Deuteronomium
1-3 Gehoorzaamheid geeft zegen 4-5 De kern van het Jodendom 6-9 Reikwijdte van de geboden 10-11 De zegen van het land 12-15 Vergeet de HEERE niet 16-19 De HEERE niet verzoeken 20-25 Getuigenis van de vader
Gehoorzaamheid geeft zegen

1Dit zijn de geboden, de verordeningen en de bepalingen die de HEERE, uw God, geboden heeft u te leren, om [ze] te doen in het land waar u naartoe trekt om het in bezit te nemen, 2opdat u de HEERE, uw God, vreest door al Zijn verordeningen en Zijn geboden, die ik u gebied, in acht te nemen: u, uw kind en uw kleinkind, alle dagen van uw leven; en opdat uw dagen verlengd worden. 3Luister dan, Israël, en neem [ze] nauwlettend in acht! Dan zal het u goed gaan en zult u zeer talrijk worden – zoals de HEERE, de God van uw vaderen, tot u gesproken heeft – in het land dat overvloeit van melk en honing.

Na de vermelding in het vorige hoofdstuk van de tien geboden en de noodzaak van een middelaar geeft Mozes nu een nadere beschrijving van de geboden. Hij geeft alleen door wat de HEERE hem bevolen heeft, zoals iedere goede dienaar betaamt (vgl. Mt 28:19b19Gaat dan heen, maakt alle volken tot discipelen, hen dopend tot de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest en hen lerend te bewaren alles wat Ik u heb geboden.). Het zijn geboden waaraan Gods volk onderworpen is om in het land te kunnen worden ingevoerd en daar de zegeningen te kunnen beërven (Dt 5:3333Heel de weg die de HEERE, uw God, u geboden heeft, moet u gaan, opdat u leeft, en het u goed gaat, en u [uw] dagen verlengt in het land dat u in bezit zult nemen.).

De zegen wordt voorgesteld in “overvloeit van melk en honing”. Het stelt overvloed en vruchtbaarheid voor. De uitdrukking komt bijna twintig keer in de Bijbel voor (Ex 3:8,178Daarom ben Ik neergekomen om het [volk] te redden uit de hand van de Egyptenaren, en het te leiden uit dit land naar een goed en ruim land, een land dat overvloeit van melk en honing, naar het gebied van de Kanaänieten, de Hethieten, de Amorieten, de Ferezieten, de Hevieten en de Jebusieten.17Daarom heb Ik gezegd: Ik zal u uit de onderdrukking van Egypte leiden naar het land van de Kanaänieten, de Hethieten, de Amorieten, de Ferezieten, de Hevieten en de Jebusieten, naar het land dat overvloeit van melk en honing.; Lv 20:2424Tegen u heb Ik gezegd: Ú zult hun land in bezit nemen en Ík zal [het] u geven om het in bezit te nemen, een land dat overvloeit van melk en honing. Ik ben de HEERE, uw God, Die u vanuit de volken afgezonderd heeft.; Nm 13:2727Zij vertelden [het Mozes] en zeiden: Wij zijn in dat land gekomen waarheen u ons gestuurd hebt, en werkelijk, het vloeit over van melk en honing, en dit is zijn vrucht.; 14:88Als de HEERE ons genegen is, zal Hij ons in dat land brengen en zal Hij het ons geven, een land dat overvloeit van melk en honing.; 16:13-1413Is het niet genoeg dat u ons geleid hebt uit een land dat overvloeit van melk en honing, om ons te laten sterven in de woestijn, dat u zich ook zonodig tot heerser over ons moet verheffen?14Bovendien hebt u ons niet gebracht naar een land dat overvloeit van melk en honing, evenmin hebt u ons akkers en wijngaarden gegeven als erfelijk bezit. Wilt u de ogen van deze mannen uitsteken? Wij komen niet!; Dt 6:33Luister dan, Israël, en neem [ze] nauwlettend in acht! Dan zal het u goed gaan en zult u zeer talrijk worden – zoals de HEERE, de God van uw vaderen, tot u gesproken heeft – in het land dat overvloeit van melk en honing.; 11:99Dan zult u [uw] dagen verlengen in het land waarvan de HEERE uw vaderen gezworen heeft het hun en hun nageslacht te geven, een land dat overvloeit van melk en honing.; 26:9,159En Hij bracht ons naar deze plaats en gaf ons dit land, een land dat overvloeit van melk en honing.15Zie neer uit Uw heilige woning, uit de hemel, en zegen Uw volk Israël en het land dat U ons gegeven hebt, zoals U onze vaderen gezworen hebt, een land dat overvloeit van melk en honing.; 27:33U moet alle woorden van deze wet daarop schrijven als u overgestoken bent, opdat u komt in het land dat de HEERE, uw God, u geeft, een land dat overvloeit van melk en honing, zoals de HEERE, de God van uw vaderen, tot u gesproken heeft.; 31:2020Want Ik zal dit [volk] brengen in het land dat Ik zijn vaderen onder ede beloofd heb, [een land] dat overvloeit van melk en honing, en het zal eten en verzadigd en vet worden. Dan zal het zich tot andere goden wenden en hen dienen, en zij zullen Mij verwerpen en Mijn verbond verbreken.; Jz 5:66Want de Israëlieten waren veertig jaar onderweg in de woestijn, totdat heel het volk van strijdbare mannen die uit Egypte getrokken waren, omgekomen was. Zij hadden niet naar de stem van de HEERE geluisterd, [en daarom] had de HEERE hun gezworen dat Hij aan hen het land dat de HEERE aan hun vaderen gezworen had ons te geven, niet zou laten zien, een land dat overvloeit van melk en honing.; Jr 11:55opdat Ik de eed gestand doe die Ik uw vaderen gezworen heb om hun een land te geven dat overvloeit van melk en honing, zoals het heden ten dage is. Toen antwoordde ik en zei: Amen, HEERE.; 32:2222U gaf hun dit land, dat U hun vaderen gezworen had hun te zullen geven, een land dat overvloeit van melk en honing.; Ez 20:6,156Op die dag heb Ik Mijn hand voor hen opgeheven om hen uit het land Egypte te leiden naar een land dat Ik voor hen uitgezocht had, [een land] dat overvloeit van melk en honing. Het is een sieraad onder al de landen.15Ik heb echter ook in de woestijn Mijn hand voor hen opgeheven, dat Ik hen niet in het land brengen zou dat Ik [hun] gegeven had, [een land] dat overvloeit van melk en honing – het is een sieraad onder alle landen –). Eén keer wordt de uitdrukking door het opstandige en ongelovige volk gebruikt voor het land van de slavernij, Egypte (Nm 16:1313Is het niet genoeg dat u ons geleid hebt uit een land dat overvloeit van melk en honing, om ons te laten sterven in de woestijn, dat u zich ook zonodig tot heerser over ons moet verheffen?). Verder is de uitdrukking steeds van toepassing op het beloofde land.

