Esther
1-5 De koning wil Mordechai eer bewijzen 6-9 Haman adviseert de koning 10-11 Haman bewijst Mordechai eer 12-14 Haman begint te vallen
De koning wil Mordechai eer bewijzen

1In die nacht was de slaap van de koning geweken. Hij zei dat men het gedenkboek, de kronieken, moest brengen, en die werden in de tegenwoordigheid van de koning gelezen. 2Men vond [daarin] beschreven dat Mordechai over Bigthana en Teres, twee hovelingen van de koning, [uit de kring] van de deurwachters, verteld had dat ze de hand aan koning Ahasveros wilden slaan. 3Toen zei de koning: Welk eer[bewijs] en welke onderscheiding is hiervoor aan Mordechai verleend? En de hovelingen van de koning die hem dienden, zeiden: Er is niets aan hem verleend. 4Toen zei de koning: Wie is er in de voorhof? – Nu was Haman de buitenste voorhof van het huis van de koning binnengekomen om de koning te zeggen dat men Mordechai zou hangen aan de galg die hij voor hem had laten oprichten. – 5En de hovelingen van de koning zeiden tegen hem: Zie, Haman staat in de voorhof. Toen zei de koning: Laat hem binnenkomen.

“In die nacht” (vers 11In die nacht was de slaap van de koning geweken. Hij zei dat men het gedenkboek, de kronieken, moest brengen, en die werden in de tegenwoordigheid van de koning gelezen.), met de klemtoon op ‘die’, dus juist in deze nacht, wijkt de slaap van Ahasveros. Hij, die over honderdzevenentwintig gewesten gebiedt, kan over geen enkel uur slaap gebieden. Dat komt omdat een Ander niet slaapt: de Bewaarder van Israël (Ps 121:3-43Hij zal uw voet niet laten wankelen,
uw Bewaarder zal niet sluimeren.
4Zie, de Bewaarder van Israël
zal niet sluimeren of slapen.
)
. Hij brengt een wonder in voorzienigheid tot stand. God gaat iets doen wat alleen Hij kan doen. Hoe Hij alles bestuurt, kan niet anders dan ons tot bewondering brengen.

Het is een bijzondere nacht. In deze nacht draait alles om Mordechai. Haman denkt aan hem. Esther zal ook met hem zijn bezig geweest. Ook de koning wordt in die nacht aan hem herinnerd. Dat gebeurt op een merkwaardige manier die duidelijk maakt dat Gods hand de dingen leidt.

Omdat de koning niet kan slapen, vraagt hij om het gedenkboek, een boek waarin de gedenkwaardigheden staan opgeschreven, ook wel ‘de kronieken’ genoemd. Ahasveros heeft zich er vast niet uit laten voorlezen om er door in slaap te vallen. Om in slaap te vallen zijn muziek of zang meer geschikt. God geeft het hem in het hart erom te vragen. Uit de vele kronieken wordt juist de rol genomen waarin opgeschreven is wat Mordechai heeft gedaan en daaruit wordt “in de tegenwoordigheid van de koning gelezen”. Het opschrijven is ook “in de tegenwoordigheid van de koning” gebeurd (Es 2:2323Toen de zaak onderzocht werd, en juist bevonden, werden zij beiden aan een galg gehangen. En in de tegenwoordigheid van de koning werd dit in de kronieken opgetekend.).

Door het voorlezen van deze gebeurtenis wordt de koning eraan herinnerd aan welk gevaar hij, nu ongeveer vier jaar geleden, heeft blootgestaan en hoe Mordechai dit kwaad heeft bezworen door het bekend te maken (vers 22Men vond [daarin] beschreven dat Mordechai over Bigthana en Teres, twee hovelingen van de koning, [uit de kring] van de deurwachters, verteld had dat ze de hand aan koning Ahasveros wilden slaan.). We zien hier weer een parallel met de geschiedenis van Jozef. Ook Jozef wordt pas enkele jaren na zijn gesprek in de gevangenis met de schenker bij de farao in gedachtenis gebracht (Gn 40:2323Het hoofd van de schenkers dacht echter niet meer aan Jozef, maar vergat hem.; 41:1,91En het gebeurde, na verloop van twee volle jaren, dat de farao droomde, en zie, hij stond aan de Nijl.9Toen zei het hoofd van de schenkers tegen de farao: Vandaag moet ik mijn zonden in herinnering brengen.).

