Ezra
Inleiding 1-14 De lijst met Ezra’s reisgenoten 15-20 Oproep aan Levieten 21-23 Vasten en gebed 24-30 Zorg voor zilver, goud en voorwerpen 31-36 In Jeruzalem
Inleiding

Alle werk dat werkelijk van God is, moet worden beproefd. Voor de man van geloof, onderwezen in de gedachten van God, zijn moeilijkheden nooit onoverwinnelijk. Zo’n man van geloof is Ezra, zoals dit hoofdstuk laat zien.

Hoewel het werk van God waarin Ezra en de zijnen betrokken zijn, anders is dan dat van Zerubbabel en de anderen, worden er geen nieuwe beginselen ingevoerd. Ze hanteren dezelfde beginselen als zij die eerder in het land zijn gekomen. Ze houden zich aan wat ze hebben geleerd uit het Woord van God. Er wordt geen nieuw centrum bedacht of een nieuwe plaats van eredienst gekozen. Daarom gaat Ezra naar Jeruzalem.

Ze zullen spoedig zien dat zij, die hen zijn voorgegaan, gefaald hebben in wat hun is toevertrouwd. Falen vraagt om gepaste dienst, om vermaning en correctie tot gerechtigheid. Valse beginselen en een valse positie vormen geen basis voor herstel, maar moeten worden opgegeven.


De lijst met Ezra’s reisgenoten

1Dit zijn hun familiehoofden, met hun geslachtsregister, van hen die met mij uit Babel wegtrokken tijdens het koningschap van koning Arthahsasta. 2Van de nakomelingen van Pinehas: Gersom; van de nakomelingen van Ithamar: Daniël; van de nakomelingen van David: Hattus, 3van de nakomelingen van Sechanja; van de nakomelingen van Paros: Zacharja, en met hem werden er wat de mannen betreft honderdvijftig in het geslachtsregister ingeschreven; 4van de nakomelingen van Pahat-Moab: Eljehoënai, de zoon van Zerahja, en met hem tweehonderd mannen; 5van de nakomelingen van [Zattu]: Sechanja de zoon van Jahaziël, en met hem driehonderd mannen; 6van de nakomelingen van Adin: Ebed, de zoon van Jonathan, en met hem vijftig mannen; 7van de nakomelingen van Elam: Jesaja, de zoon van Athalja, en met hem zeventig mannen; 8van de nakomelingen van Sefatja: Zebadja, de zoon van Michaël, en met hem tachtig mannen; 9van de nakomelingen van Joab: Obadja, de zoon van Jehiël, en met hem tweehonderdachttien mannen; 10van de nakomelingen van [Baäni]: Selomit, de zoon van Josifja, en met hem honderdzestig mannen; 11van de nakomelingen van Bebai: Zacharja, de zoon van Bebai, en met hem achtentwintig mannen; 12van de nakomelingen van Azgad: Johanan, de zoon van Katan, en met hem honderdtien mannen; 13van de jongste nakomelingen van Adonikam – dit zijn hun namen: Elifelet, Jeïel en Semaja, en met hen zestig mannen; 14van de nakomelingen van Bigvai: Utai en Zabbud, en met hen zeventig mannen.

Vers 11Dit zijn hun familiehoofden, met hun geslachtsregister, van hen die met mij uit Babel wegtrokken tijdens het koningschap van koning Arthahsasta. sluit onmiddellijk aan op het laatste vers van het vorige hoofdstuk. Bij de familiehoofden is er ernstige zorg voor Gods huis en dat in een tijd dat zij, die eerder door God uit Babel zijn bevrijd, ontrouw zijn geworden. Waaruit die ontrouw bestaat, zullen we in Ezra 9 zien.

Het geslachtsregister (verzen 2-142Van de nakomelingen van Pinehas: Gersom; van de nakomelingen van Ithamar: Daniël; van de nakomelingen van David: Hattus,3van de nakomelingen van Sechanja; van de nakomelingen van Paros: Zacharja, en met hem werden er wat de mannen betreft honderdvijftig in het geslachtsregister ingeschreven;4van de nakomelingen van Pahat-Moab: Eljehoënai, de zoon van Zerahja, en met hem tweehonderd mannen;5van de nakomelingen van [Zattu]: Sechanja de zoon van Jahaziël, en met hem driehonderd mannen;6van de nakomelingen van Adin: Ebed, de zoon van Jonathan, en met hem vijftig mannen;7van de nakomelingen van Elam: Jesaja, de zoon van Athalja, en met hem zeventig mannen;8van de nakomelingen van Sefatja: Zebadja, de zoon van Michaël, en met hem tachtig mannen;9van de nakomelingen van Joab: Obadja, de zoon van Jehiël, en met hem tweehonderdachttien mannen;10van de nakomelingen van [Baäni]: Selomit, de zoon van Josifja, en met hem honderdzestig mannen;11van de nakomelingen van Bebai: Zacharja, de zoon van Bebai, en met hem achtentwintig mannen;12van de nakomelingen van Azgad: Johanan, de zoon van Katan, en met hem honderdtien mannen;13van de jongste nakomelingen van Adonikam – dit zijn hun namen: Elifelet, Jeïel en Semaja, en met hen zestig mannen;14van de nakomelingen van Bigvai: Utai en Zabbud, en met hen zeventig mannen.) laat zien hoe waardevol voor God de namen zijn van hen die nu aan Zijn oproep gehoor geven en optrekken naar Jeruzalem. Hij schrijft altijd aan Zijn volk toe wat Hij Zelf in genade in hun harten werkt. Nooit vergeet Hij wat er in geloof en onderworpenheid aan Zijn Woord is gebeurd.

