Ezra
1-35 Register van teruggekeerde bewoners 36-58 Diverse teruggekeerde groepen 59-63 Wie hun afkomst niet konden bewijzen 64-67 Totaal van de teruggekeerden 68-69 Vrijwillige gaven 70 De steden bewoond
Register van teruggekeerde bewoners

1Dit zijn de bewoners van het gewest die optrokken uit de gevangenschap van de ballingen die Nebukadnezar, de koning van Babel, in ballingschap had gevoerd naar Babel, en die terugkeerden naar Jeruzalem en naar Juda, ieder naar zijn [eigen] stad, 2die [mee]kwamen met Zerubbabel, Jesua, Nehemia, Seraja, Reëlaja, Mordechai, Bilsan, Mispar, Bigvai, Rehum [en] Baëna. [Dit] is het aantal mannen van het volk Israël:
3de nakomelingen van Paros: tweeduizend honderdtweeënzeventig;
4de nakomelingen van Sefatja: driehonderdtweeënzeventig;
5de nakomelingen van Arach: zevenhonderdvijfenzeventig;
6de nakomelingen van Pahat-Moab, van de nakomelingen van Jesua [en] Joab: tweeduizend achthonderdtwaalf;
7de nakomelingen van Elam: duizend tweehonderdvierenvijftig;
8de nakomelingen van Zattu: negenhonderdvijfenveertig;
9de nakomelingen van Zakkai: zevenhonderdzestig;
10de nakomelingen van Bani: zeshonderdtweeënveertig;
11de nakomelingen van Bebai: zeshonderddrieëntwintig;
12de nakomelingen van Azgad: duizend tweehonderdtweeëntwintig;
13de nakomelingen van Adonikam: zeshonderdzesenzestig;
14de nakomelingen van Bigvai: tweeduizend zesenvijftig;
15de nakomelingen van Adin: vierhonderdvierenvijftig;
16de nakomelingen van Ater, van Hizkia: achtennegentig;
17de nakomelingen van Bezai: driehonderddrieëntwintig;
18de nakomelingen van Jora: honderdtwaalf;
19de nakomelingen van Hasum: tweehonderddrieëntwintig;
20de nakomelingen van Gibbar: vijfennegentig;
21de nakomelingen van Bethlehem: honderddrieëntwintig;
22de mannen van Netofa: zesenvijftig;
23de mannen van Anathoth: honderdachtentwintig;
24de nakomelingen van Azmaweth: tweeënveertig;
25de nakomelingen van Kirjath-Arim, Kefira en Beëroth: zevenhonderddrieënveertig;
26de nakomelingen van Rama en Gaba: zeshonderdeenentwintig;
27de mannen van Michmas: honderdtweeëntwintig;
28de mannen van Bethel en Ai: tweehonderddrieëntwintig;
29de nakomelingen van Nebo: tweeënvijftig;
30de nakomelingen van Magbis: honderdzesenvijftig;
31de nakomelingen van een andere Elam: duizend tweehonderdvierenvijftig;
32de nakomelingen van Harim: driehonderdtwintig;
33de nakomelingen van Lod, Hadid en Ono: zevenhonderdvijfentwintig;
34de nakomelingen van Jericho: driehonderdvijfenveertig;
35de nakomelingen van Senaä: drieduizend zeshonderddertig.

Het eerste wat we moeten opmerken, is dat de teruggekeerde ballingen besluiten dat Israël een echt onvermengd Israël zal zijn en dat dit moet worden getoetst. Het bestaan van een lijst, door Gods zorg bewaard, toont het belang aan dat God aan herkomst hecht. Hier wordt het werk van de Geest duidelijk in mensen van wie de namen opgetekend staan. Ze zijn bij God bekend. Hij maakt de namen bekend tot aanmoediging van allen die ook in getrouwheid Zijn weg willen gaan in tijden van verval en afval (Op 3:55Wie overwint, die zal bekleed worden met witte kleren en Ik zal zijn naam geenszins uitwissen uit het boek van het leven, en Ik zal zijn naam belijden voor Mijn Vader en voor Zijn engelen.).

Wat in de telling ook opvalt, is dat het een overblijfsel betreft. Er kan geen sprake zijn van een volledig herstel van Israël. Dat zal, ook volgens het getuigenis van de profeten, alleen gebeuren wanneer niet alleen de twee, maar ook de tien stammen terugkeren naar het land. Alles wat tijdens “[de] tijden van [de] volken” (Lk 21:2424En zij zullen vallen door [het] scherp van [het] zwaard en als gevangenen worden weggevoerd onder alle volken; en Jeruzalem zal door [de] volken worden vertrapt, totdat [de] tijden van [de] volken zijn vervuld.) gebeurt, dat wil zeggen in de tijd waarin wij leven, is dan ook geen vervulling van de profetie.

