Exodus
Inleiding 1-2 Naderen, maar van verre 3-8 Verbondssluiting 9-11 De vertegenwoordiging van het volk ziet God 12-14 Mozes en Jozua klimmen hoger op 15-18 Mozes alleen ontmoet de HEERE
Inleiding

Dit gedeelte sluit aan op Exodus 20:21 (Ex 20:2121Het volk bleef op een afstand staan, maar Mozes naderde tot de donkere [wolk], waar God was.). Het gedeelte dat ertussen ligt, geeft de inhoud weer van wat Mozes van de HEERE te horen heeft gekregen.


Naderen, maar van verre

1Daarna zei Hij tegen Mozes: Klim naar boven, naar de HEERE toe, u en Aäron, Nadab en Abihu, en zeventig van de oudsten van Israël, en buig u op een afstand neer. 2Alleen Mozes mag tot de HEERE naderen. Zíj mogen echter niet naderbij komen, en ook het volk mag niet met hem naar boven klimmen.

Mozes wordt door de HEERE geroepen om samen met Aäron en Nadab en Abihu, zijn oudste zonen, en een vertegenwoordiging van het volk naar Hem toe te komen. Maar … “op een afstand”. Deze afstand is kenmerkend voor de verhouding tussen de HEERE en Zijn volk in het Oude Testament. Voor de gemeente van het Nieuwe Testament is die afstand er niet meer. De brief aan de Hebreeën laat uitvoerig zien dat de nieuwtestamentische gelovigen vrijmoedig mogen naderen tot God in het heiligdom en waardoor dat mogelijk is geworden: door Christus en Zijn werk.


Verbondssluiting

3Mozes kwam [terug] en vertelde al de woorden van de HEERE en al de bepalingen aan het volk. Toen antwoordde heel het volk eenstemmig en zij zeiden: Al de woorden die de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen. 4Vervolgens schreef Mozes al de woorden van de HEERE op. Hij stond 's morgens vroeg op en bouwde onder aan de berg een altaar en [richtte] twaalf gedenkstenen [op] voor de twaalf stammen van Israël. 5En hij stuurde de jonge mannen van de Israëlieten erop uit. Die brachten brandoffers en brachten dankoffers voor de HEERE, [te weten] jonge stieren. 6Mozes nam de helft van het bloed en deed dat in de schalen, en de helft van het bloed sprenkelde hij op het altaar. 7Hij nam het boek van het verbond en las [dit] ten aanhoren van het volk voor. En zij zeiden: Alles wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen en [Hem] gehoorzamen. 8Toen nam Mozes het bloed, sprenkelde het op het volk en zei: Zie, [dit is] het bloed van het verbond dat de HEERE met u gesloten heeft op grond van al die woorden.

De in de vorige hoofdstukken meegedeelde verordeningen worden door Mozes aan het volk meegedeeld. Evenals in Exodus 19 (Ex 19:88Toen antwoordde heel het volk gezamenlijk en zei: Alles wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen! En Mozes bracht de woorden van het volk weer over aan de HEERE.) belooft het volk alles te doen wat de HEERE heeft gezegd. Daar zeggen ze dat, voordat ze hebben gehoord wat de HEERE dan wel wil. Nu hebben ze Zijn verordeningen gehoord en zeggen ze hetzelfde. Helaas is er geen kennis van zichzelf. Die kennis zullen ze opdoen juist aan de hand van de verordeningen van de HEERE. Hierdoor zal duidelijk worden hoezeer ze falen in hun belofte.

Mozes stelt alles op schrift en legt het daarmee vast voor de komende geslachten. Zodra er een verlost volk is, een volk dat God voor Zichzelf heeft afgezonderd, legt Hij Zijn gedachten voor en over dat volk vast in het geschreven Woord. De eerste keer dat een gebeurtenis in een boek geschreven moet worden, hebben we in Exodus 17 (Ex 17:1414Toen zei de HEERE tegen Mozes: Schrijf dit ter gedachtenis in een boek en prent het Jozua in dat Ik de herinnering aan Amalek van onder de hemel geheel zal uitwissen.). God maakt Zijn gedachten bekend in het geschreven Woord. Iedereen kan weten wat God wil. Zijn onveranderlijke Woord kan steeds weer worden geraadpleegd.

