Deuteronomium
1-4 Echtscheiding en scheidbrief 5 Vrijstelling voor een pasgetrouwde 6 Maalinstrument geen onderpand 7 Mensenroof 8-9 Melaatsheid 10-13 Handelwijze bij onderpand nemen 14-15 Behandeling van de dagloner 16 Ieder sterft om zijn eigen zonde 17-22 Vreemdeling, wees en weduwe
Echtscheiding en scheidbrief

1Wanneer een man een vrouw genomen heeft en met haar getrouwd is, en het gebeurt dat zij geen genade [meer] vindt in zijn ogen, omdat hij iets schandelijks aan haar gevonden heeft, en hij haar een echtscheidingsbrief schrijft, die in haar hand geeft en haar uit zijn huis wegstuurt, 2en als zij dan uit zijn huis vertrekt, weggaat en [de vrouw] van een andere man wordt, 3en die laatste man [ook] een afkeer van haar krijgt, haar een echtscheidingsbrief schrijft, die in haar hand geeft en haar uit zijn huis wegstuurt, of als die laatste man, die haar voor zichzelf tot vrouw genomen heeft, sterft, 4dan mag haar eerste man, die haar heeft weggestuurd, haar niet terugnemen om hem tot vrouw te zijn, nu zij onrein geworden is; want dat is voor het aangezicht van de HEERE een gruwel. U mag geen zonde brengen over het land dat de HEERE, uw God, u als erfelijk bezit geeft.

Het lijkt erop dat deze regeling getroffen wordt omdat echtscheiding al regelmatig voorkomt. Mogelijk is het zelfs al praktijk in Egypte geweest. Het doel van dit voorschrift lijkt te zijn een lichtvaardige echtscheiding te ontmoedigen. Als iemand zijn vrouw verstoten heeft en zij is opnieuw getrouwd en wordt vervolgens weer verstoten, dan mag de eerste man haar niet terugnemen als zijn vrouw.

Hoewel God vanwege de hardheid van hun harten hun heeft toegestaan hun vrouwen weg te zenden, beschouwt Hij het volgende huwelijk van de vrouw als een verontreiniging. Daarom zegt de Heer Jezus dat ieder die met een door haar man verstotene trouwt, overspel pleegt. Dit zou niet zo kunnen zijn als God de echtscheiding als een wettige zaak zou erkennen. Maar voor God kan er geen wettige reden voor echtscheiding zijn.

Nergens staat een uitdrukkelijke toestemming tot echtscheiding. Het wordt toegestaan, vanwege de hardheid van het hart (Mt 19:88Hij zei tot hen: Mozes heeft om de hardheid van uw harten u toegestaan uw vrouwen te verstoten; van [het] begin af is het echter niet zo geweest.). God haat de echtscheiding (Ml 2:1616Want de HEERE, de God van Israël, zegt
dat Hij het wegsturen [van de eigen] vrouw haat,
hoewel men het geweld bedekt met zijn gewaad,
zegt de HEERE van de legermachten.
Wees dus op uw hoede met uw geest
en handel niet trouweloos.
)
. Deze regeling wordt ook getroffen om te voorkomen dat een man telkens naar willekeur handelt, naar het hem goeddunkt. Hij zou zo vaak van vrouw kunnen wisselen als het hem behaagt. Maar wat een verwarring zou dat in het familieleven teweegbrengen. Ook over het erfdeel zou ten slotte geen duidelijkheid meer zijn.

De reden van wegzenden kan van alles zijn wat de man maar als “iets schandelijks” aanmerkt. Het heeft in elk geval niet met overspel te maken, want daar staat de doodstraf op (Dt 22:20-2220Maar als dit woord waar is, [als] ontdekt wordt dat het meisje geen maagd [meer] was,21dan moeten zij het meisje naar buiten brengen, naar de deur van het huis van haar vader, en de mannen van haar stad moeten haar met stenen stenigen, zodat zij sterft, want zij heeft een schandelijke daad in Israël begaan door hoererij te bedrijven in het huis van haar vader. Zo moet u het kwaad uit uw midden wegdoen.22Wanneer [ergens] een man aangetroffen wordt terwijl hij met een vrouw slaapt die met een [andere] man getrouwd is, dan moeten zij beiden sterven, de man die met de vrouw geslapen heeft, en de vrouw. Zo moet u het kwaad uit Israël wegdoen.). Als hij de vrouw wegzendt, moet hij een echtscheidingsbrief meegeven. Zij heeft dan het bewijs dat haar eerste man afstand van haar doet en haar niet meer tot vrouw mag nemen.

