Deuteronomium
Inleiding 1-4 Bemoediging door de priester 5-9 De beambten spreken tot het volk 10-15 Het aanbod van vrede 16-18 Steden die onder de ban moeten 19-20 Geboomte met eetbare vrucht
Inleiding

In dit hoofdstuk treffen we een volk aan dat in het bezit is van het beloofde land en dat meer wil gaan veroveren (Dt 19:88En wanneer de HEERE, uw God, uw gebied ruim gemaakt heeft, zoals Hij uw vaderen gezworen heeft, en Hij u heel het land gegeven heeft dat Hij gesproken heeft uw vaderen te zullen geven). Daarmee handelt het naar Gods gedachten, want Hij wil verruiming geven. Dat is weer verbonden aan de verantwoordelijkheid van de mens. Er komt geen verruiming als er geen strijd wordt gevoerd. Verder betreft het hier vrijwillige oorlogen, er is geen verplichting. Daarom worden er ook enkele vrijstellingen gegeven en wordt iemand die bang is in de gelegenheid gesteld naar huis te gaan. Er zijn andere oorlogen waartoe God bevel geeft en waaraan niemand zich mag onttrekken, zoals tegen de Kanaänieten.

We kunnen dit toepassen op de plaatselijke gemeente. We mogen ons afvragen hoeveel gelovigen er de laatste jaren aan de plaatselijke gemeente zijn toegevoegd. Is het gebied verruimd? Het heeft te maken met onze geestelijke kracht, waardoor we kunnen laten zien wat de gemeente is naar Gods gedachten. Als er werkelijk verlangen is om dat waar te maken, zal dat anderen winnen.

Het verdedigen van de waarheid is niet alleen defensief, maar ook offensief. We kunnen zielen winnen door het evangelie en hen brengen op de plaats die God uitgekozen heeft om Zijn Naam daar te doen wonen. In nieuwtestamentische taal is dat het brengen van hen die de Heer Jezus hebben aangenomen naar de plaatselijke gemeente waarvan de Heer Jezus heeft gezegd: “Daar ben Ik in hun midden” (Mt 18:2020Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in hun midden.).


Bemoediging door de priester

1Wanneer u ten strijde trekt tegen uw vijanden, en u ziet paarden en strijdwagens, een volk dat groter is dan u, wees dan niet bevreesd voor hen. Want de HEERE, uw God, Die u uit het land Egypte heeft geleid, is met u. 2En als u zich vlak voor de strijd bevindt, moet het [zó] zijn dat een priester naar voren komt om tot het volk te spreken. 3Hij moet tegen hen zeggen: Luister, Israël, heden bevindt u zich vlak voor de strijd tegen uw vijanden; laat uw hart niet week worden, wees niet bevreesd, beef niet en schrik niet voor hen terug, 4want het is de HEERE, uw God, Die met u meegaat, om voor u tegen uw vijanden te strijden om u te verlossen.

Met het oog op de strijd spreekt eerst de priester het volk toe. In vers 55Daarna zullen de beambten tot het volk spreken: Wie is de man die een nieuw huis heeft gebouwd en het [nog] niet in gebruik genomen heeft? Laat hij weggaan en naar zijn huis terugkeren, opdat hij niet in de strijd sterft en iemand anders het in gebruik neemt. doen de “beambten” of de opzieners dat. De priester spreekt het volk moed in. Hij wijst op de HEERE, hun God, Die meegaat (Js 41:1010Wees niet bevreesd, want Ik ben met u,
wees niet verschrikt, want Ik ben uw God.
Ik sterk u, ook help Ik u,
ook ondersteun Ik u met Mijn rechterhand, die gerechtigheid werkt.
)
om voor hen te strijden en hun de overwinning te geven. Om te weten wat het betekent dat de HEERE met hen meegaat, herinnert Mozes het volk aan de verlossing uit Egypte. De priester die moed inspreekt, is een beeld van de Heer Jezus. Hij bemoedigt door Zijn woord (Jh 16:3333Dit heb Ik tot u gesproken, opdat u in Mij vrede hebt. In de wereld hebt u verdrukking, maar hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen.) en door Zijn voorbede (Lk 22:3232Ik heb echter voor jou gebeden dat je geloof niet zou ophouden; en jij, als je eens bekeerd bent, versterk je broeders.; Hb 7:2525Daarom kan Hij ook volledig behouden wie door Hem tot God naderen, daar Hij altijd leeft om voor hen tussenbeide te treden.).