Ieder keert terug "naar Jeruzalem en naar Juda, ieder naar zijn [eigen] stad" (vers 11Dit zijn de bewoners van het gewest die optrokken uit de gevangenschap van de ballingen die Nebukadnezar, de koning van Babel, in ballingschap had gevoerd naar Babel, en die terugkeerden naar Jeruzalem en naar Juda, ieder naar zijn [eigen] stad,; vers 7070De priesters, de Levieten, [sommigen] van het volk, de zangers, de poortwachters en de tempeldienaren woonden in hun steden, en heel Israël [woonde] in zijn steden.). Kores heeft opgeroepen terug te keren naar Jeruzalem (Ea 1:2-32Zo zegt Kores, de koning van Perzië: Alle koninkrijken van de aarde heeft de HEERE, de God van de hemel, aan mij gegeven, en Hij is het Die mij heeft opgedragen om een huis voor Hem te bouwen in Jeruzalem, dat in Juda ligt.3Wie er onder u ook maar tot al Zijn volk behoort – zijn God zij met hem – laat hij optrekken naar Jeruzalem, dat in Juda ligt, en laat hij het huis van de HEERE, de God van Israël, bouwen; Hij is de God Die in Jeruzalem [woont].). Nu zien we dat de teruggekeerden ook in hun eigen steden gaan wonen. Jeruzalem is het grote centrum van het volk. Het volk zelf woont in hun eigen steden.

We kunnen Jeruzalem toepassen op de gemeente als geheel. De steden kunnen we zien als een beeld van de plaatselijke gemeenschappen waar de algemene beginselen, die voor de hele gemeente gelden, moeten worden uitgewerkt. We zijn allen in plaatselijke gemeenten geplaatst om daar met onze medeheiligen te handhaven wat in overeenstemming is met de gedachten van God.

Iedere gelovige moet weten waar zijn eigen woonplaats is. Hij moet toetsen aan Gods Woord of de plaats waar hij is, beantwoordt aan wat God van de gemeente zegt. Hij moet daar niet zijn omdat bijvoorbeeld zijn ouders daar zijn of bepaalde personen die hem aanspreken. Ook de zegen die er wordt gevonden, mag geen maatstaf zijn. God zegent ook op plaatsen die afgeweken zijn van Gods Woord als het erom gaat gemeente te zijn. Het gaat om handhaven van wat naar Gods gedachten is in de plaatselijke gemeente (1Ko 1:22aan de gemeente van God die in Korinthe is, aan [de] geheiligden in Christus Jezus, geroepen heiligen, met allen, in elke plaats, die de Naam van onze Heer Jezus Christus aanroepen, zowel hun als onze [Heer]:; 4:17b17Daarom <juist> heb ik Timotheüs naar u toe gezonden, die mijn geliefd en trouw kind in [de] Heer is; die zal u mijn wegen, die in Christus <Jezus> zijn, in herinnering brengen, zoals ik overal in elke gemeente leer.; 7:1717Maar zoals de Heer aan ieder heeft toebedeeld, zoals God ieder geroepen heeft, zo moet hij wandelen. En zo verorden ik in alle gemeenten.).

De terugkeer uit de ballingschap is heel anders dan het vertrek van Gods volk uit de slavernij in Egypte. Uit Egypte vertrekt het hele volk. Daar handelt God als de verlossende God. Uit Babel roept Hij ook. Toch zien we hier dat niet het hele volk uit Babel vertrekt. Alleen zij die zich aangetrokken voelen door Jeruzalem, gaan terug naar het land Israël. Deze oproep staat in verband met verantwoordelijkheid.

Bij deze opwekking kunnen we de volgende kenmerken zien:
1. Men gaat terug naar Gods oorspronkelijke centrum, hier Jeruzalem.
2. Er is geen aanmatiging iets te bezitten wat men niet meer heeft, omdat men het door eerder falen is kwijtgeraakt. We kunnen hier denken aan de wolkkolom en de ark.
3. Er wordt een geest van toewijding openbaar (vers 6868En [sommigen] van de familiehoofden gaven, toen ze aankwamen bij het huis van de HEERE, Die in Jeruzalem [woont], vrijwillig voor het huis van God, om het op zijn [oorspronkelijke] plaats te doen staan.).
4. Er is gehoorzaamheid aan het Woord van God (Ea 3:2,42Jesua, de zoon van Jozadak, stond op met zijn broeders, de priesters, en Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, met zijn broeders, en zij [her]bouwden het altaar van de God van Israël om daarop brandoffers te brengen volgens wat geschreven staat in de wet van Mozes, de man Gods.4Zij vierden het Loofhuttenfeest volgens wat geschreven staat, namelijk een brandoffer van een dag op [die] dag in het [juiste] aantal, overeenkomstig de bepaling voor elke afzonderlijke dag.).
5. Er wordt een positie van afzondering tegenover de wereld ingenomen met als gevolg
6. dat er tegenstand van de wereld komt.

