Ezra
1-4 Gods volk mag terug naar Jeruzalem 5-6 Wie willen gaan 7-11 Voorwerpen van het huis van de HEERE
Gods volk mag terug naar Jeruzalem

1In het eerste jaar nu van Kores, de koning van Perzië, wekte de HEERE de geest van Kores op, de koning van Perzië, opdat het woord van de HEERE, [dat Hij] bij monde van Jeremia [gesproken had], vervuld zou worden om door zijn hele koninkrijk een boodschap te laten gaan, ook in geschrifte: 2Zo zegt Kores, de koning van Perzië: Alle koninkrijken van de aarde heeft de HEERE, de God van de hemel, aan mij gegeven, en Hij is het Die mij heeft opgedragen om een huis voor Hem te bouwen in Jeruzalem, dat in Juda ligt. 3Wie er onder u ook maar tot al Zijn volk behoort – zijn God zij met hem – laat hij optrekken naar Jeruzalem, dat in Juda ligt, en laat hij het huis van de HEERE, de God van Israël, bouwen; Hij is de God Die in Jeruzalem [woont]. 4En ieder die achtergebleven is, uit alle plaatsen waar hij als vreemdeling verblijft, laten zijn plaatsgenoten hem helpen met zilver, met goud, met [allerlei] bezittingen en met vee, naast de vrijwillige gave voor het huis van God, Die in Jeruzalem [woont].

Wat in dit hoofdstuk gebeurt, laat een echt werk van God zien. Het is geen mensenwerk met voorbereidende vergaderingen en besprekingen. De harten van allen worden door Hem bestuurd.

Zeventig jaar nadat het volk door de Babyloniërs in ballingschap is gevoerd, gaat God aan het werk om Zijn woord door Jeremia (Jr 29:1010Want zo zegt de HEERE: Voorzeker, pas wanneer zeventig jaren in Babel voorbij zijn, zal Ik naar u omzien en over u Mijn goede woord gestand doen, door u terug te brengen naar deze plaats.; 24:6-76Ik zal Mijn oog op hen gericht houden ten goede en Ik zal hen naar dit land doen terugkeren. Ik zal hen bouwen en niet afbreken. Ik zal hen planten en niet wegrukken7Ik zal hun een hart geven om Mij te kennen, dat Ik de HEERE ben, en zij zullen Mij tot een volk zijn en Ík zal hun tot een God zijn; want zij zullen zich tot Mij bekeren met heel hun hart.; 25:11-1211Dan zal heel dit land worden tot een puinhoop, tot een verschrikking. Deze volken zullen de koning van Babel zeventig jaar dienen.12Maar het zal gebeuren wanneer de zeventig jaar voorbij zijn, dat Ik de koning van Babel en dat volk – spreekt de HEERE – hun ongerechtigheid zal vergelden, en [ook] het land van de Chaldeeën en Ik zal dat maken tot eeuwige woestenijen.; 27:2222Naar Babel zullen zij gebracht worden en daar zullen ze zijn tot de dag dat Ik ernaar zal omzien, spreekt de HEERE. Dan zal Ik ze weghalen en naar deze plaats terugbrengen.) te vervullen. Dat woord houdt in dat er na zeventig jaar een einde aan de ballingschap komt en het volk mag terugkeren naar het land van God. Het begin van de terugkeer ontstaat door een werk van de HEERE in de geest van Kores (vers 11In het eerste jaar nu van Kores, de koning van Perzië, wekte de HEERE de geest van Kores op, de koning van Perzië, opdat het woord van de HEERE, [dat Hij] bij monde van Jeremia [gesproken had], vervuld zou worden om door zijn hele koninkrijk een boodschap te laten gaan, ook in geschrifte:).

God handelt ook op grond van het gebed van Zijn dienaren die door ijverige studie van Zijn Woord ingevoerd zijn in Zijn plannen (Dn 9:2-32in zijn eerste regeringsjaar, merkte ik, Daniël, in de boeken het aantal jaren op waarover het woord van de HEERE tot de profeet Jeremia geschied was: zeventig jaar zouden na de verwoesting van Jeruzalem voorbij moeten gaan.3Ik richtte mijn gezicht tot de Heere God, [om Hem] te zoeken [in] gebed en [met] smeekbeden, met vasten, en [in] zak en as.). Hij brengt een overblijfsel terug, opdat de tempel op zijn plaats kan worden herbouwd en opdat de ware Koning, de Heer Jezus, aan hen kan worden voorgesteld. Dit handelen van God is dan ook in overeenstemming met de beloften gegeven door de mond van Jeremia en het gebed van Zijn dienaar Daniël.