De vijand toont zich in zijn macht en kracht en probeert daardoor Gods volk te imponeren en af te schrikken. Paarden en wagens vormen in hoofdzaak de legermacht van vijandige volken waarmee Israël te maken heeft (Jz 17:1616Toen zeiden de nakomelingen van Jozef: Dat bergland zal voor ons niet groot genoeg zijn. Bovendien zijn er ijzeren strijdwagens bij alle Kanaänieten die in het land in het dal wonen, bij die in Beth-Sean en de bijbehorende [plaatsen] en bij [hen] die in het dal van Jizreël wonen.; Ri 4:33Toen riepen de Israëlieten tot de HEERE, want hij had negenhonderd ijzeren strijdwagens en hij had de Israëlieten met geweld onderdrukt, twintig jaar [lang].; 1Sm 13:55De Filistijnen verzamelden zich om te strijden tegen Israël, dertigduizend wagens en zesduizend ruiters, en volk zo talrijk als de zand[korrels] die zich aan de oever van de zee bevinden. Zij trokken op en sloegen hun kamp op in Michmas, ten oosten van Beth-Aven.; 2Sm 8:44David nam van hem duizend [wagens af] en [nam] zevenhonderd ruiters en twintigduizend man voetvolk [gevangen]. Ook sneed David de hielpezen van alle wagen[paarden] door, maar hield er honderd wagen[paarden] van over.; 1Kr 18:44David nam van hem duizend [wagens af] en [nam] zevenduizend ruiters en twintigduizend man voetvolk [gevangen]. Ook sneed David de hielpezen van alle wagen[paarden] door, maar hield er honderd wagen[paarden] van over.; 19:1818Maar de Syriërs sloegen voor Israël op de vlucht, en David doodde van de Syriërs zevenduizend wagen[paarden] en veertigduizend man voetvolk. Ook doodde hij Sofach, [hun] legerbevelhebber.). Geneigd als Israël is om onder de indruk te raken van die tentoonspreiding van macht, geeft de priester een viervoudige verzekering om tegenover de vijand iets niet te zijn: niet week van hart worden, niet vrezen, niet beven en niet terugschrikken. De reden ervoor is de aanwezigheid van de HEERE. Met de Heer erbij hoeven we niet bang te zijn voor de grootste en machtigste vijand (2Kr 32:77Wees sterk en moedig, wees niet bevreesd en niet ontsteld vanwege de koning van Assyrië, en [ook] niet vanwege heel de troepenmacht die met hem is, want met ons is er meer dan met hem.), want dat is bij voorbaat een verslagen vijand. Zonder de Heer erbij verliezen we van de meest onaanzienlijke vijand.

Gelovigen die ons als ware priesters, dat wil zeggen vanuit Gods tegenwoordigheid, aanmoedigen, zijn dringend nodig. Er is geen behoefte aan gelovigen die ons een bepaalde strategie of tactiek, vaak ontleend aan het model van de wereld, willen opdringen. Het evangelie en de waarheid van God zijn geen artikelen die via managementtechnieken aan de man moeten worden gebracht. Gelovigen die met deze middelen werken, verkeren meer in de tegenwoordigheid van de wereld en staan onder invloed van het denken dat daar heerst, dan in de tegenwoordigheid van de Heer en onder invloed van Zijn denken.


De beambten spreken tot het volk

5Daarna zullen de beambten tot het volk spreken: Wie is de man die een nieuw huis heeft gebouwd en het [nog] niet in gebruik genomen heeft? Laat hij weggaan en naar zijn huis terugkeren, opdat hij niet in de strijd sterft en iemand anders het in gebruik neemt. 6En wie is de man die een wijngaard heeft geplant, maar de vrucht ervan [nog] niet gegeten heeft? Laat hij weggaan en naar zijn huis terugkeren, opdat hij niet in de strijd sterft en iemand anders die eet. 7En wie is de man die met een vrouw in ondertrouw is gegaan, maar haar [nog] niet [tot vrouw] genomen heeft? Laat hij weggaan en naar zijn huis terugkeren, opdat hij niet in de strijd sterft, en een andere man haar [tot vrouw] neemt. 8Daarna zullen de beambten opnieuw tegen het volk spreken, en zeggen: Wie is de man die bevreesd is, en week van hart? Laat hij weggaan en naar zijn huis terugkeren, opdat het hart van zijn broeders niet smelt, zoals zijn hart. 9En als de beambten geëindigd hebben tot het volk te spreken, moet het [zó] zijn dat zij legerbevelhebbers aan het hoofd van het volk aanstellen.