Enkele nakomelingen van Adonikam, de jongsten, krijgen een aparte vermelding (vers 1313van de jongste nakomelingen van Adonikam – dit zijn hun namen: Elifelet, Jeïel en Semaja, en met hen zestig mannen;). Bij de eerste terugkeer is een deel, dat is de oudere generatie, al meegegaan (Ea 2:1313de nakomelingen van Adonikam: zeshonderdzesenzestig;
)
. Nu gaan met Ezra de jongste nakomelingen terug. Gods waardering voor hun terugkeer zien we in de vermelding van hun namen. God wenst dat hele geslachten hun plaats in het land innemen.


Oproep aan Levieten

15Ik bracht hen bijeen bij de rivier die naar Ahava stroomt, en wij sloegen daar voor drie dagen ons kamp op. Ik lette op het volk en de priesters, maar van de Levieten trof ik er daar geen aan. 16Toen stuurde ik Eliëzer, Ariël, Semaja, Elnathan, Jarib, Elnathan, Nathan, Zacharja en Mesullam, [familie]hoofden, en Jojarib en Elnathan, die inzicht hadden, 17en ik gaf hun een bevel voor Iddo, het hoofd in de plaats Casifja. Ik legde hun woorden in de mond om te spreken tot Iddo, zijn broeder [en] de tempeldienaren in de plaats Casifja [met het verzoek] ons dienaren voor het huis van onze God te brengen. 18En zij brachten ons, omdat de goede hand van onze God over ons was, een verstandig man, uit de nakomelingen van Machli, de zoon van Levi, de zoon van Israël, namelijk Serebja, met zijn zonen en zijn broers: achttien [man]; 19en Hasabja en met hem Jesaja, uit de nakomelingen van Merari, [met] zijn broers en hun zonen: twintig [man]; 20en van de tempeldienaren, die David en de vorsten aan de Levieten hadden gegeven voor de dienst: tweehonderdtwintig tempeldienaren; zij werden allen met name aangewezen.

Ezra en zijn gezelschap verblijven “drie dagen” bij de rivier (vers 15a15Ik bracht hen bijeen bij de rivier die naar Ahava stroomt, en wij sloegen daar voor drie dagen ons kamp op. Ik lette op het volk en de priesters, maar van de Levieten trof ik er daar geen aan.). “Drie dagen” bepaalt ons bij de dood en opstanding van de Heer Jezus. De Heer Jezus is drie dagen in de dood geweest en op de derde dag uit het graf opgestaan (vgl. Jz 3:1-21Toen stond Jozua 's morgens vroeg op. Zij braken op uit Sittim en kwamen tot aan de Jordaan, hij en al de Israëlieten. En zij overnachtten daar voordat zij overstaken.2En het gebeurde na verloop van drie dagen dat de beambten door het midden van het kamp gingen). De geestelijke betekenis van deze drie dagen is dat elke terugkeer naar de beginselen van de Schrift alleen kan plaatsvinden in het besef van de dood en de opstanding van de Heer Jezus. Door Zijn dood en opstanding is voor de gelovige een andere wereld, de wereld van de Vader, ontsloten. Daar bevindt de gelovige zich in het geloof en daar worden de geestelijke werkelijkheden beleefd.

Bij de rivier constateert Ezra dat er geen Levieten zijn (vers 15b15Ik bracht hen bijeen bij de rivier die naar Ahava stroomt, en wij sloegen daar voor drie dagen ons kamp op. Ik lette op het volk en de priesters, maar van de Levieten trof ik er daar geen aan.). Het ontbreken van Levieten is een droevig kenmerk van de situatie van verval. De Levieten hebben niet gereageerd op de oproep tot terugkeer. Zij zien het niet als een voorrecht weer dienst te kunnen doen in Gods tegenwoordigheid, maar voelen zich thuis in Babel, de plaats waar ze door Gods oordeel zijn terechtgekomen.