Hoe de uiterlijke omstandigheden ook mogen zijn, God heeft de harten van alle mensen in Zijn hand, ook van koningen (Sp 21:11Het hart van een koning is in de hand van de HEERE [als] waterbeken,
Hij neigt het tot alles wat Hem behaagt.
)
. Het werktuig, Kores, is al tweehonderd jaar eerder door profeet Jesaja aangekondigd (Js 41:22Wie heeft vanwaar [de zon] opkomt de rechtvaardige doen opstaan,
hem geroepen om te gaan?
[Wie] heeft heidenvolken aan hem overgeleverd
en doet hem koningen vertreden?
[Wie] heeft [hen] als stof overgeleverd aan zijn zwaard,
als wegwaaiende stoppels aan zijn boog?
; 44:2828Die over Kores zegt: Hij is Mijn herder,
en hij zal al Mijn welbehagen volbrengen,
door tegen Jeruzalem te zeggen: Word gebouwd,
en [tegen] de tempel: Word gegrondvest.
; 45:1-51Zo zegt de HEERE tegen Zijn gezalfde,
tegen Kores, die Ik vastgrijp bij zijn rechterhand,
om de volken vóór hem neer te werpen,
en de lendenen van koningen zal Ik ontgorden;
om deuren voor hem te openen,
poorten zullen niet gesloten worden:
2Zelf zal Ik voor u uit gaan,
het oneffene zal Ik rechtmaken,
bronzen deuren zal Ik openbreken,
en ijzeren grendels stukbreken.
3En Ik zal u geven schatten die in het duister zijn,
verborgen rijkdommen,
opdat u zult weten dat Ik de HEERE ben, Die [u] bij uw naam roept,
de God van Israël.
4Ter wille van Jakob, Mijn dienaar,
Israël, Mijn uitverkorene,
riep Ik u bij uw naam;
Ik gaf u een erenaam, hoewel u Mij niet kende.
5Ik ben de HEERE, en niemand anders,
buiten Mij is er geen God.
Ik zal u omgorden, hoewel u Mij niet kende,
)
. Zodra hij aan de macht is, gaat de profetie van Jesaja in vervulling. God laat er geen gras over groeien. Hij gebruikt Kores, de koning van Perzië, voor het geven van de gelegenheid om naar Juda terug te keren. Dat betekent ook dat Hij Babel, dat Zijn volk in ballingschap heeft gevoerd, niet de eer geeft Zijn volk terug te laten gaan.

God gebruikt hier de wereldmachten om Zijn plan te volvoeren (vers 22Zo zegt Kores, de koning van Perzië: Alle koninkrijken van de aarde heeft de HEERE, de God van de hemel, aan mij gegeven, en Hij is het Die mij heeft opgedragen om een huis voor Hem te bouwen in Jeruzalem, dat in Juda ligt.). Kores noemt Hem “de God van de hemel”, omdat God Zijn troon van de aarde heeft verwijderd en Zijn volk in handen van de volken heeft gegeven. Kores geeft geen bevel aan wie dan ook om terug te keren naar Jeruzalem. Namen worden niet genoemd, er wordt ruimte gegeven voor iedereen (vers 33Wie er onder u ook maar tot al Zijn volk behoort – zijn God zij met hem – laat hij optrekken naar Jeruzalem, dat in Juda ligt, en laat hij het huis van de HEERE, de God van Israël, bouwen; Hij is de God Die in Jeruzalem [woont].). Op deze wijze zullen alleen Godvrezende mensen aan de oproep gehoor geven. De harten van deze mensen gaan uit naar de heerlijkheid van God en naar de plaats van Zijn Naam.