In de verzen 3-203de nakomelingen van Paros: tweeduizend honderdtweeënzeventig;
4de nakomelingen van Sefatja: driehonderdtweeënzeventig;
5de nakomelingen van Arach: zevenhonderdvijfenzeventig;
6de nakomelingen van Pahat-Moab, van de nakomelingen van Jesua [en] Joab: tweeduizend achthonderdtwaalf;
7de nakomelingen van Elam: duizend tweehonderdvierenvijftig;
8de nakomelingen van Zattu: negenhonderdvijfenveertig;
9de nakomelingen van Zakkai: zevenhonderdzestig;
10de nakomelingen van Bani: zeshonderdtweeënveertig;
11de nakomelingen van Bebai: zeshonderddrieëntwintig;
12de nakomelingen van Azgad: duizend tweehonderdtweeëntwintig;
13de nakomelingen van Adonikam: zeshonderdzesenzestig;
14de nakomelingen van Bigvai: tweeduizend zesenvijftig;
15de nakomelingen van Adin: vierhonderdvierenvijftig;
16de nakomelingen van Ater, van Hizkia: achtennegentig;
17de nakomelingen van Bezai: driehonderddrieëntwintig;
18de nakomelingen van Jora: honderdtwaalf;
19de nakomelingen van Hasum: tweehonderddrieëntwintig;
20de nakomelingen van Gibbar: vijfennegentig;
worden de ballingen genoemd met de naam van hun vaderen. In de verzen 21-3521de nakomelingen van Bethlehem: honderddrieëntwintig;
22de mannen van Netofa: zesenvijftig;
23de mannen van Anathoth: honderdachtentwintig;
24de nakomelingen van Azmaweth: tweeënveertig;
25de nakomelingen van Kirjath-Arim, Kefira en Beëroth: zevenhonderddrieënveertig;
26de nakomelingen van Rama en Gaba: zeshonderdeenentwintig;
27de mannen van Michmas: honderdtweeëntwintig;
28de mannen van Bethel en Ai: tweehonderddrieëntwintig;
29de nakomelingen van Nebo: tweeënvijftig;
30de nakomelingen van Magbis: honderdzesenvijftig;
31de nakomelingen van een andere Elam: duizend tweehonderdvierenvijftig;
32de nakomelingen van Harim: driehonderdtwintig;
33de nakomelingen van Lod, Hadid en Ono: zevenhonderdvijfentwintig;
34de nakomelingen van Jericho: driehonderdvijfenveertig;
35de nakomelingen van Senaä: drieduizend zeshonderddertig.
worden de ballingen genoemd met de naam van de steden waar ze vroeger hebben gewoond, om daar weer te gaan wonen en die steden weer te bevolken.