Melk is een beeld van het Woord van God als voedzaam en gezond groeimiddel voor het geestelijk leven (1Pt 2:22Verlangt als pasgeboren kinderen naar de redelijke, onvervalste melk, opdat u daardoor opgroeit tot behoudenis;). Zoals een baby afhankelijk is van de moedermelk, zo is de gelovige dat voortdurend van Gods Woord. Voor het leven in het land is dat onontbeerlijk, maar het is er in rijke mate aanwezig. De honing stelt de zoetheid van de natuurlijke betrekkingen voor. Als er afhankelijkheid is van God, zal er ook genoten worden van de onderlinge verhoudingen. Het samenleven van Gods kinderen op die basis is weldadig voor ieder lid van Gods volk.

In die atmosfeer kunnen alle andere zegeningen en weldaden van de HEERE volop worden genoten. Het delen van zegeningen vermeerdert de vreugde.


De kern van het Jodendom

4Luister, Israël! De HEERE, onze God, de HEERE is één! 5Daarom zult u de HEERE, uw God, liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel en met heel uw kracht.

Na het vrezen van de HEERE in vers 22opdat u de HEERE, uw God, vreest door al Zijn verordeningen en Zijn geboden, die ik u gebied, in acht te nemen: u, uw kind en uw kleinkind, alle dagen van uw leven; en opdat uw dagen verlengd worden. als resultaat van het onderwijs in de geboden volgt nu het liefhebben van de HEERE als de Enige en Ene (Zc 14:99De HEERE zal Koning worden over heel de aarde.
Op die dag zal de HEERE de Enige zijn
en Zijn Naam de enige.
)
. De godsdienst van Israël is monotheïstisch. Dat geeft zekerheid over God. Die zekerheid ontbreekt in polytheïstische godsdiensten. Als er meer goden zijn, kan iemand zich in de gunst van de ene god voelen, maar in angst leven voor de andere god. Die goden handelen in het denken van hun vereerders nooit in harmonie.

Voor Israël is er niet zoiets als een god van de Sinaï en een god van de Hermon, een god voor Ruben en een god voor Levi. De eenheid van God garandeert volmaakte zekerheid over Zijn wil, zoals Hij die in Zijn verordeningen en bepalingen bekendmaakt. Er is geen andere godheid die iets anders verkondigt.

Het gebod tot liefhebben is nooit door een aards vorst gegeven. Ten aanzien van God horen Hem vrezen en Hem liefhebben bij elkaar. God vrezen is eerbied voor Hem hebben.

Het kennen van God als de HEERE Die Eén is, is de kern van het Oude testament, waarbij Gods aardse volk de centrale plaats inneemt. Het is ook, maar dan naar Gods volkomen openbaring in Christus, de kern van het Nieuwe Testament (1Tm 2:55Want er is één God en één Middelaar tussen God en mensen, [de] Mens Christus Jezus,; 1Ko 8:66dan is er toch voor ons maar één God, de Vader, uit Wie alle dingen zijn, en wij voor Hem; en één Heer, Jezus Christus, door Wie alle dingen zijn, en wij door Hem.).

De kern van het christendom omvat een volbracht verlossingswerk, een Middelaar Die als verheerlijkte Mens in de hemel is en God de Heilige Geest Die sinds de Pinksterdag in de gemeente als geheel en in iedere gelovige afzonderlijk op aarde woont. Hiervan geven de gelovigen getuigenis in hun aanbidding, zowel in hun dagelijks leven als in de bijeenkomsten van de gemeente.

In de Heer Jezus hebben wij God leren kennen als de drie-enige God: de Vader, getoond door de Zoon en bekendgemaakt door de Geest. Wij mogen God als Vader kennen. Drie Personen, toch één God. Omdat er maar één God is, kan er niets anders zijn wat het hart verdeelt dat geheel door de HEERE voor Hem wordt opgeëist.