God heeft Israël een echtscheidingsbrief meegegeven: Maar Ik zag, toen Ik vanwege alles waarin het afvallige Israël overspel had gepleegd, haar weggestuurd had en haar een echtscheidingsbrief gegeven had” (Jr 3:8a8Maar Ik zag, toen Ik vanwege alles waarin het afvallige Israël overspel had gepleegd, haar weggestuurd had en haar een echtscheidingsbrief gegeven had, dat Juda, haar trouweloze zuster, niet bevreesd werd. Zij ging zelf ook hoererij bedrijven.). Hoe lang heeft God niet geaarzeld voordat Hij die brief geeft. Maar dan gaat God de echtscheidingsbrief schrijven, omdat het gaat om een afvallig volk dat, zoals het is, nooit weer tot de zegen zal terugkeren. Voor het volk als geheel is geen herstel. Wat hersteld wordt, is een overblijfsel naar de verkiezing van de genade (Rm 11:5,23-245Zo is er dan ook in de tegenwoordige tijd een overblijfsel naar [de] verkiezing van [de] genade.23En ook zij zullen, als zij niet in het ongeloof blijven, weer geënt worden; want God is machtig hen opnieuw te enten.24Want als u uit de van nature wilde olijfboom uitgehouwen en tegen [de] natuur op [de] edele olijfboom geënt bent, hoeveel te meer zullen dezen, die natuurlijke [takken] zijn, op hun eigen olijfboom geënt worden!). Genade gaat boven de wet uit. In dit overblijfsel neemt God Zijn volk weer aan, terwijl het als geheel van Hem afgehoereerd is.

Voor de gemeente als de naamchristenheid komt het ogenblik van de echtscheidingsbrief ook. Ook voor de christenheid is geen herstel mogelijk (Op 18:2121En één sterke engel hief een steen op als een grote molensteen en wierp die in de zee en zei: Zó zal de grote stad Babylon met geweld neergeworpen worden en zij zal geenszins meer gevonden worden.; Rm 11:21-2221want heeft God de natuurlijke takken niet gespaard, Hij mocht ook u niet sparen!22Zie dan [de] goedertierenheid en [de] strengheid van God: strengheid over hen die gevallen zijn, maar goedertierenheid van God over u, als u in de goedertierenheid blijft; anders zult ook u worden afgehouwen.). Er is echter in de tegenwoordige tijd nog een Filadelfia (Op 3:7-137En schrijf aan de engel van de gemeente in Filadelfia: Dit zegt de Heilige, de Waarachtige, Die de sleutel van David heeft, Die opent en niemand zal sluiten, en Die sluit en niemand opent:8Ik weet uw werken; zie, Ik heb een geopende deur voor u gegeven, die niemand kan sluiten; want u hebt kleine kracht en hebt Mijn Woord bewaard en Mijn Naam niet verloochend.9Zie, Ik geef [enigen] uit de synagoge van de satan, die zeggen dat zij Joden zijn en het niet zijn, maar liegen; zie, Ik zal maken dat zij komen en zich neerbuigen voor uw voeten en erkennen dat Ik u heb liefgehad.10Omdat u het woord van Mijn volharding hebt bewaard, zal Ik ook u bewaren voor het uur van de verzoeking, dat over het hele aardrijk zal komen, om te verzoeken hen die op de aarde wonen.11Ik kom spoedig, houd wat u hebt, opdat niemand uw kroon neemt.12Wie overwint, die zal Ik maken tot een pilaar in de tempel van Mijn God en hij zal geenszins meer daaruit weggaan; en Ik zal op hem schrijven de Naam van Mijn God en de naam van de stad van Mijn God, het nieuwe Jeruzalem dat uit de hemel neerdaalt van Mijn God, en Mijn nieuwe Naam.13Wie een oor heeft, laat hij horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt.). Daarop wijst vers 55Wanneer een man pas een vrouw genomen heeft, mag hij niet met het leger uittrekken, en mag men hem geen enkele verplichting opleggen. Een jaar lang zal hij vrij zijn ten behoeve van zijn huis zodat hij zijn vrouw, die hij genomen heeft, kan verblijden..


Vrijstelling voor een pasgetrouwde

5Wanneer een man pas een vrouw genomen heeft, mag hij niet met het leger uittrekken, en mag men hem geen enkele verplichting opleggen. Een jaar lang zal hij vrij zijn ten behoeve van zijn huis zodat hij zijn vrouw, die hij genomen heeft, kan verblijden.