Na de priester spreken de beambten of opzieners het volk toe. De priester bemoedigt tot de strijd. De beambten ontmoedigen bepaalde categorieën om deel te nemen aan de strijd. Zij moeten erop toezien dat alleen gekwalificeerde soldaten de strijd aangaan. Een soldaat is gekwalificeerd als hij zich helemaal aan de Heer kan toewijden, zonder zich met iets anders bezig te hoeven houden (2Tm 2:44Niemand die als soldaat dient, wikkelt zich in de zorgen van het leven, opdat hij hem behaagt die hem in dienst genomen heeft.). Dat betekent dat hij in de strijd gaat in volledig vertrouwen op de Heer en alleen op Hem gericht.

De beambten verbieden die categorieën niet om deel te nemen, maar stellen hen voor dat ze zich eerst bezighouden met de situatie waarin ze net zijn komen te verkeren. Het gaat om mensen die onlangs huiselijke verhoudingen zijn aangegaan met bepaalde verwachtingen, maar daar nog niet van hebben genoten: een nieuw huis gebouwd, een wijngaard geplant en met een vrouw in ondertrouw gegaan.

Wie een nieuw huis heeft gebouwd, maar er nog niet in heeft gewoond, mag het eerst gaan betrekken. Dit is toe te passen op iemand die pas bekeerd is. Hij is daardoor komen wonen in het huis van God. Nu moet zo iemand gaan leren hoe hij zich in dat huis moet gedragen (1Tm 3:1515Maar als ik uitblijf, [schrijf ik] opdat je weet hoe men zich moet gedragen in [het] huis van God, dat is [de] gemeente van [de] levende God, [de] pilaar en grondslag van de waarheid.). De slogan ‘gered om te redden’ klinkt misschien goed, maar is niet bijbels. Iemand moet eerst zijn plaats leren innemen in Gods getuigenis op aarde. Pas daarna kan hij erop uittrekken.

Iemand die een wijngaard heeft geplant, maar nog niet de vrucht ervan heeft genoten, hoeft ook nog niet mee te gaan in de strijd. Hij mag wachten op de eerste vrucht om die te genieten. Die wachttijd kan wel tot vijf jaar oplopen (Lv 19:23-2523Wanneer u in het land komt en allerlei vruchtbomen plant, moet u de vruchten ervan als verboden beschouwen. Drie jaar [lang] zullen ze voor u verboden zijn, er mag niet van gegeten worden.24Maar in het vierde jaar zullen alle vruchten ervan heilig zijn, tot lofzegging voor de HEERE.25En in het vijfde jaar mag u de vruchten ervan eten om de opbrengst ervan voor u te vermeerderen. Ik ben de HEERE, uw God.). Wijn is een beeld van de vreugde (Ri 9:13a13Maar de wijnstok zei tegen hen: Zou ik mijn nieuwe wijn opgeven, die God en mensen vrolijk maakt, en zou ik weggaan om boven de [andere] bomen te zweven?). Hier is de les dat we eerst zelf mogen en moeten genieten van de zegeningen om in staat te zijn ervan uit te delen. We kunnen niet getuigen van iets wat we zelf niet hebben genoten.

Ook iemand die in ondertrouw is gegaan, hoeft niet mee in de oorlog (Dt 24:55Wanneer een man pas een vrouw genomen heeft, mag hij niet met het leger uittrekken, en mag men hem geen enkele verplichting opleggen. Een jaar lang zal hij vrij zijn ten behoeve van zijn huis zodat hij zijn vrouw, die hij genomen heeft, kan verblijden.). Hij mag eerst trouwen en zijn vrouw verheugen, wat ook seksuele gemeenschap inhoudt. Aan de vreugde die seksuele gemeenschap in het huwelijk geeft, is ook het verwekken van nageslacht verbonden. Het is het beleven van de intimiteit van de liefde met de vrucht die daarvan het gevolg is. Dit is toe te passen op het beleven van de gemeenschap met de Heer Jezus en de vrucht die dat voor Hem oplevert. De oefening van gemeenschap met de Heer Jezus moet op de eerste plaats komen. Daarna kan er uitgetrokken worden in de strijd.

