Exodus
Inleiding 1-9 In te zamelen materialen 10-16 De ark 17-21 Het verzoendeksel 22 Gods plaats van samenkomen 23-30 De tafel met de toonbroden 31-40 De kandelaar
Inleiding

De tastbare, materiële tabernakel en de dienst daarin zijn “zinnebeelden van de dingen die in de hemelen zijn” (Hb 9:2323Het was dus nodig dat wel de zinnebeelden van de dingen die in de hemelen zijn hierdoor gereinigd werden, maar de hemelse dingen zelf door betere slachtoffers dan deze.). De tabernakel is niet de ware woonplaats van God, maar stelt die voor. God woont niet “in [het] met handen gemaakte heiligdom, een tegenbeeld van het ware” (Hb 9:2424Want Christus is niet ingegaan in [het] met handen gemaakte heiligdom, een tegenbeeld van het ware, maar in de hemel zelf, om nu te verschijnen voor het aangezicht van God voor ons;; 2Kr 6:1818Maar zou God werkelijk bij de mensen op de aarde wonen? Zie, de hemel, ja, de allerhoogste hemel, kan U niet bevatten, hoeveel te min dit huis dat ik gebouwd heb!).

In de Schrift is sprake van drie echte woonplaatsen van God:
1. de hemel (1Kn 8:39a39luistert Ú dan in de hemel, Uw vaste woonplaats, vergeef, en grijp in, en geef eenieder naar al zijn wegen, [U,] Die zijn hart kent. U alleen kent immers het hart van alle mensenkinderen,; Ps 115:3,163Onze God is [immers] in de hemel,
Hij doet al wat Hem behaagt.16De hemel, de hemel is van de HEERE,
maar de aarde heeft Hij aan de mensenkinderen gegeven.
)
,
2. de Heer Jezus (Jh 1:14a14En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van een eniggeborene van een vader) vol van genade en waarheid., waar “gewoond” letterlijk is ‘getabernakeld’; Ko 1:1919Want het behaagde de hele Volheid in Hem te wonen; 2:99Want in Hem woont de hele volheid van de Godheid lichamelijk,) en
3. de gemeente (Ef 2:2222in Wie ook u mee opgebouwd wordt tot een woonplaats van God in [de] Geest.; 1Tm 3:1515Maar als ik uitblijf, [schrijf ik] opdat je weet hoe men zich moet gedragen in [het] huis van God, dat is [de] gemeente van [de] levende God, [de] pilaar en grondslag van de waarheid.; Hb 3:1-61Daarom, heilige broeders, deelgenoten van [de] hemelse roeping, beschouwt de Apostel en Hogepriester van onze belijdenis, Jezus,2Die trouw is aan Hem Die Hem heeft aangesteld, zoals ook Mozes was in <heel> Zijn huis.3Want Deze is zoveel groter heerlijkheid waard geacht dan Mozes, als hij die het huis gebouwd heeft, groter eer heeft dan het huis.4Want elk huis wordt door iemand gebouwd, maar Die alles heeft gebouwd is God.5En Mozes was wel trouw in heel Zijn huis als dienaar tot getuigenis van wat gesproken zou worden,6maar Christus als Zoon over Zijn huis, Wiens huis wij zijn, als wij de vrijmoedigheid en het roemen in de hoop <tot [het] einde toe onwrikbaar> vasthouden.).

De tabernakel is een tent die in de woestijn staat. Dat ziet op de gemeente op aarde, waarin God de Heilige Geest woont.

De tabernakel is:
1. een beeld van de woonplaats van God te midden van Zijn volk,
2. een beeld van Zijn heerlijkheid zoals Hij die volkomen heeft geopenbaard in de Heer Jezus en
3. een beschrijving in beeld van de weg van de zondaar tot God.

De beschrijving van de tabernakel wordt door de HEERE in één lange redevoering in Exodus 25-31 aan Mozes gegeven. Die redevoering – zeven keer onderbroken door “de HEERE zei” of “de HEERE sprak” – is in vier delen te verdelen:
1. Exodus 25-27 bevatten de onderdelen die in beeld de openbaring van God in Christus aan de mens geven.
2. Exodus 28-29 tonen het priesterschap als het middel waardoor de mens tot God kan naderen.
3. Exodus 30 bevat de onderdelen die in beeld laten zien hoe en waarmee de mens tot God kan naderen.
4 In Exodus 31 horen we wie God aanwijst om de tabernakel te bouwen.


