Deuteronomium
Inleiding 1-13 De vrijsteden 14 Grenzen niet verleggen 15 Twee of drie getuigen 16-21 Valse getuige
Inleiding

In dit hoofdstuk en de volgende twee hoofdstukken komen verschillende situaties aan de orde waarin het leven gevaar loopt. Met het oog op die situaties geeft Mozes aanwijzingen ter bescherming van het leven. Hij wil bij het volk een heilige eerbied voor het leven van de mens wakker maken. In dit hoofdstuk worden drie geboden van de wet nader belicht. Het zesde gebod: u zult niet doodslaan, het achtste gebod: u zult niet stelen, en het negende gebod: u zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste.


De vrijsteden

1Wanneer de HEERE, uw God, de volken uitroeit waarvan de HEERE, uw God, u het land geeft, en u hun [land] in bezit neemt en in hun steden en in hun huizen woont, 2dan moet u voor uzelf drie steden afzonderen, in het midden van uw land, dat de HEERE, uw God, u geeft om dat in bezit te nemen. 3U moet de weg voor u gereedmaken, en het gebied van uw land, dat de HEERE, uw God, u in erfbezit zal laten nemen, in drieën verdelen. Dit moet gebeuren zodat iedereen die een doodslag begaan heeft, daarheen kan vluchten. 4Dit is de zaak [die] iemand [betreft] die een doodslag begaan heeft [en] daarheen vlucht om in leven te blijven: iemand die zijn naaste niet met voorbedachten rade doodgeslagen heeft en die hij tevoren niet haatte 5– bijvoorbeeld [iemand] die met zijn naaste het bos ingaat om hout te hakken, en hij maakt met zijn hand een zwaai met de bijl om een boom om te hakken, en het ijzer schiet van de steel en treft zijn naaste, zodat die sterft – die zal naar een van die steden vluchten en in leven blijven. 6Anders zou de bloedwreker degene die een doodslag begaan heeft, achtervolgen terwijl zijn hart verhit is, en, als de weg te lang zou zijn, zou hij hem inhalen en hem om het leven brengen, terwijl hij niet de doodstraf [verdiend] heeft, want hij haatte hem tevoren niet. 7Daarom gebied ik u: U moet voor uzelf drie steden afzonderen. 8En wanneer de HEERE, uw God, uw gebied ruim gemaakt heeft, zoals Hij uw vaderen gezworen heeft, en Hij u heel het land gegeven heeft dat Hij gesproken heeft uw vaderen te zullen geven 9– als u heel dit gebod, dat ik u heden gebied, nauwlettend houdt, door de HEERE, uw God, lief te hebben en door alle dagen in Zijn wegen te gaan – dan moet u aan deze drie nog drie steden voor uzelf toevoegen, 10zodat er geen bloed van onschuldigen vergoten wordt in het midden van uw land, dat de HEERE, uw God, u als erfelijk bezit geeft. Anders zou er bloedschuld op u rusten. 11Maar als er iemand is die zijn naaste haat, een hinderlaag voor hem legt, hem aanvalt en om het leven brengt, zodat hij sterft, en [dan] naar een van die steden vlucht, 12dan moeten de oudsten van zijn stad [boden] sturen en hem vandaar meenemen, en zij moeten hem in de hand van de bloedwreker geven, zodat hij sterft. 13Laat uw oog hem niet ontzien, maar doe het bloed van de onschuldige uit Israël weg, opdat het u goed gaat.