Daarna bouwt Mozes onder aan de berg een altaar van twaalf stenen. Het is alsof hij beseft dat het volk nooit zal kunnen volbrengen wat het heeft beloofd en dat het alleen voor God kan bestaan op de grondslag van een offer. De offers spreken van de Heer Jezus en van het werk dat Hij aan het kruis heeft volbracht. Het brandoffer is in zijn geheel voor de HEERE (Lv 1:1-171De HEERE riep Mozes en sprak tot hem vanuit de tent van ontmoeting:2Spreek tot de Israëlieten en zeg tegen hen: Wanneer iemand van u de HEERE een offergave wil aanbieden, moet u uw offergave aanbieden van het vee, van de runderen en van het kleinvee.3Als zijn offergave een brandoffer van runderen is, moet hij een mannetje zonder enig gebrek aanbieden. Hij moet dat bij de ingang van de tent van ontmoeting aanbieden om een welgevallen voor zich [te vinden] voor het aangezicht van de HEERE.4Daarna moet hij zijn hand op de kop van het brandoffer leggen, zodat het hem ten goede zal komen door verzoening voor hem te bewerken.5Dan moet hij het jonge rund slachten voor het aangezicht van de HEERE. En de zonen van Aäron, de priesters, moeten het bloed aanbieden en het bloed sprenkelen rondom op het altaar dat [bij] de ingang van de tent van ontmoeting is.6Daarna moet hij de huid van het brandoffer afstropen en het in stukken verdelen.7Vervolgens moeten de zonen van de priester Aäron vuur maken op het altaar en hout op het vuur schikken,8en [dan] moeten de zonen van Aäron, de priesters, de stukken, de kop en het vet schikken op het hout dat op het vuur van het altaar ligt.9Maar zijn ingewanden en zijn poten moet men met water wassen, en de priester moet dat alles op het altaar in rook laten opgaan. Het is een brandoffer, een vuuroffer, een aangename geur voor de HEERE.10Als nu zijn offergave een brandoffer uit het kleinvee is, van de schapen of de geiten, moet hij een mannetje zonder enig gebrek aanbieden.11Dan moet hij het slachten aan de noordkant van het altaar voor het aangezicht van de HEERE. En de zonen van Aäron, de priesters, moeten zijn bloed rondom op het altaar sprenkelen.12Vervolgens moet hij het in stukken verdelen, met de kop en zijn vet, en de priester moet dat op het hout schikken dat op het vuur van het altaar ligt.13Maar de ingewanden en de poten moet men met water wassen, en de priester moet dat alles aanbieden en op het altaar in rook laten opgaan. Het is een brandoffer, een vuuroffer, een aangename geur voor de HEERE.14Als nu zijn offergave voor de HEERE een brandoffer van vogels is, moet hij zijn offergave aanbieden van tortelduiven of van jonge duiven.15De priester moet die dan bij het altaar aanbieden, hem de kop afknijpen en op het altaar in rook laten opgaan. Zijn bloed moet daarna tegen de zijwand van het altaar uitgedrukt worden.16Zijn krop met de veren moet hij daarna verwijderen. Hij moet het namelijk naast het altaar werpen, aan de oostkant, op de ashoop.17Dan moet hij [het dier] bij de vleugels inscheuren, zonder [die] eraf te trekken. De priester moet het op