Aan Hem liefhebben met heel het hart en heel de ziel en heel de kracht wordt door de Heer Jezus het ‘verstand’ toegevoegd (Mk 12:3030en u zult [de] Heer, uw God, liefhebben met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand en met heel uw kracht’.). Verstand is ‘zin’, ‘gemoed’. Om aan deze liefde met overgave te kunnen voldoen, is “het denken van Christus” (1Ko 2:1616Want ‘wie heeft [het] denken van [de] Heer gekend, dat hij Hem zou onderrichten?’ Maar wij hebben [het] denken van Christus.) nodig. Het denken van Christus is zoals Christus denkt, het is Zijn gezindheid, waarin de kracht van de Heilige Geest werkzaam kan zijn. “En wij weten dat de Zoon van God gekomen is en ons [het] verstand gegeven heeft” (1Jh 5:2020En wij weten dat de Zoon van God gekomen is en ons [het] verstand gegeven heeft, opdat wij de Waarachtige kennen; en wij zijn in de Waarachtige, in Zijn Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God en [het] eeuwige leven.). Door dit denken, dit verstand, krijgen we inzicht in Wie God is. Voor Israël zal dit in de toekomst waar worden, als de wet in hun hart én in hun verstand zal worden gegeven en geschreven (Hb 8:1010Want dit is het verbond dat Ik na die dagen met het huis van Israël zal maken, zegt [de] Heer: Ik zal Mijn wetten in hun verstand geven en Ik zal ze in hun harten schrijven; en Ik zal hun tot een God en zij zullen Mij tot een volk zijn.; 10:1616want nadat Hij gezegd heeft: ‘Dit is het verbond dat Ik na die dagen met hen zal maken, zegt [de] Heer: Ik zal Mijn wetten in hun harten geven en Ik zal ze in hun verstand schrijven;).

Dit liefhebben en dienen van God geeft de mens de grootst denkbare voldoening. Daartoe is hij namelijk geschapen en door Zijn Schepper toegerust met eigenschappen die erop zijn gericht Hem te dienen en te eren. Als hij dit doet, vindt hij ware rust en vrede. Door de zonde is de mens echter een zondaar en een vijand en hater van God geworden. De mens dient Hem niet en heeft Hem niet lief. Maar door genade is de gelovige met God verzoend (2Ko 5:1818En alles is uit God, Die ons met Zichzelf heeft verzoend door Christus en ons de bediening van de verzoening heeft gegeven,) en heeft hij nieuw leven ontvangen, de “Goddelijke natuur” (2Pt 1:44waardoor Hij ons de kostbare en zeer grote beloften geschonken heeft, opdat u daardoor deelgenoten van [de] Goddelijke natuur zou worden, ontkomen aan het verderf dat door [de] begeerte in de wereld is.). Dit leven wil God liefhebben en dienen en kan dat ook.


Reikwijdte van de geboden

6Deze woorden, die ik u heden gebied, moeten in uw hart zijn. 7U moet ze uw kinderen inprenten en erover spreken, als u in uw huis zit en als u over de weg gaat, als u neerligt en als u opstaat. 8U moet ze als een teken op uw hand binden en ze moeten als een voorhoofdsband tussen uw ogen zijn. 9U moet ze op de deurposten van uw huis en op uw poorten schrijven.

De waarheid over God moet niet zuiver als theorie bewaard worden, maar het volk moet die waarheid kennen als feit en ernaar leven in de praktijk. In orthodoxe kerken wordt deze waarheid in geloofsbelijdenissen opgenomen. Men kent het als dogma, maar waar wordt het uitgewerkt in het dagelijks leven? Als de kern van het christendom werkelijkheid is voor het leven van elke dag, zal dat tot gevolg hebben dat de Heilige Geest de leiding gegeven wordt van het persoonlijk en het gemeentelijk leven. God en Zijn Woord behoren de normale gespreksthema’s te zijn van ieder lid van Gods volk, overal en op elke tijd.

In de gezinnen zullen ouders hun kinderen de kern van het geloof inprenten, inscherpen en hen oefenen naar de eis van hun weg (Sp 3:1,31Mijn zoon, vergeet mijn onderricht niet,
en laat je hart mijn geboden in acht nemen,
3Mogen goedertierenheid en trouw jou niet verlaten.
Bind ze om je hals, schrijf ze op de tafel van je hart,
; 22:66Oefen de jongeman overeenkomstig zijn levensweg,
ook als hij oud geworden is, zal hij daarvan niet afwijken.
)
. Dit geldt ook voor de familie van God. In de plaatselijke gemeenten zullen oudere gelovigen, de vaders in Christus, de jongeren deze dingen inscherpen. Dat onderwijs zal alleen effect hebben als het in het leven van die oudere gelovigen waarneembaar is.

Er is wel opgemerkt dat Mozes zijn wet zó eenvoudig en gemakkelijk te begrijpen acht, dat iedere vader wel in staat moet zijn om die aan zijn kinderen te leren. Er is geen excuus om hierin nalatig te zijn. Het is geen kwestie van intellect, maar van gezindheid, van het hart. Het gaat om het zorgvuldig overleveren van Gods Woord dat ons is toevertrouwd, aan hen, die na ons komen, opdat ook zij bevestigd en gezegend zullen worden in de gehoorzaamheid daaraan.

Liefde tot God komt tot uiting in kenmerken die aan ons te zien zijn. Het voorhoofd spreekt van het openlijke getuigenis (Op 13:1616En het maakt dat men aan allen, de kleinen en de groten, de rijken en de armen, de vrijen en de slaven, een merkteken geeft op hun rechterhand of op hun voorhoofd;; 14:11En ik zag en zie, het Lam stond op de berg Sion en met hem honderdvierenveertigduizend, die Zijn Naam en de Naam van Zijn Vader hadden, geschreven op hun voorhoofden.) dat we van onze liefde voor God afleggen. Liefde tot Hem bepaalt ons handelen en ons spreken en is voor iedereen zichtbaar. Als we ons “de HEERE voortdurend voor [ogen]” stellen (Ps 16:88Ik stel mij de HEERE voortdurend voor [ogen];
omdat Hij aan mijn rechterhand is, wankel ik niet.
)
, komt dat in ons hele leven tot uiting. God wil betrokken zijn bij elk detail van ons leven. Er is niets in het leven van Zijn kinderen, waarvan Hij zegt: ‘Dat interesseert Mij niet.’