Mozes heeft al Bezer, Ramoth en Golan in het Overjordaanse aangewezen als vrijsteden voor Ruben, Gad en de halve stam van Manasse (Dt 4:41-4341Toen zonderde Mozes drie steden af, aan deze zijde van de Jordaan, waar de zon opkomt,42zodat iemand die zijn naaste gedood heeft, daarheen zou kunnen vluchten, wanneer hij dit zonder voorbedachten rade heeft gedaan en hem tevoren niet haatte. Hij zal naar een van deze steden vluchten en in leven blijven:43Bezer in de woestijn, in het land van de hoogvlakte, voor de Rubenieten; Ramoth in Gilead voor de Gadieten; en Golan in Basan voor de Manassieten.). Ieder die onopzettelijk zijn naaste doodt, kan daarheen vluchten. In overeenstemming met Gods oorspronkelijke aanwijzingen (Nm 35:9-349De HEERE sprak tot Mozes:10Spreek tot de Israëlieten en zeg tegen hen: Wanneer u de Jordaan oversteekt, het land Kanaän in,11dan moet u voor uzelf steden kiezen [die] u tot vrijsteden zullen dienen, zodat iemand die een doodslag begaan heeft, die zonder opzet iemand om het leven gebracht heeft, daarheen zou kunnen vluchten.12Deze steden moeten u dienen tot een wijkplaats voor de [bloed]wreker, opdat degene die een doodslag begaan heeft, niet zal sterven, voordat hij voor de gemeenschap heeft terechtgestaan.13De steden nu die u moet geven, moeten u dienen tot zes vrijsteden.14Drie steden moet u aan deze kant van de Jordaan geven en drie steden moet u in het land Kanaän geven; vrijsteden zullen het zijn.15Die zes steden moeten voor de Israëlieten, voor de vreemdeling en voor de bijwoner in hun midden tot een wijkplaats dienen, zodat ieder daarheen kan vluchten die zonder opzet iemand om het leven gebracht heeft.16Maar als hij hem met een ijzeren voorwerp geslagen heeft, zodat hij stierf, dan is hij een moordenaar; degene die een doodslag begaan heeft, moet zeker gedood worden.17Ook als hij hem geslagen heeft met een steen [in] de hand, waardoor hij zou kunnen sterven, en hij stierf, [dan] is hij een moordenaar; degene die een doodslag begaan heeft, moet zeker gedood worden.18Of als hij hem heeft geslagen met een houten voorwerp [in] de hand, waardoor hij zou kunnen sterven, en hij stierf, [dan] is hij een moordenaar; hij die een doodslag begaan heeft, moet zeker gedood worden.19De bloedwreker, díe moet hem die een doodslag begaan heeft, doden; als hij hem aantreft, mag híj hem doden.20Ook als hij hem uit haat een duw heeft gegeven, of met opzet [iets] naar hem toe heeft gegooid, zodat hij stierf;21of wanneer hij hem uit vijandschap met zijn hand [zo] geslagen heeft, dat hij stierf, moet degene die [hem] geslagen heeft, zeker gedood worden: hij is een moordenaar. De bloedwreker mag degene die een doodslag begaan heeft, doden als hij hem aantreft.22Maar als hij hem onverwachts zonder vijandschap een duw gegeven heeft, of zonder opzet welk voorwerp dan ook naar hem toe gegooid heeft,23of zonder het te zien een of andere steen, waardoor men zou kunnen sterven, op hem heeft laten vallen, zodat hij stierf, terwijl hij geen vijand van hem was en niet zijn onheil zocht,24dan moet de gemeenschap overeenkomstig deze bepalingen oordelen tussen hem die een doodslag begaan heeft, en de bloedwreker.25De gemeenschap moet hem die een doodslag begaan heeft, redden uit de hand van de bloedwreker, en de gemeenschap moet hem laten terugkeren naar zijn vrijstad, waarheen hij gevlucht was. Dan moet hij daar blijven tot de dood van de hogepriester, die men met de heilige olie gezalfd heeft.26Maar als hij die een doodslag begaan heeft, de grens van zijn vrijstad, waarheen hij gevlucht was, ook maar even overschrijdt,27en de bloedwreker vindt hem buiten de grens van zijn vrijstad, dan mag de bloedwreker hem die een doodslag begaan heeft, doden; [dan] is het voor hem geen bloedschuld.28Want hij die een doodslag begaan heeft, had in zijn vrijstad moeten blijven tot de dood van de hogepriester; pas na de dood van de hogepriester mag hij terugkeren naar het land dat hij bezit.29Dit zal voor u als een rechtsverordening gelden, [al] uw generaties door, in al uw woongebieden.30[Wat betreft] allen die iemand om het leven gebracht hebben: op grond van de verklaring van [meerdere] getuigen moet men degene die een doodslag begaan heeft, doodslaan. Er mag echter niet [slechts] één getuige tegen een persoon getuigen, zodat die zou moeten sterven.31U mag geen losgeld aannemen voor het leven van degene die een doodslag begaan heeft die des doods schuldig is. Ja, hij moet zeker gedood worden.32U mag ook geen losgeld aannemen voor degene die naar zijn vrijstad is gevlucht, zodat hij voor de dood van de [hoge]priester terug kan keren om in het land te wonen.33U mag het land waarin u woont niet ontheiligen, want het bloed ontheiligt het land. Voor het land kan geen verzoening gedaan worden over het bloed dat erin vergoten wordt, dan door het bloed van degene die dat vergoten heeft.34Verontreinig dus het land niet waarin u woont, in het midden waarvan Ik woon; immers Ik, de HEERE, woon in het midden van de Israëlieten.) geeft hij Israël de opdracht dat zij, als zij in het land gekomen zullen zijn, daar ook drie vrijsteden moeten aanwijzen. De daadwerkelijke keus wordt door Jozua gedaan (Jz 20:77Toen zonderden zij af: Kedes in Galilea, in het bergland van Naftali, Sichem, in het bergland van Efraïm, en Kirjath-Arba, dat is Hebron, in het bergland van Juda.).