het altaar, op het hout dat op het vuur ligt, in rook laten opgaan. Het is een brandoffer, een vuuroffer, een aangename geur voor de HEERE.) en het dank- of vredeoffer is een gemeenschapsoffer waarin de gemeenschap tussen de HEERE en Zijn volk tot uitdrukking wordt gebracht (Lv 3:1-171Als [iemands] offergave een dankoffer is, als wat hij aanbiedt van de runderen is, of het nu een mannetje of een vrouwtje is: zonder enig gebrek moet hij het voor het aangezicht van de HEERE aanbieden.2Dan moet hij zijn hand op de kop van zijn offergave leggen en die slachten [bij] de ingang van de tent van ontmoeting. En de zonen van Aäron, de priesters, moeten het bloed rondom op het altaar sprenkelen.3Daarna moet hij van het dankoffer het vet dat de ingewanden bedekt en al het vet dat aan de ingewanden vastzit, als vuuroffer aan de HEERE aanbieden,4en [ook] de beide nieren met het vet dat eraan vastzit, tegen de lendenen aan, en de kwab aan de lever, die hij [tegelijk] met de nieren verwijderen moet.5De zonen van Aäron moeten dat dan op het altaar in rook laten opgaan, op het brandoffer dat op het hout op het vuur ligt. Het is een vuuroffer, een aangename geur voor de HEERE.6Als zijn offergave als dankoffer voor de HEERE [afkomstig] uit het kleinvee is, of het nu een mannetje of een vrouwtje is: zonder enig gebrek moet hij het aanbieden.7Als het een lam is dat hij als zijn offergave aanbiedt, moet hij het aanbieden voor het aangezicht van de HEERE.8Vervolgens moet hij zijn hand op de kop van zijn offergave leggen en die slachten vóór de tent van ontmoeting. En de zonen van Aäron moeten zijn bloed rondom op het altaar sprenkelen.9Daarna moet hij van het dankoffer een vuuroffer aan de HEERE aanbieden: zijn vet, de hele staart, die hij dicht bij de ruggengraat moet verwijderen; het vet dat de ingewanden bedekt en al het vet dat aan de ingewanden vastzit,10dan de beide nieren met het vet dat eraan vastzit, tegen de lendenen aan, en de kwab aan de lever, die hij [tegelijk] met de nieren moet verwijderen.11De priester moet dat daarna op het altaar in rook laten opgaan. Het is voedsel, een vuuroffer voor de HEERE.12Als nu zijn offergave een geit is, moet hij die voor het aangezicht van de HEERE aanbieden.13Vervolgens moet hij zijn hand op de kop van [het dier] leggen en het slachten vóór de tent van ontmoeting. En de zonen van Aäron moeten zijn bloed rondom op het altaar sprenkelen.14Daarna moet hij hiervan zijn offergave aanbieden, een vuuroffer voor de HEERE: het vet dat de ingewanden bedekt en al het vet dat aan de ingewanden vastzit,15dan de beide nieren met het vet dat eraan vastzit, tegen de lendenen aan, en de kwab aan de lever, die hij [tegelijk] met de nieren moet verwijderen.16De priester moet die vervolgens op het altaar in rook laten opgaan. Het is voedsel, een vuuroffer met een aangename geur. Al het vet moet voor de HEERE zijn.17[Dit] moet in al uw woongebieden een eeuwige verordening zijn, [al] uw generaties door: u mag totaal geen vet of bloed eten.).