Deze heidense vorst Kores kondigt aan dat de weg naar Jeruzalem open is. Het is niet alleen zo, dat hij het volk niet verhindert om te gaan, maar hij moedigt hen daartoe aan. Hij draagt alle volken op hetzelfde te doen (vers 44En ieder die achtergebleven is, uit alle plaatsen waar hij als vreemdeling verblijft, laten zijn plaatsgenoten hem helpen met zilver, met goud, met [allerlei] bezittingen en met vee, naast de vrijwillige gave voor het huis van God, Die in Jeruzalem [woont].), terwijl hij zelf geeft wat Nebukadnezar uit de tempel heeft geroofd.

Er is niets wettisch in deze beweging. Het moet het resultaat zijn van genade die in het hart werkt. Als het een wettische zaak is, zal alle frisheid en kracht verloren gaan. Het is niet wijs om te proberen mensen te dwingen een positie in te nemen waarheen de genade hen niet heeft gebracht. Aandringen op het verlaten van menselijke systemen en dat op het geweten van mensen leggen als een zaak van plicht, is niet goed. Een dergelijke handelwijze heeft tot gevolg dat velen wel uiterlijk een plaats van afzondering innemen, maar niet werkelijk door Christus aangetrokken zijn.

Voor het vlees is het weinig aantrekkelijk om naar Jeruzalem te gaan. De stad is een puinhoop. Toch is Jeruzalem voor het geloof de plaats van ‘de Naam’. Voor de gelovigen nu is de plaats van aanbidding geen geografische plaats – “noch op deze berg, noch in Jeruzalem” (Jh 4:2121Jezus zei tot haar: Geloof Mij, vrouw, er komt een uur dat u noch op deze berg, noch in Jeruzalem de Vader zult aanbidden.) –, maar een geestelijke plaats. Het is de plaats waarvan de Heer Jezus zegt: “Waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in hun midden” (Mt 18:2020Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in hun midden.). Die plaats vinden we overal waar Hij wordt erkend als enig Hoofd en Heer en waar de Zijnen in dat besef rondom Hem vergaderd zijn. Dat is wat overeenkomt met de plaats die Hij in het Oude Testament gekozen heeft om Zijn Naam daar te doen wonen: de tempel in Jeruzalem.


Wie willen gaan

5Toen stonden de familiehoofden van Juda en Benjamin, en de priesters en de Levieten op, allen bij wie God de geest had opgewekt om op te trekken om het huis van de HEERE te bouwen, Die in Jeruzalem [woont]. 6En allen rondom hen ondersteunden hen met zilveren voorwerpen, met goud, met bezittingen, met vee en met kostbaarheden, naast alles wat vrijwillig gegeven was.

“De familiehoofden” (vers 55Toen stonden de familiehoofden van Juda en Benjamin, en de priesters en de Levieten op, allen bij wie God de geest had opgewekt om op te trekken om het huis van de HEERE te bouwen, Die in Jeruzalem [woont].) stellen gelovigen voor die bereid zijn verantwoordelijkheid te dragen. Bij een opwekking is het ook noodzakelijk dat er mensen zijn die de leiding op zich nemen. Zij gaan voor op het pad van het geloof en anderen mogen volgen op de weg die zij banen. In de plaatselijke gemeente zijn zij het die de gelovigen de weg wijzen om waar te maken dat de Heer Jezus in het midden is. Zij geven er onderwijs over en leven het voor. Het is goed hun gezelschap op te zoeken en met hen op te trekken.

Er zijn ook “de priesters en de Levieten”. Dat zijn zij die de dienst aan God op het oog hebben. Zij hebben in Babel geen dienst kunnen doen, want daar is geen tempel. Die heeft in Jeruzalem gestaan en is verwoest en zij zijn weggevoerd. Nu wordt er opdracht gegeven de tempel te herbouwen. Daardoor wordt het weer mogelijk voor hen om hun dienst te verrichten.

Bij elke opwekking is het noodzakelijk dat deze beide elementen aanwezig zijn. Priesterdienst verrichten is vandaag het voorrecht van ieder kind van God en is niet beperkt, zoals in Israël, tot een speciale klasse. Voor Levietendienst geldt hetzelfde. Iedere gelovige heeft een taak, een functie, in de gemeente.