Mozes geeft in vers 33U moet de weg voor u gereedmaken, en het gebied van uw land, dat de HEERE, uw God, u in erfbezit zal laten nemen, in drieën verdelen. Dit moet gebeuren zodat iedereen die een doodslag begaan heeft, daarheen kan vluchten. de opdracht: “U moet de weg voor u gereedmaken.” In de ongewijde geschiedenis wordt vermeld dat het de plicht van de senaat was om jaarlijks de wegen naar de vrijsteden te controleren. Vervallen wegen moesten worden hersteld en obstakels verwijderd. Er mocht geen rivier zijn waarover geen brug was. De weg mocht niet te smal zijn, maar moest een zekere breedte hebben. Op kruispunten moest de richting worden aangegeven door borden met daarop de woorden ‘Toevlucht, Toevlucht’. Het lijkt erop dat Jesaja dit voorschrift van ‘wegonderhoud’ heeft geleend als hij het uitspreekt: “Een stem van iemand die roept in de woestijn: Bereid de weg van de HEERE, maak recht in de wildernis een gebaande weg voor onze God. Alle dalen zullen verhoogd worden, alle bergen en heuvels zullen verlaagd worden; wat krom is, zal recht worden; wat rotsachtig is, zal tot een vlakte worden” (Js 40:3-43Een stem van iemand die roept
in de woestijn:
Bereid de weg van de HEERE,
maak recht in de wildernis
een gebaande weg voor onze God.
4Alle dalen zullen verhoogd worden,
alle bergen en heuvels zullen verlaagd worden;
wat krom is, zal recht worden;
wat rotsachtig is, zal tot een vlakte worden.
)
.

Hoewel elke doodslager naar de vrijstad mag vluchten, biedt deze stad alleen bescherming aan iemand die per ongeluk een ander heeft gedood. Het voorbeeld van de man die in het bos hout wil hakken, maakt dat duidelijk. Een bos is voor iedereen toegankelijk en houthakken staat iedereen vrij. In het voorbeeld wordt verondersteld dat iemand zonder het te bedoelen de dood veroorzaakt van zijn naaste. Het gebeurt niet uit drift of met voorbedachten rade, maar per ongeluk. Met het voorbeeld dat hier gegeven wordt, kan elk soortgelijk geval vergeleken worden, om daarnaar te worden beoordeeld.

Uit het voorbeeld wordt ook duidelijk hoe het menselijk leven dagelijks in gevaar is. De dood omringt ons en kan op de meest ongedachte momenten toeslaan, zonder dat er een aanleiding is. Het is nodig om altijd bereid te zijn. Want de mens weet ook zijn tijd niet, evenmin als de vissen die in een boosaardig net worden gevangen en als de vogels die gevangen worden met de strik. Net als zij worden de mensenkinderen op een kwaad ogenblik verstrikt, wanneer dat hun plotseling overvalt” (Pr 9:1212Want de mens weet ook zijn tijd niet, evenmin als de vissen die in een boosaardig net worden gevangen, en als de vogels die gevangen worden met de strik. Net als zij worden de mensenkinderen op een kwaad ogenblik verstrikt, wanneer dat hun plotseling overvalt.).