Waar zijn vandaag de dienaars van Gods volk? Ons vergaat het op dezelfde wijze als wij aardse dingen gaan bedenken in plaats van “de dingen die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan Gods rechterhand” (Ko 3:1-21Als u nu met Christus opgewekt bent, zoekt dan de dingen die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan Gods rechterhand.2Bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn.). We worden dan onverschillig ten aanzien van onze geestelijke voorrechten en kunnen zelfs “de vijanden van het kruis van Christus zijn” (Fp 3:1818Want velen wandelen, van wie ik u dikwijls heb gezegd en nu ook wenend zeg, dat zij de vijanden van het kruis van Christus zijn;). Geen kind van God die zijn hemelse roeping verstaat, kan er genoegen mee nemen in ‘Babel’ te blijven wonen.

Ezra neemt er geen genoegen mee dat de Levieten achterblijven en onderneemt actie. Hij stuurt er negen leiders en twee mannen “die inzicht hadden” (vers 1616Toen stuurde ik Eliëzer, Ariël, Semaja, Elnathan, Jarib, Elnathan, Nathan, Zacharja en Mesullam, [familie]hoofden, en Jojarib en Elnathan, die inzicht hadden,) op uit om Levieten ertoe te gaan bewegen mee te trekken naar Jeruzalem. De familiehoofden zijn belangrijk vanwege hun positie en de twee mannen zijn belangrijk vanwege hun inzicht. Het is een voorrecht dat er in een tijd van verval zulke mensen zijn. De negen familiehoofden hebben verantwoordelijkheidsbesef en de twee met inzicht zijn daarop een aanvulling. Als er in de gemeente tekorten worden geconstateerd, is het van belang dat zij die deze tekorten opmerken of daarop worden gewezen, elkaar helpen om in die tekorten te voorzien.

Ezra geeft de elf mannen het bevel om naar Iddo te gaan (vers 1717en ik gaf hun een bevel voor Iddo, het hoofd in de plaats Casifja. Ik legde hun woorden in de mond om te spreken tot Iddo, zijn broeder [en] de tempeldienaren in de plaats Casifja [met het verzoek] ons dienaren voor het huis van onze God te brengen.). Iddo bekleedt een gezagspositie in Casifja. Hoe de mannen tot Iddo en hen die bij hem zijn, moeten spreken, krijgen ze van Ezra te horen. Ze moeten aan hen vragen “dienaren voor het huis van God” te brengen. Het gaat Ezra niet om zijn eigen belangen, maar om die van God. Hij kent de behoeften van Gods huis en daar gaat het hem om. Hij lijkt hierin op Hem, Die door ijver voor Gods huis werd verteerd (Ps 69:1010Want de ijver voor Uw huis heeft mij verteerd;
al de smaad van wie U smaden, is op mij gevallen.
; Jh 2:1717Zijn discipelen herinnerden zich dat er geschreven staat: ’De ijver voor Uw huis zal Mij verteren’.)
. Het is voor Ezra pijnlijk om te constateren dat niemand zich had gemeld die de dienst in verbinding met het heiligdom kon doen.

Door de zegen en bescherming van God, door “de goede hand van onze God over ons” (vers 1818En zij brachten ons, omdat de goede hand van onze God over ons was, een verstandig man, uit de nakomelingen van Machli, de zoon van Levi, de zoon van Israël, namelijk Serebja, met zijn zonen en zijn broers: achttien [man];), heeft zijn actie resultaat. “Een verstandig man”, Serebja, meldt zich, “met zijn zonen en zijn broers”, in totaal achttien man. Het woord “brachten” wekt de indruk dat er enige aansporing nodig is geweest om deze Levieten zover te krijgen dat ze zich bij Ezra voegen. Serebja is “de zoon van Israël”. Dat hij zo wordt genoemd, laat iets zien van Gods waardering voor zijn komst, ook al moet hij als het ware wakker worden geschud en is zijn aansluiting bij Ezra op het nippertje. Hoewel laat, is zijn komst toch ‘vorstelijk’ (Israël betekent ‘vorst van God’).

Verder worden er nog twee nakomelingen van Merari met broers en zonen, in totaal twintig man, naar Ezra gebracht. Dat betekent dat er in totaal slechts achtendertig Levieten met Ezra meegaan. De rest blijft bij hun aangenaam opgebouwde bestaan in Babel. De voorrechten van de dienst van God oefenen geen kracht meer uit op hun hart en geweten.

Waar zijn vandaag de gaven die de Heer aan de gemeente heeft gegeven? Wie oefent zijn gave nog uit? Veel gelovigen voelen zich lekker in een systeem waar alles is geregeld en waar ze heerlijk vrijblijvend kunnen komen en gaan, wanneer zij daar zin in hebben. Het is goed om gelovigen aan te sporen de hun gegeven taak waar te nemen, zoals Paulus tegen de Kolossers zegt dat zij Archippus moeten aansporen: En zegt aan Archippus: Let erop, dat u de bediening die u in [de] Heer hebt ontvangen, ook vervult” (Ko 4:1717En zegt aan Archippus: Let erop, dat u de bediening die u in [de] Heer hebt ontvangen, ook vervult.).