In te zamelen materialen

1Toen sprak de HEERE tot Mozes: 2Spreek tot de Israëlieten [en zeg] dat zij voor Mij een hefoffer nemen. U moet van iedereen wiens hart hem gewillig maakt, een hefoffer voor Mij nemen. 3Dit is het hefoffer dat u van hen moet nemen: goud, zilver en koper, 4blauwpurperen, roodpurperen en scharlakenrode [wol], fijn linnen en geiten[haar], 5roodgeverfde ramshuiden, zeekoeienhuiden en acaciahout, 6olie voor de lamp, specerijen voor de zalfolie en [specerijen] voor het geurige reukwerk, 7onyxstenen en [andere edel]stenen [als] opvulling voor de efod en de borsttas. 8En zij moeten voor Mij een heiligdom maken, zodat Ik in hun midden kan wonen. 9Volgens alles wat Ik u zal tonen, een ontwerp van de tabernakel en een ontwerp van al zijn voorwerpen, zó moet u [het] maken.

Voor de bouw van de tabernakel wil de HEERE gebruikmaken van de middelen die Zijn volk daarvoor ter beschikking stelt. Die middelen moeten Hem als een hefoffer worden aangeboden. Het wordt niet als een verplichting gesteld, maar gevraagd “van iedereen wiens hart hem gewillig maakt” (vgl. 2Ko 9:77Laat ieder [geven] naardat hij zich in zijn hart heeft voorgenomen; niet met tegenzin of uit dwang, want God heeft een blijmoedige gever lief.).

Als we in gedachten houden dat de tabernakel de openbaring van God aan de mens is, zien we dat die openbaring verbonden wordt aan de gezindheid van het hart. Alleen zij die wat zij hebben, ‘opheffen’ boven het dagelijks gebruik en het God aanbieden als een “hefoffer”, delen in Gods gedachten over Zijn woonplaats.

In alle materialen wordt iets zichtbaar van God en de Heer Jezus. In de zeven soorten materialen die nodig zijn, zien we een aantal kenmerken:
1. metalen – spreken van wat Gods wezen en natuur kenmerkt;
2. stoffen – spreken van de heerlijkheid van de Heer Jezus als Mens op aarde;
3. huiden – zijn ontleend aan dieren, en spreken, net als de stoffen, van de Heer Jezus als Mens op aarde, maar dan meer speciaal in verbinding met Zijn werk op het kruis;
4. hout – ziet op de volkomen Mensheid van de Heer Jezus;
5. olie – stelt de Heilige Geest voor;
6. specerijen voor zalfolie en reukwerk – stellen de innerlijke, persoonlijke heerlijkheden van de Heer Jezus voor;
7. edelstenen – zien op de heerlijkheden van God, zoals die weerkaatst worden in de afzonderlijke gelovigen.

Al deze materialen moeten worden gebruikt voor het maken van “een heiligdom” waarin de HEERE te midden van Zijn volk kan wonen. Als het ons verlangen is dat de Heer Jezus bij Zijn volk, de gemeente, kan wonen, zullen we ons hele leven en alles wat we bezitten, aan Hem geven. De gemeente is Zijn huis, maar in het beeld van de bouw van de tabernakel wordt ons getoond hoe dit in de praktijk door ons kan worden beleefd. Totale overgave aan Hem is nodig om de waarheid van het zijn van Gods huis tot eer van God in de praktijk uit te werken in het samenkomen en samenwonen van de gemeente.

Hoe de tabernakel er moet uitzien, wordt niet aan de fantasie van Mozes overgelaten. De HEERE toont hem het model en zó moet hij het maken. Zo ziet Ezechiël in een visioen de vorm en de gestalte van de nieuwe tempel die hij aan Israël moet voorhouden: “Zodat zij heel de vorm ervan met alle bijbehorende verordeningen in acht nemen en die houden” (Ez 43:1111Als zij zich dan schamen vanwege alles wat zij gedaan hebben, maak hun [dan] bekend de vorm van het huis, de inrichting ervan, de uitgangen ervan en de ingangen ervan, ja, alle vormen ervan, met alle bijbehorende verordeningen, alle bijbehorende vormen en alle bijbehorende wetten, en schrijf [dat] voor hun ogen op, zodat zij heel de vorm ervan met alle bijbehorende verordeningen in acht nemen en die houden.; vgl. 1Kr 28:1919Dit alles is mij, [zei David,] in een geschrift te verstaan gegeven door de hand van de HEERE: alle werken van dit ontwerp.).


