Exodus
1-2 Opdracht heiliging eerstgeborenen 3-10 Het Feest van de ongezuurde broden 11-16 Heiliging van de eerstgeborenen 17-18 De weg naar de Schelfzee 19 Jozefs gebeente 20-22 Wolkkolom en vuurkolom
Opdracht heiliging eerstgeborenen

1Toen sprak de HEERE tot Mozes: 2Heilig voor Mij alle eerstgeborenen: alles wat de baarmoeder opent onder de Israëlieten, van de mensen en van het vee, dat behoort Mij toe.

De HEERE geeft Mozes de opdracht om alle eerstgeborenen te heiligen. Heiligen wil zeggen apart zetten voor een bepaald doel, en dat is hier om voor Hem te zijn. Eerder heeft God een dag, de sabbatdag, geheiligd en die apart gezet van de andere dagen (Gn 2:33En God zegende de zevende dag en heiligde die, want daarop rustte Hij van al Zijn werk, dat God schiep door het te maken.). Nu heiligt Hij personen, de eerstgeborenen. Andere personen, die later geheiligd worden, zijn de priesters en Levieten en het hele volk. Ook heiligt Hij later nog een plaats (tabernakel en tempel) en voorwerpen voor de dienst. Wat Hij heiligt, is van en voor Hem. Door iets te heiligen oefent Hij Zijn recht erop uit.

In het Nieuwe Testament lezen we dat de gelovigen geheiligd zijn (Hb 10:1010Door die wil zijn wij geheiligd door middel van de offerande van het lichaam van Jezus Christus, eens voor altijd.). Daarom worden ze “heiligen” genoemd (1Ko 1:22aan de gemeente van God die in Korinthe is, aan [de] geheiligden in Christus Jezus, geroepen heiligen, met allen, in elke plaats, die de Naam van onze Heer Jezus Christus aanroepen, zowel hun als onze [Heer]:; Rm 1:77aan alle geliefden van God die in Rome zijn, geroepen heiligen: genade zij u en vrede van God onze Vader en van [de] Heer Jezus Christus.). Dat ziet op de positie van de gelovige. Er is ook sprake van heiliging als een doorgaand proces (Hb 12:1010Zij tuchtigden [ons] wel voor weinige dagen, naar het hun goed dacht, maar Hij tot ons nut, opdat wij aan Zijn heiligheid deel zouden krijgen.; 1Th 5:2323Moge nu de God van de vrede Zelf u geheel en al heiligen en moge geheel uw geest en ziel en lichaam onberispelijk worden bewaard bij de komst van onze Heer Jezus Christus.). De gelovige behoort Hem toe en behoort Hem te verheerlijken (1Ko 6:2020Want u bent voor een prijs gekocht; verheerlijkt dan God in uw lichaam!). Als Hij ons heeft gekocht, heeft Hij ook recht op alles wat we bezitten. Wat de gelovigen als ‘eerstgeborenen’ zijn, zijn ze door hun verbinding met de Heer Jezus, Die “[de] Eerstgeborene” is “onder vele broeders” (Rm 8:2929Want hen die Hij tevoren heeft gekend, heeft Hij ook tevoren bestemd om aan het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te zijn, opdat Hij [de] Eerstgeborene zou zijn onder vele broeders.).


Het Feest van de ongezuurde broden

3Daarna zei Mozes tegen het volk: Gedenk deze dag, waarop u uit Egypte, uit het slavenhuis, vertrokken bent, want de HEERE heeft u met sterke hand vanhier uitgeleid. Daarom mag wat gezuurd is, niet gegeten worden. 4Vandaag vertrekt u, in de maand Abib. 5Het zal gebeuren, als de HEERE u gebracht heeft in het land van de Kanaänieten, Hethieten, Amorieten, Hevieten en Jebusieten, dat Hij uw vaderen gezworen heeft u te geven, een land overvloeiend van melk en honing, dat u [dan] in deze maand dit dienstwerk zult verrichten: 6Zeven dagen moet u ongezuurde [broden] eten, en op de zevende dag zal er een feest zijn voor de HEERE. 7Zeven dagen [lang] moeten er ongezuurde [broden] gegeten worden. Wat gezuurd is, mag bij u niet gezien worden, ja, geen zuurdeeg mag er in heel uw gebied bij u gezien worden. 8En op die dag moet u uw zoon vertellen: [Dit gebeurt] om wat de HEERE voor mij gedaan heeft, toen ik uit Egypte vertrok. 9En het moet voor u als een teken op uw hand zijn, en als een herinnering tussen uw ogen, opdat de wet van de HEERE op uw lippen is, want de HEERE heeft u met sterke hand uit Egypte geleid. 10Daarom moet u deze verordening in acht nemen op de daarvoor vastgestelde tijd, van jaar tot jaar.