Evenals het voorgaande gedeelte benadrukt ook dit vers het belang van het huwelijk. Het zou tamelijk hardvochtig zijn een pasgetrouwde man mee in de strijd te sturen met de kans dat hij sneuvelt. Dan is er geen kans op nageslacht en verdwijnt zijn naam uit Israël. Daarom krijgt hij een jaar vrij om zijn vrouw te verblijden, wat ook betekent seksuele gemeenschap met haar te beleven. Tevens zal daardoor het kwaad van de voorgaande verzen behoorlijk klein worden.

Dit vers vormt een groot contrast met de voorgaande verzen. Het gaat hier om een nieuwe vrouw die een man heeft genomen, terwijl het in de voorgaande verzen gaat om een verstoten vrouw. Die man mag een heel jaar thuisblijven om zijn vrouw te verblijden. Zo geweldig is de vrouw voor haar man. Er is niet sprake van een tweede vrouw, naast zijn eerste, maar van een nieuwe.

Voor ons is de praktijk ook niet dat wij onze vrouw slechts één jaar verheugen, maar het is ons voorrecht dit gedurende ons hele leven te doen (1Ko 7:33,3933maar de getrouwde wijdt zijn zorg aan de dingen van de wereld, hoe hij zijn vrouw zal behagen.39Een vrouw is verbonden zolang haar man leeft; maar als haar man ontslapen is, is zij vrij om te trouwen met wie zij wil, mits in [de] Heer.). De gemeente is die vrouw voor de Heer Jezus. De Heer is nu vrij van strijd en vrij van lasten en zet Zich in voor Zijn gemeente, om haar te verblijden. Daarmee is Hij als Mens in de heerlijkheid nu bezig.


Maalinstrument geen onderpand

6Men mag een handmolen of een bovenste molensteen niet in onderpand nemen, want [dan] neemt men een leven in onderpand.

De belangen van de broeder worden behandeld in het gedeelte van Deuteronomium 24:6-25:16. Als de belangen van onze broeder in strijd zijn met onze eigen belangen, gaan de belangen van onze broeder voor: Laat ieder niet alleen op zijn eigen belangen, maar ieder ook op die van anderen zien. …Want ik heb niemand van gelijke gezindheid als hij, die zo trouw uw belangen zal behartigen, want allen zoeken hun eigen belang, niet dat van Jezus Christus (Fp 2:4,20-214laat ieder niet [alleen] op zijn eigen [belangen], maar ieder <ook> op die van anderen zien.20Want ik heb niemand van gelijke gezindheid [als hij], die zo trouw uw belangen zal behartigen,21want allen zoeken hun eigen [belang], niet dat van Jezus Christus.).

God staat veel toe, maar Hij geeft ook beperkingen, tot bescherming van de ander. Iemand mag een onderpand nemen van zijn broeder. Maar als een broeder iets te leen vraagt, toont dat aan dat hij zich in een zwakke positie bevindt en daarom wordt hij beschermd. God geeft hier aan wat niet als onderpand mag worden genomen. Het betreft niet zozeer de waarde van het onderpand, maar de grote betekenis in het gebruik.

Als iemand bijvoorbeeld graan moet lenen, mag het instrument waarmee dat graan gemalen moet worden niet als onderpand worden genomen. Hij heeft dit instrument juist nodig om het graan te bewerken waardoor het als voedsel genuttigd kan worden en hij in leven kan blijven. Dit instrument is zijn leven en wie dit instrument tot pand neemt, neemt het leven van zijn broeder als onderpand.

Dit kan worden toegepast op de dienst van iemand die het Woord brengt. De geestelijke dienst die in de woorden van de dienaar tot de gelovigen komt, betekent geestelijk voedsel voor de gelovigen. Maar wat gesproken is, moet nog wel door de gelovige bewerkt worden. Het is niet zonder meer voor consumptie geschikt. Het moet beoordeeld, getoetst worden. Ook moet het uitgewerkt worden. Het Woord dat tot ons komt, moet nog worden fijngemalen, het moet een bewerking in ons hart en geweten ondergaan om het voedsel eruit te halen.

In dit werk mag geen broeder of zuster gehinderd worden door een molensteen weg te nemen. Er mag geen hindernis worden opgeworpen om het volle genot van het voedsel te hebben. Ieder die het Woord brengt, mag niemand van de hoorders aan zichzelf verbinden en hen van zichzelf afhankelijk maken voor geestelijke groei. Ieder moet zelf in gemeenschap met de Heer het voedsel bewerken.