Het is echter niet alleen voor hem die gedood wordt ”een kwaad ogenblik”, maar ook voor degene die hem gedood heeft. Ook al is het per ongeluk, toch neemt God het beëindigen van het leven zo hoog op, dat de doodslager naar een vrijstad moet vluchten. Hij moet daar blijven tot de dood van de hogepriester (Nm 35:3232U mag ook geen losgeld aannemen voor degene die naar zijn vrijstad is gevlucht, zodat hij voor de dood van de [hoge]priester terug kan keren om in het land te wonen.). Daardoor is hij al die tijd van het genot van zijn erfdeel beroofd.

Het vluchten naar de vrijstad kan worden toegepast op de zondaar. De zondaar moet vrezen voor de toorn van God. In het evangelie kan hem gewezen worden op Christus, van Wie de vrijstad als een beeld gezien kan worden. De vrijstad is een door God gegeven toevluchtsoord en daarmee een bewijs van Zijn liefde en barmhartigheid die de mens in zijn grootste nood de vluchtweg aanwijst.

Het geldt echter niet alleen voor de zondaar, maar ook voor het volk van God. En om dat laatste gaat het hier in de eerste plaats. Het bijzondere karakter van de vrijsteden is dan ook dat God aan Zijn volk in gevallen van grote zonde, maar wel in onwetendheid, in Zijn liefde en barmhartigheid uitkomst kan bieden. De vrijstad voor Israël is (nog steeds) de gemeente (Hd 2:37-4137Toen zij nu dit hoorden, werden zij in het hart getroffen en zij zeiden tot Petrus en de overige apostelen: Wat moeten wij doen, mannen broeders?38En Petrus <zei> tot hen: Bekeert u, en laat ieder van u gedoopt worden in de Naam van Jezus Christus tot vergeving van uw zonden, en u zult de gave van de Heilige Geest ontvangen.39Want voor u is de belofte en voor uw kinderen en voor allen die veraf zijn, zovelen [de] Heer onze God ertoe zal roepen.40En met vele andere woorden betuigde en vermaande hij hen en zei: Laat u behouden van dit verkeerde geslacht.41Zij dan die zijn woord aannamen, werden gedoopt, en er werden op die dag ongeveer drieduizend zielen toegevoegd.). Sinds het ontstaan van de gemeente moet iedere Jood die berouw heeft over zijn zonden, zich afzonderen van wat altijd als Gods volk heeft gegolden. Dat maakt de stap moeilijk, maar het is de enige uitkomst. Het belijden van de zonde medeschuldig te zijn aan de dood van Christus is noodzakelijk. Petrus houdt dat aan het volk voor in zijn rede op de Pinksterdag (Hd 2:2323Hem, door de bepaalde raad en voorkennis van God overgegeven, hebt u door [de] hand van wettelozen aan [het kruis] gehecht en gedood.).

In een volgende rede spreekt hij erover dat zij het ”uit onwetendheid” hebben gedaan (Hd 3:1717En nu, broeders, ik weet dat u het uit onwetendheid hebt gedaan, zoals ook uw oversten;). Daarom is er voor hen bekering en vergeving mogelijk en een alsnog verkrijgen van de beloofde zegeningen (Hd 3:19-2119Hebt dan berouw en bekeert u, opdat uw zonden worden uitgewist, opdat [de] tijden van verkwikking komen van [het] aangezicht van de Heer20en Hij de voor u voorbestemde Christus, Jezus, zendt,21Die [de] hemel moet opnemen tot op [de] tijden van [de] herstelling van alle dingen, waarvan God heeft gesproken door [de] mond van Zijn heilige profeten van oudsher.). Dit is helemaal in overeenstemming met het gebed van de Heer Jezus aan het kruis: “Vader, vergeef hun, want ze weten niet wat zij doen” (Lk 23:34a34<Jezus nu zei: Vader, vergeef hun, want zij weten niet wat zij doen.> En om Zijn kleren te verdelen wierpen zij het lot daarover.). In dezelfde zin kan aan Paulus, die een zo vurig vervolger van de gemeente en daarmee van de Heer Jezus is geweest, barmhartigheid worden bewezen (1Tm 1:1313mij die vroeger een lasteraar, een vervolger en een smader was; maar mij is barmhartigheid bewezen, omdat ik het onwetend heb gedaan, in ongeloof;).

