Exodus
1-2 De HEERE heeft de harten verhard 3-6 Aankondiging achtste plaag 7-11 Nieuw compromis van de farao 12-15 De achtste plaag: sprinkhanen 16-20 De farao vraagt weer om voorbede 21-23 De negende plaag: duisternis 24-29 Het laatste compromis verworpen
De HEERE heeft de harten verhard

1Daarna zei de HEERE tegen Mozes: Ga naar de farao toe, want Ík heb zijn hart en het hart van zijn dienaren onvermurwbaar gemaakt, zodat Ik deze tekenen van Mij in zijn midden kan verrichten, 2en zodat u ten aanhoren van uw kinderen en uw kleinkinderen kunt vertellen wat Ik in Egypte heb aangericht, en [wat] Mijn tekenen [waren] die Ik onder hen verricht heb. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben.

Deze plaag is een bijzonder teken voor de Israëlieten. Aan de hand hiervan moeten zij de komende geslachten vertellen wat God aan Egypte heeft gedaan. Hierdoor zullen de Israëlieten weten “dat Ik de HEERE ben”.

Het is opmerkelijk dat de profeet Joël een sprinkhanenplaag beschrijft en dat ook hij vermeldt dat deze gebeurtenis aan de komende geslachten moet worden doorverteld: “Vertel erover aan uw kinderen en [laten] uw kinderen [erover] aan hun kinderen [vertellen] en hun kinderen [weer] aan de volgende generatie” (Jl 1:33Vertel erover aan uw kinderen
en [laten] uw kinderen [erover] aan hun kinderen [vertellen]
en hun kinderen [weer] aan de volgende generatie.
)
. Tevens wordt in de profetie van Joël duidelijk hoezeer deze plaag een profetische betekenis heeft. In Joël 2 blijkt de sprinkhanenplaag een verwijzing te zijn naar het leger van de Assyriërs. Ze zullen het afvallige Israël overrompelen en verwoesten, zoals een menigte sprinkhanen een land afvreten en verwoesten. Het is een plaag door God beschikt, net als in Egypte.

In Openbaring 9:3 worden sprinkhanen verbonden met demonische machten. Deze machten manifesteren zich steeds sterker in de wereld. Een voorbeeld is het ongekende succes van ‘Harry Potter’ in boek- en filmvorm. Hierdoor en door soortgelijke acties van hedendaagse ‘sprinkhanen’ wordt het laatste restje waarheid van God uit de harten geroofd en worden deze woest en leeg gemaakt. Zo worden harten van mensen een broedplaats voor allerlei vormen van occultisme waar geen spoortje ‘groen’ als vrucht van Gods werk meer te zien is.

Het bekendmaken aan onze kinderen van de plagen die de wereld zullen treffen, zal hen waarschuwen zich van de wereld afgezonderd te houden. We moeten deze geschiedenissen niet alleen als feitenkennis aan onze kinderen doorgeven, maar hen erop wijzen dat God aan het werk is (Ps 78:3-43die wij gehoord hebben en weten
en onze vaders ons verteld hebben.
4Wij zullen ze niet verbergen voor hun kinderen,
[maar] aan de volgende generatie
de loffelijke daden van de HEERE vertellen,
Zijn kracht en Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft.
)
. Hij bestuurt alles om Zijn einddoel te bereiken.


Aankondiging achtste plaag

3Toen kwamen Mozes en Aäron bij de farao en zeiden tegen hem: Zo zegt de HEERE, de God van de Hebreeën: Hoelang weigert u zich voor Mijn aangezicht te vernederen? Laat Mijn volk gaan, zodat zij Mij dienen kunnen. 4Want als u weigert Mijn volk te laten gaan, zie, dan zal Ik morgen sprinkhanen op uw grondgebied brengen. 5Zij zullen het oppervlak van het land bedekken, zodat men geen land [meer] kan zien. Zij zullen het overschot van wat aan de hagel ontkomen is, wat er voor u overgebleven is, opvreten, ja, [zij zullen] al de bomen die voor u op het veld opkomen, kaalvreten. 6En uw huizen, de huizen van al uw dienaren en de huizen van alle Egyptenaren, zullen er vol mee worden, zoals uw vaders en uw voorvaders [het] niet gezien hebben vanaf de dag dat zij op de aardbodem waren tot op deze dag. Toen keerde hij zich om en ging bij de farao weg.