Iedere gelovige is priester. Daarin is geen onderscheid. Iedere gelovige is ook Leviet. Daarin is wel onderscheid, want iedere gelovige heeft een andere taak. Daarin staat niet de een boven de ander, maar is iedere gelovige een aanvulling op de ander.

Dat de familiehoofden en de priesters en de Levieten naar Jeruzalem optrekken om het huis van de HEERE te bouwen, is geen eigenmachtige actie. Zoals de HEERE de geest van Kores heeft opgewekt om op te roepen tot een terugkeer naar Jeruzalem voor de herbouw van de tempel (vers 11In het eerste jaar nu van Kores, de koning van Perzië, wekte de HEERE de geest van Kores op, de koning van Perzië, opdat het woord van de HEERE, [dat Hij] bij monde van Jeremia [gesproken had], vervuld zou worden om door zijn hele koninkrijk een boodschap te laten gaan, ook in geschrifte:), zo is ook het optrekken van de genoemde drie groepen het gevolg van Zijn werk. Een opwekking is het werk van God, niet het gevolg van beraadslagingen en afspraken van mensen.

Hoewel er ook personen uit andere stammen bij zijn geweest, gaat het toch hoofdzakelijk om mensen uit de twee stammen Juda en Benjamin. Aan hen wordt Christus bij Zijn eerste komst op aarde voorgesteld, met als resultaat dat Hij door hen wordt verworpen. Dat het hoofdzakelijk om de twee stammen gaat, toont ook aan dat het hier geen nationaal herstel betreft. Het herstel van de tien stammen gebeurt pas als Christus voor de tweede keer verschijnt (Ez 20:33-4433[Zo waar] Ik leef, spreekt de Heere HEERE, voorwaar, met sterke hand, met uitgestrekte arm en met uitgestorte grimmigheid zal Ik over u regeren!34Ik zal u uit de volken leiden en u bijeenbrengen uit de landen waaronder u verspreid bent, met sterke hand, met uitgestrekte arm en met uitgestorte grimmigheid.35Vervolgens zal Ik u brengen in de woestijn van de volken en daar van aangezicht tot aangezicht een rechtszaak met u voeren.36Zoals Ik met uw vaderen in de woestijn van het land Egypte een rechtszaak gevoerd heb, zo zal Ik een rechtszaak met u voeren, spreekt de Heere HEERE.37Ik zal u onder de [herders]stok doen doorgaan en u brengen in de band van het verbond.38Ik zal van u uitzuiveren wie in opstand komen en wie tegen Mij overtreden. Ik zal hen leiden uit het land waar zij vreemdeling zijn, maar zij zullen op het grondgebied van Israël niet komen. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben.39Wat u betreft, huis van Israël, zo zegt de Heere HEERE: Ga, laat ieder zijn stinkgoden [maar] dienen, ook hierna, want u luistert [toch] niet naar Mij. Ontheilig echter Mijn heilige Naam niet meer met uw geschenken en uw stinkgoden,40want op Mijn heilige berg, op de hoge berg van Israël, spreekt de Heere HEERE, daar zal heel het huis van Israël Mij in het land dienen, in zijn geheel. Daar zal Ik in hen behagen scheppen en daar zal Ik uw hefoffers vragen, met het allerbeste van al uw geheiligde [gaven].41Ik zal behagen in u scheppen vanwege de aangename geur, wanneer Ik u uit de volken leid en Ik u bijeenbreng uit de landen waaronder u verspreid bent. Ik zal voor de ogen van de heidenvolken door u geheiligd worden.42Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben, wanneer Ik u op het grondgebied van Israël breng, in het land waarover Ik Mijn hand opgeheven heb om het aan uw vaderen te geven.43Daar zult u dan denken aan uw wegen en aan al uw daden waarmee u uzelf verontreinigd hebt. U zult van uzelf walgen vanwege al uw slechte daden, die u gedaan hebt.44Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben, wanneer Ik omwille van Mijn Naam met u niet zal doen overeenkomstig uw slechte wegen en uw verdorven daden, huis van Israël, spreekt de Heere HEERE.; Jr 31:6-146Want er zal een dag zijn dat de wachters zullen roepen
op het bergland van Efraïm:
Sta op, laten wij opgaan [naar] Sion,
naar de HEERE, onze God!7Want zo zegt de HEERE:
Zing vrolijk over Jakob, [met] blijdschap!
Juich om het hoofd van de heidenvolken!
Laat het horen, prijs [Hem] en zeg:
Verlos Uw volk, HEERE,
het overblijfsel van Israël.
8Zie, Ik doe hen komen
uit het land van het noorden,
Ik zal hen bijeenbrengen van de uithoeken van de aarde;
onder hen zijn blinden en verlamden,
zwangeren en barenden met elkaar:
[met] een grote menigte zullen zij hierheen terugkomen.
9Onder geween zullen zij komen,
onder smeekbeden zal Ik hen leiden.
Ik zal hen doen gaan naar waterbeken,
op een rechte weg, waarop zij niet zullen struikelen,
want Ik ben Israël tot een Vader,
en Efraïm – Mijn eerstgeborene is hij.
10Hoor het woord van de HEERE, heidenvolken,
verkondig het in de kustlanden van ver weg,
en zeg:
Hij Die Israël verstrooid heeft, zal het [weer] bijeenbrengen
en het hoeden, zoals een herder zijn kudde [hoedt].
11Want de HEERE heeft Jakob vrijgekocht,
en hem verlost uit de hand van hem die sterker was dan hij.
12Zij zullen komen en juichen op de hoogte van Sion,
zij zullen toestromen naar het goede van de HEERE:
naar het koren, naar de nieuwe wijn en naar de olie,
naar de lammeren en runderen.
Hun ziel zal zijn als een bevloeide hof,
zij zullen voortaan niet meer treurig zijn.
13Dan zullen jonge vrouwen zich verblijden in een reidans,
ook de jongemannen en de ouderen met elkaar.
Ik zal hun rouw veranderen in vreugde,
Ik zal hen troosten, Ik zal hen blij maken na hun verdriet.
14Ik zal de ziel van de priesters verzadigen [met] overvloed,
Mijn volk zal met het goede van Mij verzadigd worden,
spreekt de HEERE.
)
.