Deze lijst met namen is een voorbeeldlijst van het boek van de eeuwigheid. Een dergelijke lijst vinden we ook in andere delen van Gods Woord. De twee opsommingen van Davids helden zijn van hetzelfde karakter (2Sm 23; 1Kr 11). Ook Paulus noemt wel eens een lijst met namen (Rm 16:1-151Ik nu beveel u Fébe aan, onze zuster, die <ook> een dienares is van de gemeente die in Kenchreeën is,2opdat u haar ontvangt in [de] Heer, op een wijze de heiligen waardig, en haar bijstaat in elke zaak waarin zij u nodig mocht hebben; want ook zijzelf heeft bijstand verleend aan velen, ook aan mijzelf.3Groet Prisca en Aquila, mijn medearbeiders in Christus Jezus4(die voor mijn leven hun hals gewaagd hebben; niet ik alleen dank hen, maar ook alle gemeenten van de volken),5en de gemeente in hun huis. Groet Epénetus, mijn geliefde, die [de] eersteling van Asia is voor Christus.6Groet Maria, die veel voor u gearbeid heeft.7Groet Andrónicus en Junias, mijn verwanten en medegevangenen, die vermaard zijn onder de apostelen, die ook vóór mij in Christus zijn geweest.8Groet Ampliatus, mijn geliefde in [de] Heer.9Groet Urbanus, onze medearbeider in Christus, en Stachys, mijn geliefde.10Groet Apelles, de beproefde in Christus. Groet hen die tot de [huisgenoten] van Aristobúlus behoren.11Groet Heródion, mijn verwant. Groet hen die de [huisgenoten] van Narcissus in [de] Heer zijn.12Groet Tryféna en Tryfósa, die in [de] Heer arbeiden. Groet Persis, de geliefde, die veel gearbeid heeft in [de] Heer.13Groet Rufus, de uitverkorene in [de] Heer, en zijn moeder en de mijne.14Groet Asýncritus, Flegon, Hermes, Pátrobas, Hermas, en de broeders bij hen.15Groet Filólogus en Julias, Nereus en zijn zuster, en Olympas, en al de heiligen bij hen.; Hb 11). Zulke lijsten met namen zijn erelijsten die voor de rechterstoel van Christus zullen worden geraadpleegd. God toont hiermee aan hoe zorgvuldig Hij nota neemt van iedere persoon en elke familie die voor Hem leeft en elk werk dat voor Hem gedaan wordt. Van allen die in Babel zijn achtergebleven, hebben we niet zo'n lijst.

Een enkele plaatsnaam die in de lijst opvalt, is Anathoth (vers 2323de mannen van Anathoth: honderdachtentwintig;
)
. Deze plaats herinnert aan de koop van Jeremia van het veld van Anathoth, zo lang geleden. Het veld is gekocht met het oog op het herstel (Jr 32:6-156Jeremia zei: Het woord van de HEERE kwam tot mij:7Zie, Hanameël, de zoon van uw oom Sallum zal naar u toe komen [en] zeggen: Koop voor uzelf mijn akker die in Anathoth is, want u hebt het recht van lossing om [hem] te kopen.8Hanameël, de zoon van mijn oom, kwam, overeenkomstig het woord van de HEERE, naar mij toe op het binnenplein van de wacht. Hij zei tegen mij: Koop toch mijn akker die in Anathoth is, dat in het land van Benjamin is, want u hebt het recht van bezit en u hebt [het recht van] lossing. Koop [hem] voor uzelf! Toen wist ik dat dit het woord van de HEERE was.9Dus kocht ik van Hanameël, de zoon van mijn oom, de akker die in Anathoth is. Ik woog voor hem het geld af, zeventien sikkel zilver.10Ik ondertekende de [koop]brief en verzegelde [die], en liet [door] getuigen bevestigen dat ik het geld op een weegschaal had afgewogen.11Ik nam de koopbrief, die [volgens] het gebod en de verordeningen verzegeld was en de opengelaten [brief],12en gaf de koopbrief aan Baruch, de zoon van Neria, de zoon van Machseja, voor de ogen van Hanameël, [de zoon van] mijn oom, voor de ogen van de getuigen die de koopbrief hadden ondertekend, [en] voor de ogen van alle Judeeërs die op het binnenplein van de wacht zaten.13Ik gaf Baruch voor hun ogen [deze] opdracht [en] zei:14Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Neem deze brieven, deze koopbrief – de verzegelde en deze opengelaten brief – en doe ze in een aarden pot, zodat ze vele dagen in goede staat blijven.15Want zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Er zullen weer huizen en akkers en wijngaarden gekocht worden in dit land.), dat zo lang verwacht en nu gekomen is. De verzegelde rol bewijst nu zijn waarde.

De aandachtige lezer zal zeker meer opvallen dan deze vermelding waarop nu de aandacht is gevestigd.