Mensenroof

7Wanneer er iemand ontdekt wordt die iemand van zijn broeders, [een] van de Israëlieten, ontvoert en hem als slaaf behandelt en hem verkoopt, dan moet de ontvoerder sterven. Zo moet u het kwaad uit uw midden wegdoen.

Het gevaar van afhankelijkheid van het vorige vers is hier uitgegroeid tot mensenhandel. Hier is iemand niet alleen verarmd, maar iemand is helemaal het eigendom van iemand anders, om met hem winst te maken. In de christenheid vindt dit zijn afschuwelijke vervulling in de rooms-katholieke kerk. Die matigt zich aan de bruid van Christus te zijn en dat buiten haar geen zaligheid is. Zij wordt “de grote hoer” en “het grote Babylon, de moeder van de hoeren” genoemd (Op 17:1,51En een van de zeven engelen die de zeven schalen hadden, kwam en sprak met mij en zei: Kom, ik zal u tonen het oordeel over de grote hoer die op vele wateren zit,5En op haar voorhoofd was een naam geschreven: Verborgenheid, het grote Babylon, de moeder van de hoeren en van de gruwelen van de aarde.). Van haar staat dat zij handelt in “zielen van mensen” (Op 18:12-1312koopwaar van goud, van zilver, van edelgesteente en van parels; van fijn linnen, van purper, van zijde en van scharlaken; allerlei welriekend hout, allerlei ivoren voorwerpen en allerlei voorwerpen van zeer kostbaar hout; van koper, van ijzer en van marmer;13kaneel, specerij, reukwerken, balsem, wierook, wijn, olie, meelbloem en tarwe; lastdieren en schapen; van paarden en wagens; van lichamen en zielen van mensen.).

Voor die wereldkerk worden de geesten rijp gemaakt door de steeds groter wordende invloed van de charismatische beweging. Mensen met charisma die het (vaak grote) publiek bespelen door hun opzwepende taal en indrukwekkende manifestaties van krachten, tekenen en wonderen oefenen een enorme macht over hun volgelingen uit. In hun woorden geven ze God de eer, maar in de praktijk bespelen zij de gevoelens van de christenen die hen bewonderen. Mensen die elke kritiek op ‘hun’ prediker of wonderdoener als lastering van de Geest beschouwen, blijken vaak volledig in de ban van die prediker of wonderdoener te zijn. Zij zijn, of hebben zichzelf, aan zo iemand verkocht.

Geestelijke leiders lopen altijd het gevaar mensen aan zichzelf te verbinden. Als zij hieraan toegeven, worden ze partijleiders. Een voorbeeld hiervan is Absalom van wie we lezen: “Zo stal Absalom het hart van de mannen van Israël” (2Sm 15:66Op die manier deed Absalom met heel Israël dat naar de koning ging voor recht. Zo stal Absalom het hart van de mannen van Israël.). Door de mannen te vleien won hij hen voor zijn partij en maakte hen los van David. Een partijleider is een sekteleider. Van een sektarisch mens staat geschreven: “Verwerp een sektarisch mens na [de] eerste en tweede vermaning, daar je weet dat zo iemand afgeweken is en zondigt, terwijl hij door zichzelf veroordeeld is” (Tt 3:10-1110Verwerp een sektarisch mens na [de] eerste en tweede vermaning,11daar je weet dat zo iemand afgeweken is en zondigt, terwijl hij door zichzelf veroordeeld is.).

Hoe heel anders is de Heer Jezus. Hij zet zich in voor de schapen en geeft Zijn leven voor hen. Het contrast met de dief die komt “om te stelen en te slachten en te verderven”, is enorm. De Heer Jezus is “de goede Herder”, Hij “legt Zijn leven af voor de schapen” (Jh 10:11-1211Ik ben de goede Herder; de goede Herder legt Zijn leven af voor de schapen;12wie huurling is en geen herder, wiens eigendom de schapen niet zijn, ziet de wolf komen en laat de schapen achter en vlucht; en de wolf rooft ze en verstrooit <de schapen.).


Melaatsheid

8Wees op uw hoede voor de ziekte van de melaatsheid door bijzonder nauwlettend te handelen overeenkomstig alles wat de Levitische priesters u leren. U moet nauwlettend handelen zoals ik hun geboden heb. 9Denk aan wat de HEERE, uw God, onderweg met Mirjam gedaan heeft, toen u uit Egypte trok.