De tempeldienaren zijn meer in aantal (vers 2020en van de tempeldienaren, die David en de vorsten aan de Levieten hadden gegeven voor de dienst: tweehonderdtwintig tempeldienaren; zij werden allen met name aangewezen.). Zij worden ook “allen met name aangewezen”. Dat onderstreept Gods goedkeuring van hun gewilligheid. Tempeldienaren treden niet zo op de voorgrond als Levieten. Zij werken meer op de achtergrond. Hun dienst is echter onmisbaar, want zij zorgen ervoor dat de Levieten hun dienst kunnen doen. Zo zijn er ook vandaag veel taken te verrichten die misschien niet zo opvallen, maar die belangrijk zijn voor anderen om hun dienst goed te doen. Ook hier blijkt Gods waardering. Tempeldienaren zijn in de eerste plaats gaven “die David en de vorsten aan de Levieten hadden gegeven”. In de tweede plaats worden ze “allen met name aangewezen”. Bij mensen zijn ze misschien onbekend, maar God kent ze ieder persoonlijk bij hun naam.


Vasten en gebed

21Toen riep ik daar bij de rivier Ahava een vasten uit, om ons te verootmoedigen voor het aangezicht van onze God [en] om Hem om een voorspoedige reis te verzoeken voor ons, voor onze kleine kinderen en voor al onze bezittingen, 22want ik schaamde mij ervoor om van de koning een leger en ruiters te vragen om ons te helpen tegen de vijand onderweg. We hadden immers tegen de koning gezegd: De hand van onze God is ten goede over al wie Hem zoeken, maar Zijn kracht en Zijn toorn is over al wie Hem verlaten. 23Wij vastten en verzochten onze God hierom, en Hij liet Zich door ons verbidden.

Als alles gereed lijkt om op te trekken naar het huis van God in Jeruzalem, roept Ezra een vasten uit (vers 2121Toen riep ik daar bij de rivier Ahava een vasten uit, om ons te verootmoedigen voor het aangezicht van onze God [en] om Hem om een voorspoedige reis te verzoeken voor ons, voor onze kleine kinderen en voor al onze bezittingen,). Hoezeer ze tot nu al voorspoed hebben gehad, het maakt Ezra niet onafhankelijk van God. Hij wil zich ook voor het verdere verloop van de reis van de bescherming van God verzekeren. Ezra weet dat de weg vol gevaren is. Het gezelschap is voltallig, maar nu moeten ze ook allemaal nog in de goede verhouding tot God komen. Daarom zoeken ze Zijn tegenwoordigheid in vasten en gebed.

Een werk voor Hem vraagt geestelijke oefening; het is geen zaak die lichtvaardig kan worden begonnen. Nederigheid is de juiste starthouding en de juiste gezindheid om vol te houden. Bij verootmoediging laten we toe dat God onze harten en gewetens doorzoekt en onze motieven toetst. We moeten niet vragen om macht, maar onszelf verootmoedigen, daar gaat het om. Ook hier is geen ark die voor hen uitgaat, geen wolkkolom die hen leidt. Ze weten echter dat Hij Die Zijn volk vroeger door de woestijn leidde, niet is veranderd. Het is belangrijk dat allen hetzelfde doel hebben en dat er geen lieden zijn die zich met andere bedoelingen bij het gezelschap hebben aangesloten. Ook moet duidelijk zijn dat zij voor de reis zich aan niets anders dan aan de goede hand van God kunnen toevertrouwen.

Ezra schaamt zich ervoor in de praktijk af te wijken van wat hij heeft beleden (vers 2222want ik schaamde mij ervoor om van de koning een leger en ruiters te vragen om ons te helpen tegen de vijand onderweg. We hadden immers tegen de koning gezegd: De hand van onze God is ten goede over al wie Hem zoeken, maar Zijn kracht en Zijn toorn is over al wie Hem verlaten.). In plaats van te vertrouwen op een troep soldaten om hen te beschermen vertrouwt hij erop dat God hen beschermt, wat veel beter is. Zo komen ze door al hun vijanden heen. Hoe weinig wordt de geest van Ezra vandaag gevonden. Voor veel van wat een werk voor God wordt genoemd, wordt ondersteuning gezocht bij mensen. Dat gebeurt door middel van brieven waarin om geld wordt gevraagd, of de vraag aan mensen of zij zich garant willen stellen, of de vraag aan mannen van naam of zij invloed willen uitoefenen. Het zijn allemaal methoden die de wereld gebruikt ter wille van het succes.

Het is voor God een vreugde het vertrouwen van Zijn volk te beantwoorden met de toezegging en de bewijzen van Zijn hulp. Hij komt hen te hulp die getuigen van wat Hij voor hen is te midden van beproevingen en gevaren. We zeggen soms dingen in oprecht geloof. Dat vertrouwen is niet tevergeefs, maar de werkelijkheid wordt beproefd. Met het oog daarop moeten we Gods tegenwoordigheid zoeken. Dat doen Ezra en zij die met hem op reis gaan.

