Deuteronomium
1-3 De HEERE trekt voor Zijn volk uit 4-6 Niet vanwege hún gerechtigheid 7-8 De HEERE door Israël vertoornd 9-11 De wet door Mozes ontvangen 12-14 De HEERE wilde Israël wegvagen 15-17 De twee tafelen verbroken 18-20 De voorbede van Mozes 21 Het gouden kalf verpulverd 22-24 Nog meer weerspannigheid 25-29 Nog meer voorbede van Mozes
De HEERE trekt voor Zijn volk uit

1Luister, Israël! U gaat heden de Jordaan oversteken om [het land] binnen te gaan en in bezit te nemen [van] volken die groter en machtiger zijn dan u, [met] grote en hemelhoog versterkte steden; 2een groot en lang volk, de Enakieten, die u zelf kent en [over wie] u zelf gehoord hebt: Wie kan standhouden tegenover de Enakieten? 3Daarom moet u heden weten dat het de HEERE, uw God, is Die voor u uit [de Jordaan] overtrekt, een verterend vuur. Hij zal hen wegvagen en Hij zal hen aan u onderwerpen. U zult hen uit hun bezit verdrijven en hen [al] snel ombrengen, zoals de HEERE tot u gesproken heeft.

Het woord “luister” waarmee dit hoofdstuk begint, is kenmerkend voor Deuteronomium (Dt 4:11Nu dan, Israël, luister naar de verordeningen en de bepalingen die ik u leer te doen; opdat u leeft en u het land dat de HEERE, de God van uw vaderen, u geeft, binnengaat en in bezit neemt.; 5:11Mozes riep heel Israël [bijeen] en zei tegen hen: Luister, Israël, naar de verordeningen en bepalingen die ik heden ten aanhoren van u spreek. U moet ze leren en nauwlettend in acht nemen.; 6:33Luister dan, Israël, en neem [ze] nauwlettend in acht! Dan zal het u goed gaan en zult u zeer talrijk worden – zoals de HEERE, de God van uw vaderen, tot u gesproken heeft – in het land dat overvloeit van melk en honing.). Het is het vragen van aandacht voor de woorden van God, voor wat Hij te zeggen heeft.

Om de macht van de vijand te beschrijven gebruikt Mozes dezelfde woorden als de ongelovige verkenners (Dt 1:2828Waar moeten wij heen trekken? Onze broeders hebben ons hart laten smelten door te zeggen: Het is een volk, groter en langer dan wij; de steden zijn groot en hemelhoog versterkt; wij hebben er zelfs Enakieten gezien.), want die macht is werkelijkheid. We moeten de macht van de vijand niet kleineren, maar ons vertrouwen stellen op een veel grotere macht: de macht van God.


Niet vanwege hún gerechtigheid

4Wanneer de HEERE, uw God, hen van voor uw [ogen] verjaagd heeft, zeg [dan] niet in uw hart: Vanwege míjn gerechtigheid heeft de HEERE mij in dit land gebracht om het in bezit te nemen. Want [het is] vanwege de goddeloosheid van deze volken [dat] de HEERE hen van voor uw [ogen] uit hun bezit verdrijft. 5Niet vanwege uw gerechtigheid of vanwege de oprechtheid van uw hart komt u hun land in om het in bezit te nemen, maar vanwege de goddeloosheid van deze volken verdrijft de HEERE, uw God, hen van voor uw [ogen] uit hun bezit, en om het woord gestand te doen dat de HEERE, uw God, uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft. 6Daarom moet u weten dat het niet vanwege uw gerechtigheid is dat de HEERE, uw God, u dit goede land geeft om het in bezit te nemen, want u bent een halsstarrig volk.

In Deuteronomium 8 is de waarschuwing dat ze niet moeten denken dat zij door eigen kracht het land zullen hebben veroverd (Dt 8:1717en dat u [dan] niet in uw hart zegt: Mijn [eigen] kracht en de macht van míjn hand heeft dit vermogen voor mij verworven.). Hier wordt gewaarschuwd voor de gedachte dat ze het land gekregen hebben omdat ze beter zijn dan de volken in het land. Zo moeten wij als christenen niet denken dat God ons geestelijke zegeningen heeft gegeven omdat wij betere mensen zijn dan de mensen om ons heen. Alsof wij trouwer zijn en door eigen verdienste die zegeningen hebben gekregen.