In vers 88Daarna zullen de beambten opnieuw tegen het volk spreken, en zeggen: Wie is de man die bevreesd is, en week van hart? Laat hij weggaan en naar zijn huis terugkeren, opdat het hart van zijn broeders niet smelt, zoals zijn hart. wordt een andere categorie genoemd. Iedereen is wel eens bang geweest in de strijd. Maar als iemand gekenmerkt wordt door een geest van bangheid, kan de Heer hem niet gebruiken. Zo iemand mag teruggaan naar huis. Paulus handelt als een opziener of beambte als hij Johannes Markus naar huis terugstuurt (Hd 15:3838Paulus echter achtte het juist, hem die hen van Pamfylië af in de steek had gelaten en niet met hen was meegegaan naar het werk, niet mee te nemen.). Markus is enige tijd met Paulus opgetrokken, maar de ontberingen zijn hem te veel geworden (Hd 13:1313Het gezelschap van Paulus nu voer af van Pafos en kwam in Perge in Pamfylië; Johannes echter scheidde zich van hen af en keerde terug naar Jeruzalem.). Het christen zijn kostte hem te veel. Zo iemand meenemen betekent een last betekenen die nadelig is voor het werk van het evangelie.

Ook bij Gideon zien we de werking van dit vers. Hij krijgt van de HEERE de aanwijzing te handelen naar de aanwijzingen van dit vers. Het gevolg is dat van zijn toch al niet grote leger maar liefst tweeëntwintigduizend man afhaakt (Ri 7:33Welnu, roep toch ten aanhoren van het volk: Laat wie bevreesd is en beeft, terugkeren en zich naar het gebergte van Gilead haasten! Toen keerden er uit het volk tweeëntwintigduizend [man] terug, zodat er tienduizend overbleven.).

Nadat ieder de kans heeft gekregen tot een persoonlijke afweging om niet aan de strijd deel te nemen, kan de strijd beginnen. Het leger wordt voorzien van legerbevelhebbers. Zij gaan vooraan en zijn voorbeelden voor de soldaten die volgen. Zij bepalen niet de manier van strijdvoeren. Dat doet God.


Het aanbod van vrede

10Wanneer u een stad nadert om ertegen te strijden, moet u haar vrede aanbieden. 11En als zij de vrede met u aanvaardt en [de poorten] voor u opent, moet het [zó] zijn dat heel het volk dat erin aangetroffen wordt, herendienst voor u verricht en u dient. 12Maar als ze geen vrede met u sluit, maar oorlog tegen u voert, dan moet u haar belegeren. 13En de HEERE, uw God, zal haar in uw hand geven. Vervolgens moet u al wie mannelijk is met de scherpte van het zwaard slaan. 14Alleen de vrouwen, de kleine kinderen, het vee en alles wat zich [verder] in de stad bevindt, al haar buit, mag u voor uzelf roven. U mag van de buit van uw vijanden, die de HEERE, uw God, u gegeven heeft, eten. 15Zo moet u met alle steden doen die heel ver bij u vandaan zijn, die niet bij de steden horen van deze volken hier.

In de vorige verzen hebben we de voorbereidingen tot de strijd. Vanaf vers 1010Wanneer u een stad nadert om ertegen te strijden, moet u haar vrede aanbieden. hebben we de eigenlijke strijd. Toch brandt de strijd niet onmiddellijk los. Het eerste wat gedaan moet worden, is een stad die men wil veroveren de vrede aanbieden. Als daarnaar geluisterd wordt, is een verbondsverhouding het gevolg. Op die manier wordt, wat op het terrein van de wereld heeft gestaan, op het terrein van Gods volk gebracht en in hun dienst gesteld. Niet alle steden onderwerpen zich zo snel. In geval van weerstand moet het oordeel worden uitgeoefend.

De volle raad van God is ook vervat in de verkondiging van het evangelie. Waar die waarheid wordt voorgesteld, ontmoeten we vaak tegenstand. Die tegenstand moet worden gebroken. Dat moet, opdat anderen kunnen worden gewonnen: de mannen worden gedood, de vrouwen blijven in leven.