Ze zien af van voedsel om zich helemaal op God te richten met het oog op de weg die voor hen ligt (vers 2323Wij vastten en verzochten onze God hierom, en Hij liet Zich door ons verbidden.; vgl. Hd 13:2-32Terwijl zij nu de Heer dienden en vastten, zei de Heilige Geest: Zondert Mij nu Barnabas en Saulus af voor het werk waartoe Ik hen heb geroepen.3Toen vastten en baden zij, legden hun de handen op en lieten hen gaan.). Heel concreet vragen ze God, “onze God”, de God Die ze kennen door hun persoonlijke omgang met Hem, “hierom”, dat is of Hij hen wil beschermen. Het is belangrijk om de Heer concrete dingen te vragen. Hij verlangt ernaar ons dingen te geven die ons vertrouwen op Hem vergroten. Hij laat Zich verbidden. Dat lezen we hier en nog zes keer in het Oude Testament (Gn 25:2121Izak bad vurig tot de HEERE in het bijzijn van zijn vrouw, want zij was onvruchtbaar. En de HEERE liet Zich door hem verbidden, zodat Rebekka, zijn vrouw, zwanger werd.; 2Sm 21:1414Zij begroeven de beenderen van Saul en van zijn zoon Jonathan in het land van Benjamin in Zela, in het graf van zijn vader Kis, en deden alles wat de koning geboden had. En daarna liet God Zich verbidden ten gunste van het land.; 24:2525Vervolgens bouwde David daar voor de HEERE een altaar, en bracht brandoffers en dankoffers. Zo liet de HEERE Zich verbidden ten gunste van het land, en de plaag over Israël werd tot stilstand gebracht.; 1Kr 5:2020Maar zij werden [in de strijd] tegen hen geholpen: de Hagrieten, en allen die met hen waren, werden in hun hand gegeven. Want in de strijd riepen zij tot God en Hij liet Zich door hen verbidden, want zij vertrouwden op Hem.; 2Kr 33:1313en bad tot Hem. En Hij liet Zich door hem verbidden, verhoorde zijn smeekbede, en bracht hem terug in Jeruzalem, in zijn koninkrijk. Toen erkende Manasse dat de HEERE God is.; Js 19:2222Zo zal de HEERE de Egyptenaren geducht treffen en genezen. Zij zullen zich tot de HEERE bekeren en Hij zal Zich door hen laten verbidden; en Hij zal hen genezen.).


Zorg voor zilver, goud en voorwerpen

24Ik zonderde van de leiders van de priesters er twaalf af: Serebja en Hasabja, en met hen tien van hun broers. 25Ik woog voor hen het zilver af, het goud en de voorwerpen, het hefoffer voor het huis van onze God, dat de koning, zijn raadslieden, zijn vorsten en heel Israël dat zich [daar] bevond, hadden gebracht. 26Ik woog zeshonderdvijftig talent zilver af [en stelde] hun [die] ter hand, honderd talent aan zilveren voorwerpen [en] honderd talent aan goud; 27twintig gouden bekers, [ter waarde] van duizend drachmen; en twee voorwerpen van goed, glanzend koper, kostbaar als goud. 28Ik zei tegen hen: U bent heilig voor de HEERE en deze voorwerpen zijn heilig; en het zilver en het goud zijn een vrijwillige gave voor de HEERE, de God van uw vaderen. 29Bewaak en bewaar [het] tot u [het] afweegt in de tegenwoordigheid van de leiders van de priesters en de Levieten en de hoofden van de families van Israël in Jeruzalem, in de [voorraad]kamers van het huis van de HEERE. 30De priesters en de Levieten namen het gewicht van het zilver en het goud en de voorwerpen aan om het naar Jeruzalem te brengen, naar het huis van onze God.

Ezra zondert van de leiders van de priesters twaalf man af om hen te belasten met de zorg voor zilver en goud en bepaalde voorwerpen (verzen 24-2724Ik zonderde van de leiders van de priesters er twaalf af: Serebja en Hasabja, en met hen tien van hun broers.25Ik woog voor hen het zilver af, het goud en de voorwerpen, het hefoffer voor het huis van onze God, dat de koning, zijn raadslieden, zijn vorsten en heel Israël dat zich [daar] bevond, hadden gebracht.26Ik woog zeshonderdvijftig talent zilver af [en stelde] hun [die] ter hand, honderd talent aan zilveren voorwerpen [en] honderd talent aan goud;27twintig gouden bekers, [ter waarde] van duizend drachmen; en twee voorwerpen van goed, glanzend koper, kostbaar als goud.). Zij worden apart gesteld voor een speciaal werk. De afzondering van een aantal priesters heeft niets te doen met het afzonderen van een groep mensen tot een geestelijkheid.