Bewijzen van onverdiende genade kunnen door het vlees misbruikt worden door die bewijzen uit te leggen als bewijzen voor eigen gerechtigheid en voortreffelijkheid. God laat zien dat het geen kwestie is van hun gerechtigheid, waarbij het vlees zich gaat verheffen, maar dat zij het land in zijn gegaan vanwege de ongerechtigheid van de volken. Israël is daarbij de roede in Gods hand om die volken te oordelen. Later zal Nebukadnezar de roede in Gods hand zijn om Israël uit het land te verwijderen (2Kr 36:20-21a20En wie overgebleven was van het zwaard, voerde hij weg naar Babel, en zij werden hem en zijn zonen tot slaven, tot het koninkrijk van Perzië ging regeren,21om het woord van de HEERE, bij monde van Jeremia [gesproken], te vervullen, totdat het land behagen zou scheppen in zijn sabbats[jaren]. Het rustte al de dagen van de verwoesting, totdat de zeventig jaar vervuld waren.).

Een ander aspect is de belofte die aan de vaderen is gedaan. Dat ziet op het raadsbesluit van God. Hij heeft het Zich voorgenomen en dat aan de vaderen beloofd. De tijd van de vervulling van die belofte is gekomen.

God benadrukt het feit dat er geen enkele gerechtigheid van ons ten grondslag ligt aan de zegen die Hij ons heeft gegeven (vgl. Ez 36:3232Ik doe het niet omwille van u, spreekt de Heere HEERE, laat dat u bekend zijn. Schaam u en word te schande vanwege uw wegen, huis van Israël.). Dat wij nu zegeningen mogen bezitten, is alleen op grond van het feit dat Christus op het kruis onze vijanden heeft verslagen: En u, toen u dood was in de overtredingen en in de onbesnedenheid van uw vlees, u heeft Hij mee levend gemaakt met Hem, terwijl Hij ons alle overtredingen vergeven heeft; de schuldbrief die tegen ons [getuigde] door zijn inzettingen [en] die onze tegenstander was, heeft Hij uitgewist en die uit de weg geruimd door deze aan het kruis te nagelen. En Hij heeft de overheden en de machten ontwapend en openlijk tentoongesteld en door het [kruis] over hen getriomfeerd” (Ko 2:13-1513En u, toen u dood was in de overtredingen en in de onbesnedenheid van uw vlees, u heeft Hij mee levend gemaakt met Hem, terwijl Hij ons alle overtredingen vergeven heeft;14de schuldbrief die tegen ons [getuigde] door zijn inzettingen [en] die onze tegenstander was, heeft Hij uitgewist en die uit de weg geruimd door deze aan het kruis te nagelen.15En Hij heeft de overheden en de machten ontwapend en openlijk tentoongesteld en door het [kruis] over hen getriomfeerd.).


De HEERE door Israël vertoornd

7Houd in gedachten [en] vergeet niet dat u de HEERE, uw God, zeer toornig hebt gemaakt in de woestijn: vanaf de dag dat u uit het land Egypte vertrokken bent, totdat u op deze plaats kwam, bent u ongehoorzaam geweest aan de HEERE. 8Bij de Horeb hebt u de HEERE immers zeer toornig gemaakt; de HEERE werd [zo] toornig op u dat Hij u [wilde] wegvagen.

De geschiedenis van het gouden kalf moet hen eraan herinneren dat zij niet uitgekozen zijn vanwege hun gerechtigheid. Enerzijds moeten ze gedenken hoe de HEERE voor hen geweest is gedurende de reis (Dt 8:22Ook moet u heel de weg in gedachten houden waarop de HEERE, uw God, u deze veertig jaar in de woestijn geleid heeft, opdat Hij u zou verootmoedigen, [en] u op de proef zou stellen om te weten wat er in uw hart was, of u Zijn geboden in acht zou nemen of niet.), niet om hen dwars te zitten, maar om hen ten slotte goed te doen. Daar wordt het falen van het volk niet in herinnering gebracht. Anderzijds moeten zij eraan gedenken dat zij de HEERE zeer toornig hebben gemaakt (Dt 9:77Houd in gedachten [en] vergeet niet dat u de HEERE, uw God, zeer toornig hebt gemaakt in de woestijn: vanaf de dag dat u uit het land Egypte vertrokken bent, totdat u op deze plaats kwam, bent u ongehoorzaam geweest aan de HEERE.). Ze hebben, steeds weer in andere vormen, laten zien wat er in hen is, zelfs na veertig jaren woestijnervaringen.