Melaatsheid is een beeld van de zonde met als kenmerk besmettelijkheid en als resultaat de dood. Het voorschrift met het oog op de plaag van de melaatsheid lijkt zich te richten op het voorkómen van de plaag. De gedachte lijkt te zijn: Wees op je hoede voor de plaag van de melaatsheid, pas ervoor op dat die je niet treft door in opstand te komen tegen wat de priesters leren naar het bevel van de HEERE. Het gaat om onderricht door de Levitische priester, niet zozeer om onderzoek naar de plaag door de priester. Het belang van dit onderwijs wordt onderstreept door tweemaal in dit vers te spreken over “nauwlettend handelen”.

Hier wordt in dit boek bij wijze van uitzondering weer iets van de priester vermeld. Een priester kent de heiligheid van God en geeft daarover onderwijs. Het doel ervan is dat het vlees zich niet zal openbaren. Om dit voorschrift kracht bij te zetten verwijst Mozes naar wat er met Mirjam is gebeurd.

Mirjam is een concreet voorbeeld (Nm 12:2-102Zij zeiden: Heeft de HEERE alleen maar door Mozes gesproken? Heeft Hij ook niet door ons gesproken? En de HEERE hoorde het.3Maar de man Mozes was zeer zachtmoedig, meer dan alle mensen die op de aardbodem waren.4Meteen zei de HEERE tegen Mozes, en tegen Aäron, en tegen Mirjam: U met zijn drieën, vertrek naar de tent van ontmoeting. En zij vertrokken met z’n drieën [daarnaartoe].5Toen daalde de HEERE neer in de wolkkolom en ging bij de ingang van de tent staan. Hij riep Aäron en Mirjam, en zij kwamen beiden naar voren.
6Hij zei:
Luister toch naar Mijn woorden!
Als [iemand] onder u een profeet is,
maak Ik, de HEERE, Mij door een visioen aan hem bekend,
spreek Ik met hem door een droom.
7Maar zo [doe Ik] niet tegenover Mijn dienaar Mozes,
die in Mijn hele huis trouw is,
8met hem spreek Ik van mond tot mond, ja, zichtbaar, en niet in raadsels.
Hij aanschouwt de gestalte van de HEERE.
Waarom dan bent u niet bevreesd geweest
om over Mijn dienaar, over Mozes, te spreken?
9Zo ontbrandde de toorn van de HEERE tegen hen, en Hij ging weg.10De wolk week van boven de tent, en zie, Mirjam was melaats, [wit] als sneeuw. Toen keerde Aäron zich om naar Mirjam, en zie, zij was melaats.
)
. Bij haar is er een uitbarsting van de zonde geweest. Het betreft geen zedelijk kwaad, maar partijschap. Ze heeft het leiderschap van Mozes uit jaloersheid betwist. Het gevolg is geweest dat het volk zeven dagen lang niet verder is getrokken (Nm 12:14-1514De HEERE zei tegen Mozes: Stel dat haar vader haar verachtelijk in haar gezicht had gespuwd, zou zij niet zeven dagen te schande worden? Laat haar zeven dagen buiten het kamp gesloten worden, en daarna [weer] opgenomen worden.15Zo werd Mirjam zeven dagen buiten het kamp gesloten. Het volk brak niet op, totdat Mirjam [weer in hun midden] opgenomen was.). De zonde van heerszucht remt elke geestelijke vooruitgang. Dit voorschrift van de melaatsheid sluit aan op het voorgaande vers waarin deze heerszucht over anderen aan de kaak wordt gesteld en wijst op de gevolgen ervan.


Handelwijze bij onderpand nemen

10Wanneer u aan uw naaste iets geleend hebt, dan mag u zijn huis niet binnengaan om zijn onderpand mee te nemen. 11U moet buiten blijven staan en de man aan wie u iets geleend hebt, moet het onderpand naar u toe brengen, naar buiten. 12En als het een arme man is, mag u niet in diens onderpand gaan slapen, 13maar u moet hem het onderpand zeker teruggeven als de zon ondergaat, zodat hij in zijn kleed kan gaan slapen, en hij u zegent. Dat zal u [tot] gerechtigheid zijn voor het aangezicht van de HEERE, uw God.

Zoals gezegd, staat God Zijn volk toe om een onderpand te nemen als zekerheid voor de terugbetaling van het geleende. Maar hij die uitleent, is niet vrij om zijn onderpand zelf uit te kiezen. In vers 66Men mag een handmolen of een bovenste molensteen niet in onderpand nemen, want [dan] neemt men een leven in onderpand. is iets vermeld wat niet als onderpand mag worden genomen. Nu wordt gezegd op welke wijze dit onderpand mag worden genomen. Het geven van het onderpand is een zaak van hem die leent. De onderpandnemer mag daarvoor niet het privéterrein van de onderpandgever betreden.