Voor de zevende keer klinkt de oproep: “Laat Mijn volk wegtrekken, zodat zij Mij dienen.” Bij weigering zullen er sprinkhanen komen, in een ongekende hoeveelheid. Eén enkele sprinkhaan is onbetekenend, hij stelt niets voor, maakt geen enkele indruk, is zomaar dood te trappen. De Israëlieten in hun ongeloof voelden zich zo tegenover de reuzen in Kanaän (Nm 13:3333Wij hebben er ook reuzen gezien, nakomelingen van Enak, [afkomstig] van de reuzen. Wij waren in onze [eigen] ogen als sprinkhanen, en zo waren wij ook in hun ogen.). Maar in groten getale zijn ze overweldigend en verwoestend (Ri 6:55Want zij trokken op met hun vee en hun tenten: zo talrijk als sprinkhanen kwamen zij, zodat men hen en hun kamelen niet kon tellen. En zij kwamen in het land om dat teniet te doen.; Ri 7:1212En Midian en Amalek en al de mensen van het oosten lagen in het dal, zo talrijk als sprinkhanen. En hun kamelen waren ontelbaar, zo talrijk als de zand[korrels] die zich aan de oever van de zee bevinden.).

Nadat Mozes zijn boodschap heeft gebracht, draait hij zich resoluut om en gaat bij de farao weg. Hij wacht niet op antwoord.


Nieuw compromis van de farao

7De dienaren van de farao zeiden tegen hem: Hoelang zal deze [man] voor ons tot een valstrik zijn? Laat de mannen gaan, zodat zij de HEERE, hun God, kunnen dienen! Beseft u nog niet dat Egypte verloren is? 8Toen werden Mozes en Aäron weer bij de farao gebracht en hij zei tegen hen: Ga! Dien de HEERE, uw God! Wie precies zullen er gaan? 9En Mozes zei: Wij zullen met onze jongeren en ouderen gaan. Met onze zonen en dochters, met ons kleinvee en onze runderen zullen wij gaan, want wij hebben een feest voor de HEERE. 10Toen zei hij tegen hen: De HEERE moge net zo met u zijn als ik u en uw kleine kinderen laat gaan! Kijk uit, want er staat u onheil te wachten! 11Zo niet! Laat toch de mannen gaan, zodat zij de HEERE kunnen dienen, want dat is waar u om verzocht hebt! En men dreef hen weg van voor de farao.

Het lijkt alsof de farao ertoe moet worden overgehaald om deze plaag af te wenden, zo verhard is zijn hart. Hij luistert naar zijn dienaren en laat Mozes en Aäron halen. De farao wil hen laten gaan, tenminste zo lijkt het. Hij verbindt echter een onacceptabele voorwaarde aan het vertrek van de Israëlieten. Ook deze voorwaarde toont aan hoe sluw hij is.

De farao wacht niet op antwoord op zijn aanbod. Hij laat Mozes en Aäron wegjagen. Hij weet wel dat zijn voorstel zonder vorm van protest door hen zou worden verworpen. Uit dit wegjagen blijkt dat er bij hem geen greintje oprechtheid aanwezig is. Het aangekondigde oordeel wordt dan ook terecht uitgevoerd.

Deze list van de farao, zijn derde, heeft te maken met de relatie tussen ouders en kinderen. Hij wil de mannen laten gaan, maar de kinderen als een soort gijzelaars in Egypte houden. Als de ouders het feest hebben gevierd in de woestijn, zullen ze vanwege hun kinderen wel terugkeren naar Egypte. Zijn voorstel komt er tevens op neer dat hij een wig drijft tussen ouders en kinderen.

Dat doet de satan nu ook. Hij wil wel toestaan dat de ouders zich met de dingen van de Heer en het Woord bezighouden en naar samenkomsten gaan waar Gods Woord wordt gepredikt, als de kinderen daar maar niet aan meedoen. Maar God wil dat de gelovigen met hun kinderen Hem dienen in de woestijn. Als het de satan lukt de kinderen vast te houden, is de kans groot dat ook de ouders terugkeren naar de wereld en naar het zoeken van wereldse dingen.

Als de satan de jeugd in zijn greep krijgt, gaat het getuigenis aangaande God verloren. Als echter het dienen van God, als de samenkomsten, waar dat ook mag gebeuren, werkelijk een feest zijn, zoals Mozes hier zegt, dan zullen we onze kinderen er graag mee naar toe nemen en zullen zij er ook graag zijn.


