke en gemeenschappelijke problemen kunnen we ons tot de Heer Jezus wenden. De beslissing die Hij naar voren brengt, komt voort uit Zijn hart. Als we dat bedenken, zal dat ervoor zorgen dat we ook de naar ons idee onaangename beslissingen aanvaarden als bewijzen van Zijn liefde.


Het bovenkleed

31U moet ook het bovenkleed van de efod geheel van blauwpurperen [wol] maken. 32Zijn halsopening moet dan in het midden ervan zijn. Zijn opening moet rondom een zoom hebben, werk van een wever. Het moet net zo'n opening hebben als [bij] een leren pantser, zodat het niet kan inscheuren. 33Vervolgens moet u op de zomen ervan granaatappels van blauwpurperen, roodpurperen en scharlakenrode [wol] maken, [dus] rondom op zijn zomen, en daartussenin gouden belletjes, rondom. 34Een gouden belletje, daarna een granaatappel, [dan weer] een gouden belletje en een granaatappel, rondom op de zomen van het bovenkleed. 35Aäron moet dat namelijk dragen wanneer [hij] dienst doet, zodat het geluid ervan gehoord wordt als hij in het heiligdom binnenkomt voor het aangezicht van de HEERE, en als hij naar buiten gaat, opdat hij niet zal sterven.

Het “bovenkleed” is helemaal blauw, de kleur van de hemel. De Heer Jezus is de Mens uit de hemel (1Ko 15:4747De eerste mens is uit [de] aarde, stoffelijk, de tweede Mens is uit [de] hemel.). De halsopening is zo gemaakt, dat die niet kan scheuren. Dat wijst erop dat niets het hogepriesterlijk werk ongedaan kan maken. De Heer Jezus is Hogepriester “naar [de] kracht van een onvergankelijk leven” en “heeft een onveranderlijk priesterschap” (Hb 7:16,2416Die het niet geworden is naar [de] wet van een vleselijk gebod, maar naar [de] kracht van een onvergankelijk leven;24maar Hij, omdat Hij blijft tot in eeuwigheid, heeft een onveranderlijk priesterschap.).

Zijn hogepriesterschap oefent Hij uit in de hemel. De resultaten ervan worden op aarde merkbaar. Dat zien we in de zoom van het kleed. Aan de zoom zitten om en om een gouden belletje en een granaatappel. Er wordt een Goddelijk getuigenis gegeven (belletje) en er is vrucht voor God (granaatappel). Het geluid wordt gehoord bij het ingaan in het heiligdom. Nadat de Heer Jezus de hemel is ingegaan, is de Heilige Geest op aarde gekomen om te getuigen en de gemeente te vormen. De komst van de Heilige Geest is gepaard gegaan met “een geluid als van een geweldige, voortgedreven wind” (Hd 2:22En er kwam plotseling uit de hemel een geluid als van een geweldige, voortgedreven wind en deze vulde het hele huis waar zij zaten.).

Als de Heer Jezus weer naar buiten komt, zal dat zijn voor Israël. Ook dat zal gepaard gaan met geluid, want de Heilige Geest zal dan ook over het overblijfsel worden uitgegoten (Jl 2:28-3228Daarna zal het geschieden
dat Ik Mijn Geest zal uitstorten op alle vlees:
uw zonen en uw dochters zullen profeteren,
uw ouderen zullen dromen dromen,
uw jongemannen zullen visioenen zien.29Ja, zelfs op de dienaren en op de dienaressen
zal Ik in die dagen Mijn Geest uitstorten.30Ik zal wondertekenen geven aan de hemel en op de aarde:
bloed en vuur en rookzuilen.
31De zon zal veranderd worden in duisternis
en de maan in bloed,
voor die dag van de HEERE komt,
die grote en ontzagwekkende.32Het zal geschieden dat ieder die de Naam van de HEERE zal aanroepen, behouden zal worden.
Want op de berg Sion en in Jeruzalem zal ontkoming zijn,
zoals de HEERE gezegd heeft,
namelijk bij hen die ontkomen zijn,
die de HEERE roepen zal.
)
.


De tulband met de gouden plaat

36U moet ook een plaat maken van zuiver goud en daarin graveren, zoals men zegels graveert: DE HEILIGHEID VAN DE HEERE. 37U moet die bevestigen met een blauwpurperen koord, zodat hij aan de tulband [vast]zit. Hij moet aan de voorkant van de tulband zitten. 38Hij moet namelijk op het voorhoofd van Aäron zijn, zodat Aäron de ongerechtigheid kan dragen van de geheiligde [gaven] die de Israëlieten brengen, [ja,] van al hun geheiligde geschenken. Hij moet namelijk voortdurend op zijn voorhoofd zijn om hen aangenaam te maken voor het aangezicht van de HEERE. 39U moet vervolgens het onderkleed weven, van fijn linnen. U moet ook een tulband van fijn linnen maken, maar de gordel moet u van borduurwerk maken.

Er is niet alleen sprake van zwakheid bij het volk, waarbij het volk de kracht en liefde van de hogepriester nodig heeft. Er is ook sprake van zonde. Met het oog daarop draagt hij de gouden plaat op zijn voorhoofd. De Heer Jezus zorgt er als Hogepriester voor dat alle ongerechtigheid die kleeft aan het handelen van het volk, voor Gods aangezicht wordt weggedaan. Hij is heilig en door en in Hem wordt Zijn volk geheiligd.