Hij laat jongelingen, waarschijnlijk de eerstgeborenen, brandoffers en dankoffers brengen. Dit werk zal later door priesters en Levieten – die de plaats van de eerstgeborenen zullen innemen (Nm 3:1212En Ik, zie, Ik neem de Levieten uit het midden van de Israëlieten, in plaats van elke eerstgeborene onder de Israëlieten, die de baarmoeder opent. De Levieten zullen Mij toebehoren,) – worden overgenomen. Mozes neemt jongelingen, een nieuwe generatie, om daarin als het ware het nieuwe geslacht te laten zien dat de enig ware grondslag voor God inneemt. De oudsten zijn verbonden met de wet en op die grondslag zal het onmogelijk blijken tot God te naderen.

In vers 77Hij nam het boek van het verbond en las [dit] ten aanhoren van het volk voor. En zij zeiden: Alles wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen en [Hem] gehoorzamen. leest Mozes de inhoud van het boek aan het volk voor. Hij stelt hen op de hoogte van de voorwaarden van het verbond. Voor de derde keer verklaart het volk dat zij zich eraan zullen houden. Ze zeggen het zelfs nog sterker dan in vers 33Mozes kwam [terug] en vertelde al de woorden van de HEERE en al de bepalingen aan het volk. Toen antwoordde heel het volk eenstemmig en zij zeiden: Al de woorden die de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen., want ze zeggen hier niet alleen dat ze zullen “doen”, maar voegen er aan toe dat ze ook zullen “gehoorzamen”.

Dan houdt Mozes het volk aan hun woord. Even plechtig als het volk heeft verklaard zich aan het verbond van de HEERE te houden, legt Mozes dit verbond vast. Dit gebeurt door bloed te sprenkelen op het altaar en op het volk en het boek. Hier, in Exodus 24, is geen sprake van besprenkeling van het boek. Toch is dat wel gebeurd, want dat staat in het verslag in Hebreeën 9 (Hb 9:1919Want toen door Mozes naar de wet elk gebod tot het hele volk gesproken was, nam hij het bloed van de kalveren <en de bokken> met water en scharlaken wol en hysop en besprenkelde zowel het boek zelf als het hele volk,).

De besprenkeling van het volk lijkt te betekenen dat ze erdoor aan de dood als straf voor de ongehoorzaamheid worden herinnerd. De besprenkeling van het boek toont dat de dood als grondslag van alles nodig is. Daarom is zelfs het hele systeem van de wet niet zonder bloed ingewijd. Het boek bevat de voorwaarden voor het verbond, het volk is het verbondsvolk en het altaar stelt de HEERE voor, de oorsprong van het verbond.

Het bloed is Gods antwoord op de herhaalde geloften van het volk. Het bloed is leven uitgestort in de dood. Dit is wat met Israël zal gebeuren als het de woorden van de HEERE overtreedt. Van dit bloed gaat dreiging uit.

Dit bloed staat tegenover het bloed van het nieuwe verbond. Daarvan gaat verzoening, vergeving en zegen uit. Daarmee zijn wij, nieuwtestamentische gelovigen, besprenkeld (1Pt 1:22uitverkorenen naar [de] voorkennis van God [de] Vader, door heiliging van [de] Geest, tot gehoorzaamheid en besprenkeling met [het] bloed van Jezus Christus; genade en vrede zij u vermenigvuldigd.; Hb 12:2424en tot Jezus, [de] Middelaar van een nieuw verbond; en tot [het] bloed van [de] besprenkeling, dat beter spreekt dan Abel.). In de waarde van dat bloed kunnen wij, die niet beter zijn dan zij die onder het oude verbond zijn geweest, voor God staan. Dat is wat de brief aan de Hebreeën duidelijk maakt.


De vertegenwoordiging van het volk ziet God

9Vervolgens klommen Mozes en Aäron naar boven, [en ook] Nadab en Abihu met zeventig van de oudsten van Israël. 10En zij zagen de God van Israël. Onder Zijn voeten was [er iets] als plaveisel van saffier, zo helder als de hemel zelf. 11Hij strekte Zijn hand niet uit naar de aanzienlijken van de Israëlieten. Nadat zij God gezien hadden, aten en dronken zij.

Hoewel op afstand, zien ze toch iets van Gods heerlijkheid. Ezechiël heeft iets dergelijks gezien: En boven het gewelf dat boven hun hoofden was, was iets met het uiterlijk van een saffiersteen, [iets] wat leek op een troon. En daarboven, op wat op een troon leek, was iets wat leek op een mens. Toen zag ik [iets] als de schittering van edelmetaal, rondom vanbinnen als het uiterlijk van vuur. Vanaf datgene wat er uitzag als Zijn heupen naar boven, en vanaf datgene wat er uitzag als Zijn heupen naar beneden, zag ik [iets] als het uiterlijk van vuur met een lichtglans eromheen” (Ez 1:26-2726En boven het gewelf dat boven hun hoofden was, was iets met het uiterlijk van een saffiersteen, [iets] wat leek op een troon. En daarboven, op wat op een troon leek, was iets wat leek op een mens.27Toen zag ik [iets] als de schittering van edelmetaal, rondom van binnen als het uiterlijk van vuur. Vanaf datgene wat eruitzag als Zijn heupen naar boven, en vanaf datgene wat eruitzag als Zijn heupen naar beneden, zag ik [iets] als het uiterlijk van vuur met een lichtglans eromheen.).