De achtste plaag: sprinkhanen

12Toen zei de HEERE tegen Mozes: Strek uw hand uit over het land Egypte omwille van de sprinkhanen, zodat zij over het land Egypte opkomen en al het gewas van het land opvreten, al wat de hagel heeft overgelaten. 13Toen strekte Mozes zijn staf uit over het land Egypte, en de HEERE bracht die hele dag en die hele nacht een oostenwind in het land. [En] het gebeurde, toen het morgen geworden was, dat de oostenwind de sprinkhanen meevoerde. 14De sprinkhanen kwamen op over heel het land Egypte en streken neer op heel het gebied van de Egyptenaren, een zeer grote [zwerm]. Nooit eerder is er zo'n [zwerm] sprinkhanen geweest, en hierna zal er nooit [weer] zo een zijn, 15want zij bedekten de oppervlakte van heel het land, zodat het land [erdoor] verduisterd werd. Zij vraten al het gewas van het land op en al de vruchten van de bomen die de hagel had overgelaten. Er bleef niets groens aan de bomen en aan het gewas van het veld in heel het land Egypte.

De HEERE geeft Mozes opdracht zijn hand over Egypte uit te strekken. Daarop strekt Mozes zijn staf uit. Niet zijn hand, maar de staf van God die in zijn hand is, doet de plaag komen. Door een oostenwind wordt een niet geëvenaarde hoeveelheid sprinkhanen over Egypte gebracht. Het is het leger van de HEERE (Jl 2:1111En de HEERE laat Zijn stem klinken
voor Zijn leger uit,
want Zijn leger is zeer groot,
ja, machtig is Hij, Die Zijn woord ten uitvoer brengt.
Groot is immers de dag van de HEERE
en zeer ontzagwekkend. Wie zal hem kunnen verdragen?
)
. Alles wat nog niet door eerdere oordelen is vernietigd, wordt nu afgevreten. In heel Egypte blijft geen groen meer over.


De farao vraagt weer om voorbede

16Toen haastte de farao zich om Mozes en Aäron te roepen, en hij zei: Ik heb gezondigd tegen de HEERE, uw God, en tegen u. 17Nu dan, vergeef [mij] toch nog deze [ene] keer mijn zonde en bid vurig tot de HEERE, uw God, dat Hij alleen deze dodelijke [plaag nog] van mij wegneemt. 18Toen ging hij bij de farao weg en bad vurig tot de HEERE. 19En de HEERE keerde [de wind en liet] een zeer sterke westenwind [opsteken]. Die tilde de sprinkhanen op en wierp ze in de Schelfzee. Er bleef niet één sprinkhaan over op heel het grondgebied van Egypte. 20Maar de HEERE verhardde het hart van de farao, zodat hij de Israëlieten niet liet gaan.

Dit keer heeft de farao haast om Mozes en Aäron te ontbieden. Weer komt de belijdenis over zijn lippen: “Ik heb gezondigd.” Hij vraagt zelfs om vergiffenis. Hij ziet dat de dood zijn land is binnengekomen. Maar de tijd om zich te kunnen bekeren, is voorbij. Zijn onverbeterlijkheid is al gebleken. Hij heeft zijn tijd voorbij laten gaan (Jr 46:1717Daar riepen zij: De farao,
de koning van Egypte, is een grootspreker: hij heeft het juiste moment voorbij laten gaan!
)
. Hij heeft de tijd waarin naar hem werd omgezien, niet erkend (Lk 19:4444en zij zullen u met de grond gelijkmaken met uw kinderen in u; en zij zullen in u geen steen op [de andere] steen laten, aangezien u de tijd waarin naar u werd omgezien, niet hebt erkend.).

God is volmaakt rechtvaardig in het oordeel van de verharding. Toch neemt Hij op grond van het gebed van Mozes de plaag weg. Alle sprinkhanen komen om in de Schelfzee, waar later de farao en zijn ruiters ook in zullen omkomen. Er blijft geen sprinkhaan over. Wat een getuigenis van Zijn macht!


De negende plaag: duisternis

21Toen zei de HEERE tegen Mozes: Strek uw hand uit naar de hemel, zodat er duisternis komen zal over het land Egypte, en de duisternis te tasten is. 22Toen Mozes zijn hand uitstrekte naar de hemel, kwam er een dikke duisternis in heel het land Egypte, drie dagen [lang]. 23Zij zagen elkaar niet, en drie dagen [lang] stond niemand op van zijn plaats. Voor alle Israëlieten echter was het licht in hun woongebieden.