Een bijzonderheid lezen we aan het eind van vers 2727twintig gouden bekers, [ter waarde] van duizend drachmen; en twee voorwerpen van goed, glanzend koper, kostbaar als goud., waar gesproken wordt over “twee voorwerpen van goed, glanzend koper, kostbaar als goud”. Hier zien we koper met het kenmerk van goud. Koper is een beeld van Gods gerechtigheid die het oordeel kan doorstaan. Goud is een beeld van Gods heerlijkheid. Beide zien we in de Heer Jezus aan het kruis.

Ezra zegt dat ze “heilig voor de HEERE zijn” (vers 2828Ik zei tegen hen: U bent heilig voor de HEERE en deze voorwerpen zijn heilig; en het zilver en het goud zijn een vrijwillige gave voor de HEERE, de God van uw vaderen.). ‘Heilig’ betekent ‘afgezonderd voor een bepaald doel’. Ook de voorwerpen die aan hen zijn toevertrouwd, zijn heilig. Deze heiliging, dit apart zetten, is voor “de HEERE, de God van uw vaderen”. Alles wordt aan Hem gewijd. Mensen en middelen moeten geheiligd en rein zijn, willen ze met God in verbinding kunnen zijn om door Hem gebruikt te worden (Js 52:1111Vertrek, vertrek, ga daar weg,
raak het onreine niet aan,
ga uit haar midden weg, reinig u,
u die de [heilige] voorwerpen van de HEERE draagt!
)
.

Hier zien we dat dit overblijfsel, net als het overblijfsel dat eerder is teruggekeerd, zilver en goud meebrengt. We kunnen dit zo toepassen, dat God van tijd tot tijd Zijn werk van opwekking hernieuwt en het vorige aanvult. Telkens wordt dan iets toegevoegd aan wat al bekend is. We kunnen bijvoorbeeld denken aan de correctiebrieven aan de Korinthiërs en die aan de Galaten, waarin zaken worden geschreven die toevoegen aan wat al door de heiligen wordt gekend.

Wat hun is toevertrouwd om mee te nemen (vers 2929Bewaak en bewaar [het] tot u [het] afweegt in de tegenwoordigheid van de leiders van de priesters en de Levieten en de hoofden van de families van Israël in Jeruzalem, in de [voorraad]kamers van het huis van de HEERE.), moeten ze in hetzelfde gewicht en aantal (verzen 33-3433Op de vierde dag werden in het huis van onze God het zilver, het goud en de voorwerpen afgewogen voor Meremoth, de zoon van Uria, de priester, en bij hem Eleazar, de zoon van Pinehas, en bij hen Jozabad, de zoon van Jesua, en Noadja, de zoon van Binnuï, de Levieten,34overeenkomstig het getal en in overeenstemming met het gewicht van het geheel; het hele gewicht werd op hetzelfde moment opgeschreven.) afleveren bij hun aankomst in Jeruzalem. Dit is geen kwestie van wantrouwen, maar van verantwoording afleggen (vgl. 2Ko 8:2121want wij behartigen wat eerlijk is, niet alleen voor [de] Heer, maar ook voor [de] mensen.). Dé opdracht in de laatste dagen is: “Bewaar het u toevertrouwde pand” (2Tm 1:1414Bewaar het goede [jou] toevertrouwde pand door [de] Heilige Geest Die in ons woont.; vgl. 2Tm 4:77Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd, ik heb het geloof behouden.).

Alles wat aan de zorg van de priesters wordt toevertrouwd, wordt afgewogen meegenomen (vers 3030De priesters en de Levieten namen het gewicht van het zilver en het goud en de voorwerpen aan om het naar Jeruzalem te brengen, naar het huis van onze God.). Het moet naar Jeruzalem worden gebracht, met “het huis van onze God” als uiteindelijke bestemming. Ook wat ons is toevertrouwd, is zorgvuldig afgewogen en moeten we binnen de gemeente, Gods huis in deze tijd, bewaren en beschermen. Wij zijn rentmeesters over wat ons aan geestelijke goederen is toevertrouwd. Elke waarheid van het geheel van de waarheid moeten we vasthouden en er niets van verliezen. Ezra heeft onderweg niets verloren van wat hij heeft meegenomen, net zoals alles wat met Noach in de ark ging, er ook weer veilig en gezond uit kwam.


In Jeruzalem

31Vervolgens braken wij op van de rivier de Ahava op de twaalfde van de eerste maand om naar Jeruzalem te gaan, en de hand van onze God was over ons en Hij redde ons uit de hand van de vijand en van de struikrover op de weg. 32Wij kwamen in Jeruzalem en wij bleven daar drie dagen. 33Op de vierde dag werden in het huis van onze God het zilver, het goud en de voorwerpen afgewogen voor Meremoth, de zoon van Uria, de priester, en bij hem Eleazar, de zoon van Pinehas, en bij hen Jozabad, de zoon van Jesua, en Noadja, de zoon van Binnuï, de Levieten, 34overeenkomstig het getal en in overeenstemming met het gewicht van het geheel; het hele gewicht werd op hetzelfde moment opgeschreven. 35Zij die uit de gevangenschap waren [terug]gekomen, de ballingen, offerden brandoffers voor de God van Israël: twaalf jonge stieren voor heel Israël, zesennegentig rammen, zevenenzeventig lammeren, twaalf geitenbokken als zondoffer; alles als brandoffer voor de HEERE. 36Vervolgens gaven zij de wetten van de koning aan de stadhouders van de koning en de landvoogden van [het gebied aan] deze zijde van de rivier, en die verleenden [hun] steun aan het volk en het huis van God.