Wat Mozes en later Ezechiël zien, is wel de heerlijkheid van Zijn heiligheid en niet die van Zijn genade. Het is ook niet zozeer de heerlijkheid van Zijn Persoon. Wat Mozes en de anderen van Hem zien, is verbonden met Zijn voeten, wat spreekt van de weg die Hij in heiligheid gaat. Daarin wordt iets zichtbaar dat “zo helder als de hemel zelf” is. De hemel in al zijn helderheid wordt gezien in de weg die Hij gaat. Wat Hij doet, maakt zichtbaar hoe het is waar Hij woont.

Volmaakt is dat te zien in het leven van de Zoon van God, Die uit de hemel op aarde is gekomen. In Hem woont de volheid van de Godheid lichamelijk. God is bij de mensen gekomen, maar op een manier dat ze niet verteerd zijn door Zijn heiligheid, maar aangetrokken zijn door Zijn genade. Alleen op die manier is God, “Die een ontoegankelijk licht bewoont, Die geen mens gezien heeft of zien kan” (1Tm 6:1616Hij Die alleen onsterfelijkheid heeft, Die een ontoegankelijk licht bewoont, Die geen mens gezien heeft of zien kan. Hem zij eer en eeuwige kracht! Amen.), bij de mensen gekomen (Jh 1:1818Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon Die in de schoot van de Vader is, Die heeft [Hem] verklaard.).

Dat er van God geen verterend vuur uitgaat naar dit gezelschap, maar dat ze integendeel dit tafereel mogen aanschouwen, terwijl ze eten en drinken, is een straal van Zijn genade te midden van de donkerheid en dreiging van de Sinaï. Hij tempert als het ware de volle heerlijkheid van Zijn majesteit door het grootste gedeelte ervan verborgen te houden (Jb 26:99Hij bedekt de aanblik van [Zijn] troon;
Hij spreidt Zijn wolk erover uit.
)
.


Mozes en Jozua klimmen hoger op

12De HEERE zei tegen Mozes: Klim naar boven, naar Mij toe, de berg op, en blijf daar. Dan zal Ik u de stenen tafelen geven, de wet en de geboden, die Ik opgeschreven heb om hen te onderwijzen. 13Toen stond Mozes op, met zijn dienaar Jozua, en Mozes klom naar boven, de berg van God op. 14Hij zei tegen de oudsten: Blijf hier op ons [wachten], totdat wij bij u terugkomen. En zie, Aäron en Hur blijven bij u. Wie bepaalde zaken heeft, moet naar hen toe gaan.

Mozes wordt door de HEERE geroepen om naar Hem toe te komen en ook bij Hem te blijven. Hij zal er langere tijd verblijven. Mozes komt als het ware niet slechts op bezoek, maar neemt bij de HEERE zijn intrek. Niet dat hij altijd weg zal blijven, want hij zegt tegen de achterblijvers dat ze moeten wachten tot hij en Jozua weer bij hen terugkomen. Maar ook als hij terug is, blijft hij in de geest bij de HEERE. Hij leeft en handelt vanuit zijn omgang met Hem.

Het lijkt erop dat Jozua hem nog een eind mag vergezellen. Na de vermelding in Exodus 17 (Ex 17:99Mozes zei tegen Jozua: Kies mannen voor ons uit en trek op, bind de strijd aan met Amalek. Morgen zal ik op de top van de heuvel staan met de staf van God in mijn hand.) vinden we hier de tweede vermelding van Jozua, en ook hier weer in verbinding met Mozes. Hij mag de ervaring opdoen dichter bij de HEERE te komen. De anderen moeten achterblijven. Zij mogen niet verder opklimmen tot de HEERE.