Er is geen geest van veroordeling of vijandschap of jaloezie tussen hen die gaan en hen die blijven (vers 66En allen rondom hen ondersteunden hen met zilveren voorwerpen, met goud, met bezittingen, met vee en met kostbaarheden, naast alles wat vrijwillig gegeven was.). Zij die achterblijven, geven hun die vertrekken van alles mee. Hoewel de omstandigheden heel anders zijn, herinnert wat hier gebeurt aan de uittocht van het volk uit het Egyptische slavenhuis. Dan geven de Egyptenaren het vertrekkende volk ook allerlei voorwerpen mee (Ex 12:35-3635De Israëlieten hadden gedaan overeenkomstig het woord van Mozes en hadden van de Egyptenaren zilveren voorwerpen, gouden voorwerpen en kleren gevraagd.36Bovendien had de HEERE het volk genade gegeven in de ogen van de Egyptenaren, zodat zij hun het gevraagde gaven. Zo beroofden zij de Egyptenaren.).


Voorwerpen van het huis van de HEERE

7Ook liet koning Kores de voorwerpen van het huis van de HEERE halen, die Nebukadnezar uit Jeruzalem had gehaald en in het huis van zijn goden had geplaatst. 8Kores, de koning van Perzië, liet ze halen door de dienst van Mithredath, de schatbewaarder, en die telde ze [en droeg ze over] aan Sesbazar, de vorst van Juda. 9Dit zijn de aantallen ervan: dertig gouden schalen, duizend zilveren schalen, negenentwintig messen, 10dertig gouden bekers, vierhonderdtien andere zilveren bekers; andere voorwerpen: duizend. 11Het totaal van de voorwerpen van goud en zilver: vijfduizend vierhonderd. Sesbazar bracht dit alles mee, toen de ballingen van Babel naar Jeruzalem gebracht werden.