Zonder aankondiging komt de plaag van de duisternis. Evenals andere plagen is ook deze plaag een openbaring van Gods macht tegenover de afgoden van Egypte. Hier wordt de voornaamste god, de zon (Ra), de bron van licht, warmte en leven, volledig door Gods macht overmeesterd en in donkerheid gehuld. De duisternis is zo groot, dat het onmogelijk is iemand anders te zien; het is zelfs niet mogelijk zich te verplaatsen. In volslagen duisternis ontbreekt elke oriëntatie.

Ook deze plaag komt voor in de eindoordelen over de wereld (Op 16:1010En de vijfde goot zijn schaal uit op de troon van het beest, en zijn koninkrijk werd verduisterd; en zij kauwden hun tongen van pijn). Het is de plaag die de goddeloze treft (Jb 18:5-65Ja, het licht van de goddelozen wordt uitgedoofd,
en de vlam van zijn vuur zal niet [meer] schijnen.
6Het licht wordt in zijn tent verduisterd,
en zijn lamp boven hem wordt uitgedoofd.
)
en waaraan, als hij in zijn goddeloosheid sterft, nooit een einde zal komen. Hij zal tot in eeuwigheid “in de buitenste duisternis” zijn (Mt 8:1212de zonen van het koninkrijk echter zullen worden uitgeworpen in de buitenste duisternis; daar zal het geween zijn en het tandengeknars.; 2Pt 2:1717Dezen zijn waterloze bronnen en nevelen door [de] storm voortgedreven, voor wie de donkerheid van de duisternis bewaard wordt.; Op 20:1010En de duivel die hen misleidde, werd geworpen in de poel van vuur en zwavel waar zowel het beest als de valse profeet zijn, en zij zullen dag en nacht gepijnigd worden tot in alle eeuwigheid.).

We hebben in deze plaag een beeld van de mens zonder God, want die is verduisterd in het verstand (Ef 4:1818verduisterd in hun verstand, vreemd aan het leven van God, wegens de onwetendheid die in hen is, wegens de verharding van hun hart.). Ook zijn “onverstandig hart is verduisterd geworden” (Rm 1:2121omdat zij, hoewel zij God kennen, [Hem] als God niet verheerlijkt of gedankt hebben, maar in hun overleggingen zijn zij tot dwaasheid vervallen en hun onverstandig hart is verduisterd geworden.). Een mens zonder God gaat al tastend zijn weg. Hij weet niet waar hij vandaan komt en waar hij heen gaat. Nu kan hij nog door God in zijn hart beschenen worden “tot [de] lichtglans van de kennis van de heerlijkheid van God in [het] aangezicht van <Jezus> Christus” (2Ko 4:66Want de God Die gezegd heeft: ‘Uit duisternis zal licht schijnen’, Die heeft geschenen in onze harten tot [de] lichtglans van de kennis van de heerlijkheid van God in [het] aangezicht van <Jezus> Christus.). Maar als de gemeente is opgenomen, zal de mens helemaal aan de satan en zijn demonen, de machten van de duisternis, zijn overgeleverd.

Op één plaats is er vandaag licht: onder het volk van God. Dat was ook zo in Egypte. ”Voor alle Israëlieten echter was het licht in hun woongebieden.” Geestelijk gezien was Christus als het paaslam dat licht. Tijdens de drie dagen duisternis hadden de Israëlieten een lam in huis (Ex 12:33Spreek tot heel de gemeenschap van Israël: Op de tiende [dag] van deze maand moet ieder voor zich een lam per familie nemen, een lam per gezin.). Dat herinnert aan Openbaring 21 waar van het nieuwe Jeruzalem staat: “Haar lamp is het Lam” (Op 21:2323En de stad heeft de zon of de maan niet nodig om haar te beschijnen, want de heerlijkheid van God verlichtte haar en haar lamp is het Lam.). Hoe goed is het als in de huizen van Gods kinderen Christus, het ware Paaslam (1Ko 5:77Zuivert het oude zuurdeeg uit, opdat u een nieuw deeg bent; u bent immers ongezuurd. Want ook ons Pascha, Christus, is geslacht.), centraal staat.