In onze huizen speelt zich het familieleven af. Het familieleven wordt beïnvloed door wat onze huizen binnenkomt. Het schrijven op de deurposten kunnen we toepassen op het toetsen aan Gods Woord van alles wat we in ons huis toelaten. Zijn het dingen die het familieleven naar Gods gedachten opbouwen of afbreken? Draagt de omgang met elkaar, man en vrouw, ouders en kinderen en kinderen onder elkaar, het stempel van Gods Woord als een eigendomskenmerk? Het ouderlijk gezag zal gerespecteerd worden door de kinderen als zij merken dat het uitgangspunt liefde tot de Heer is en de wens om aan Hem gehoorzaam te zijn.

Omdat de HEERE Eén is, heeft Hij recht op onze ongedeelde toewijding. Al Zijn eigenschappen zijn in volmaakte harmonie met elkaar. Er is geen enkele eigenschap die in strijd is met een van Zijn andere eigenschappen. Hij is volmaakt in liefde en volmaakt in gerechtigheid. Nooit is Zijn liefde in strijd met Zijn gerechtigheid of andersom. Als Hij liefde betoont, doet dat Zijn gerechtigheid nooit geweld aan. Als Hij gerechtigheid oefent, stelt dat Zijn liefde nooit terzijde. In al Zijn handelen wordt aan elke eigenschap van Hem volmaakt beantwoord.


De zegen van het land

10Wanneer het dan gebeuren zal dat de HEERE, uw God, u gebracht heeft in het land dat Hij uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft u te zullen geven – grote en goede steden, die u niet gebouwd hebt, 11huizen, vol van allerlei kostbare [dingen], waarmee u ze niet gevuld hebt, uitgehakte putten, die u niet uitgehakt hebt, en wijngaarden en olijfgaarden, die u niet geplant hebt – en u gegeten hebt en verzadigd bent,

Na de voorgaande voorwaarden gaat het land als het ware voor ons open. Hier is de eerste keer van de drie keer in dit hoofdstuk waar wordt gesproken over het ingaan in het land. En elke keer staat er bij dat God het gezworen heeft (verzen 10,18,2310Wanneer het dan gebeuren zal dat de HEERE, uw God, u gebracht heeft in het land dat Hij uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft u te zullen geven – grote en goede steden, die u niet gebouwd hebt,18En u moet doen wat juist en goed is in de ogen van de HEERE, opdat het u goed gaat, en u er komt, en het goede land dat de HEERE uw vaderen onder ede beloofd heeft, in bezit neemt,23Maar ons leidde Hij daarvandaan, om ons [hierheen] te brengen [en] ons het land te geven, dat Hij onze vaderen onder ede beloofd had.). Als God Zijn eigen woorden met een eed bekrachtigt, doet Hij dat om ons in onze zwakheid tegemoet te komen en daarmee een extra bevestiging van Zijn toezegging te geven (Hb 6:17-1817Daarom heeft God, omdat Hij de erfgenamen van de belofte de onveranderlijkheid van Zijn raad overvloediger wilde bewijzen, Zich met een eed verbonden,18opdat wij door [deze] twee onveranderlijke dingen, waarin het onmogelijk is dat God zou liegen, een sterke vertroosting hebben, wij die de toevlucht hebben genomen om de voorgestelde hoop aan te grijpen.). De eed maakt duidelijk dat, wat er ook gebeurt, God Zijn volk het land zal geven en daarbij het volle genot van de zegen ervan. De grondslag is het werk van Christus. Als God zó gezworen heeft, waarom zouden we dan nog twijfelen?

Een eed van God vinden we steeds onder bijzondere omstandigheden. Bij vier gelegenheden zweert God en dat telkens in verband met het land:
1. Op grond van het offer van de zoon van de belofte belooft God aan Abraham een rijk zaad in het land van de belofte en in zijn zaad een zegen voor de hele wereld (Gn 22:16-1816Hij zei: Ik zweer bij Mijzelf, spreekt de HEERE: Omdat u dit gedaan hebt en Mij uw zoon, uw enige, niet onthouden hebt,17zal Ik u zeker rijk zegenen en uw nageslacht zeer talrijk maken, als de sterren aan de hemel en als het zand dat aan de oever van de zee is. Uw nageslacht zal de poort van zijn vijanden in bezit hebben.18En in uw Nageslacht zullen alle volken van de aarde gezegend worden, omdat u Mijn stem gehoorzaam geweest bent.).
2. Als het volk van God afvalt, zweert Hij dat het volk het beloofde land niet zal binnengaan (Ps 95:1111Daarom heb Ik in Mijn toorn gezworen:
Mijn rust zullen zij nooit binnengaan!
)
.
3. Als het volk ontrouw is, gaat God Zijn beloften vervullen in de Man van Zijn rechterhand (Ps 110:44De HEERE heeft gezworen
en Hij zal er geen berouw van hebben:
U bent Priester voor eeuwig,
naar de ordening van Melchizedek.
)
.
4. Als Christus in het land regeert, zal elke knie zich voor Hem buigen en zal het bekeerde overblijfsel van Zijn volk, dat dan geheel Israël zal zijn omdat alle goddelozen zijn uitgeroeid, in het land zijn (Js 45:2323Ik heb gezworen bij Mijzelf
– uit Mijn mond is in gerechtigheid
een woord uitgegaan en het zal niet terugkeren –
dat voor Mij elke knie zich zal buigen,
elke tong [bij Mij] zal zweren.
)
.

De zegeningen liggen voor ons klaar, daar is niets van ons bij, God heeft ze bereid. In het land zijn in de eerste plaats “grote en goede steden”. De gemeente wordt vergeleken met een stad (Op 21:2,102En ik zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, uit de hemel neerdalen van God, gereed als een bruid die voor haar man versierd is.10En hij voerde mij weg in [de] Geest op een grote en hoge berg en toonde mij de heilige stad, Jeruzalem, die uit de hemel neerdaalde van God). Steden kunnen we zien als een beeld van plaatselijke gemeenten, als representaties van de ene gemeente. De steden hier bevinden zich in het land. Het stelt plaatselijke gemeenten voor die hun vaste fundament in het land hebben, waar geleefd wordt in de rijkdom van de hemelse zegeningen.