Mozes laat het volk niet aan hun lot over tijdens zijn afwezigheid. Hij regelt plaatsvervangers. Naar hen kan het volk toegaan als ze zaken hebben waar ze onderling niet uitkomen. Zo heeft de Heer Jezus ook tijdens Zijn afwezigheid gaven aan de gemeente gegeven, zoals die van “besturingen” (1Ko 12:2828En God heeft sommigen in de gemeente gesteld: ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars, vervolgens krachten, vervolgens genadegaven van genezingen, hulpbetoningen, besturingen, allerlei talen.). Zij kunnen in bepaalde gevallen met de hun gegeven wijsheid een geschil oplossen.


Mozes alleen ontmoet de HEERE

15Toen Mozes de berg opklom, bedekte de wolk de berg. 16De heerlijkheid van de HEERE bleef op de berg Sinaï rusten, en de wolk bedekte hem zes dagen [lang]. Op de zevende dag riep Hij Mozes, vanuit het midden van de wolk. 17De aanblik van de heerlijkheid van de HEERE op de top van de berg was in de ogen van de Israëlieten als een verterend vuur. 18Mozes ging de wolk binnen en klom de berg [verder] op. En Mozes was veertig dagen en veertig nachten op de berg.

Uiteindelijk moet ook Jozua achterblijven en gaat Mozes alleen verder. Zes dagen lang bedekt de wolk, het symbool van de woonplaats van de heerlijkheid van God, de berg. Al die tijd wacht Mozes. Hij wordt niet ongeduldig zoals later Saul, die ook moet wachten, maar door ongeduld handelt en daardoor zijn koningschap verspeelt (1Sm 13:8-148En [Saul] wachtte zeven dagen, tot het tijdstip dat Samuel bepaald had. Toen Samuel echter niet naar Gilgal kwam, begon het volk zich te verspreiden, bij hem vandaan.9Toen zei Saul: Breng een brandoffer bij mij, en dankoffers; en hij offerde het brandoffer.10En het gebeurde, toen hij gereed was met het brengen van het brandoffer, dat, zie, Samuel kwam. Saul ging [het kamp] uit hem tegemoet om hem te zegenen.11En Samuel zei: Wat hebt u gedaan? Toen zei Saul: Omdat ik zag dat het volk zich [begon te] verspreiden, bij mij vandaan, en omdat ú niet op de vastgestelde tijd kwam, en de Filistijnen in Michmas verzameld zijn,12zei ik [bij mijzelf]: Nu zullen de Filistijnen op mij afkomen in Gilgal, en ik heb niet getracht het aangezicht van de HEERE gunstig te stemmen. Daarom heb ik mijzelf gedwongen om het brandoffer te brengen.13Maar Samuel zei tegen Saul: U hebt dwaas gehandeld. U hebt het gebod van de HEERE, uw God, dat Hij u geboden heeft, niet in acht genomen. Anders zou de HEERE uw koningschap over Israël voor eeuwig bevestigd hebben,14maar nu zal uw koningschap geen stand houden. De HEERE heeft een man naar Zijn hart voor Zich uitgezocht, en de HEERE heeft hem de opdracht gegeven een vorst te zijn over Zijn volk, omdat u niet in acht genomen hebt wat de HEERE u geboden had.).

Op de zevende dag roept de HEERE hem. Dan gaat Mozes de wolk in, hij gaat Gods heerlijkheid binnen, om er veertig dagen en veertig nachten te verblijven. In die tijd krijgt hij schitterende dingen van God te horen en te zien met het oog op Gods wonen te midden van Zijn volk.

De heerlijkheid die Mozes binnengaat, lijkt voor de Israëlieten een verterend vuur. Hier zien we het grote verschil met de tijd waarin wij leven. Wie geschikt is gemaakt voor de tegenwoordigheid van God, zal zich daar thuis voelen. Wie meent op de grondslag van de wet God te kunnen behagen, zal altijd met vrees en beven aan Gods tegenwoordigheid denken.


Lees verder