De Heer Jezus is “het licht van de wereld” (Jh 8:1212Jezus dan sprak opnieuw tot hen en zei: Ik ben het licht van de wereld; wie Mij volgt, zal geenszins in de duisternis wandelen, maar zal het licht van het leven hebben.). Zo kwam Hij in de wereld. Waar normaal de duisternis verdwijnt als er licht komt, is door de komst van het Licht van de wereld bewezen hoe groot de duisternis is, want het licht is door de duisternis verworpen! Maar voor de enkeling geldt: “Wie in Mij gelooft, blijft niet in de duisternis” (Jh 12:4646Ik ben als een licht in de wereld gekomen, opdat ieder die in Mij gelooft, niet in de duisternis blijft.). Voor kinderen van God geldt ook dat zij kinderen van het licht zijn en daarom ertoe worden opgeroepen: “Wandelt als kinderen van het licht” (Ef 5:88want vroeger was u duisternis, maar nu bent u licht in [de] Heer; wandelt als kinderen van het licht).


Het laatste compromis verworpen

24Toen riep de farao Mozes, en zei: Ga [en] dien de HEERE. Alleen uw kleinvee en uw runderen moeten achterblijven. Uw kleine kinderen mogen wel met u meegaan. 25Maar Mozes zei: U moet ons zelf ook slachtoffers en brandoffers ter beschikking stellen, die wij aan de HEERE, onze God, zullen brengen, 26en ons vee zal ook met ons meegaan. Geen hoef zal achterblijven, want van [het vee] moeten wij nemen om de HEERE, onze God, te dienen. Wij immers, wij weten niet waarmee wij de HEERE, onze God, zullen dienen, totdat wij daar komen. 27Maar de HEERE verhardde het hart van de farao, en hij wilde hen niet laten gaan. 28En de farao zei tegen [Mozes]: Ga bij mij weg! Wees op uw hoede, dat u mij niet nog eens onder ogen komt, want op de dag dat u mij onder ogen komt, zult u sterven! 29Mozes nu zei: U hebt juist gesproken. Ik zal u niet meer onder ogen komen.

De farao laat Mozes weer komen. Hij heeft nog een voorstel. Ze mogen allemaal gaan, alleen moeten ze hun kleinvee en hun runderen achterlaten. Maar Mozes laat zich ook ditmaal niet misleiden. Hoe zouden ze God offers kunnen brengen als ze hun vee niet mee zouden nemen? Hij is niet tot het allerkleinste compromis bereid: er zal zelfs geen hoef van het vee in Egypte achterblijven.

Christus heeft ons verlost en heeft daardoor recht op alles wat we zijn en bezitten. Dit totale bezit moet zijn tot Zijn lof en Hem ten dienste staan. Hij moet er vrij over kunnen beschikken. We mogen er niets van in de wereld laten. Dit kan alleen als we door de dood en opstanding van Christus werkelijk in een nieuwe wereld terecht zijn gekomen, waar we ons bewust zijn wat de dienst aan Hem allemaal inhoudt.

Als het niet anders kan, wil de satan ons wel laten gaan om God te dienen. Maar wat is een dienst aan God waard als er in ons leven geen geestelijke offers van lof en dank gevonden worden en ook ons bezit niet aan Hem wordt geofferd (Hb 13:15-1615Laten wij <dan> door Hem voortdurend een lofoffer brengen aan God, dat is [de] vrucht van [de] lippen die Zijn Naam belijden.16En vergeet de weldadigheid en de mededeelzaamheid niet, want in zulke offers heeft God een welbehagen.)? Heel wat christenen menen dat de hoogste dienst aan God naastenliefde of prediking van het evangelie is. Maar als er geen geestelijke offers van lof en dank worden gebracht, is de satan in zijn list geslaagd.

We lezen niet dat de Vader zoekt naar allerlei vormen van christelijke activiteit, hoewel Hij dat waardeert en zal belonen. We lezen wel dat Hij aanbidders zoekt die Hem in geest en waarheid aanbidden (Jh 4:23-2423Maar er komt een uur, en het is er, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid; immers, de Vader zoekt zulke [personen] die Hem aanbidden.24God is een geest, en wie Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid.). Zijn hart verlangt er bovenal naar dat ons hart uitgaat naar Hemzelf en Zijn gave in Christus.

De farao is aan het einde van al zijn listen. Hij barst in woede los tegen Mozes. Hij wil Mozes nooit meer zien. ‘Dat zal gebeuren’, zegt Mozes in alle rust. Als de farao later Mozes en Aäron toch nog een keer ontbiedt (Ex 12:3131En hij riep Mozes en Aäron in de nacht, en zei: Sta op, ga weg uit het midden van mijn volk, zowel u als de Israëlieten, en ga weg, dien de HEERE, zoals u gesproken hebt.), is dat in een volledig andere situatie en verhouding.


Lees verder