In de tweede plaats zijn er ”huizen, vol van allerlei goeds”. Een stad bestaat uit huizen. Een gemeente bestaat uit gezinnen. In de brieven die met name over de hemelse zegeningen spreken, gaat Paulus ook nadrukkelijk in op het gezin (Ef 5:22-3322Vrouwen, [weest] aan uw eigen mannen [onderdanig] als aan de Heer,23want [de] man is [het] hoofd van de vrouw, evenals ook Christus [het] Hoofd is van de gemeente: Hij is [de] Behouder van het lichaam.24Maar zoals de gemeente aan Christus onderdanig is, zo ook de vrouwen aan hun mannen in alles.25Mannen, hebt uw vrouwen lief, evenals ook Christus de gemeente heeft liefgehad en Zichzelf voor haar heeft overgegeven,26opdat Hij haar zou heiligen, haar reinigend door de wassing met water door [het] Woord,27opdat Hij de gemeente voor Zich zou stellen, heerlijk, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, maar opdat zij heilig en onberispelijk zou zijn.28Zo behoren <ook> de mannen hun eigen vrouwen lief te hebben als hun eigen lichamen. Wie zijn eigen vrouw liefheeft, heeft zichzelf lief.29Want niemand heeft ooit zijn eigen vlees gehaat, maar hij voedt en koestert het, evenals ook Christus de gemeente.30Want wij zijn leden van Zijn lichaam, <van Zijn vlees en van Zijn gebeente>.31‘Daarom zal een man <zijn> vader en <zijn> moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen, en die twee zullen tot één vlees zijn’.32Deze verborgenheid is groot, maar ik doel op Christus en op de gemeente.33In elk geval, ook u, laat ieder van u zijn eigen vrouw zó liefhebben als zichzelf; en de vrouw moet ontzag hebben voor haar man.; 6:1-41Kinderen, weest jullie ouders gehoorzaam <in [de] Heer>, want dat is terecht.2‘Eer uw vader en uw moeder’, – dit is het eerste gebod met een belofte:3‘opdat het u goed gaat en u lang leeft op de aarde’.4En u, vaders, prikkelt uw kinderen niet tot toorn, maar voedt hen op in [de] tucht en vermaning van de Heer.; Ko 3:18-2218Vrouwen, weest aan uw mannen onderdanig, zoals het betaamt in [de] Heer.19Mannen, hebt uw vrouwen lief en weest niet bitter tegen hen.20Kinderen, weest jullie ouders in alles gehoorzaam, want dit is welbehaaglijk in [de] Heer.21Vaders, irriteert uw kinderen niet, opdat zij niet moedeloos worden.22Slaven, weest uw heren naar [het] vlees in alles gehoorzaam, niet met ogendienst, als mensenbehagers, maar in eenvoud van hart, in vrees voor de Heer.). Dat is de plaats waar de rijkdommen van Christus met elkaar worden gedeeld.

In de derde plaats de “uitgehakte putten”. Dat zijn waterbakken waar het water wordt verzameld en waaruit kan worden geput. Het stelt de bediening voor door de gaven van de Heer om de heiligen te volmaken (Ef 4:11-1311En Hij heeft sommigen gegeven als apostelen, anderen als profeten, anderen als evangelisten, anderen als herders en leraars,12om de heiligen te volmaken, tot [het] werk van [de] bediening, tot [de] opbouwing van het lichaam van Christus;13totdat wij allen komen tot de eenheid van het geloof en van de kennis van de Zoon van God, tot een volwassen man, tot [de] maat van [de] volgroeidheid van de volheid van Christus,).

In de vierde plaats vinden we in het land de “wijngaarden en olijfgaarden”. De wijngaarden laten ons zien dat het land een gebied van vreugde is. Wijn is een beeld van vreugde (Ri 9:1313Maar de wijnstok zei tegen hen: Zou ik mijn nieuwe wijn opgeven, die God en mensen vrolijk maakt, en zou ik weggaan om boven de [andere] bomen te zweven?; Ps 104:15a15wijn, die het hart van de sterveling verblijdt,
olie, die [zijn] gezicht doet glanzen,
en brood, dat het hart van de sterveling versterkt.
)
. De gemeenschap met de Vader en de Zoon en met elkaar geeft een “blijdschap” die “volkomen” is (1Jh 1:3-43wat wij gezien en gehoord hebben, verkondigen wij ook u, opdat ook u met ons gemeenschap hebt. En onze gemeenschap nu is met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus.4En deze dingen schrijven wij <u>, opdat onze blijdschap volkomen is.). De olijfbomen stellen de rijke vrucht en zegen van de Geest voor (Gl 5:2222Maar de vrucht van de Geest is: liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing.). Olie is een beeld van de Heilige Geest (1Jh 2:2020En u hebt [de] zalving vanwege de Heilige en u weet alles.; 1Jh 2:2727En wat u betreft, de zalving die u van Hem ontvangen hebt, blijft in u, en u hebt niet nodig dat iemand u leert; maar zoals Zijn zalving u over alles leert, en waar is en geen leugen, en zoals zij u geleerd heeft, blijft u in Hem.).

Tussendoor wordt er telkens op gewezen dat Gods volk niets voor die zegeningen heeft gedaan. Uit vrije genade heeft God ze Zijn volk geschonken. Zo is het ook met onze hemelse zegeningen. Er is geen enkele bijdrage van ons aan verbonden. We hebben ze uit vrije gunst op grond van de het werk van de Heer Jezus ontvangen, alleen omdat God het in Zijn hart heeft gehad om ze aan ons te geven. Drie keer worden we eraan herinnerd dat we slaven van de zonde waren, maar dat God ons eruit heeft bevrijd (verzen 12,21,2312wees [dan] op uw hoede dat u de HEERE, Die u uit het land Egypte, uit het slavenhuis, geleid heeft, niet vergeet.21dan moet u tegen uw zoon zeggen: Wij waren slaven van de farao in Egypte, maar de HEERE heeft ons met sterke hand uit Egypte geleid.23Maar ons leidde Hij daarvandaan, om ons [hierheen] te brengen [en] ons het land te geven, dat Hij onze vaderen onder ede beloofd had.).