In het leven van de gelovige is sprake van verschillende soorten strijd. Daarbij moeten we onderscheid maken tussen ónze strijd en Góds strijd. Onze strijd vloeit voort uit het feit dat de zonde nog in ons woont (Gl 5:1717Want het vlees begeert tegen de Geest, en de Geest tegen het vlees; want deze staan tegenover elkaar, opdat u niet doet wat u wilt.). Die strijd weerhoudt ons er vaak van om Gods strijd te strijden. Maar als het vlees eronder wordt gehouden, kunnen we de hele wapenrusting van God aandoen en Gods strijd voeren (Ef 6:12-1312Want onze strijd is niet tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis, tegen de geestelijke [machten] van de boosheid in de hemelse [gewesten].13Neemt daarom de hele wapenrusting van God op, om weerstand te kunnen bieden in de boze dag en om, na alles volbracht te hebben, stand te houden.). Deze strijd wordt gestreden in het uitdragen en verdedigen en verkondigen van wat God ons heeft toevertrouwd. Zo kan Paulus zeggen dat hij de goede strijd heeft gestreden (2Tm 4:77Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd, ik heb het geloof behouden.). Dat is de strijd voor wat God hem heeft overgeleverd, het evangelie van de vrede.

‘Strijd’ en ‘dienst’ is in het Hebreeuws hetzelfde woord. De verkondiging van het Woord is Levitendienst en het is tevens strijd. In die dienst moeten wij uitgaan. God ziet het volk als in het land. Zo ziet Hij de christen als gezet in Christus in de hemelse gewesten. Vanuit die gevestigde positie, in het volle bewustzijn daarvan, mogen wij Gods waarheid verkondigen.


Steden die onder de ban moeten

16Maar van de steden van deze volken die de HEERE, uw God, u als erfelijk bezit geeft, mag u helemaal niets wat adem heeft, in leven laten. 17Voorzeker, u moet hen volledig met de ban slaan: de Hethieten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Ferezieten, de Hevieten en de Jebusieten, zoals de HEERE, uw God, u geboden heeft, 18opdat zij u niet leren handelen overeenkomstig alle gruwelijke dingen die zij voor hun goden gedaan hebben, zodat u tegen de HEERE, uw God, zou zondigen.

Van de in deze verzen genoemde vijanden mag niets gespaard worden. Hun mag geen vrede worden aangeboden. Het aanbod van vrede geldt alleen steden buiten het land. De steden van de volken in het land vertegenwoordigen de bolwerken van de boze waarin de boosheid in de hemelse gewesten tot uiting komt (Ef 6:1212Want onze strijd is niet tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis, tegen de geestelijke [machten] van de boosheid in de hemelse [gewesten].).


Geboomte met eetbare vrucht

19Wanneer u een stad vele dagen belegert [en] ertegen strijdt om haar in te nemen, dan moet u haar [vrucht]bomen niet te gronde richten door de bijl erin te slaan. U kunt er immers van eten; daarom mag u ze niet omhakken om ze een belegerings[wal] voor u te laten worden, want het geboomte van het veld is [voedsel voor] de mens. 20Maar de bomen waarvan u weet dat het geen vruchtbomen zijn, mag u te gronde richten en omhakken om een belegerings[wal] te bouwen tegen de stad die oorlog tegen u voert, totdat ze ten onder gaat.

In een belegerde stad kunnen elementen aanwezig zijn die van nut zijn voor het volk van God. Daarom moeten we met onderscheid te werk gaan in de strijd. Wat als voedsel door God is geschapen en daarom goed is (1Tm 4:4-54Want al [het] door God geschapene is goed en niets is verwerpelijk als het met dankzegging wordt genomen,5want het wordt geheiligd door Gods Woord en door gebed.), moeten we sparen. Hier moeten we onderscheid maken tussen dingen van de wereld en de dingen van de aarde of de schepping. Zo mogen we gebruik maken van dingen van de schepping ten nutte van geestelijke doeleinden, waarbij we kunnen denken aan zaken als gebouwen en techniek.

Bomen doen mensen geen kwaad. Integendeel, er zijn bomen die vrucht dragen tot nuttiging door de mens. Alleen bomen die geen vrucht voortbrengen, die de grond beslaan zonder nut, moeten worden afgehouwen. Ook in het verwoesten van onbezielde dingen moet met overleg te werk worden gegaan. De Heer Jezus laat Zijn discipelen “de overgeschoten brokken” verzamelen, “opdat er niets verloren gaat” wat tot onderhoud van het leven van de mens dient (Jh 6:1212En toen zij verzadigd waren, zei Hij tot Zijn discipelen: Verzamelt de overgeschoten brokken, opdat er niets verloren gaat.).


Lees verder