Eenzelfde handelwijze zien we bij de wetten op het zondoffer, waar vergeving is voor de zonden die onbewust, onwetend worden begaan (Lv 4:1,13,22,271De HEERE sprak tot Mozes:13Als echter heel de gemeenschap van Israël zonder opzet gezondigd heeft en de zaak voor de ogen van de gemeente verborgen is gebleven, en zij iets gedaan hebben [tegen] enig gebod van de HEERE, wat niet gedaan mag worden, en [dus] schuldig zijn geworden,22Als een leider gezondigd heeft en zonder opzet tegen een van alle geboden van de HEERE zijn God iets gedaan heeft wat niet gedaan mag worden, zodat hij schuldig is,27Als één persoon uit de bevolking van het land zonder opzet gezondigd heeft omdat hij iets gedaan heeft [tegen] een van de geboden van de HEERE, [iets] wat niet gedaan mag worden, zodat hij schuldig is geworden,). Voor een zonde die met opgeheven hand – dat spreekt van bewuste opstand tegen en afval van God – is begaan, is geen zondoffer mogelijk, maar volgt de doodstraf (Nm 15:3030Maar de persoon die iets met opgeheven hand doet, van de ingezetenen of van de vreemdelingen, die lastert de HEERE: die persoon moet uit het midden van zijn volk uitgeroeid worden,).

Er is een belangwekkend verband op te merken tussen de door God aangekondigde Profeet in Deuteronomium 18:15-19 en de doodgeslagen naaste in dit hoofdstuk. In beide gevallen zien we hierin een beeld van de Heer Jezus. In beide gevallen staat de betrekking tot Israël voorop. Dat blijkt uit het feit dat het gedeelte over de profeet van Deuteronomium 18 twee keer in het boek Handelingen wordt aangehaald. De eerste aanhaling daarvan (Hd 3:2222Mozes heeft immers gezegd: ‘Een Profeet zal [de] Heer uw God u verwekken uit uw broeders, zoals Hij mij [verwekte]: naar Hem zult u horen overeenkomstig alles wat Hij tot u zal spreken;) wordt door Petrus toegepast op de Heer Jezus. Bovendien verwijst Petrus in de verzen ervoor (Hd 3:14-1714U hebt echter de Heilige en Rechtvaardige verloochend en gevraagd dat u een moordenaar zou worden geschonken;15de Vorst van het leven echter hebt u gedood, Die God heeft opgewekt uit [de] doden, van Wie wij getuigen zijn.16En op grond van het geloof in Zijn Naam heeft Zijn Naam deze die u ziet en kent, sterk gemaakt; en het geloof dat door Hem is, heeft hem deze volledige gezondheid gegeven in tegenwoordigheid van u allen.17En nu, broeders, ik weet dat u het uit onwetendheid hebt gedaan, zoals ook uw oversten;) naar het geval van de doodslag van de naaste in Deuteronomium 19 als hij zegt dat zijn volksgenoten het in onwetendheid hebben gedaan.

De aankondiging van de Profeet in Deuteronomium 18:15 wordt een tweede keer aangehaald en toegepast op de Heer Jezus, en wel door Stéfanus (Hd 7:3737Dit is de Mozes die tot de zonen van Israël heeft gezegd: ‘Een Profeet zal God u verwekken uit uw broeders, zoals Hij mij [verwekte]’.). Stéfanus staat echter niet voor een onwetend volk, maar tegenover hen die bewust de Heer Jezus hebben verworpen. Tegenover hen spreekt hij niet over onwetendheid. Zij zijn schuldige moordenaars. Zij zijn niet meer onwetend. Daarom worden zij achterhaald door de bloedwreker. Zij weerstaan de Heilige Geest en hebben de Rechtvaardige gedood van Wie zij moordenaars zijn geworden (Hd 7:51-5251Hardnekkigen en onbesnedenen van harten en oren, u weerstaat altijd de Heilige Geest, zoals uw vaderen, zo ook u.52Wie van de profeten hebben uw vaderen niet vervolgd? En zij hebben hen gedood die tevoren de komst van de Rechtvaardige aankondigden, van Wie u nu de verraders en moordenaars bent geworden,). Het oordeel zal hen treffen en is in het jaar 70 ook voltrokken in de verwoesting van Jeruzalem.