Voordat Mozes verder gaat met de heiliging van de eerstgeborenen, spreekt hij nog eens nadrukkelijk over het Feest van de ongezuurde broden. Dat beklemtoont hoezeer heiliging en ongezuurde broden bij elkaar horen. Bij echte afzondering van de wereld en toewijding aan God is geen plaats voor zuurdeeg. Los van de wereld zijn en leven voor God is een feest. Zonde (zuurdeeg) bederft dat feest.

Het volk wordt nog eens op dit feest gewezen naar aanleiding van de verlossing die de HEERE bewerkt heeft. Altijd weer verwijst God naar die verlossing als Hij het heeft over de verhouding met Zijn volk. Hij heeft het volk bevrijd, niet opdat het voor zichzelf zal leven, maar voor Hem Die hen heeft verlost.

Dit feest, dat in vers 66Zeven dagen moet u ongezuurde [broden] eten, en op de zevende dag zal er een feest zijn voor de HEERE. voor het eerst “een feest voor de HEERE” wordt genoemd, moet niet alleen in de woestijn worden gevierd, maar ook in het land. Als wij denken aan de verlossing uit de wereld en de macht van de zonde, maakt dat ons leven in de woestijn, die deze wereld voor de gelovige is, tot een feest. Aan zo’n feest neemt God deel. Hij verheugt Zich erin als de Zijnen dit feest vieren. Het maakt ook ons verblijf in het land, voor ons de hemelse gewesten, tot een feest. Daar mogen we de zegeningen genieten die ons in Christus geschonken zijn (Ef 1:33Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemelse [gewesten] in Christus,). Genieten kan ook alleen als de zonde in ons leven geen rol speelt.

Het zuurdeeg mag niet gegeten worden. Het mag zelfs nergens in het land aanwezig zijn. Is niet een belangrijke oorzaak dat er zo weinig werkelijk genoten wordt van de hemelse, geestelijke, eeuwige zegeningen, dat er zoveel zonde (zuurdeeg) op het gebied van het volk van God is binnengekomen?

Het vieren van dit feest vraagt om het afleggen van verantwoording aan onze kinderen. Bij het Pascha komt de vraag van de kinderen komt (Ex 12:2626En het zal gebeuren, als uw kinderen tegen u zullen zeggen: Wat betekent deze dienst voor u?). De uitleg is geen theologische verhandeling over wat er in Egypte is gebeurd, maar is een persoonlijk getuigenis van het gezinshoofd. Hij vertelt wat de HEERE hem persoonlijk gedaan heeft bij zijn verlossing.

Kunnen wij onze kinderen uitleggen waarom we leven zoals we doen? Doen we dat naar aanleiding van de verlossing die de Heer Jezus voor ons heeft bewerkt? Dit feest behoort voortdurend richting te geven aan wat we doen (“handen”) en waar we naar kijken, wat ons blikveld, onze visie is (“tussen uw ogen”). Het beste gebruik dat we van onze ogen kunnen maken, is het lezen van het Woord van God. Het gevolg is dat wat we zeggen, onze belijdenis, in overeenstemming met Gods wil is.


Heiliging van de eerstgeborenen

11Het zal gebeuren, als de HEERE u in het land van de Kanaänieten gebracht heeft, zoals Hij u en uw vaderen gezworen heeft, en Hij het u gegeven heeft, 12dat u alles wat de baarmoeder opent, aan de HEERE zult afstaan. Ook alles wat [de baarmoeder] opent van de dracht van het vee dat u toebehoort: de mannetjes zullen voor de HEERE zijn. 13Maar alles wat [de baarmoeder] van een ezelin opent, moet u vrijkopen met een lam. Als u het niet vrijkoopt, moet u het de nek breken. Maar wat de mensen betreft, moet u alle eerstgeborenen onder uw zonen vrijkopen. 14Het zal gebeuren, als uw zoon u morgen vraagt: Wat is dit? dat u tegen hem zult zeggen: De HEERE heeft ons met sterke hand uit Egypte, uit het slavenhuis, geleid. 15Want toen de farao zich verhardde [en weigerde] ons te laten gaan, gebeurde het dat de HEERE alle eerstgeborenen in het land Egypte doodde, van de eerstgeborene van de mens tot de eerstgeborene van het vee toe. Daarom offer ik aan de HEERE de mannetjes van alles wat de baarmoeder opent, maar alle eerstgeborenen van mijn zonen koop ik vrij. 16Dit zal tot een teken zijn op uw hand en tot een band tussen uw ogen, want de HEERE heeft ons met sterke hand uit Egypte geleid.