Dat het pas nu aan de koning bekend wordt, is omdat niet alleen Mordechai moet worden geëerd, maar ook Haman moet worden geopenbaard en geoordeeld. In zijn onwetendheid en nalatigheid is Ahasveros natuurlijk geen beeld van God. Wat wel op hem van toepassing is, is dat God op Zijn tijd zowel de Heer Jezus openlijk zal verheerlijken als de satan volkomen zal vernederen. De verheerlijking van de Heer Jezus hangt samen met de vernedering van de satan.

Op de vraag van de koning welk eerbewijs en welke onderscheiding Mordechai voor zijn daad is verleend, is het antwoord: “Er is niets aan hem verleend” (vers 33Toen zei de koning: Welk eer[bewijs] en welke onderscheiding is hiervoor aan Mordechai verleend? En de hovelingen van de koning die hem dienden, zeiden: Er is niets aan hem verleend.). Het herinnert aan de Heer Jezus Die ook nog niet openlijk voor het oog van de wereld wordt geëerd en vergeten lijkt te zijn (vgl. Pr 9:14-1514Er was een kleine stad met weinig mensen erin. Een groot koning trok ertegen op en omsingelde die. Hij bouwde er grote bolwerken tegen aan.15Daar trof men een arme, wijze man aan. Hij redde de stad door zijn wijsheid, maar geen mens dacht aan die arme man.
)
. Hij is als Messias voor Zijn volk gekomen, maar door hen verworpen. In dit opzicht heeft Hij nog niets gekregen (vgl. Dn 9:26a26Na de tweeënzestig weken
zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hemzelf zijn.
Een volk van een vorst, [een volk] dat komen zal,
zal de stad en het heiligdom te gronde richten.
Het einde ervan zal zijn in de [overstromende] vloed
en tot het einde toe zal er oorlog zijn,
verwoestingen [waartoe] vast besloten is.
)
. Voor de wereld schijnt Christus de Verliezer en lijkt de satan de overwinnaar te zijn.

De duivel heeft de Heer Jezus in de grootste vernedering gebracht en Hem de grootste smaad aangedaan. Juist daardoor zijn in Christus de grootste en heerlijkste voortreffelijkheden openbaar geworden waarvoor God en ook wij Hem eren en bewonderen. De tijd komt dat God gaat handelen om Hem openlijk de eer te geven die Hem toekomt. Voor het geloof heeft God Hem al verheerlijkt, want “wij zien Jezus, met heerlijkheid en eer gekroond” (Hb 2:99maar wij zien Jezus, Die een weinig minder dan [de] engelen gemaakt was vanwege het lijden van de dood met heerlijkheid en eer gekroond, opdat Hij door [de] genade van God voor alles [de] dood smaakte.) in de hemel. God wacht niet met de verheerlijking van Zijn Zoon, maar heeft Hem na Zijn werk op het kruis direct verheerlijkt bij Zichzelf (Jh 13:31-3231Toen hij dan naar buiten was gegaan, zei Jezus: Nu is de Zoon des mensen verheerlijkt en God is in Hem verheerlijkt.32<Als God in Hem verheerlijkt is,> zal God Hem ook in Zichzelf verheerlijken en Hij zal Hem terstond verheerlijken.).

De koning is klaarwakker. Hij moet een verzuim goedmaken en wel direct. Er mag geen minuut extra meer verloren gaan. In de manier waarop hij zijn verzuim wil goedmaken, is onmiskenbaar de hand van God aanwezig. Hij laat niet Mordechai halen om zich te excuseren en hem een grote beloning in geld te geven. Hij had ook zijn wijzen kunnen roepen om met hen te overleggen, zoals hij dat heeft gedaan toen Vasthi weigerde te komen. Nee, hij krijgt de ingeving om te vragen wie er in de voorhof is (vers 44Toen zei de koning: Wie is er in de voorhof? – Nu was Haman de buitenste voorhof van het huis van de koning binnengekomen om de koning te zeggen dat men Mordechai zou hangen aan de galg die hij voor hem had laten oprichten. –).