Diverse teruggekeerde groepen

36De priesters: de nakomelingen van Jedaja, van het huis van Jesua: negenhonderddrieënzeventig;
37de nakomelingen van Immer: duizend tweeënvijftig;
38de nakomelingen van Pashur: duizend tweehonderdzevenenveertig;
39de nakomelingen van Harim: duizend zeventien.
40De Levieten: de nakomelingen van Jesua en Kadmiël, van de nakomelingen van Hodavja: vierenzeventig.
41De zangers: de nakomelingen van Asaf: honderdachtentwintig.
42De nakomelingen van de poortwachters: de nakomelingen van Sallum, de nakomelingen van Ater, de nakomelingen van Talmon, de nakomelingen van Akkub, de nakomelingen van Hatita, de nakomelingen van Sobai: in totaal honderdnegenendertig.
43De tempeldienaren: de nakomelingen van Ziha, de nakomelingen van Hasufa, de nakomelingen van Tabbaoth,
44de nakomelingen van Keros, de nakomelingen van Siaha, de nakomelingen van Padon,
45de nakomelingen van Lebana, de nakomelingen van Hagaba, de nakomelingen van Akkub,
46de nakomelingen van Hagab, de nakomelingen van Samlai, de nakomelingen van Hanan,
47de nakomelingen van Giddel, de nakomelingen van Gahar, de nakomelingen van Reaja,
48de nakomelingen van Rezin, de nakomelingen van Nekoda, de nakomelingen van Gazzam,
49de nakomelingen van Uzza, de nakomelingen van Paseah, de nakomelingen van Besai,
50de nakomelingen van Asna, de nakomelingen van de Meünim, de nakomelingen van de Nefusim,
51de nakomelingen van Bakbuk, de nakomelingen van Hakufa, de nakomelingen van Harhur,
52de nakomelingen van Bazluth, de nakomelingen van Mehida, de nakomelingen van Harsa,
53de nakomelingen van Barkos, de nakomelingen van Sisera, de nakomelingen van Tamah,
54de nakomelingen van Neziah, de nakomelingen van Hatifa.
55De nakomelingen van de slaven van Salomo: de nakomelingen van Sotai, de nakomelingen van Sofereth, de nakomelingen van Peruda,
56de nakomelingen van Jaäla, de nakomelingen van Darkon, de nakomelingen van Giddel,
57de nakomelingen van Sefatja, de nakomelingen van Hattil, de nakomelingen van Pocheret van Zebaïm, de nakomelingen van Ami.
58Het geheel van de tempeldienaren en van de nakomelingen van de slaven van Salomo: driehonderdtweeënnegentig.

In dit gedeelte worden verschillende klassen genoemd. Deze verschillende klassen stellen verschillende diensten voor die noodzakelijk zijn om het huis van God naar Goddelijke orde te laten functioneren. Ieder moet geoefend worden om te zien waartoe hij of zij is geroepen en niet iets anders gaan doen waarvoor men niet geschikt is. Iedere gelovige heeft zijn eigen gaven. Niemand heeft alle gaven. Gelovigen hebben elkaar nodig. Zo heeft God het gewild. Dat ligt opgesloten in de vraag van de apostel Paulus aan de Korinthiërs: “Zijn allen soms apostelen? Zijn allen soms profeten?” enzovoort (1Ko 12:29-3029Zijn allen soms apostelen? Zijn allen soms profeten? Zijn allen soms leraars? [Hebben] allen soms krachten?30Hebben allen soms genadegaven van genezingen? Spreken allen soms in talen? Zijn allen soms uitleggers?)?

Slechts van één huis keren er priesters terug naar het land (vers 3636De priesters: de nakomelingen van Jedaja, van het huis van Jesua: negenhonderddrieënzeventig;
)
. Het betekent voor ons de aanwijzing dat het algemeen priesterschap van de nieuwtestamentische gelovigen ook door slechts weinigen in praktijk wordt gebracht in verbinding met het hemelse land.

Ook Levieten zijn er maar weinig (vers 4040De Levieten: de nakomelingen van Jesua en Kadmiël, van de nakomelingen van Hodavja: vierenzeventig.
)
. We kunnen dit vergelijken met de uitoefening van de gaven in de gemeente. Iedere gelovige heeft een gave. Helaas zijn veel gelovigen zich dat niet bewust. Gaven worden nauwelijks uitgeoefend. Dat komt ook wel doordat in veel gevallen in de christenheid veel gebeurt door mensen die daarvoor, via menselijke wegen, zijn aangesteld. Daarvoor worden ze dan ook nog betaald. Het gevaar is groot dat daardoor de verantwoordelijkheid voor de uitoefening van de eigen gave wordt afgekocht.

Zangers (vers 4141De zangers: de nakomelingen van Asaf: honderdachtentwintig.
)
zijn er heel wat meer dan Levieten. Het is goed om te zingen en de Heer te prijzen. De geest van lofprijzing ondersteunt de ziel en maakt het gaan over ruwe wegen gemakkelijker. We zijn allemaal zangers, zoals we ook allemaal Levieten zijn. Zingen is eenvoudiger dan dienen. Dat is te merken in de samenkomsten. Diensten waarin de Heer wordt geprezen, worden vaak beter bezocht dan diensten waar de Heer door Zijn Woord spreekt door middel van Zijn gaven. Het gaat dan niet alleen om dienen, het gaat ook om onze belangstelling.