Ook aan de duur van het onderpand nemen verbindt God beperkingen. Als iemand recht heeft op het onderpand van een ander, mag hij het niet onbeperkt houden, ondanks dat de ander zijn schuld niet heeft voldaan. Zo moet een kleed ‘s avonds worden teruggegeven als het van een arme man is. Dat geeft zegen en strekt tot gerechtigheid. Hier ziet iemand af van het eigen belang, ten gunste van het belang van de ander. De profeet Amos moet het volk vanwege de overtreding van dit gebod zware verwijten maken (Am 2:8a8Zij strekken zich uit op kleren die zij in onderpand hebben,
naast elk altaar.
Zij drinken wijn die als boete was opgelegd,
in het huis van hun goden.
)
.

Door deze regeling worden de eigen verantwoordelijkheid en de persoonlijke vrijheid van de pandgever in stand gehouden. Sekteleiders hebben daarvoor geen enkel respect. Zij drukken besluiten erdoor die zij voor hun zaak van belang achten, zonder te luisteren naar de stem van een enkeling. Met persoonlijke gewetens wordt geen rekening gehouden.


Behandeling van de dagloner

14U mag de arme en behoeftige dagloner, iemand van uw broeders of van de vreemdelingen die in uw land binnen uw poorten is, niet onderdrukken. 15Op dezelfde dag moet u [hem] zijn loon geven; de zon mag er niet over ondergaan, want hij is arm en hij verlangt ernaar. Laat hij niet vanwege u de HEERE hoeven aanroepen, [want] dan zal er zonde in u zijn.

Hier is geen sprake van lenen en schuld, maar van eerlijk verdiend loon. De werkgever moet ieder van zijn werknemers geven waarop hij recht heeft en de betaling ook niet uitstellen: Het arbeidsloon van de dagloner mag niet de nacht bij u overblijven tot de volgende morgen” (Lv 19:13b13U mag uw naaste niet afpersen en niet beroven. Het arbeidsloon van de dagloner mag niet de nacht bij u overblijven tot de [volgende] morgen.; Mt 20:88Toen het nu avond geworden was, zei de heer van de wijngaard tot zijn beheerder: Roep de arbeiders en betaal hun het loon, te beginnen bij de laatsten, tot de eersten.; Jb 7:22Zoals een slaaf snakt hij naar schaduw,
zoals een dagloner ziet hij uit naar zijn loon.
)
. Als het loon niet op tijd betaald wordt, zal de HEERE worden aangeroepen (Jk 5:44Zie, het loon van de arbeiders die uw akkers geoogst hebben, dat door u is ingehouden, roept, en de kreten van de maaiers zijn gekomen tot de oren van [de] Heer Zebaoth.). Ieder aan wie een dienst wordt bewezen, is verplicht het daarvoor verschuldigde te voldoen. Werkgevers moeten zich daarbij realiseren dat ook zij Iemand hebben Die boven hen staat: Heren, geeft aan uw slaven wat rechtvaardig en billijk is, daar u weet dat ook u een Heer in [de] hemel hebt” (Ko 4:11Heren, geeft aan uw slaven wat rechtvaardig en billijk is, daar u weet dat ook u een Heer in [de] hemel hebt.).

Het geldt ook in geestelijk opzicht. Van ieder die “in het Woord wordt onderwezen”, wordt verwacht dat hij “hem die onderwijst van alle goede dingen” meedeelt (Gl 6:66En laat hij die in het Woord wordt onderwezen, hem die onderwijst van alle goede dingen meedelen.). Want “de arbeider is zijn loon waard” (Lk 10:77En blijft in datzelfde huis en eet en drinkt wat men er heeft, want de arbeider is zijn loon waard. Trekt niet van huis tot huis.). Waar het geestelijke wordt gezaaid, is het niet meer dan logisch dat het stoffelijke wordt gemaaid (1Ko 9:1111Als wij voor u het geestelijke hebben gezaaid, is het iets groots, als wij het stoffelijke van u zullen maaien?).

Aan de verplichting tot betaling moet, net als bij het teruggeven van het tot onderpand genomen kleed (vers 1212En als het een arme man is, mag u niet in diens onderpand gaan slapen,), worden voldaan vóór zonsondergang. De vorige bepaling besluit met een zegen van de onderpandgever en gerechtigheid voor de HEERE als eraan wordt voldaan. De bepaling tot uitbetaling van het loon besluit met een roepen tot de HEERE en het begaan van zonde als er niet aan wordt voldaan.