De wet door Mozes ontvangen

9Toen ik de berg opgeklommen was om de stenen tafelen, de tafelen van het verbond dat de HEERE met u gesloten had, te ontvangen, bleef ik veertig dagen en veertig nachten op de berg. Ik at geen brood en dronk geen water. 10En de HEERE gaf mij de twee stenen tafelen, beschreven door de vinger van God; daarop [stonden] alle woorden die de HEERE met u gesproken had op de berg, vanuit het midden van het vuur, op de dag [dat u daar] bijeenkwam. 11Het gebeurde na verloop van veertig dagen en veertig nachten, toen de HEERE mij de twee stenen tafelen, de tafelen van het verbond, gaf,

Mozes herinnert het volk eraan hoe hij op de berg bij de HEERE is geweest en uit Zijn hand de wet van het verbond heeft ontvangen.


De HEERE wilde Israël wegvagen

12dat de HEERE tegen mij zei: Sta op, daal snel vanhier af, want uw volk, dat u uit Egypte geleid hebt, handelt verderfelijk. Zij zijn [al] snel afgeweken van de weg die Ik hun geboden had: zij hebben voor zichzelf een gegoten beeld gemaakt. 13Verder sprak de HEERE tot mij: Ik heb dit volk gezien en zie, het is een halsstarrig volk. 14Laat Mij begaan, dan zal Ik hen wegvagen en hun naam van onder de hemel uitwissen. Dan zal Ik u tot een volk maken [dat nog] machtiger en talrijker [is] dan dit.

Terwijl Mozes met de HEERE op de berg is, ziet de HEERE hoe het volk een gouden kalf heeft gemaakt (Ex 32:1-51Toen het volk zag dat het lang duurde voor Mozes van de berg afdaalde, kwam het volk bijeen bij Aäron, en zij zeiden tegen hem: Sta op, maak voor ons goden die vóór ons uit gaan, want die Mozes, de man die ons uit het land Egypte geleid heeft – wij weten niet wat er met hem gebeurd is.2En Aäron zei tegen hen: Ruk de gouden ringen die uw vrouwen, uw zonen en uw dochters in hun oren hebben, af, en breng ze bij mij.3Toen rukte heel het volk de gouden ringen die ze in hun oren hadden, af en zij brachten ze bij Aäron.4Hij nam ze van hen aan, hij bewerkte ze met een graveerstift en maakte er een gegoten kalf van. Toen zeiden zij: Dit zijn uw goden, Israël, die u uit het land Egypte geleid hebben.5Toen Aäron [dat] zag, bouwde hij er een altaar voor, en Aäron kondigde aan: Morgen is er een feest voor de HEERE!). Hij spreekt erover hoe zij ”snel” geweest zijn om af te wijken. Dat is de mens.

Hij zegt tegen Mozes dat het een hardnekkig volk is en vraagt als het ware aan Mozes toestemming om het volk te verdelgen. Zijn voorstel is dan om Mozes tot een groot volk te maken. Hier zien we hoe het volk het oordeel verdiend heeft. Dat moet hen des te dankbaarder maken dat ze nu toch op het punt staan het land binnen te gaan dat God hun als een geschenk heeft gegeven. Ze verdienen eerder verdelgd te worden dan met een geschenk gezegend te worden.


De twee tafelen verbroken

15Toen keerde ik mij om en daalde van de berg af – de berg brandde van vuur en de twee tafelen van het verbond waren in mijn beide handen. 16Ik keek toe en zie: u had tegen de HEERE, uw God, gezondigd; u had voor uzelf een gegoten kalf gemaakt. U was [al] snel afgeweken van de weg die de HEERE u geboden had! 17Toen pakte ik de twee tafelen, wierp ze uit mijn beide handen weg en brak ze voor uw ogen in stukken.