Dat is een bijzonder merkwaardige ingeving, want het is nog nacht. We weten niet hoelang er uit de kronieken is voorgelezen voordat gelezen wordt wat Mordechai heeft gedaan. Het is niet aannemelijk dat dit uren heeft geduurd. Het is in elk geval een ongebruikelijk tijdstip om daarop te vragen naar de aanwezigheid van iemand in de voorhof.

Voordat de koning antwoord krijgt op zijn vraag, vertelt de schrijver van het boek ons dat Haman de voorhof is binnengekomen en ook waarom hij daar is. Het geval wil dat – door Gods besturing – Haman net de buitenste voorhof van het huis van de koning is binnengekomen om de koning te zeggen Mordechai te laten ophangen aan de galg die hij voor hem heeft laten oprichten.

Haman is zó ongeduldig om Mordechai gehangen te krijgen dat hij heel vroeg naar het paleis is gegaan. Hij wil, zodra de koning is opgestaan en voordat die zich met iets anders zou moeten bezighouden, dit voor zijn aandacht brengen. Daartegenover is de koning zó ongeduldig om Mordechai geëerd te zien, dat hij laat vragen wie er in de voorhof is, die misschien geschikt is om er voor gebruikt te worden.

Wat een wonderbaarlijke samenloop van omstandigheden. Denken we ons de situatie eens goed in. Op het moment dat de koning bezig is met het zoeken naar een gepaste wijze om Mordechai te verhogen, komt Haman de voorhof binnen. Haman is ook bezig met de verhoging van Mordechai, maar dan aan de galg. Dit is geen toeval, maar een besturing van God Die achter de schermen bezig is voor Mordechai en het volk van Mordechai.

Als de hovelingen de koning hebben verteld dat Haman in de voorhof staat, luidt het bevel van de koning: “Laat hem binnenkomen” (vers 55En de hovelingen van de koning zeiden tegen hem: Zie, Haman staat in de voorhof. Toen zei de koning: Laat hem binnenkomen.). De kortheid van de mededeling geeft accent aan het dringende karakter van het eerbetoon dat de koning Mordechai wil bewijzen. Het verhoogt ook het dramatische effect dat dit bevel voor Haman zal hebben. De geschiedenis ontwikkelt zich nu in versneld tempo.


Haman adviseert de koning

6Toen Haman binnengekomen was, zei de koning tegen hem: Wat moet worden gedaan voor de man aan wie het de koning behaagt eer [te bewijzen]? Toen dacht Haman bij zichzelf: aan wie behaagt het de koning meer eer te bewijzen dan aan mij? 7Daarom zei Haman tegen de koning: Voor de man aan wie het de koning behaagt eer [te bewijzen], 8moet men het koninklijke gewaad brengen dat de koning gewoon is zelf te dragen, en het paard waarop de koning gewoon is zelf te rijden, en [laat] een koninklijke diadeem op zijn hoofd gezet worden. 9En [dan] moet men dat gewaad en dat paard in handen geven van iemand uit de vorsten van de koning, de edelen. En [dan] moet men hem aan wie het de koning behaagt eer [te bewijzen], hiermee kleden en hem op dat paard doen rijden over het plein van de stad, en voor hem uitroepen: Zo wordt gedaan met de man aan wie het de koning behaagt eer [te bewijzen]!

Als Haman is binnengekomen, vraagt de koning hem wat er moet gebeuren met de man aan wie de koning eer wil bewijzen (vers 66Toen Haman binnengekomen was, zei de koning tegen hem: Wat moet worden gedaan voor de man aan wie het de koning behaagt eer [te bewijzen]? Toen dacht Haman bij zichzelf: aan wie behaagt het de koning meer eer te bewijzen dan aan mij?). Daarbij valt op dat de koning de naam van de persoon om wie het gaat, niet noemt. Hetzelfde heeft Haman gedaan bij zijn voorstel een volk uit te roeien. Hij heeft toen ook de naam van dat volk niet genoemd (Es 3:88Toen zei Haman tegen koning Ahasveros: Eén volk is er dat verstrooid en verspreid is onder de volken in alle gewesten van uw koninkrijk. Hun wetten zijn anders dan [die van] alle volken en er is niemand die de wetten van de koning uitvoert. Het past de koning niet hen met rust te laten.). Dit verhullende spreken geeft het verhaal een spanning die blijft tot het moment van de ontknoping. Het heeft ook tot gevolg dat Haman de door hem gehate Mordechai eer moet bewijzen en dat hij tegelijk zijn eigen vernedering uitwerkt.