Vergeet de HEERE niet

12wees [dan] op uw hoede dat u de HEERE, Die u uit het land Egypte, uit het slavenhuis, geleid heeft, niet vergeet. 13U moet de HEERE, uw God, vrezen, Hem dienen en bij Zijn Naam zweren. 14U mag niet achter andere goden, de goden van de volken die rondom u zijn, aan gaan, 15want de HEERE, uw God, is een na-ijverig God in uw midden; anders ontbrandt de toorn van de HEERE, uw God, tegen u en vaagt Hij u weg van de aardbodem.

We kunnen soms zo bezig zijn met wat we hebben gekregen, dat we de Gever vergeten. Daarom klinkt de waarschuwing dat we op onze hoede moeten zijn dat wij, als we oog voor de zegeningen hebben gekregen, dan niet vergeten van Wie we ze hebben gekregen.

De val vanaf het hoogste niveau is de verschrikkelijkste val. Als we niet naar de waarheid wandelen die ons gegeven is, zal dat tot grote schade worden. Dan worden we uit het land verdreven, we raken het licht kwijt over de dingen van het land. Het ergst is het voor Hem Die gezworen heeft ons te zullen invoeren in die zegeningen.

Het gaat om een land dat het volk zal erven. Zij zijn de erfgenamen en als zodanig mogen ze het in bezit gaan nemen. Dat brengt het zoonschap van de gelovigen in zicht. Het zicht op het zoonschap en daarmee het genot ervan, is teloorgegaan omdat de christenen hebben toegegeven aan de verzoeking van de satan om hun geluk in de zichtbare wereld te zoeken. Niet het staan voor God, maar het zich bevinden in een omgeving die aantrekkelijk is voor het vlees, heeft beslag gelegd op de harten. De Heer Jezus heeft aan die verzoeking niet toegegeven. Hij is het voorbeeld hoe wij tegenover die verzoeking van de duivel staande kunnen blijven.

Het woord van vers 1313U moet de HEERE, uw God, vrezen, Hem dienen en bij Zijn Naam zweren. is de eerste aanhaling van de drie aanhalingen uit dit boek door de Heer Jezus tijdens de veertig dagen dat Hij door de duivel wordt verzocht in de woestijn (Dt 6:13,1613U moet de HEERE, uw God, vrezen, Hem dienen en bij Zijn Naam zweren.16U mag de HEERE, uw God, niet op de proef stellen, zoals u Hem bij Massa op de proef gesteld hebt.; 8:33Hij verootmoedigde u, Hij liet u hongerlijden en Hij liet u het manna eten, dat u niet kende en [ook] uw vaderen niet gekend hadden, om u te laten weten dat de mens niet alleen van brood leeft, maar dat de mens leeft van alles wat uit de mond van de HEERE komt.; Mt 4:1-101Toen werd Jezus naar de woestijn omhooggeleid door de Geest om verzocht te worden door de duivel.2En nadat Hij veertig dagen en veertig nachten had gevast, kreeg Hij ten slotte honger.3En de verzoeker kwam en zei tot Hem: Als U Gods Zoon bent, zeg dan dat deze stenen broden moeten worden.4Hij antwoordde echter en zei: Er staat geschreven: ‘Niet van brood alleen zal de mens leven, maar van alle woord dat door [de] mond van God uitgaat’.5Toen nam de duivel Hem mee naar de heilige stad en liet Hem op de dakrand van de tempel staan6en zei tot Hem: Als U Gods Zoon bent, werp Uzelf dan naar beneden; want er staat geschreven: ‘Zijn engelen zal Hij bevel geven aangaande U, en zij zullen U op [de] handen dragen, opdat U niet misschien Uw voet aan een steen stoot’.7Jezus zei tot hem: Er staat eveneens geschreven: ‘U zult [de] Heer, uw God, niet verzoeken’.8Opnieuw nam de duivel Hem mee naar een zeer hoge berg en toonde Hem alle koninkrijken van de wereld en hun heerlijkheid9en zei tot Hem: Al deze dingen zal ik U geven, als U neervalt en mij aanbidt.10Toen zei Jezus tot hem: Ga weg, satan, want er staat geschreven: ‘[De] Heer, uw God, zult u aanbidden en Hem alleen dienen’.). De Heer gebruikt dit woord als antwoord op de verzoeking van de duivel om Hem alle koninkrijken van de wereld en hun heerlijkheid te geven als Hij voor hem neervalt en hem aanbidt (Mt 4:8-108Opnieuw nam de duivel Hem mee naar een zeer hoge berg en toonde Hem alle koninkrijken van de wereld en hun heerlijkheid9en zei tot Hem: Al deze dingen zal ik U geven, als U neervalt en mij aanbidt.10Toen zei Jezus tot hem: Ga weg, satan, want er staat geschreven: ‘[De] Heer, uw God, zult u aanbidden en Hem alleen dienen’.). De duivel heeft ook talloze middelen om ons te verzoeken dat wij daarvoor neerknielen. God heeft de mens bekwaam gemaakt om te aanbidden en hem ook de behoefte daartoe gegeven. De vraag is alleen: aan wie en wat geeft hij zijn aanbidding.