Het “onderkleed” is niet zichtbaar voor de mensen. We kunnen dit toepassen op de gevoelens van de Heer Jezus bij de uitoefening van Zijn hogepriesterschap. Hij is niet met Zijn volk bezig als erboven staand, maar Hij is er ten nauwste bij betrokken. Alles doorleeft Hij samen met Zijn volk (Js 63:99In al hun benauwdheid
was Hij benauwd;
de Engel van Zijn aangezicht heeft hen verlost.
Door Zijn liefde en door Zijn genade
heeft Híj hen bevrijd;
Hij hief hen op en droeg hen
al de dagen van weleer.
)
.

De “tulband” als hoofdbedekking spreekt van onderdanigheid (1Ko 11:2-162En ik prijs u, dat u in alles aan mij denkt en de inzettingen vasthoudt, zoals ik ze u heb overgeleverd.3Maar ik wil dat u weet, dat Christus het Hoofd is van iedere man, en de man [het] hoofd van [de] vrouw, en God [het] Hoofd van Christus.4Iedere man die bidt of profeteert met [iets] op zijn hoofd, onteert zijn Hoofd;5en iedere vrouw die bidt of profeteert met ongedekt hoofd, onteert haar hoofd; want het is een en hetzelfde alsof zij geschoren was.6Want als een vrouw niet gedekt is, laat zij zich ook [maar] het haar laten afknippen; maar als het voor een vrouw een schande is zich het haar te laten afknippen of zich te laten scheren, laat zij zich dan dekken.7Want [de] man behoort zijn hoofd niet te dekken, daar hij [het] beeld en [de] heerlijkheid van God is; maar de vrouw is [de] heerlijkheid van [de] man.8Want [de] man is niet uit [de] vrouw, maar [de] vrouw uit [de] man;9want [de] man is ook niet geschapen om de vrouw, maar [de] vrouw om de man.10Daarom behoort de vrouw een macht op haar hoofd te hebben ter wille van de engelen.11Evenwel is noch [de] vrouw zonder [de] man, noch [de] man zonder [de] vrouw, in [de] Heer.12Want zoals de vrouw uit de man is, zo is ook de man door de vrouw; maar alle dingen zijn uit God.13Oordeelt bij uzelf: is het gepast dat een vrouw ongedekt tot God bidt?14Leert ook de natuur zelf u niet, dat als een man lang haar draagt het een oneer voor hem is?15Maar als een vrouw lang haar draagt, is het een eer voor haar, omdat <haar> het lange haar tot een sluier gegeven is.16Maar als iemand meent te moeten twisten, wij hebben zo’n gewoonte niet, en evenmin de gemeenten van God.). De Heer Jezus is als Hogepriester onderdanig aan de wil van God. Het witte linnen spreekt van Zijn volmaaktheid als Mens. De veelkleurigheid van de gordel doet denken aan Zijn heerlijkheid in elke vorm van dienst.


De kleren voor de zonen van Aäron

40U moet voor de zonen van Aäron ook onderkleren maken en u moet voor hen gordels maken. Ook moet u voor hen hoofddoeken maken die [hun] waardigheid en aanzien [geven]. 41U moet ze uw broer Aäron en zijn zonen met hem aantrekken en hen zalven, wijden en heiligen, zodat zij Mij als priester kunnen dienen. 42Vervolgens moet u linnen broeken voor hen maken om de schaamdelen te bedekken; ze moeten van de heupen tot op de dijen reiken. 43Aäron en zijn zonen moeten ze namelijk dragen, als zij de tent van ontmoeting binnenkomen, of als zij tot het altaar naderen om in het heiligdom te dienen, opdat zij geen ongerechtigheid op zich laden en sterven. [Dit is] een eeuwige verordening voor hem en voor zijn nageslacht na hem.

De kleren van de zonen van Aäron zijn beperkter dan die van de hogepriester. Ze zijn hetzelfde als de gewone kleren van Aäron. Maar ook deze kleren geven hun “waardigheid en aanzien”, of anders vertaald “tot heerlijkheid en sieraad” (verzen 2,402Dan moet u voor uw broer Aäron geheiligde kleding maken om [hem] waardigheid en aanzien [te geven].40U moet voor de zonen van Aäron ook onderkleren maken en u moet voor hen gordels maken. Ook moet u voor hen hoofddoeken maken die [hun] waardigheid en aanzien [geven].). Wij mogen als priesters voor God verschijnen in dezelfde volmaaktheid als de Heer Jezus. Hij is onze volmaaktheid. Alleen in Hem zijn we voor God aangenaam. Zonder Hem wordt onze schaamte, onze naaktheid openbaar. Dan kan God ons niet handhaven in Zijn tegenwoordigheid.

De wijding van Aäron en zijn zonen wordt in het volgende hoofdstuk uitvoerig behandeld. Benadrukt wordt nog dat het priesterambt bekleed wordt voor God. De hogepriester wordt wel “voor mensen aangesteld”, maar het is “in de dingen die God betreffen (Hb 5:11Want iedere hogepriester die uit mensen wordt genomen, wordt voor mensen aangesteld in de dingen die God betreffen, opdat hij zowel gaven als slachtoffers voor [de] zonden offert.).


Lees verder