De ark

10Ook moeten zij een ark van acaciahout maken; zijn lengte moet tweeënhalve el zijn, zijn breedte anderhalve el en zijn hoogte anderhalve el. 11U moet hem met zuiver goud overtrekken; vanbinnen en vanbuiten moet u hem overtrekken en er aan de bovenkant een gouden rand omheen maken. 12Dan moet u er vier gouden ringen voor gieten en [die] aan zijn vier voetstukken bevestigen, namelijk twee ringen aan de ene kant ervan en twee ringen aan de andere kant ervan. 13Vervolgens moet u draagbomen van acaciahout maken en die overtrekken met goud. 14Dan moet u de draagbomen door de ringen steken aan weerskanten van de ark, om de ark daarmee te dragen. 15De draagbomen moeten in de ringen van de ark blijven, ze mogen er niet uitgetrokken worden. 16Vervolgens moet u in de ark de getuigenis leggen, die Ik u geven zal.

God begint met een beschrijving van het middelpunt van de tabernakel: de ark. Deze is het meest verborgen voor de mens, maar het kostbaarst voor God. Daar woont Hij. De ark met daarop het verzoendeksel stellen voor:
1. de waarheid aangaande de Persoon van de Heer Jezus: Hij is God (louter goud) en Mens (hout) in één Persoon;
2. de waarheid van het werk van de Heer Jezus, waarvan het verzoendeksel spreekt (vers 1717Dan moet u een verzoendeksel van zuiver goud maken, zijn lengte tweeënhalve el en zijn breedte anderhalve el.).

In de ark moet de wet gelegd worden. Dat spreekt ervan dat de Heer Jezus zegt: “Uw wet [draag Ik] diep in Mijn binnenste” (Ps 40:99Ik vind er vreugde in, Mijn God, om Uw welbehagen te doen;
Uw wet [draag Ik] diep in Mijn binnenste.
)
. Zijn lust is om Gods wil te doen. In alles komt Zijn gehoorzaamheid aan God tot uiting.

De ark moet worden gedragen door de Levieten. De zorg voor de ark wordt toevertrouwd aan mensen die daarvoor door God zijn aangewezen. Nu zijn dat alle gelovigen. Een speciale klasse bestaat niet in de nieuwtestamentische gemeente.


Het verzoendeksel

17Dan moet u een verzoendeksel van zuiver goud maken, zijn lengte tweeënhalve el en zijn breedte anderhalve el. 18Vervolgens moet u twee cherubs van goud maken, als gedreven werk moet u ze maken, aan de beide uiteinden van het verzoendeksel. 19Maak één cherub aan het uiteinde aan de ene [kant], en één cherub aan het uiteinde aan de andere [kant]; als één geheel met het verzoendeksel moet u de cherubs maken, aan de beide uiteinden ervan. 20De cherubs moeten hun beide vleugels naar boven uitgespreid houden, terwijl ze met hun vleugels het verzoendeksel bedekken en hun gezichten naar elkaar toe [gericht zijn]; de gezichten van de cherubs moeten naar het verzoendeksel [gericht] zijn. 21Vervolgens moet u het verzoendeksel op de ark leggen, en in de ark moet u de getuigenis leggen, die Ik u geven zal.

Het verzoendeksel bedekt de ark waarin de wet ligt. De wet veroordeelt de mens. Op het verzoendeksel zijn twee cherubs die één geheel vormen met het verzoendeksel. Cherubs waken over de heiligheid van God en zijn de uitoefenaars van Zijn oordeel (Gn 3:2424Hij verdreef de mens, en plaatste ten oosten van de hof van Eden de cherubs met een vlammend zwaard, dat heen en weer bewoog, om de weg naar de boom des levens te bewaken.). Daarom wordt op het verzoendeksel bloed gesprenkeld. Het bloed zegt als het ware dat aan Gods heilige en rechtvaardige eisen is voldaan. Het oordeel is uitgeoefend, maar het is voltrokken aan een onschuldig offer, zodat de schuldigen vergeving kunnen ontvangen en vrijuit kunnen gaan.


Gods plaats van samenkomen

22Dan zal Ik u daar ontmoeten en van boven het verzoendeksel, van tussen de twee cherubs, die zich op de ark van de getuigenis zullen bevinden, zal Ik met u spreken over alles wat Ik u voor de Israëlieten gebieden zal.