Er is ook een toepassing voor de christenheid. Wij leven in dezelfde positie als waarin Israël heeft verkeerd in de dagen van de Heer Jezus. Wat heeft de christenheid gedaan met wat haar is toevertrouwd? Aan Israël is de waarheid van de ene God en van de komende Messias toevertrouwd. Aan de gemeente is de waarheid van de Christus als de Verheerlijkte in de hemel toevertrouwd. Wat is daarvan overgebleven? Voor de massa van de belijdende christenen geldt “dat zij vijanden van het kruis van Christus zijn” en dat zij “de aardse dingen” bedenken (Fp 3:18-1918Want velen wandelen, van wie ik u dikwijls heb gezegd en nu ook wenend zeg, dat zij de vijanden van het kruis van Christus zijn;19hun einde is [het] verderf, hun God is de buik en hun heerlijkheid is in hun schande; zij bedenken de aardse dingen.) en niet de dingen die boven zijn (Ko 3:1-21Als u nu met Christus opgewekt bent, zoekt dan de dingen die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan Gods rechterhand.2Bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn.).

Het gevolg is een nog grotere fout: het negeren van de Heilige Geest op aarde. De zonde tegen de Heilige Geest is die zonde die zich richt tegen de Persoon van de Heilige Geest, dat Hij terzijde wordt gesteld en genegeerd. Uitingen ervan zijn: bijbelkritiek bij verstandsmensen, geestdrijverij bij gevoelsmensen en wetticisme bij wilskrachtige mensen. Dit zijn enkele grote zonden van de christenheid die staan tegenover de vrije werkzaamheid van de Heilige Geest en ook van het Woord.

Wij leven in de tijd dat wij de ondergang van de christenheid meemaken, de na-christelijke periode. Kenmerkend voor die periode is de terugkeer naar het heidendom (vgl. Rm 1:22-3222Bewerend wijzen te zijn, zijn zij dwaas geworden23en hebben de heerlijkheid van de onvergankelijke God vervangen door [iets] dat lijkt op [het] beeld van een vergankelijk mens, van vogels, van viervoetige en van kruipende dieren.24Daarom heeft God hen in de begeerten van hun harten overgegeven aan onreinheid, om hun lichamen onder elkaar te onteren;25zij die de waarheid van God vervangen hebben door de leugen en het schepsel geëerd en gediend hebben boven de Schepper, Die gezegend is tot in eeuwigheid. Amen.26Daarom heeft God hen overgegeven aan onterende hartstochten; want ook hun vrouwen hebben de natuurlijke omgang vervangen door de tegennatuurlijke;27en evenzo hebben ook de mannen de natuurlijke omgang met de vrouw opgegeven en zijn in hun lust tegen elkaar ontbrand, zodat mannen met mannen schandelijkheid bedrijven en het verdiende loon voor hun afdwaling in zichzelf ontvangen.28En daar het hun niet goeddacht God te erkennen, heeft God hen overgegeven aan een verkeerd denken, om dingen te doen die niet betamen;29vervuld van alle ongerechtigheid, boosheid, hebzucht, slechtheid; vol afgunst, moord, twist, list, kwaadaardigheid;30kwaadsprekers, lasteraars, Godhaters, smaders, hoogmoedigen, grootsprekers, uitvinders van boze dingen, [de] ouders ongehoorzaam,31onverstandig, trouweloos, liefdeloos, onbarmhartig;32die, hoewel zij de eis van het recht van God kennen – dat zij die zulke dingen bedrijven, [de] dood verdienen –, ze niet alleen doen, maar ook een welgevallen hebben aan hen die ze bedrijven. met 2Tm 3:1-91Maar weet dit, dat er in [de] laatste dagen zware tijden zullen zijn;2want de mensen zullen zelfzuchtig zijn, geldzuchtig, grootsprekers, hoogmoedigen, lasteraars, [de] ouders ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig,3liefdeloos, onverzoenlijk, kwaadsprekend, onbeheerst, ruw, zonder liefde tot het goede,4verraders, roekeloos, opgeblazen, meer liefhebbers van genot dan liefhebbers van God.5Ogenschijnlijk bezitten zij Godsvrucht, maar de kracht daarvan verloochenen zij. Wend je ook van dezen af.6Want onder hen zijn er, die de huizen binnensluipen en vrouwspersonen inpalmen die met zonden beladen zijn en gedreven worden door allerlei begeerten,7[vrouwen] die altijd leren en nooit tot kennis van [de] waarheid kunnen komen.8Zoals Jannes en Jambres zich tegen Mozes hebben verzet, zo verzetten ook dezen zich tegen de waarheid, mensen, bedorven van denken, verwerpelijk wat het geloof betreft.9Maar zij zullen niet verder voortgaan; want hun onzinnigheid zal aan allen geheel duidelijk worden, zoals ook bij die [beiden] het geval was.). In 2 Timotheüs 3 wordt van christenen gezegd: “Ogenschijnlijk bezitten zij Godsvrucht” (2Tm 3:55Ogenschijnlijk bezitten zij Godsvrucht, maar de kracht daarvan verloochenen zij. Wend je ook van dezen af.). Deze christenen worden in één adem genoemd met tovenaars en het optreden van vrouwen in het karakter van Izebel.