Voordat we het antwoord uit de mond van Haman horen, geeft de Geest van God, de eigenlijke Auteur van dit boek, ons een blik in het innerlijk van Haman. Voor God zijn alle dingen naakt en geopend (Hb 4:1313En geen schepsel is voor Hem onzichtbaar, maar alle dingen zijn naakt en geopend voor de ogen van Hem met Wie wij te doen hebben.). Haman denkt alleen aan zijn eigen grootheid. Het komt niet in hem op aan de koning te vragen wie die man is. Hij is zo vol van zichzelf, dat hij aan geen andere mogelijkheid kan denken dan dat de koning hem bedoelt. Hij gebruikt in zijn verborgen overweging precies dezelfde woorden als de koning. Zo wordt Haman het werktuig zowel van de verhoging van Mordechai als van zijn eigen ondergang. God bewerkt in Zijn rechtvaardige regering dat ieder ontvangt wat men zelf heeft gedaan of heeft willen doen (Ps 7:1616Hij heeft een kuil gedolven en die uitgegraven,
maar hij is gevallen in het graf [dat] hij [zelf] gemaakt heeft.
)
.

Zij die zichzelf bewonderen en vlijen, bedriegen zichzelf. Het is voor ieder van ons uiterst dwaas om te denken dat wij de enige verdienstelijke personen zijn of dat wij verdienstelijker zijn dan ieder ander. De bedrieglijkheid van ons hart komt nergens zo in uit als in de hoge dunk die wij van onszelf hebben. Het is belangrijk dat wij ons dat bewust zijn en daar voortdurend voor waken en bidden.

Volkomen onbekend met het plan dat de koning heeft, zoekt Haman de middelen uit waarmee zijn grootste vijand zal worden geëerd. In zijn verbeelding is hij “de man aan wie het de koning behaagt eer [te bewijzen]”. Zo begint hij zijn antwoord (vers 77Daarom zei Haman tegen de koning: Voor de man aan wie het de koning behaagt eer [te bewijzen],). Dan vult hij in wat er met die man – met hemzelf, zo meent hij – moet gebeuren. In wat hij opsomt, is geen enkele bescheidenheid te bespeuren. Hij is niet tevreden met koninklijke eer, maar zijn begeerte gaat uit naar de plaats van de koning. Dit is de oerzonde van de duivel die op zeker moment in zijn hart zegt: “Ik zal opstijgen boven de wolkenhoogten, ik zal mij gelijkstellen met de Allerhoogste” (Js 14:13-1413En ú zei in uw hart:
Ik zal opstijgen naar de hemel;
tot boven Gods sterren
zal ik mijn troon verheffen,
ik zal zetelen op de berg van de ontmoeting
aan de noordzijde.
14Ik zal opstijgen boven de wolkenhoogten,
ik zal mij gelijkstellen met de Allerhoogste.
)
.

In de eerste plaats moet die man “het koninklijke gewaad” worden gebracht, dat is het gewaad “dat de koning gewoon is zelf te dragen” (vers 88moet men het koninklijke gewaad brengen dat de koning gewoon is zelf te dragen, en het paard waarop de koning gewoon is zelf te rijden, en [laat] een koninklijke diadeem op zijn hoofd gezet worden.). Het gaat niet om een kleed uit de koninklijke garderobe, een kleed dat hem koninklijke waardigheid geeft, maar om het kleed van de koning zelf. Het paard waarop die man moet rijden, is niet een paard uit de koninklijke stallen, maar het paard waarop de koning zelf rijdt. Om elk misverstand uit te sluiten dat het werkelijk het paard van de koning zelf is, moet op het hoofd van het paard “een koninklijke diadeem” worden gezet.