Mozes heeft bij het zien van de zonde van het volk de twee tafelen van de wet voor hun ogen in stukken gebroken. Het volk heeft het zien gebeuren. Het in stukken breken van de tafelen geeft uitdrukking aan het feit dat het volk zijn relatie met de HEERE verbroken heeft. Mozes bezegelt dat door het stukgooien van de tafelen.


De voorbede van Mozes

18En ik wierp mij neer voor het aangezicht van de HEERE, net als de eerste [keer], veertig dagen en veertig nachten. Ik at geen brood en dronk geen water, vanwege al de zonde die u begaan had, door te doen wat slecht is in de ogen van de HEERE om Hem tot toorn te verwekken. 19Want ik was bevreesd vanwege [Zijn] toorn en grimmigheid: de HEERE was [zo] toornig op u dat Hij u [wilde] wegvagen. De HEERE verhoorde mij echter ook die keer. 20Ook op Aäron was de HEERE [zo] toornig dat Hij hem [wilde] wegvagen; maar ik bad in die tijd ook voor Aäron.

Na het verbreken van de tafelen van de wet viel niet het volk voor de HEERE neer met belijdenis van hun zonde, maar Mozes. Hij was onder de indruk van Gods terechte verbolgenheid. Dat bracht hem tot voorbede voor Gods volk en zijn broer. Dat Mozes voor Aäron bad, maakt duidelijk dat ook het priesterschap een werk van Goddelijke genade is. Later is Aäron zelf een voorbidder geworden (Ps 99:6,86Mozes en Aäron waren onder Zijn priesters,
Samuel onder wie Zijn Naam aanriepen;
zij riepen tot de HEERE
en Híj verhoorde hen.
8HEERE, onze God, Ú hebt hen verhoord;
U bent voor hen een vergevend God geweest,
hoewel U wraak oefende over hun daden.
; vgl. Lk 22:3232Ik heb echter voor jou gebeden dat je geloof niet zou ophouden; en jij, als je eens bekeerd bent, versterk je broeders.)
. De HEERE hoorde naar Mozes, zoals God naar de Heer Jezus hoort.

Mozes en Samuel worden door de HEERE gewaardeerd als voorbidders voor het volk (1Sm 7:5,8-95Verder zei Samuel: Roep heel Israël in Mizpa bijeen, dan zal ik voor u tot de HEERE bidden.8En de Israëlieten zeiden tegen Samuel: Laat toch niet na voor ons te roepen tot de HEERE, onze God, opdat Hij ons zal verlossen uit de hand van de Filistijnen.9Toen nam Samuel een melklammetje en offerde het in zijn geheel als brandoffer voor de HEERE. Samuel riep tot de HEERE voor Israël en de HEERE verhoorde hem.; Jr 15:11De HEERE zei tegen mij: Al stond Mozes of Samuel voor Mijn aangezicht, dan [nog] zou Mijn ziel niet met dit volk van doen willen hebben. Stuur [hen] van voor Mijn aangezicht weg, laten zij weggaan!).


Het gouden kalf verpulverd

21Maar ik nam uw zonde, het kalf dat u gemaakt had, en verbrandde het met vuur. Ik verbrijzelde het [en] vermaalde het grondig, totdat het tot stof verpulverd was. En het stof ervan gooide ik in de beek die van de berg afloopt.

Het doen van voorbede maakt het uitoefenen van oordeel over de zonde niet overbodig. Mozes heeft het gouden kalf, dat hij ”uw zonde” noemt, verpulverd en het daardoor voor enig hergebruik ongeschikt gemaakt. Het is oneindige genade, die de vernieling en vernietiging van de afgod aanneemt in plaats van het verderf en de vernietiging van de afgodendienaars.

Zo moet ook elk voorwerp dat in ons leven met zonde verbonden is, grondig worden weggedaan uit ons leven. Dat kan alleen na gebed. Als wij ons dat bewust worden, is dat het resultaat van de voorbede van de Heer Jezus, de ware Mozes.


Nog meer weerspannigheid

22Ook bij Tabera, Massa en Kibroth-Taäva maakte u de HEERE zeer toornig. 23En toen de HEERE u vanuit Kades-Barnea [op weg] zond en zei: Trek op en neem het land dat Ik u gegeven heb in bezit, was u het bevel van de HEERE, uw God, ongehoorzaam: u geloofde Hem niet en gehoorzaamde Zijn stem niet. 24U bent ongehoorzaam geweest aan de HEERE vanaf de dag dat ik u ken.