De heiliging van de eerstgeborenen (vers 22Heilig voor Mij alle eerstgeborenen: alles wat de baarmoeder opent onder de Israëlieten, van de mensen en van het vee, dat behoort Mij toe.) betekent dat de eerstgeborene moet worden afgestaan of gewijd aan de HEERE. In de tijd waarin wij leven, is iedere gelovige een eerstgeborene (Hb 12:2323[de] algemene vergadering; en tot [de] gemeente van [de] eerstgeborenen, die in [de] hemelen staan opgeschreven, en tot God, [de] Rechter van allen; en tot [de] geesten van [de] tot volmaaktheid gekomen rechtvaardigen;). Als God redt van het oordeel, doet Hij dat voor Zichzelf. God bevrijdt van de slavernij van de zonde en maakt een slaaf van Hemzelf. Mozes spreekt over het afstaan aan de HEERE als iets wat pas gebeurt als het volk in het land Kanaän is aangekomen. In geestelijk opzicht betekent dit dat werkelijke toewijding aan de Heer naar Gods gedachten plaatsvindt in verbinding met het kennen van de zegeningen in Christus in de hemelse gewesten.

Een bijzonderheid betreft de eerstgeborene van een ezelin. Die moet worden vrijgekocht door een lam. Gebeurt dat niet dan moet het ezelsveulen de nek worden gebroken. Deze bijzonderheid wordt verbonden aan de eerstgeborene van een mens. De eerstgeboren zoon moet ook worden vrijgekocht door een lam. Dit verwijst terug naar de verlossing uit Egypte, waar de eerstgeborene ook wordt verlost door een lam. Wie niet achter het bloed van het lam schuilt, komt om door de hand van de verderfengel (Ex 12:2323Want de HEERE zal [het land] doortrekken om Egypte te treffen, maar als Hij het bloed zal zien op de bovendorpel en op de beide deurposten, dan zal de HEERE de deur voorbijgaan en de verderver niet toestaan om uw huizen binnen te komen om [u] te treffen.).

De eerstgeborene van een mens wordt hier vergeleken met de eerstgeborene van een ezel. De ezel is een onrein dier. De mens van nature is voor God ook onrein. De ezel is het beeld van de mens onder het juk van de zonde (Gn 16:1212En hij zal zijn
een wilde ezel [van een] mens;
zijn hand zal tegen allen zijn,
en de hand van allen tegen hem;
en hij zal wonen tegenover al zijn broeders.
)
. God laat Zijn recht er wel op gelden. In het vrijkopen ligt de redding. Een mens kan alleen gaan behoren tot de gemeente van de eerstgeborenen als hij verlost wordt door het Lam (1Pt 1:18-1918daar u weet dat u niet door vergankelijke dingen zilver of goud, verlost bent van uw onvruchtbare, door de vaderen overgeleverde wandel,19maar door kostbaar bloed, als van een vlekkeloos en onbesmet lam, [het bloed] van Christus.). Het Lam is gestorven in de plaats van ieder die gelooft.

De vergelijking met een ezel is niet vleiend, maar wel veelzeggend. Wie de nek niet wil buigen, die zal de nek gebroken moeten worden. Maar wie erkent verlossing nodig te hebben, mag een beroep doen op het plaatsvervangend offer van het Lam. Dit mogen we onze kinderen duidelijk maken als ze ernaar vragen. Het voorbeeld van de farao wordt er waarschuwend aan toegevoegd (vers 1515Want toen de farao zich verhardde [en weigerde] ons te laten gaan, gebeurde het dat de HEERE alle eerstgeborenen in het land Egypte doodde, van de eerstgeborene van de mens tot de eerstgeborene van het vee toe. Daarom offer ik aan de HEERE de mannetjes van alles wat de baarmoeder opent, maar alle eerstgeborenen van mijn zonen koop ik vrij.).

Een eerstgeborene te zijn en een vrijgekochte door het Lam moeten onze daden en ons denken bepalen. Het slot van het gedeelte over de eerstgeborenen is hetzelfde als het slot van het gedeelte over de ongezuurde broden (verzen 16,99En het moet voor u als een teken op uw hand zijn, en als een herinnering tussen uw ogen, opdat de wet van de HEERE op uw lippen is, want de HEERE heeft u met sterke hand uit Egypte geleid.16Dit zal tot een teken zijn op uw hand en tot een band tussen uw ogen, want de HEERE heeft ons met sterke hand uit Egypte geleid.). Dat bevestigt de nauwe samenhang tussen beide zaken. Het maakt duidelijk dat bij de status van eerstgeborene de praktijk van een ongezuurd leven hoort.


De weg naar de Schelfzee

17Toen de farao het volk had laten gaan, is het gebeurd dat God hen niet leidde [langs] de weg door het land van de Filistijnen, hoewel dat korter was. Want God zei: Anders zal het het volk berouwen bij het zien van oorlog en wil het naar Egypte terugkeren. 18Daarom leidde God het volk om, [langs] de weg door de woestijn naar de Schelfzee. In slagorde trokken de Israëlieten uit het land Egypte.