De oorsprong van “de nakomelingen van de slaven van Salomo” (vers 5555De nakomelingen van de slaven van Salomo: de nakomelingen van Sotai, de nakomelingen van Sofereth, de nakomelingen van Peruda,
)
is waarschijnlijk in 1 Koningen 9 te vinden (1Kn 9:2121hun nakomelingen, die na hen in het land waren overgebleven [en] die de Israëlieten niet met de ban hadden kunnen slaan, hen liet Salomo opkomen om [in] herendienst te werken, tot op deze dag.). Hoewel de band van “de tempeldienaren en van de nakomelingen van de slaven van Salomo” (vers 5858Het geheel van de tempeldienaren en van de nakomelingen van de slaven van Salomo: driehonderdtweeënnegentig.) met Israël zeer gering is, is die er wel. Ze hebben daar ook de zegen van die ze waarderen en wat hen ertoe bracht mee terug te keren naar het land.


Wie hun afkomst niet konden bewijzen

59En dit waren degenen die optrokken uit Tel Melah, Tel Harsa, Cherub, Addan [en] Immer, maar [die] niet konden vertellen [wie] hun familie en [wat] hun afkomst [was], of zij van Israël waren: 60de nakomelingen van Delaja, de nakomelingen van Tobia, de nakomelingen van Nekoda: zeshonderdtweeënvijftig; 61en van de nakomelingen van de priesters: de nakomelingen van Habaja, de nakomelingen van Hakkoz [en] de nakomelingen van Barzillai, die een vrouw genomen had uit de dochters van Barzillai uit Gilead, en naar hun naam genoemd was. 62Dezen zochten naar hun inschrijving onder hen die in het geslachtsregister waren ingeschreven, maar zij werden niet gevonden; [daarom] werden zij als onrein van het priesterschap geweerd. 63En Zijne Excellentie zei tegen hen dat zij niet van de allerheiligste dingen mochten eten, totdat er een priester zou aantreden met [de] urim en met [de] tummim.

Zeventig jaar Babel heeft bij sommigen de gedachte aan het erfdeel en de priesterlijke voorrechten in hun harten verzwakt. Als wij beide niet waarderen, verliezen we in praktische zin het recht erop. God weet wel wie bij Hem horen. Hij kent de Zijnen. Maar wij moeten ‘ons geslachtsregister’ bewijzen door ons te onttrekken aan ongerechtigheid en te jagen naar … (2Tm 2:19-2219Evenwel, het vaste fundament van God staat en heeft dit zegel: [De] Heer kent hen die de Zijnen zijn; en: Laat ieder die de Naam van [de] Heer noemt, zich onttrekken aan ongerechtigheid.20In een groot huis nu zijn niet alleen gouden en zilveren vaten, maar ook houten en aarden; en sommige wel tot eer, maar andere tot oneer.21Als dan iemand zich van deze [vaten] reinigt, zal hij een vat zijn tot eer, geheiligd, bruikbaar voor de Meester, tot alle goed werk toebereid.22Maar ontvlucht de begeerten van de jeugd en jaag naar gerechtigheid, geloof, liefde en vrede met hen die de Heer aanroepen uit een rein hart.).

In het land van ballingschap is niet veel zorg besteed aan de aanspraken en bevoegdheden. Dat breekt sommigen nu op. Wie zijn geslachtsregister niet kan tonen, kan niet deelnemen aan het werk en priesters kunnen hun dienst niet verrichten. Er wordt niet tegen hen gezegd dat ze geen priester zijn, maar ze moeten wachten tot het bewezen wordt, dat wil zeggen tot de tijd dat God het kan duidelijk maken.

Voor ons betekent het dat een bepaalde belijdenis alleen niet voldoende is. In een tijd waarin Babel heerst en daaruit bevrijding plaatsvindt, is het van belang dat Gods Woord ons de weg wijst in het ontvangen van gelovigen als priester aan ‘het altaar’, dat is de tafel van de Heer. Elk gevaar van vermenging met de (christelijke) wereld moet worden onderkend en mag niet plaatsvinden.

In de eerste dagen van de gemeente durfde niemand zich bij de gemeente te voegen die er niet bij hoorde (Hd 5:1313en van de overigen durfde niemand zich bij hen te voegen, maar het volk achtte hen hoog;). De Geest kan dan nog krachtig werken. Het bewijs leveren dat iemand bij de gemeente hoort, is in die goede toestand niet nodig. Die tijd is echter allang voorbij.

Wat in Babel is nagelaten, is nu noodzakelijk om te handhaven. Ze willen onvermengd Israël blijven, nu ze hebben gevoeld wat het betekent met de volkeren te doen te hebben. Ze hebben de boosheid en macht ervaren van hen bij wie ze vroeger hulp hebben gezocht.