Ieder sterft om zijn eigen zonde

16De vaders mogen niet ter dood gebracht worden om de kinderen, en de kinderen mogen niet ter dood gebracht worden om de vaders. Ieder zal [alleen] om zijn [eigen] zonde ter dood gebracht worden.

Ieder krijgt de straf voor de eigen schuld en niet een nakomeling (2Kn 14:66Maar de kinderen van die moordenaars bracht hij niet ter dood, zoals geschreven staat in het wetboek van Mozes, waar de HEERE geboden heeft: De vaders mogen niet ter dood gebracht worden om de kinderen en de kinderen mogen niet ter dood gebracht worden om de vaders, maar ieder zal om zijn [eigen] zonde ter dood gebracht worden.; Ez 18:4,204Zie, alle [mensen]levens behoren Mij toe. Zowel het leven van de vader als het leven van de zoon, die behoren Mij toe. De mens die zondigt, die zal sterven.20De mens die zondigt, díe zal sterven. De zoon zal de ongerechtigheid van de vader niet dragen, en de vader zal de ongerechtigheid van de zoon niet dragen. De gerechtigheid van de rechtvaardige zal op hemzelf zijn, en de goddeloosheid van de goddeloze zal op hemzelf zijn.). Er lijkt tegenspraak te zijn met de uitspraak dat de zonden van de vaderen worden bezocht aan het derde en vierde geslacht (Ex 20:55U zult zich daarvoor niet neerbuigen, en die niet dienen, want Ik, de HEERE, uw God, ben een na-ijverig God, Die de misdaad van de vaderen vergeldt aan de kinderen, aan het derde en vierde [geslacht] van hen die Mij haten,). Die ogenschijnlijke tegenspraak verdwijnt als wij de straf over de zonde onderscheiden van de gevolgen van de zonde. David ontvangt vergeving, maar de gevolgen van de zonde kan hij niet ontlopen. De gevolgen van de zonde van de vaderen ontmoeten we maar al te vaak in het leven van de nakomelingen.


Vreemdeling, wees en weduwe

17U mag het recht van de vreemdeling [en] de wees niet buigen, en u mag het kleed van een weduwe niet in onderpand nemen, 18maar u moet eraan denken dat u slaaf geweest bent in Egypte, en dat de HEERE, uw God, u vandaar verlost heeft. Daarom gebied ik u dit te doen. 19Wanneer u de oogst op uw akker hebt binnengehaald, en u bent een schoof op de akker vergeten, dan mag u niet teruggaan om die op te halen. Hij is voor de vreemdeling, de wees en de weduwe. Dan zal de HEERE, uw God, u zegenen in al het werk van uw handen. 20Wanneer u uw olijven afslaat, mag u de takken daarna niet nauwkeurig afzoeken. Het is voor de vreemdeling, de wees en de weduwe. 21Wanneer u uw wijngaard leeggeplukt hebt, mag u hem daarna niet nauwkeurig nalopen. Het is voor de vreemdeling, de wees en de weduwe. 22U moet eraan denken dat u slaaf geweest bent in het land Egypte. Daarom gebied ik u dit te doen.

God handhaaft het recht van de zwakken. We worden terugverwezen naar wat God voor ons gedaan heeft. Dan zien we Iemand Die niet aan Zichzelf heeft gedacht, maar alleen aan onze belangen. Hij heeft ons bevrijd uit de macht van de zonde ten koste van Zichzelf. Dat is het voorbeeld voor onze houding tegenover de ander. Dat zien we in de gelijkenis die de Heer Jezus uitspreekt van de schuldenaar met een grote schuld die hem wordt kwijtgescholden. Deze man vergeet dat hem zoveel is kwijtgescholden. Dat blijkt uit het feit dat hij een ander die hem een veel kleinere schuld schuldig is, zonder barmhartigheid tot terugbetaling dwingt (Mt 18:21-3521Toen kwam Petrus bij Hem en zei tot Hem: Heer, hoe vaak zal mijn broeder tegen mij zondigen en ik hem vergeven?22Tot zevenmaal? Jezus zei tot hem: Ik zeg je, niet tot zevenmaal, maar tot zeventig maal zeven.23Daarom is het koninkrijk der hemelen gelijk geworden aan een koning die met zijn slaven afrekening wilde houden.24Toen hij nu begon af te rekenen, werd er een bij hem gebracht die tienduizend talenten schuldig was.25Daar hij echter niets had om te betalen, beval zijn heer hem te verkopen met zijn vrouw en zijn kinderen en alles wat hij had, en dat er betaald moest worden.26De slaaf dan viel smekend voor hem neer en zei: <Heer,> heb geduld met mij en ik zal u alles betalen.27De heer van die slaaf nu werd met ontferming bewogen, liet hem vrij en schold hem de lening kwijt.28Toen die slaaf echter naar buiten ging, vond hij een van zijn medeslaven, die hem honderd denaren schuldig was; en hij pakte hem beet, greep hem bij de keel en zei: Betaal wat je schuldig bent.29Zijn medeslaaf dan viel neer en smeekte hem aldus: Heb geduld met mij en ik zal je betalen.30Hij wilde echter niet, maar ging weg en wierp hem in [de] gevangenis, totdat hij zou betalen wat hij schuldig was.31Toen zijn medeslaven dan zagen wat er was gebeurd, werden zij zeer bedroefd; en zij gingen hun heer alles wat er gebeurd was uiteenzetten.32Toen riep zijn heer hem bij zich en zei tot hem: Boze slaaf, die hele schuld heb ik je kwijtgescholden, daar je mij gesmeekt hebt;33had ook jij je niet moeten erbarmen over je medeslaaf, zoals ook ik mij over jou erbarmd heb?34En zijn heer werd toornig en leverde hem over aan de folteraars, totdat hij alles zou betalen wat hij <hem> schuldig was.35Zo zal ook Mijn hemelse Vader u doen, als u niet ieder zijn broeder van harte vergeeft.).