Geen mens op aarde is ooit zo verlangend geweest de hemelse zegeningen als Mens uit Gods hand te ontvangen dan de Heer Jezus. Daarom stelt Hij Zich in de verzoekingen op de grondslag van het boek Deuteronomium. Hij stelt Zich op de ware grondslag van verantwoordelijkheid en trouw, waarop het volk van God zich dient te stellen om het hemelse land in bezit te kunnen nemen en te bewaren. Hij is veertig dagen beproefd in de woestijn, zoals Deuteronomium 1-11 terugzien op de veertig jaar van Israël in de woestijn. Waar Israël heeft gefaald, staat Hij vast. De manier waarop Hij dat doet, kunnen wij navolgen en is de enige manier.


De HEERE niet verzoeken

16U mag de HEERE, uw God, niet op de proef stellen, zoals u Hem bij Massa op de proef gesteld hebt. 17U moet de geboden van de HEERE, uw God, Zijn getuigenissen en Zijn verordeningen, die Hij u geboden heeft, nauwgezet in acht nemen. 18En u moet doen wat juist en goed is in de ogen van de HEERE, opdat het u goed gaat, en u er komt, en het goede land dat de HEERE uw vaderen onder ede beloofd heeft, in bezit neemt, 19om al uw vijanden van voor uw [ogen] te verjagen, zoals de HEERE gesproken heeft.

Vers 1616U mag de HEERE, uw God, niet op de proef stellen, zoals u Hem bij Massa op de proef gesteld hebt. geeft de tweede tekst die de Heer Jezus aanhaalt tijdens de verzoeking door de duivel in de woestijn (Mt 4:5-75Toen nam de duivel Hem mee naar de heilige stad en liet Hem op de dakrand van de tempel staan6en zei tot Hem: Als U Gods Zoon bent, werp Uzelf dan naar beneden; want er staat geschreven: ‘Zijn engelen zal Hij bevel geven aangaande U, en zij zullen U op [de] handen dragen, opdat U niet misschien Uw voet aan een steen stoot’.7Jezus zei tot hem: Er staat eveneens geschreven: ‘U zult [de] Heer, uw God, niet verzoeken’.). De verzoeking waaraan het volk is blootgesteld, is hun twijfel of de HEERE in hun midden is (Ex 17:77Hij gaf die plaats de naam Massa en Meriba, vanwege de onenigheid van de Israëlieten en omdat zij de HEERE op de proef gesteld hadden door te zeggen: Is de HEERE [nu] in ons midden of niet?). Als er wantrouwen komt aan de goedheid en trouw van God, terwijl er zoveel onloochenbare bewijzen van zijn, ontstaat de verzoeking om Hem te gaan uittesten of Hij nog wel Zijn volk wíl zegenen. Het gaat dan niet om twijfelen aan zichzelf, maar om twijfelen aan God, en dat is ongeloof. Kan Hij Zijn volk vergeten of verlaten?

De Heer Jezus is daarover niet aan het twijfelen te brengen. De duivel haalt in zijn verzoeking enkele verzen uit Psalm 91 aan over Gods bewaring (Ps 91:11-1211Want Hij zal voor u Zijn engelen bevel geven
dat zij u bewaren op al uw wegen.
12Zij zullen u op de handen dragen,
zodat u uw voet aan geen steen stoot.
)
. Als de Heer Jezus zou beproeven of het inderdaad zo is als er staat, zou dat ongeloof bewijzen. De duivel citeert altijd gedeeltelijk, hij haalt altijd teksten uit zijn verband. Zo haalt hij hier niet aan dat het gaat om een wandelen in de wegen van de HEERE.

Wie in de wegen van de HEERE wandelt, kent de HEERE en mag op Zijn bewaring rekenen. Zo iemand heeft geen behoefte aan bewijzen of God nog wel met Zijn trouw en zegen bij Zijn volk is. Een levendige omgang met Hem bewaart ons ervoor Hem te verzoeken. De Heer Jezus heeft die gemeenschap ook in de veertig dagen van verzoeking ononderbroken genoten.

Israël zal het land bereiken. Zoals al is opgemerkt, wordt er in dit hoofdstuk liefst drie keer aan herinnerd dat de HEERE dat gezworen heeft (verzen 10,18,2310Wanneer het dan gebeuren zal dat de HEERE, uw God, u gebracht heeft in het land dat Hij uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft u te zullen geven – grote en goede steden, die u niet gebouwd hebt,18En u moet doen wat juist en goed is in de ogen van de HEERE, opdat het u goed gaat, en u er komt, en het goede land dat de HEERE uw vaderen onder ede beloofd heeft, in bezit neemt,23Maar ons leidde Hij daarvandaan, om ons [hierheen] te brengen [en] ons het land te geven, dat Hij onze vaderen onder ede beloofd had.). Wat valt er dan nog te beproeven of te verzoeken? God bekrachtigt Zijn belofte niet voor niets met het zweren van een eed.

Het gaat in dit hoofdstuk om het erven of in bezit nemen (verzen 1,181Dit zijn de geboden, de verordeningen en de bepalingen die de HEERE, uw God, geboden heeft u te leren, om [ze] te doen in het land waar u naartoe trekt om het in bezit te nemen,18En u moet doen wat juist en goed is in de ogen van de HEERE, opdat het u goed gaat, en u er komt, en het goede land dat de HEERE uw vaderen onder ede beloofd heeft, in bezit neemt,) van het erfdeel. In dat licht moeten de verzoekingen worden gezien, want de aanhalingen om de duivel te weerstaan komen uit dit hoofdstuk. De aanhaling die de Heer uit Deuteronomium 8 doet, staat in verbinding met het zoonschap. Erfdeel en zoonschap horen bij elkaar (Gl 4:77U bent dus niet meer slaaf, maar zoon; en bent u zoon, dan ook erfgenaam door God.). Het zoonschap van de gelovige is nauw verbonden aan het kennen en genieten van het erfdeel dat God ons heeft gegeven, dat zijn de zegeningen in de hemelse gewesten (Ef 1:3-63Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemelse [gewesten] in Christus,4zoals Hij ons in Hem heeft uitverkoren vóór [de] grondlegging van [de] wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn vóór Hem in [de] liefde,5terwijl Hij ons tevoren door Jezus Christus tot [het] zoonschap voor Zichzelf bestemd heeft, naar het welbehagen van Zijn wil,6tot lof van [de] heerlijkheid van Zijn genade, waarmee Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde,).