Vervolgens moeten dat gewaad en dat paard in handen worden gegeven van een hooggeplaatste persoon, een vorst of een edele – dus niet een of andere onbetekenende lakei van de koning (vers 99En [dan] moet men dat gewaad en dat paard in handen geven van iemand uit de vorsten van de koning, de edelen. En [dan] moet men hem aan wie het de koning behaagt eer [te bewijzen], hiermee kleden en hem op dat paard doen rijden over het plein van de stad, en voor hem uitroepen: Zo wordt gedaan met de man aan wie het de koning behaagt eer [te bewijzen]!). Die voorname persoon moet die man “aan wie het de koning behaagt eer [te bewijzen]” met het gewaad van de koning kleden. Daarna moet die voorname persoon die man op het paard van de koning “doen rijden over het plein van de stad”. Het moet een openbaar eerbetoon worden. Om het niemand te laten ontgaan moet er ook voor hem uitgeroepen worden: “Zo wordt gedaan met de man aan wie het de koning behaagt eer [te bewijzen]!”


Haman bewijst Mordechai eer

10Toen zei de koning tegen Haman: Haast u, neem het gewaad en het paard zoals u gesproken hebt, en doe zo met de Jood Mordechai, die in de poort van de koning zit. Laat geen woord vallen van alles wat u hebt gezegd. 11Toen nam Haman het gewaad en het paard, kleedde Mordechai [met het gewaad], deed hem rijden over het plein van de stad en riep voor hem uit: Zo wordt gedaan met de man aan wie het de koning behaagt eer [te bewijzen]!

De koning gaat onmiddellijk op het voorstel van Haman in. Zodra Haman klaar is met het beschrijven welk eerbetoon de man moet krijgen aan wie de koning eer wil bewijzen, geeft de koning hem de opdracht dat te doen “met de Jood Mordechai, die in de poort van de koning zit” (vers 1010Toen zei de koning tegen Haman: Haast u, neem het gewaad en het paard zoals u gesproken hebt, en doe zo met de Jood Mordechai, die in de poort van de koning zit. Laat geen woord vallen van alles wat u hebt gezegd.). Hij gebiedt Haman daarbij nog eens nadrukkelijk geen woord te laten vallen van alles wat hij heeft voorgesteld dat met die man moet gebeuren. Hij, die gekomen is om te vragen om de dood van Mordechai, wordt verplicht voor hem uit te roepen dat iedereen hem moet eren (vers 1111Toen nam Haman het gewaad en het paard, kleedde Mordechai [met het gewaad], deed hem rijden over het plein van de stad en riep voor hem uit: Zo wordt gedaan met de man aan wie het de koning behaagt eer [te bewijzen]!). Dat is de ironie van God.

De eer die Mordechai krijgt, heeft nog niets veranderd aan de netelige positie van het volk. Esther moet haar verzoek nog doen. Maar de eer die Mordechai heeft gekregen, is de garantie voor de eer die ook zijn volk zal krijgen. Wat met Mordechai is gebeurd, zal tot voordeel van alle Joden zijn.

Hetzelfde zien we bij de Heer Jezus. Hij is al geëerd door God, terwijl de gemeente nog door strijd en lijden gaat. Maar de overwinning en verheerlijking van Christus is de garantie dat ook de gemeente in die overwinning en verheerlijking zal delen. We zullen delen in alles wat Hij door Zijn werk op het kruis als Zijn loon heeft ontvangen. Zowel het lot van Gods hemelse volk in deze tijd als het lot van Gods aardse volk, het gelovig overblijfsel in de eindtijd, is met de innigste en onbreekbare banden aan Hem verbonden.


Haman begint te vallen

12Daarna keerde Mordechai terug naar de poort van de koning, maar Haman haastte zich naar zijn huis, treurend en met het hoofd bedekt. 13En Haman vertelde aan zijn vrouw Zeres en aan al zijn vrienden alles wat hem overkomen was. Toen zeiden zijn wijzen en Zeres, zijn vrouw, tegen hem: Als Mordechai, voor wie u begonnen bent te vallen, uit het geslacht van de Joden is, zult u tegen hem niets kunnen [uitrichten], integendeel, u zult zeker voor hem ten val komen. 14Terwijl zij nog met hem spraken, kwamen de hovelingen van de koning er aan en zij haastten zich om Haman naar de maaltijd te brengen die Esther had aangericht.