God woont tussen de cherubs (Ps 80:2c2Herder van Israël, neem ter ore,
U, Die Jozef als schapen leidt.
U, Die troont tussen de cherubs,
verschijn blinkend!
; 99:11De HEERE regeert; laten de volken sidderen.
Hij troont tussen de cherubs; laat de aarde beven.
; Js 37:1616HEERE van de legermachten, God van Israël, Die tussen de cherubs troont, U bent het, U alleen bent de God van alle koninkrijken van de aarde, Ú hebt de hemel en de aarde gemaakt.)
. Het hoeft ons niet te verbazen dat dit de plaats is waar God wil en kan samenkomen met het volk. God heeft Zijn volle welbehagen gevonden in Zijn Zoon en in het werk dat Hij heeft volbracht. De Mens Christus Jezus is “de Middelaar tussen God en mensen” (1Tm 2:55Want er is één God en één Middelaar tussen God en mensen, [de] Mens Christus Jezus,). “Hem heeft God gesteld tot een genadetroon” (Rm 3:2525Hem heeft God gesteld tot een genadetroon door <het> geloof, in Zijn bloed, tot betoning van Zijn gerechtigheid wegens het voorbij laten gaan van de zonden die tevoren hadden plaatsgevonden onder de verdraagzaamheid van God;), dat is het verzoendeksel.

God wil met Zijn kinderen, de gemeente, samenkomen waar de Heer Jezus het middelpunt is en waar gedacht wordt aan Zijn werk. Daar wil Hij ook Zijn wil bekendmaken voor de weg die Hij wil dat Zijn volk gaat. Hoewel de gemeente niet meer als een geheel optrekt, geeft God in Zijn Woord wel aan hoe Hij wil dat het er in Zijn gemeente als zij samenkomt aan toe gaat (1Ko 14:2626Hoe is het dan, broeders? Wanneer u samenkomt, heeft ieder een psalm, heeft een leer, heeft een openbaring, heeft een taal, heeft een uitlegging; laat alles gebeuren tot opbouwing.). Zo schrijft Paulus ook gedragsregels aan Timotheüs, waardoor wij als leden van Zijn gemeente weten hoe wij ons in de praktijk van alle dag moeten “gedragen in [het] huis van God, dat is [de] gemeente van [de] levende God, [de] pilaar en grondslag van de waarheid” (1Tm 3:1515Maar als ik uitblijf, [schrijf ik] opdat je weet hoe men zich moet gedragen in [het] huis van God, dat is [de] gemeente van [de] levende God, [de] pilaar en grondslag van de waarheid.).


De tafel met de toonbroden

23U moet ook een tafel van acaciahout maken. Zijn lengte moet twee el zijn, zijn breedte één el en zijn hoogte anderhalve el. 24Dan moet u hem met zuiver goud overtrekken en er een gouden rand omheen maken. 25Ook moet u er een sierlijst van een hand breed omheen maken en moet u een gouden rand rondom die sierlijst maken. 26Dan moet u er vier gouden ringen voor maken en de ringen bevestigen aan de vier hoeken van zijn vier poten. 27De ringen moeten dicht onder de sierlijst zitten, als houders voor de draagbomen, om de tafel te [kunnen] dragen. 28En u moet de draagbomen van acaciahout maken en ze met goud overtrekken; de tafel moet daarmee gedragen worden. 29Vervolgens moet u de bijbehorende schotels, schalen, kannen en kommen maken, waarmee plengoffers gebracht worden; van zuiver goud moet u ze maken. 30Dan moet u het toonbrood op de tafel leggen; [het moet er] voortdurend voor Mijn aangezicht [zijn].

De ark staat in het heilige der heiligen, de tafel staat in het heilige. In het heilige vindt de priesterdienst plaats. Ook de tafel is een beeld van de Heer Jezus. De twaalf broden daarop stellen het volk van God – de twaalf stammen – voor. De tafel met daarop de toonbroden geeft het beeld dat het volk van God door de Heer Jezus aan God wordt voorgehouden als voedsel voor Hem. God verheugt Zich als Hij Zijn volk zo verbonden ziet aan Zijn Zoon.

In afmeting is de tafel kleiner dan de ark. De gemeenschap van Gods kinderen is een kleinere kring dan waartoe de ark zich uitstrekt. De ark als symbool van de Heer Jezus strekt zich uit naar alle mensen. Iedereen mag komen. De tafel stelt hen voor die gekomen zijn, met wie God gemeenschap kan hebben.

De hoogte van de tafel is wel gelijk aan die van de ark. Zowel de zondaar als de gelovige kan alleen tot God komen door en in de Heer Jezus.

Net als aan de ark zitten ook aan de tafel draagstokken. Dat betekent dat wij twee dingen moeten meevoeren:
1. De waarheid aangaande Christus en Zijn werk, die wordt voorgesteld in de ark, en
2. de waarheid die verbonden is aan de gemeenschap met God in de wereld.