“De allerheiligste dingen” waarvan mag worden gegeten (vers 6363En Zijne Excellentie zei tegen hen dat zij niet van de allerheiligste dingen mochten eten, totdat er een priester zou aantreden met [de] urim en met [de] tummim.), zijn het spijsoffer (Lv 6:1717Het mag niet met zuurdeeg gebakken worden. [Het is] hun aandeel, dat Ik [hun] gegeven heb van Mijn vuuroffers. Het is allerheiligst, zoals het zondoffer en zoals het schuldoffer.), het zondoffer (Lv 6:25-2625Spreek tot Aäron en zijn zonen en zeg: Dit is de wet voor het zondoffer. Op de plaats waar het brandoffer geslacht wordt, zal het zondoffer voor het aangezicht van de HEERE geslacht worden. Het is allerheiligst.26De priester die het als zondoffer offert, moet het [ook] eten. Op de heilige plaats moet het gegeten worden, in de voorhof van de tent van ontmoeting.) en het schuldoffer (Lv 7:66Al wie mannelijk is onder de priesters mag het eten; op een heilige plaats moet het gegeten worden. Het is allerheiligst.). Dat er geen priester is met urim (urim betekent ‘lichten’) en tummim (tummim betekent ‘volmaaktheden’), is zwakheid. Er is ook geen aanmatiging van een kracht die ze niet bezitten. Er is getrouwheid om te wachten tot die priester komt.

Voor ons is die Priester, de Heer Jezus, al opgetreden. In de toekomst, als Gods volk volkomen onbekwaam is enig recht op de zegen te laten gelden, zal Hij er ook zijn. Nu zijn er geen priesters behalve zij die als zodanig door Christus worden erkend (Op 1:6a6en ons gemaakt heeft tot een koninkrijk, tot priesters voor Zijn God en Vader, Hem zij de heerlijkheid en de kracht tot in <alle> eeuwigheid! Amen.). Elke onzekerheid wordt opgelost door ermee naar Christus te gaan.

Wij tonen ons ‘geslachtsregister’ onder de gelovigen door onze wandel, de wegen die we gaan, de geest die we openbaren en door te dienen in liefde. Demétrius heeft zo'n getuigenis, Diótrefes niet (3Jh 1:9-10,129Ik heb aan de gemeente <een en ander> geschreven; maar Diótrefes, die graag onder hen de eerste is, neemt ons niet aan.10Daarom zal ik, als ik kom, in herinnering brengen zijn werken die hij doet, terwijl hij met boze woorden tegen ons zwetst; en hiermee niet tevreden neemt hijzelf de broeders niet aan en verhindert hen die het willen [doen] en werpt hen uit de gemeente.12Van Demétrius is getuigd door allen en door de waarheid zelf; en ook wij getuigen [van hem], en u weet dat ons getuigenis waar is.,). Als de broeders en zusters geestelijke kenmerken bij ons zien, bewijzen we ons geslachtsregister. Jonge mensen tonen hun geslachtsregister als ze het fijn vinden om bij de heiligen te zijn, belangstelling tonen voor de samenkomsten en wat ze daar horen, lezen wat hen geestelijk opbouwt en zich niet schamen om Christus te belijden.


Totaal van de teruggekeerden

64De hele gemeente bijeen: tweeënveertigduizend driehonderdzestig, 65afgezien van hun slaven en hun slavinnen: dat [waren er] zevenduizend driehonderdzevenendertig, en zij hadden tweehonderd zangers en zangeressen. 66Hun paarden: zevenhonderdzesendertig; hun muildieren: tweehonderdvijfenveertig. 67Hun kamelen: vierhonderdvijfendertig; [hun] ezels: zesduizend zevenhonderdtwintig.

De tweeënveertigduizend driehonderdzestig teruggekeerden zijn slechts een handjevol en bezitten geen enkele kracht. Ze hebben ook geen uitwendige tekenen van Gods tegenwoordigheid. Er is alleen geloof, maar dat is ook voldoende.

Wat in de verzen 66-6766Hun paarden: zevenhonderdzesendertig; hun muildieren: tweehonderdvijfenveertig.67Hun kamelen: vierhonderdvijfendertig; [hun] ezels: zesduizend zevenhonderdtwintig. wordt vermeld, laat zien dat God let op alles wat verbonden is met Zijn volk, zij het ook slechts in tijdelijke zin.