De zonde van het gouden kalf is geen incident geweest. De weerspannigheid van Israël is een kenmerk dat zich steeds weer heeft geopenbaard. Zolang Mozes hen kent, zijn ze zo. De Heer Jezus kent ook ons als een steeds dwalend volk dat door eigenzinnigheid geleid wordt en zich niet door Hem laat leiden.

1. Bij Tabera heeft het volk zich laten beïnvloeden door het samenraapsel dat met Israël uit Egypte is opgetrokken (Nm 11:1-101En het gebeurde, toen het volk zich beklaagde, [dat] het kwaad was in de oren van de HEERE, want de HEERE hoorde het, zodat Zijn toorn ontbrandde. En het vuur van de HEERE brandde onder hen en verteerde, aan de rand van het kamp.2Toen riep het volk tot Mozes, en Mozes bad tot de HEERE, en het vuur doofde.3Daarom gaf hij die plaats de naam Tabera, omdat [daar] het vuur van de HEERE tegen hen gebrand had.4Het samenraapsel [van vreemdelingen] dat in hun midden verkeerde, werd met gulzigheid bevangen; daarom jammerden ook de Israëlieten opnieuw en zeiden: Wie zal ons vlees te eten geven?5Wij denken terug aan de vis die wij in Egypte voor niets aten, aan de komkommers, de watermeloenen, de prei, de uien en de knoflook.6Maar nu droogt onze ziel uit, er is helemaal niets dan dit manna voor onze ogen!7Het manna leek op korianderzaad en de kleur ervan leek op de kleur van balsemhars.8Het volk liep [overal] rond, verzamelde [het], en maalde het met handmolens, of stampte het fijn met een stamper. Dan kookte men het in een pot en maakte er koeken van. De smaak ervan leek op de smaak van baksel in olie.9Telkens wanneer de dauw 's nachts op het kamp neerdaalde, daalde [ook] het manna daarop neer.10Toen hoorde Mozes het volk jammeren, geslacht na geslacht, ieder voor de ingang van zijn tent. En de toorn van de HEERE ontbrandde hevig; ook in de ogen van Mozes was het kwalijk.). Ze zijn ontevreden geworden en hebben gemopperd op God.
2. Bij Massa hebben ze de HEERE verzocht, of Hij wel in hun midden is (Ex 17:77Hij gaf die plaats de naam Massa en Meriba, vanwege de onenigheid van de Israëlieten en omdat zij de HEERE op de proef gesteld hadden door te zeggen: Is de HEERE [nu] in ons midden of niet?). Alsof Hij Zich nog nooit om hen bekommerd heeft, terwijl de bewijzen zo overvloedig aanwezig zijn in hun verlossing uit Egypte.
3. Bij Kibroth-Taäva hebben ze zich laten meeslepen door hun begeerte naar vlees (Nm 11:31-3431Toen stak er van [de kant van] de HEERE een wind op en voerde kwakkels aan vanaf de zee, en verspreidde ze boven het kamp, ongeveer een dagreis naar de ene kant en een dagreis naar de andere kant, rondom het kamp, ongeveer twee el [hoog] boven het aardoppervlak.32En het volk stond op, die hele dag en die hele nacht, en heel de volgende dag, en men verzamelde de kwakkels. Wie het minst had, had tien homer verzameld, en men spreidde ze wijd voor zich uit, rondom het kamp.33Het vlees zat nog tussen hun tanden, voordat het gekauwd was, of de toorn van de HEERE ontbrandde tegen het volk, en de HEERE bracht het volk een zeer grote slag toe.34Daarom gaf men die plaats de naam Kibroth-Taäva, want daar hadden zij het volk dat zo gulzig geweest was, begraven.; Ps 78:2929Toen aten zij en werden volop verzadigd,
omdat Hij hun bracht wat zij begeerden.
).

4. Kades-Barnea spreekt van ongeloof. Van daaruit zijn de verkenners naar het land gezonden omdat het volk niet genoeg heeft aan de toezegging van de HEERE.