Dan is het tijdstip van vertrek aangebroken. Er volgt geen uitvoerig reisverslag van de ongeveer vier maanden durende reis. Op die reis zijn Ezra en de zijnen vaak in gevaar geweest. Daarover horen we verder niets. Ezra beschrijft geen heldendaden en geen angsten. Hij geeft God de eer en vat de reis zó samen, dat het gezelschap onder de “hand van onze God” is beschermd tegen “de hand van de vijand en de struikrover” (vers 3131Vervolgens braken wij op van de rivier de Ahava op de twaalfde van de eerste maand om naar Jeruzalem te gaan, en de hand van onze God was over ons en Hij redde ons uit de hand van de vijand en van de struikrover op de weg.). Hij is vertrokken met gebed. Hij is in vrede met dankbaarheid aangekomen, want God heeft hen gered en behouden in Jeruzalem gebracht.

God is voor ons wat wij van Hem verwachten. Te vaak begrenzen we Hem omdat we zo gering van Hem denken. Hij is in staat “zeer overvloedig te doen boven alles wat wij bidden of denken” (Ef 3:2020Hem nu, Die in staat is zeer overvloedig te doen boven alles wat wij bidden of denken, naar de kracht die in ons werkt,). Dat is de onbegrensde bron die het geloof ter beschikking staat.

Als ze in Jeruzalem zijn aangekomen, komen ze daar eerst drie dagen tot rust en bezinning. Ook hier is weer sprake van drie dagen (vers 3232Wij kwamen in Jeruzalem en wij bleven daar drie dagen.; vers 1515Ik bracht hen bijeen bij de rivier die naar Ahava stroomt, en wij sloegen daar voor drie dagen ons kamp op. Ik lette op het volk en de priesters, maar van de Levieten trof ik er daar geen aan.). Dat betekent voor ons dat opnieuw alles wordt bezien in het licht van de dood en de opstanding van Christus. Er is ook sprake van “de vierde dag” (vers 3333Op de vierde dag werden in het huis van onze God het zilver, het goud en de voorwerpen afgewogen voor Meremoth, de zoon van Uria, de priester, en bij hem Eleazar, de zoon van Pinehas, en bij hen Jozabad, de zoon van Jesua, en Noadja, de zoon van Binnuï, de Levieten,). Op de vierde dag komt de afrekening die plaatsvindt ten overstaan van vier mannen. Vier is het getal van de aarde, van de wandel op aarde. Van alles wat ons is toevertrouwd en hoe we daarmee op aarde zijn omgegaan, zullen we rekenschap moeten afleggen voor de rechterstoel van Christus (2Ko 5:1010Want wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus, opdat ieder ontvangt wat in het lichaam is [gedaan], naardat hij heeft bedreven, hetzij goed hetzij kwaad.; vgl. Mt 25:14-3014Want [het is] als een mens die buitenslands ging en zijn eigen slaven riep en hun zijn bezittingen toevertrouwde.15En de een gaf hij vijf talenten, de ander twee, de derde één, ieder naar zijn eigen bekwaamheid; en hij ging terstond buitenslands.16Hij nu die de vijf talenten had ontvangen, ging heen en handelde daarmee en won er vijf andere bij.17Evenzo won <ook> die met de twee er twee bij.18Degene echter die het ene had ontvangen, ging weg en groef in [de] grond en verborg het geld van zijn heer.19Na lange tijd nu kwam de heer van die slaven en hield afrekening met hen.20En hij die de vijf talenten had ontvangen, kwam bij hem en bracht vijf andere talenten en zei: Heer, vijf talenten hebt u mij toevertrouwd, zie, vijf andere talenten heb ik [daarbij] gewonnen.21Zijn heer zei tot hem: Voortreffelijk, goede en trouwe slaaf, over weinig ben je trouw geweest, over veel zal ik je stellen; ga de vreugde van je heer in.22Degene <nu> met de twee talenten kwam ook bij hem en zei: Heer, twee talenten hebt u mij toevertrouwd, zie, twee andere talenten heb ik [daarbij] gewonnen.23Zijn heer zei tot hem: Voortreffelijk, goede en trouwe slaaf, over weinig ben je trouw geweest, over veel zal ik je stellen; ga de vreugde van je heer in.24Hij nu die het ene talent had ontvangen, kwam ook bij hem en zei: Heer, ik wist van u dat u een hard mens bent, die maait waar u niet hebt gezaaid en inzamelt vanwaar u niet hebt uitgestrooid;25en ik was bang en ben weggegaan en heb uw talent verborgen in de grond; zie, hier hebt u het uwe.26Zijn heer antwoordde echter en zei tot hem: Boze en luie slaaf! Je wist dat ik maai waar ik niet heb gezaaid, en inzamel vanwaar ik niet heb uitgestrooid?27Dan had je mijn geld bij de bankiers moeten brengen, en ik zou bij mijn komst het mijne met rente hebben teruggekregen.28Neemt dan het talent van hem af en geeft het aan hem die de tien talenten heeft.29Want aan ieder die heeft, zal worden gegeven en hij zal overvloedig hebben; van hem echter die niet heeft, ook wat hij heeft zal van hem worden genomen.30En werpt de nutteloze slaaf uit in de buitenste duisternis; daar zal het geween zijn en het tandengeknars.).