In bezit nemen of erven betekent niet iets krijgen als de erflater is gestorven, maar dat God een bepaald bezit aan iemand toevertrouwt. Dat kan Hij nu al doen of straks. In het Nieuwe Testament heeft erven te maken met het delen met de Heer Jezus in Zijn regering (Ef 1:10-1110dat Hij Zich had voorgenomen in Zichzelf aangaande [de] bedeling van de volheid der tijden, om alles wat in de hemelen en wat op de aarde is onder één Hoofd samen te brengen in Christus;11in Hem, in Wie wij ook erfgenamen zijn geworden, waartoe wij tevoren bestemd waren naar [het] voornemen van Hem Die alles werkt naar de raad van Zijn wil,). Erven wordt gebruikt voor elke zegening die God ons heeft gegeven en die we in de hemelen zullen krijgen.

Wij zijn zonen en daardoor erfgenamen. Door de Geest van zoonschap zijn we in staat het hart van de Vader te leren kennen. We zijn kinderen van God door geboorte, doordat we uit God geboren zijn. Dat houdt in dat we Zijn natuur, die licht en liefde is, hebben ontvangen. We zijn ook zonen, wat meer spreekt van volwassenheid, van inzicht in Gods gedachten en bedoelingen en van gemeenschap.

Het hoogste deel van de erfenis is de geestelijke zegen in het hemelse land, die in beginsel ons eigendom is en die we nu al in bezit mogen nemen. We hebben de Goddelijke natuur ontvangen waardoor we geschikt zijn om in de hemel te verkeren. We zijn in de Geliefde, uitverkoren tot het zoonschap voor God. God wil zonen voor Zichzélf. Hij wil met hen geestelijk contact hebben om te spreken over de dingen die in Zijn hart zijn.


Getuigenis van de vader

20Wanneer uw zoon u morgen vraagt: Wat zijn dat voor getuigenissen, verordeningen en bepalingen die de HEERE, onze God, u geboden heeft? 21dan moet u tegen uw zoon zeggen: Wij waren slaven van de farao in Egypte, maar de HEERE heeft ons met sterke hand uit Egypte geleid. 22En de HEERE gaf tekenen en wonderen, groot en onheilbrengend, in Egypte, aan de farao en aan zijn hele huis, voor onze ogen. 23Maar ons leidde Hij daarvandaan, om ons [hierheen] te brengen [en] ons het land te geven, dat Hij onze vaderen onder ede beloofd had. 24En de HEERE gebood ons al deze verordeningen te houden, om de HEERE, onze God, te vrezen, ons ten goede, alle dagen, om ons in leven te houden, zoals het op deze dag is. 25Het zal voor ons gerechtigheid zijn als wij al deze geboden nauwlettend in acht nemen, voor het aangezicht van de HEERE, onze God, zoals Hij ons geboden heeft.

In vers 77U moet ze uw kinderen inprenten en erover spreken, als u in uw huis zit en als u over de weg gaat, als u neerligt en als u opstaat. wordt de ouders bevolen met hun kinderen te spreken over de geboden van de HEERE. Hier, in vers 2020Wanneer uw zoon u morgen vraagt: Wat zijn dat voor getuigenissen, verordeningen en bepalingen die de HEERE, onze God, u geboden heeft?, komen de kinderen met hun vragen. We vinden viermaal vragen van kinderen:
1. De vraag met betrekking tot het Pascha; deze vraag gaat, in beeld, over de verlossing (Ex 12:2626En het zal gebeuren, als uw kinderen tegen u zullen zeggen: Wat betekent deze dienst voor u?).
2. De vraag over de lossing van de eerstgeborenen; hierbij gaat het, in beeld, over de afzondering voor en toewijding aan de HEERE (Ex 13:1414Het zal gebeuren, als uw zoon u morgen vraagt: Wat is dit? dat u tegen hem zult zeggen: De HEERE heeft ons met sterke hand uit Egypte, uit het slavenhuis, geleid.).
3. De vraag over de doortocht door de Jordaan, wat, in beeld, voorstelt het innemen van de hemelse positie door de gemeente door haar verbinding met een gestorven, opgestane en verheerlijkte Mens (Jz 4:66zodat dit een teken is onder u. Wanneer uw kinderen morgen vragen zullen: Wat betekenen deze stenen voor u,).
4. De vraag naar de betekenis van het Woord van God (Dt 6:2020Wanneer uw zoon u morgen vraagt: Wat zijn dat voor getuigenissen, verordeningen en bepalingen die de HEERE, onze God, u geboden heeft?).

Het getuigenis van de ouders gaat over de verlossing uit Egypte. Maar daar blijft het niet bij. De HEERE heeft Zijn volk verlost uit Egypte met het doel hen te brengen in het land dat Hij aan de vaderen heeft beloofd.

Dat is ook Gods doel met onze verlossing. Hij heeft ons niet alleen willen verlossen uit de macht van de satan, de zonde en de wereld, zodat we vergeving van zonden zouden hebben en vrede met God. Zijn doel met ons is ook dat wij de zegeningen van het land zullen genieten. Dat betekent dat wij als Zijn eigen zonen “heilig en onberispelijk zouden zijn vóór Hem in [de] liefde” (Ef 1:4-54zoals Hij ons in Hem heeft uitverkoren vóór [de] grondlegging van [de] wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn vóór Hem in [de] liefde,5terwijl Hij ons tevoren door Jezus Christus tot [het] zoonschap voor Zichzelf bestemd heeft, naar het welbehagen van Zijn wil,).


Lees verder