De wegen van Mordechai en Haman gaan nu voorgoed uit elkaar (vers 1212Daarna keerde Mordechai terug naar de poort van de koning, maar Haman haastte zich naar zijn huis, treurend en met het hoofd bedekt.). De rustige Mordechai keert terug naar de plaats die hij steeds heeft ingenomen. Hij neemt zijn gewone plaats weer in omdat Esther hem aan het hart gaat en het welzijn van zijn volk. Daarnaar gaat zijn hart uit en dat is belangrijker voor hem dan zijn eigen eer en roem.

Er komt geen woord uit zijn mond. De dingen gebeuren met hem. Hij is net zo trouw na zijn huldiging als ervoor. Hij is niet trots op wat er met hem is gebeurd, maar neemt zijn gewone plaats in de poort weer in. Hij is nederig van geest en houdt daardoor de aan hem verleende eer vast. Hij vormt hiermee een groot contrast met Haman die na zijn promotie met grootheidswaanzin wordt vervuld. De hem verleende eer heeft hem machtsdronken gemaakt, waardoor hij nu bezig is van zijn hoogte af te vallen en nog grotere en diepere vernederingen te ondergaan (Sp 29:2323De hoogmoed van een mens zal hem vernederen,
maar de nederige van geest zal de eer vasthouden.
)
.

Haman die zichzelf zo graag geëerd heeft willen zien, is door deze gang van zaken vernederd. Alleen God kan een mens, een machtige, vernederen, zoals Hij dat ook met Nebukadnezar heeft gedaan (Dn 4:29-3329Na verloop van twaalf maanden was hij aan het wandelen op [het dak van] het koninklijk paleis van Babel.30De koning nam het woord en zei: Is dit niet het grote Babel dat ík als een huis voor het koninkrijk gebouwd heb, door mijn sterke macht en ter ere van mijn majesteit?31Dit woord was nog in de mond van de koning [of] er klonk een stem vanuit de hemel: U, koning Nebukadnezar, wordt aangezegd: Het koningschap is van u weggegaan!32Men zal u uit de mensen[wereld] verstoten en u zult uw verblijf hebben bij de dieren van het veld. Men zal u gras te eten geven zoals aan de runderen, en er zullen zeven tijden over u voorbijgaan, totdat u erkent dat de Allerhoogste Heerser is over het koningschap van de mensen en dat geeft aan wie Hij wil.33Op hetzelfde moment werd dat woord over Nebukadnezar voltrokken. Hij werd uit de mensen[wereld] verstoten, hij at gras zoals runderen, en zijn lichaam werd bevochtigd door de dauw van de hemel, totdat zijn haar zo lang werd als [de veren] van arenden en zijn nagels als [die] van vogels.). Nebukadnezar heeft dat erkend (Dn 4:34-3634Na verloop van die dagen sloeg ík, Nebukadnezar, mijn ogen op naar de hemel, want mijn verstand kwam in mij terug, en ik loofde de Allerhoogste en prees en verheerlijkte [Hem] Die eeuwig leeft,
Zijn heerschappij is immers een eeuwige heerschappij,
en Zijn Koninkrijk is van geslacht tot geslacht.
35Al de bewoners van de aarde worden als niets geacht.
Hij doet naar Zijn wil met de legermacht in de hemel
en de bewoners van de aarde.
Er is niemand die Zijn hand kan wegslaan
of tegen Hem kan zeggen: Wat doet U?
36Tegelijkertijd kwam mijn verstand weer in mij terug. Ook kwamen, tot eer van mijn koninkrijk, mijn majesteit en mijn waardigheid weer op mij terug. Mijn raadslieden en machthebbers maakten hun opwachting bij mij. Ik ben in mijn koningschap hersteld. Mij werd [zelfs] meer grootheid verleend.
)
, Haman niet. Hij haast zich naar huis. Zijn blijdschap is omgeslagen in treurnis. Als teken daarvan bedekt hij zijn hoofd.