Alles wordt naar getal en gewicht gecontroleerd (vers 3434overeenkomstig het getal en in overeenstemming met het gewicht van het geheel; het hele gewicht werd op hetzelfde moment opgeschreven.). Trouwe dienaren van God zullen er grote zorg voor hebben dat niet één onderdeel van de kostbare waarheid verloren gaat of aan gewicht verliest. In de christenheid worden steeds meer waarheden niet meer verkondigd en verliezen steeds meer waarheden aan gewicht, dat wil zeggen aan belangrijkheid. Sommige waarheden hebben afgedaan omdat ze niet meer van deze tijd zouden zijn. Andere waarheden worden van hun kracht beroofd door er een andere betekenis aan te geven. Vaak nog zijn er nog wel de vorm en de woorden, maar het ware geestelijke gewicht ervan ligt niet meer op de harten.

Na het afleveren van alle schatten brengt het volk brandoffers aan de HEERE (vers 3535Zij die uit de gevangenschap waren [terug]gekomen, de ballingen, offerden brandoffers voor de God van Israël: twaalf jonge stieren voor heel Israël, zesennegentig rammen, zevenenzeventig lammeren, twaalf geitenbokken als zondoffer; alles als brandoffer voor de HEERE.). Het zojuist teruggekeerde overblijfsel wordt een volk van aanbidders. In het brengen van de offers brengen ze ook hun dank aan God voor Zijn bewaring tijdens de reis.

Evenals bij de inwijding van Gods huis (Ea 6:1717Zij offerden ter inwijding van dit huis van God honderd runderen, tweehonderd rammen, vierhonderd lammeren en als zondoffer voor heel Israël twaalf geitenbokken, naar het aantal stammen van Israël.) ziet het zwakke overblijfsel toch “heel Israël” daar vertegenwoordigd. Die gedachte zien we ook in het telkens terugkerende getal twaalf of een veelvoud daarvan. Het betekent dat bij het brengen van het brandoffer ook allen worden betrokken die in Babel zijn achtergebleven. Een voortdurende herinnering aan het hele volk van God bewaart ons voor sektarisch denken en handelen.

Pas nadat ze zich aan God hebben voorgesteld op de grondslag van hun offers, gaan ze naar de ambtenaren van de koning (vers 3636Vervolgens gaven zij de wetten van de koning aan de stadhouders van de koning en de landvoogden van [het gebied aan] deze zijde van de rivier, en die verleenden [hun] steun aan het volk en het huis van God.). Altijd heeft God de eerste rechten en moet Hem eerst worden gegeven wat Hem toekomt. Dan komen anderen aan de beurt. De wetten van de koning worden aan de stadhouder van de koning en de landvoogden overhandigd. De beambten van de koning handelen naar wat hun door de koning is geboden (Ea 7:21-2421Door mij, mij koning Arthahsasta, wordt bevel gegeven aan alle schatbewaarders aan de overzijde van de Eufraat, dat alles zorgvuldig gedaan moet worden wat de priester Ezra, de schriftgeleerde, [bedreven in] de wet van de God van de hemel, van u vraagt,22tot honderd talent zilver, tot honderd kor tarwe, tot honderd bat wijn, tot honderd bat olie; [voor] zout is er geen voorschrift [nodig].23Al wat [voortvloeit] uit het bevel van de God van de hemel, moet nauwgezet gedaan worden voor het huis van de God van de hemel, opdat er geen grote toorn zal zijn over het koninkrijk van de koning en zijn zonen.24Wij geven u ook te kennen met betrekking tot alle priesters en Levieten, zangers, poortwachters, tempeldienaren en dienaren van het huis van deze God, dat het niet toegestaan is hun belasting, heffingen of tol op te leggen.) en geven “steun aan het volk en het huis van God”. Daarmee is het voornemen van de onderneming door Ezra vervuld. Wat hij in de beide volgende hoofdstukken doet, is geen doel van zijn reis, maar is een uitvloeisel van zijn hoofddoel.


Lees verder