Het gaat hier over het handhaven van de rechten van de ander. In de gemeente van God is het anders dan in de wereld. In de wereld is het eigen ik norm bij het handhaven van de rechten van de mens: Ik heb recht, de ander is verplicht. De eigen rechten worden verdedigd. In de gemeente van God heeft mijn broeder alleen rechten en ik alleen plichten. Wij kunnen geen recht laten gelden. Het gaat erom wat God tegen mij zegt. Dat zegt Hij natuurlijk ook tegen de ander, maar dat is hier niet mijn zaak. De herinnering aan de eigen verdrukking en de bevrijding daaruit helpen om voor anderen die in verdrukking zijn op te komen.

Wat op het land is blijven staan of aan de olijfboom en in de wijngaard is blijven hangen, mag niet door de eigenaar later nog eens worden ingezameld (Lv 19:9-109Wanneer u nu de oogst van uw land binnenhaalt, mag u de rand van uw akker niet helemaal afmaaien, en wat van uw oogst is blijven liggen, mag u niet oprapen.10U mag ook uw wijngaard niet nalopen en de afgevallen druiven van uw wijngaard niet oprapen. U moet ze voor de arme en voor de vreemdeling achterlaten. Ik ben de HEERE, uw God.; 23:2222Wanneer u de oogst van uw land binnenhaalt, mag u de rand van uw akker bij [het binnenhalen van] uw oogst niet helemaal afmaaien, en wat van uw oogst is blijven liggen, mag u niet oprapen. U moet het laten liggen voor de arme en de vreemdeling. Ik ben de HEERE, uw God.). God bepaalt dat de nalezing ervan voor hen is die geen andere steun hebben dan Hem.

Wat niet is ingezameld, is door de maaiers vergeten. Zij hebben het over het hoofd gezien. Het is om zo te zeggen vrucht die niet voor de hand ligt. Zij, aan wie God deze vrucht van het land heeft toebedeeld, moeten er wel moeite voor doen om die vrucht te vinden en alsnog in te zamelen en ervan te genieten. Het wordt hun niet in de schoot geworpen of thuisbezorgd. Ruth moest actief zijn om zich die zegeningen toe te eigenen (Ru 2:2,72Ruth, de Moabitische, zei tegen Naomi: Laat mij toch naar de akker gaan en aren rapen achter hem in wiens ogen ik genade zal vinden. En zij zei tegen haar: Ga, mijn dochter.7Zij zei: Laat mij toch [aren] rapen en verzamelen tussen de schoven, achter de maaiers. Zo is zij gekomen en zij is gebleven van vanmorgen af tot nu toe. Zij heeft bijna niet binnen gezeten.).

Evenals de aansporing van vers 1717U mag het recht van de vreemdeling [en] de wees niet buigen, en u mag het kleed van een weduwe niet in onderpand nemen, gevolgd wordt door een herinnering aan de bevrijding uit Egypte, is dat ook het geval bij het nalezen van de oogst. Van wie barmhartigheid bewezen is, mag worden verwacht dat hij zelf barmhartigheid aan anderen zal bewijzen. De herinnering aan bewezen goedheid spoort aan tot het betonen van goedheid aan anderen.


Lees verder