God neemt voor het volk na zijn uittocht uit Egypte niet de kortste weg. Via die kortere weg zou het volk mogelijk in een strijd worden gewikkeld, waardoor ze zouden gaan terugverlangen naar Egypte. En dat is niet de bedoeling. God kent het hart van het volk. Vandaar dat Hij het volk op de weg naar de Schelfzee of Rode Zee brengt. Daar zal Hij hun nog een belangrijke les leren. Ze zullen leren dat God de macht van de vijand volledig heeft gebroken. In Egypte hebben ze geleerd dat God tegen hen is, maar dat ze tegen Zijn toorn beschermd worden door het bloed van het lam. Bij de Rode Zee leren ze dat God voor hen is en tegen hun vijanden.


Jozefs gebeente

19En Mozes nam de beenderen van Jozef met zich mee, want die had de zonen van Israël plechtig een eed laten zweren, en gezegd: God zal zeker naar jullie omzien, en dan moeten jullie mijn beenderen hiervandaan met jullie meevoeren.

Op het moment dat God spreekt over de weg die Hij wil dat Zijn volk gaat, wordt de aandacht gericht op Jozefs gebeente. De opdracht van Jozef aangaande zijn gebeente is niet vergeten (Gn 50:2525En Jozef liet de zonen van Israël zweren: God zal zeker naar jullie omzien en dan moeten jullie mijn beenderen vanhier meenemen.; Hb 11:2222Door [het] geloof maakte Jozef bij zijn levenseinde melding van de uittocht van de zonen van Israël en gaf bevel aangaande zijn gebeente.; Jz 24:3232En de beenderen van Jozef, die de Israëlieten uit Egypte meegenomen hadden, begroeven zij in Sichem, op het stuk land dat Jakob voor honderd geldstukken gekocht had van de zonen van Hemor, de vader van Sichem. Het was namelijk erfelijk bezit van de zonen van Jozef geworden.). Jozef is de redder van de wereld. Hij is gestorven. Als de gestorvene wordt hij meegevoerd in het midden van het volk. De gedachtenis aan de redder blijft op die manier levend.

De toepassing voor ons vinden we in 2 Korinthiërs 4: “Altijd het sterven van Jezus in het lichaam omdragend, opdat ook het leven van Jezus in ons lichaam openbaar wordt” (2Ko 4:1010altijd het sterven van Jezus in het lichaam omdragend, opdat ook het leven van Jezus in ons lichaam openbaar wordt.). De voortdurende gedachtenis aan de dood van de Heer Jezus zal maken dat we in onze wandel de zonde geen kans geven – daarvoor stierf Hij immers – en dat het leven van Jezus in ons lichaam openbaar wordt.


Wolkkolom en vuurkolom

20Zo braken zij op uit Sukkoth en sloegen hun kamp op in Etham, aan de rand van de woestijn. 21De HEERE ging vóór hen uit, overdag in een wolkkolom om hen de weg te wijzen, en 's nachts in een vuurkolom om hun licht te geven, zodat zij dag en nacht verder konden trekken. 22Hij nam de wolkkolom overdag en de vuurkolom in de nacht niet weg voor de aanblik van het volk.

Het volk wordt niet op goed geluk de woestijn in gestuurd. God voert hen niet via de gemakkelijkste weg, maar Hij voorziet hen wel van Zijn leiding. Door onder de wolk te komen wordt het volk “tot Mozes gedoopt” (1Ko 10:22allen tot Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee,), wat wil zeggen dat het volk zich bij Mozes voegt door wie de HEERE hen leidt. Overdag gaat de HEERE voor hen uit in een wolkkolom en in de nacht in een vuurkolom en bewijst daarmee Zijn barmhartigheid voor hen (Ne 9:1919hebt U hen in Uw grote barmhartigheid toch niet verlaten in de woestijn. De wolkkolom week overdag niet van boven hen om hen te leiden op de weg, [en ook] de vuurkolom 's nachts [niet] om voor hen de weg te verlichten waarop zij zouden gaan.).

De wolkkolom is een bescherming tegen de hitte overdag. De nacht vormt vanwege het licht van de vuurkolom geen verhindering om te reizen. Vandaag leidt Hij Zijn volk door de Heilige Geest, Die Hij ook niet wegneemt. De Heer Jezus zegt van Hem dat Die met u zal zijn tot in eeuwigheid: de Geest van de waarheid” (Jh 14:1616En Ik zal de Vader vragen en Hij zal u een andere Voorspraak geven, opdat Die met u zal zijn tot in eeuwigheid:).


Lees verder