Kores behandelt de voorwerpen van het huis van de HEERE met respect, dit in tegenstelling tot de laatste koning van Babel, Belsazar (Dn 5:1-41Koning Belsazar richtte een groot feestmaal aan voor zijn duizend machthebbers, en in tegenwoordigheid van die duizend dronk hij wijn.2Onder invloed van de wijn beval Belsazar dat men de gouden en zilveren voorwerpen moest halen die zijn vader Nebukadnezar had weggenomen uit de tempel in Jeruzalem, opdat de koning, zijn machthebbers, zijn vrouwen en bijvrouwen eruit zouden drinken.3Toen haalde men de gouden voorwerpen die men uit de tempel, het huis van God, in Jeruzalem had weggenomen, en de koning, zijn machthebbers, zijn vrouwen en bijvrouwen dronken eruit.4Zij dronken wijn en prezen [hun] goden van goud, zilver, koper, ijzer, hout en steen.). Deze voorwerpen zijn geroofd bij de diverse wegvoeringen (vers 77Ook liet koning Kores de voorwerpen van het huis van de HEERE halen, die Nebukadnezar uit Jeruzalem had gehaald en in het huis van zijn goden had geplaatst.; 2Kr 36:7,10,187Nebukadnezar bracht ook [een deel] van de voorwerpen van het huis van de HEERE naar Babel, en plaatste ze in zijn tempel te Babel.10Bij het aanbreken van het nieuwe jaar stuurde koning Nebukadnezar [een leger] en liet hem naar Babel brengen met de kostbare voorwerpen van het huis van de HEERE. En hij maakte zijn broer Zedekia koning over Juda en Jeruzalem.18Alle voorwerpen van het huis van God, de grote en de kleine, de schatten van het huis van de HEERE en de schatten van de koning en zijn vorsten: dat alles bracht hij naar Babel.; Dn 1:22En de Heere gaf Jojakim, de koning van Juda, in zijn hand, en een deel van de voorwerpen van het huis van God. Hij bracht die naar het land Sinear, [naar] het huis van zijn god. Hij bracht de voorwerpen naar de schatkamer van zijn god.). De eerste wegvoering gebeurt in het begin van de regering van Jojakim. De tweede vindt plaats tijdens de regering van Jojachin en de derde in het elfde jaar van Zedekia. De zeventigjarige ballingschap moet worden geteld vanaf de eerste wegvoering.

In de geestelijke toepassing stellen de voorwerpen voor de dienst personen voor. We mogen onszelf zien als zilveren en gouden vaten, waarin we de waarde zien die we voor God hebben (2Tm 2:19-2119Evenwel, het vaste fundament van God staat en heeft dit zegel: [De] Heer kent hen die de Zijnen zijn; en: Laat ieder die de Naam van [de] Heer noemt, zich onttrekken aan ongerechtigheid.20In een groot huis nu zijn niet alleen gouden en zilveren vaten, maar ook houten en aarden; en sommige wel tot eer, maar andere tot oneer.21Als dan iemand zich van deze [vaten] reinigt, zal hij een vat zijn tot eer, geheiligd, bruikbaar voor de Meester, tot alle goed werk toebereid.). De afzondering van de voorwerpen die de HEERE toebehoren van de voorwerpen die horen bij de afgodentempels van Babel, is noodzakelijk. Wat van God is, moet gereinigd worden van wat niet van Hem is.

De voorwerpen worden gegeven “aan Sesbazar, de vorst van Juda” (vers 88Kores, de koning van Perzië, liet ze halen door de dienst van Mithredath, de schatbewaarder, en die telde ze [en droeg ze over] aan Sesbazar, de vorst van Juda.). Sesbazar is de Babylonische naam voor Zerubbabel. Hij stamt af van David en is diens erfgenaam. Zijn naam staat ook in het geslachtsregister van de Heer Jezus (Mt 1:1313en Zerubbabel verwekte Abiud, en Abiud verwekte Eljakim, en Eljakim verwekte Azor,). Hij laat zich niet voorstaan op zijn afstamming, maar neemt de plaats in van iemand van wie het geloof kan worden nagevolgd. De tijd van de grote dingen is voorbij. Dat de voorwerpen onder toezicht van Sesbazar komen, stelt ons voor dat de Heer Jezus de beschikking over ons heeft.