De kandelaar

31U moet ook een kandelaar van zuiver goud maken. Als gedreven werk moet de kandelaar gemaakt worden, zijn schacht en zijn armen; zijn bloemkelken, zijn knoppen en zijn bloesems moeten er één geheel mee vormen. 32En zes armen moeten uit de zijkanten ervan uitsteken: drie armen van de kandelaar uit zijn ene kant, en drie armen van de kandelaar uit zijn andere kant. 33Drie bloemkelken in de vorm van amandelbloesem aan de ene arm, [met] knop en bloesem, en drie bloemkelken in de vorm van amandelbloesem aan de andere arm, [met] knop en bloesem. Zo moeten de zes armen worden die uit de kandelaar steken. 34En op de kandelaar [zelf] moeten vier bloemkelken komen in de vorm van amandelbloesem, [met] zijn knoppen en zijn bloesems. 35Er moet een knop komen onder het [eerste] paar armen dat eruit [steekt], een knop onder het [tweede] paar armen dat eruit [steekt], en een knop onder het [derde] paar armen dat eruit [steekt. Zo moet het worden] bij de zes armen die uit de kandelaar steken. 36Zijn knoppen en zijn armen moeten [met de kandelaar] één geheel vormen; het geheel moet één stuk gedreven werk van zuiver goud zijn. 37Vervolgens moet u de bijbehorende zeven lampen maken. Men moet die lampen aansteken en licht doen verspreiden in de richting van de voorzijde van [de kandelaar]. 38Zowel de bijbehorende snuiters als de bijbehorende vuurschalen moeten van zuiver goud zijn. 39Van één talent zuiver goud moet men hem maken, met al die [genoemde] voorwerpen. 40Zie dan [erop] toe dat u het maakt naar zijn ontwerp, dat u op de berg getoond is.

De kandelaar staat evenals de tafel in het heilige. Van de kandelaar worden geen maten genoemd, wel het gewicht. De heerlijkheid van de Heer Jezus is door ons niet te meten, maar wel te wegen in onze harten.

De kandelaar draagt zeven lampen. Hierin kunnen we een beeld zien van de Heer Jezus Die de zeven gemeenten draagt: De verborgenheid van de zeven sterren die u hebt gezien op Mijn rechterhand, en de zeven gouden kandelaars: de zeven sterren zijn [de] engelen van de zeven gemeenten, en de zeven kandelaars zijn [de] zeven gemeenten” (Op 1:2020De verborgenheid van de zeven sterren die u hebt gezien op Mijn rechterhand, en de zeven gouden kandelaars: de zeven sterren zijn [de] engelen van de zeven gemeenten, en de zeven kandelaars zijn [de] zeven gemeenten.). Het is te vergelijken met de tafel die de toonbroden draagt. Een kandelaar geeft licht, dat is ook de taak van de gemeenten. De gemeenten kunnen alleen licht geven in verbinding met de Drager ervan.

Dit licht wordt verspreid in het heilige, in de tegenwoordigheid van God. Het licht van de kandelaar valt allereerst op de kandelaar zelf. In het heiligdom mogen we steeds meer zicht krijgen op de Heer Jezus. Het licht valt ook op de tafel die de gemeenschap van de heiligen voorstelt.

De armen van de kandelaar komen uit de schacht voort en vormen er één geheel mee. Zo is de gemeente ontstaan door het werk van de Heer Jezus en vormt zij één geheel met Hem. De versiering van de armen van de kandelaar spreekt van de vruchten van het werk van de Heer Jezus.

Het gereedschap (vers 3838Zowel de bijbehorende snuiters als de bijbehorende vuurschalen moeten van zuiver goud zijn.) dient om het licht helder te laten schijnen. De Heer Jezus bedient Zich van allerlei middelen om de Zijnen een helder licht te laten verspreiden. Bovenal heeft Hij de Heilige Geest gegeven om Zijn gemeente te onderwijzen over Zijn heerlijkheid (Jh 16:13-1413Maar wanneer Hij is gekomen, de Geest van de waarheid, zal Hij u in de hele waarheid leiden; want Hij zal vanuit Zichzelf niet spreken, maar alles wat Hij zal horen, zal Hij spreken en de toekomstige dingen zal Hij u verkondigen.14Hij zal Mij verheerlijken, want Hij zal uit het Mijne nemen en het u verkondigen.). De Heilige Geest richt het volle licht op Christus, want Hij wil de volle aandacht van de gemeente op Hem richten. Als de gemeente onder de indruk komt van Wie Christus is, zal dat tot uiting komen in het leven van de gemeenteleden afzonderlijk en in de samenkomsten van de gemeente in het bijzonder. Met het oog daarop worden de gelovigen vermaand: “Blust de Geest niet uit” (1Th 5:1919Blust de Geest niet uit.).


Lees verder