Thuisgekomen vertelt hij zijn vrouw en al zijn vrienden wat hem is overkomen (vers 1313En Haman vertelde aan zijn vrouw Zeres en aan al zijn vrienden alles wat hem overkomen was. Toen zeiden zijn wijzen en Zeres, zijn vrouw, tegen hem: Als Mordechai, voor wie u begonnen bent te vallen, uit het geslacht van de Joden is, zult u tegen hem niets kunnen [uitrichten], integendeel, u zult zeker voor hem ten val komen.). De reactie van zijn vrienden, hier “zijn wijzen” genoemd, en zijn vrouw is niet bepaald bemoedigend voor hem. Zijn vrienden zijn nu de eersten die reageren. Bij de reactie op het voorstel van de galg staat zijn vrouw voorop (Es 5:1414Toen zei Zeres, zijn vrouw, tegen hem, samen met al zijn vrienden: Laat men een galg maken, vijftig el hoog, en zeg morgen tegen de koning dat men Mordechai daaraan moet hangen. Ga dus blij met de koning naar de maaltijd. Deze raad was goed in de ogen van Haman en hij liet de galg maken.). In de mening dat er eer te behalen valt, wil ze zich die wel toe-eigenen via haar man. Maar in het vooruitzicht van oneer trekt ze zich terug.

Hun ‘raad’ klinkt anders dan de dwaze raad die ze hem hebben gegeven om een galg te laten maken en Mordechai daaraan te laten ophangen (Es 5:1414Toen zei Zeres, zijn vrouw, tegen hem, samen met al zijn vrienden: Laat men een galg maken, vijftig el hoog, en zeg morgen tegen de koning dat men Mordechai daaraan moet hangen. Ga dus blij met de koning naar de maaltijd. Deze raad was goed in de ogen van Haman en hij liet de galg maken.). Ze erkennen de overwinning van Mordechai en trekken daaruit de juiste consequenties voor de toekomst. Daardoor wordt hun eerdere raad als dwaasheid ontmaskerd, want juist dat advies heeft bijgedragen aan de nederlaag en vernedering van Haman.

Ze voegen eraan toe dat Haman is begonnen te vallen en dat die val niet te stuiten zal zijn, omdat de man met wie hij te maken heeft “uit het geslacht van de Joden is”. Hun opmerking betekent dat ze ervan overtuigd zijn dat de Joden niet ten onder zullen gaan. Hoe ze dat weten, staat er niet bij, maar gelijk hebben ze. Niet de Joden, maar Haman zal zeker ten val komen en wel “voor hem”, dat is voor Mordechai. Ze accentueren op deze manier de grootheid en verhevenheid van Mordechai. Dat is het tegenovergestelde van de val waarover ze tegen Haman hebben gesproken.

In hun woorden tot hem klinkt door hoe deze man van een grootheidswaanzinnige is veranderd in een ontgoochelde met geen ander perspectief dan totale ontluistering. Eerst leek het lot van Mordechai uitzichtloos, nu is dat het deel van Haman.

De satan weet dat hij de verliezer is, maar zal zijn verlies nooit toegeven. Hij blijft handelen naar zijn eigen boosaardige natuur. Hij wist dat Christus uit het volk van de Joden zou voortkomen. Hoezeer hij ook heeft geprobeerd dat te voorkomen, Christus is geboren. Bij de dood van Christus leek de satan de overwinning te hebben behaald, maar Christus is opgestaan uit de dood. De satan lijkt nu de heerser van de wereld te zijn en te slagen in zijn vervolging van hen die bij Christus horen, maar hij gaat zijn ondergang tegemoet, net als Haman hier. De rollen zullen zichtbaar worden omgedraaid bij de komst van Christus. De satan zal zijn verlies uiteindelijk moeten erkennen als hij in de hel is. De triomf is aan Christus en daarin mogen allen delen die van Christus zijn.

Haman krijgt niet de kans nog iets te zeggen. Terwijl zijn vrienden en zijn vrouw met hem praten, komen de hovelingen van de koning hem halen voor de maaltijd die Esther heeft aangericht (vers 1414Terwijl zij nog met hem spraken, kwamen de hovelingen van de koning er aan en zij haastten zich om Haman naar de maaltijd te brengen die Esther had aangericht.). Ze kunnen hem niet meer van enige goed raad voorzien en hem zelfs niet meer bemoedigen. Zijn vrienden vallen stil in dit uur van de waarheid voor Haman. Wanneer het goed gaat, zijn er genoeg vrienden, maar als de zaken slecht gaan, verdwijnen ze (Sp 14:2020Een arme wordt zelfs door zijn vriend gehaat,
maar de vrienden van een rijke zijn talrijk.
)
.


Lees verder