Nog meer voorbede van Mozes

25Ik wierp mij neer voor het aangezicht van de HEERE, die veertig dagen en veertig nachten dat ik mij neergeworpen had, omdat de HEERE gezegd had dat Hij u zou wegvagen. 26En ik bad tot de HEERE en zei: Heere HEERE, richt Uw volk en Uw eigendom [toch] niet te gronde, dat U door Uw grootheid verlost hebt, dat U met sterke hand uit Egypte hebt geleid. 27Denk aan Uw dienaren, Abraham, Izak en Jakob; schenk geen aandacht aan de hardleersheid van dit volk, naar zijn goddeloosheid, en naar zijn zonde; 28anders zal het land waar U ons uit geleid hebt, zeggen: Omdat de HEERE hen niet kon brengen in het land waarover Hij tot hen gesproken had, en omdat Hij hen haatte, heeft Hij hen uitgeleid, om hen te doden in de woestijn. 29Zij zijn toch Uw volk en Uw eigendom, dat U met Uw grote kracht en met Uw uitgestrekte arm hebt uitgeleid!

Deze verzen grijpen terug op de verzen 11-1411Het gebeurde na verloop van veertig dagen en veertig nachten, toen de HEERE mij de twee stenen tafelen, de tafelen van het verbond, gaf,12dat de HEERE tegen mij zei: Sta op, daal snel vanhier af, want uw volk, dat u uit Egypte geleid hebt, handelt verderfelijk. Zij zijn [al] snel afgeweken van de weg die Ik hun geboden had: zij hebben voor zichzelf een gegoten beeld gemaakt.13Verder sprak de HEERE tot mij: Ik heb dit volk gezien en zie, het is een halsstarrig volk.14Laat Mij begaan, dan zal Ik hen wegvagen en hun naam van onder de hemel uitwissen. Dan zal Ik u tot een volk maken [dat nog] machtiger en talrijker [is] dan dit. van dit hoofdstuk. In beide gedeelten gaat het om de voorbede in de eerste veertig dagen op de berg Horeb. In vers 1818En ik wierp mij neer voor het aangezicht van de HEERE, net als de eerste [keer], veertig dagen en veertig nachten. Ik at geen brood en dronk geen water, vanwege al de zonde die u begaan had, door te doen wat slecht is in de ogen van de HEERE om Hem tot toorn te verwekken. gaat het om de tweede veertig dagen op de berg Horeb, nadat Mozes de eerste stenen tafelen vanwege het gouden kalf heeft stukgebroken.

In vers 2727Denk aan Uw dienaren, Abraham, Izak en Jakob; schenk geen aandacht aan de hardleersheid van dit volk, naar zijn goddeloosheid, en naar zijn zonde; lezen we het derde “denk aan”, na Deuteronomium 8:2 en Deuteronomium 9:7. Mozes zegt dit niet tegen het volk, maar tegen Gód. De ware Mozes zegt tegen God dat Hij niet moet kijken naar de hardheid en goddeloosheid van het volk, maar vraagt Hem te denken aan Zijn eigen Wezen. Hier zien we het tussenbeide treden van de Heer Jezus en Zijn optreden als Voorspraak bij de Vader.

De Vader heeft vóór de tijden van de eeuwen de belofte van het eeuwige leven beloofd aan de Zoon (Tt 1:2a2in [de] hoop van [het] eeuwige leven dat God, Die niet kan liegen, beloofd heeft vóór [de] tijden van de eeuwen; maar op Zijn eigen tijd heeft Hij Zijn Woord geopenbaard door [de] prediking). Aan die belofte van het eeuwige leven vóór de tijden van de eeuwen herinnert de Zoon. Hij heeft nu al tweeduizend jaar tegen de Vader gezegd: ”Denk aan.” God heeft ten aanzien van ons de Heer Jezus al heel wat keren verhoord (vers 1919Want ik was bevreesd vanwege [Zijn] toorn en grimmigheid: de HEERE was [zo] toornig op u dat Hij u [wilde] wegvagen. De HEERE verhoorde mij echter ook die keer.). Op grond daarvan wordt nog steeds voldaan aan Gods verlangen naar een getuigenis op aarde van een volk dat verlangen heeft naar de zegen van het land.


Lees verder