Diverse voorwerpen en hun aantallen worden genoemd (verzen 9-119Dit zijn de aantallen ervan: dertig gouden schalen, duizend zilveren schalen, negenentwintig messen,10dertig gouden bekers, vierhonderdtien andere zilveren bekers; andere voorwerpen: duizend.11Het totaal van de voorwerpen van goud en zilver: vijfduizend vierhonderd. Sesbazar bracht dit alles mee, toen de ballingen van Babel naar Jeruzalem gebracht werden.). Daaronder bevinden zich ook negenentwintig messen. Hierin zien we dat God niets gering acht (Jb 36:55Zie, God is machtig, maar Hij veracht niets;
machtig is de kracht van [Zijn] hart.
; Mt 10:3030Van u echter zijn zelfs de haren van uw hoofd alle geteld.; Lk 12:77Ja, zelfs de haren van uw hoofd zijn alle geteld. Weest niet bang; u gaat vele musjes te boven.)
. Hij, Die de sterren telt en ze allemaal een naam heeft gegeven (Ps 147:44Hij telt het aantal sterren,
Hij noemt ze alle bij [hun] naam.
)
, neemt ook nota van de messen die uit de ballingschap worden teruggebracht en kent hun aantal.

Het zijn messen die bij het tempelgerei horen en door Nebukadnezar mee naar Babel zijn genomen (Jr 52:17-2317En de koperen pilaren die aan het huis van de HEERE toebehoorden, de onderstellen en de koperen zee die in het huis van de HEERE waren, braken de Chaldeeën stuk. Al het koper daarvan voerden zij naar Babel.18Ook namen zij de potten, de scheppen, de messen, de sprengbekkens, de offerschalen en alle koperen voorwerpen waarmee men de dienst deed, mee.19De bevelhebber van de lijfwacht nam de schalen, de vuurschalen, de sprengbekkens, de potten, de kandelaars, de offerschalen en de kommen mee – [al] wat geheel van goud en geheel van zilver was.20De twee pilaren, de ene zee en de twaalf koperen runderen die eronder stonden, [namelijk] de onderstellen die koning Salomo voor het huis van de HEERE gemaakt had – het koper van al deze voorwerpen was niet te wegen.21Wat betreft de pilaren: een pilaar was achttien el hoog, een draad van twaalf el kon hem omspannen. De dikte ervan was vier vingers, [en] hij was hol.22Daarop zat een kapiteel van koper. De hoogte van een kapiteel was vijf el. Het vlechtwerk en de granaatappels rondom op het kapiteel waren helemaal van koper. En de tweede pilaar had zoals deze [eerste], eveneens granaatappels.23Er waren zesennegentig granaatappels [aangebracht in alle] windrichtingen. [Het totaal van] alle granaatappels was honderd, rondom op het vlechtwerk.). Deze messen worden door de priesters gebruikt om de offerdieren in stukken te delen. Na de wegvoering in ballingschap is er geen offerdienst meer. Na de terugkeer kan die echter weer plaatsvinden als het altaar is opgericht. Dan zijn ook de messen nodig.

We kunnen een toepassing maken voor hen die in de christenheid vol verwarring op zoek zijn gegaan naar ‘het altaar’, de tafel van de Heer, en die hebben gevonden. Daarin hebben de messen hun plaats. De messen worden gebruikt om het offerdier de huid af te stropen en het in stukken te verdelen om op het altaar te leggen, opdat het tot een lieflijke reuk voor de HEERE is. We kunnen zeggen dat wij die messen gebruiken als we ons bezighouden met de innerlijke gevoelens van de Heer Jezus en aan God vertellen wat we daarvan hebben ontdekt. Het gebruik van de messen stelt ons voor het dieper indringen in de gevoelens van de Heer Jezus. We blijven dan niet bij een oppervlakkige beschouwing van Zijn Persoon en werk staan.

Een mes dient ook om het Woord van de waarheid recht te snijden (2Tm 2:1515Beijver je, je aan God beproefd voor te stellen als een arbeider die zich niet hoeft te schamen, die het Woord van de waarheid recht snijdt.). We moeten het hele Woord van God recht doen, dat wil zeggen aan elk onderdeel ervan zijn juiste betekenis en uitwerking toekennen.


Lees verder