Vrijwillige gaven

68En [sommigen] van de familiehoofden gaven, toen ze aankwamen bij het huis van de HEERE, Die in Jeruzalem [woont], vrijwillig voor het huis van God, om het op zijn [oorspronkelijke] plaats te doen staan. 69Naar hun vermogen gaven zij voor de schatkamer ten behoeve van het werk: eenenzestigduizend drachmen aan goud, vijfduizend ponden aan zilver en honderd onderkleden voor priesters.

In wat voor toestand het huis ook verkeert, zij komen bij “het huis van de HEERE”, want in Gods oog bestaat het nog. Bij het zien van de puinhoop geven de familiehoofden vrijwillig, daartoe opgewekt door de Geest van God, hun gaven voor het huis van God. De bouw van het huis van God gaat niet zonder offers van onze kant. Onze geestelijke bijdrage bestaat daarin dat God en Zijn huis een grote plaats hebben in onze harten.

De bijdrage geschiedt “naar hun vermogen” (vers 6969Naar hun vermogen gaven zij voor de schatkamer ten behoeve van het werk: eenenzestigduizend drachmen aan goud, vijfduizend ponden aan zilver en honderd onderkleden voor priesters.; vgl. 1Ko 16:22Laat ieder van u op [de] eerste [dag] van [de] week bij zichzelf [iets] terzijde leggen en opsparen naardat hij welvaart heeft, opdat de inzamelingen niet pas gebeuren wanneer ik kom.). Wat ze geven is in vergelijking met wat David en de oversten gaven, maar weinig (1Kr 29:1-91Verder zei koning David tegen heel de gemeente: God heeft mijn zoon Salomo als enige uitgekozen, [nog] jong en onervaren. Dit werk daarentegen is groot, want het is geen bouwwerk voor een mens, maar voor God, de HEERE.2Met heel mijn kracht heb ik voor het huis van mijn God gereedgemaakt: het goud voor de gouden [voorwerpen], het zilver voor de zilveren, het koper voor de koperen, het ijzer voor de ijzeren en het hout voor de houten voorwerpen, onyxstenen en [andere stenen als] opvulling, sierstenen en kleurrijke [stenen], allerlei edelstenen en marmeren stenen in overvloed.3En omdat ik een behagen schep in het huis van mijn God, geef ik daarboven mijn persoonlijke vermogen aan goud en zilver voor het huis van mijn God, boven alles wat ik voor het huis van het heiligdom [al] gereedgemaakt heb:4drieduizend talent goud, van het goud van Ofir, en zevenduizend talent gezuiverd zilver om de muren van de huizen te overtrekken;5goud voor de gouden [voorwerpen], zilver voor de zilveren [voorwerpen], en voor ieder werk door de hand van de ambachtslieden. Wie is vandaag gewillig de HEERE zijn gave te schenken?6Toen gaven de hoofden van de families vrijwillig, met de leiders van de stammen van Israël, de leiders over duizend en over honderd, en de opzichters over het werk van de koning.7Zij gaven voor de dienst van het huis van God vijfduizend talent goud, tienduizend drachmen, tienduizend talent zilver, achttienduizend talent koper en honderdduizend talent ijzer.8Wat zij aan [edel]stenen bij zich vonden, gaven zij voor de schatkamer van het huis van de HEERE, in handen van de Gersoniet Jehiël.9Het volk was verblijd over hun vrijwillig geven, want zij gaven met een volkomen hart vrijwillig aan de HEERE. Ook koning David verblijdde zich in hoge mate.). Maar God ziet het hart aan. De “onderkleden voor priester” spreken van de niet zichtbare motieven waarmee de priesterdienst wordt verricht. Onze motieven om priesterdienst te verrichten worden mede gevormd door onze omgang met anderen. Dat is ook iets waar de familiehoofden aan denken.


De steden bewoond

70De priesters, de Levieten, [sommigen] van het volk, de zangers, de poortwachters en de tempeldienaren woonden in hun steden, en heel Israël [woonde] in zijn steden.

Ze gaan allemaal naar de steden waar ze oorspronkelijk vandaan komen, waar hun voorouders hebben gewoond. Er wordt hier gesproken over “hun steden”, dat wil zeggen de steden van de twee stammen, en over “zijn steden”, dat wil zeggen de steden van de tien stammen. Ze wonen er, ondanks het feit dat de stad er doods en vervallen uit zal hebben gezien en er veel werk te verrichten zal zijn geweest. Wonen betekent tot rust gekomen zijn. Als wij als plaatselijke gemeente samenleven in overeenstemming met onze door God gegeven zegeningen, zullen we ook in rust, vrede en harmonie leven, ondanks het verval in de christenheid.


Lees verder