Een uitweg voor de christenheid in zijn geheel is er niet, wel voor de individuele gelovige. Er moet dan wel gevlucht worden. We kunnen daarbij denken aan wat Gód in de Reformatie heeft gegeven. Dit werk kan door toedoen van de mens zo verdorven zijn, dat het nodig is om te vluchten naar een vrijplaats. Dat is vandaag toe te passen op de plaats waar je altijd geweest bent, maar waar het geestelijk leven verstikt is geraakt, misschien door onwetendheid.

De vluchtweg wordt getoond: Evenwel, het vaste fundament van God staat en heeft dit zegel: [De] Heer kent hen die de Zijnen zijn; en: Laat ieder die de Naam van [de] Heer noemt, zich onttrekken aan ongerechtigheid. In een groot huis nu zijn niet alleen gouden en zilveren vaten, maar ook houten en aarden; en sommigen wel tot eer, maar anderen tot oneer. Als dan iemand zich van deze [vaten] reinigt, zal hij een vat zijn tot eer, geheiligd, bruikbaar voor de Meester, tot alle goed werk toebereid. Maar ontvlucht de begeerten van de jeugd en jaag naar gerechtigheid, geloof, liefde en vrede met hen die de Heer aanroepen uit een rein hart” (2Tm 2:19-2219Evenwel, het vaste fundament van God staat en heeft dit zegel: [De] Heer kent hen die de Zijnen zijn; en: Laat ieder die de Naam van [de] Heer noemt, zich onttrekken aan ongerechtigheid.20In een groot huis nu zijn niet alleen gouden en zilveren vaten, maar ook houten en aarden; en sommige wel tot eer, maar andere tot oneer.21Als dan iemand zich van deze [vaten] reinigt, zal hij een vat zijn tot eer, geheiligd, bruikbaar voor de Meester, tot alle goed werk toebereid.22Maar ontvlucht de begeerten van de jeugd en jaag naar gerechtigheid, geloof, liefde en vrede met hen die de Heer aanroepen uit een rein hart.). Het betekent afzonderen van de vaten tot oneer en de weg gaan die God aanwijst. Wie niet vlucht, valt een keer in de hand van de bloedwreker.

De vrijsteden zijn priester- en Levietensteden. Wie er zijn toevlucht neemt, komt op een plaats van zegen. De doodslager laat veel achter, maar krijgt meer terug. Hij mag gaan delen in de zegeningen die het deel zijn van priesters en Levieten. Hij komt in een plaats waar mensen zijn voor wie de HEERE Zelf hun erfdeel is. Die steden liggen op het gebergte, een beeld van de hemelse dingen die er worden bedacht, de zegeningen van de gemeente. (N.B. Veel goede orthodoxe gemeenten bedenken toch vaak nog de aardse dingen. Ze menen bijvoorbeeld druk te moeten zijn in de politiek.)

In de verzen 8-108En wanneer de HEERE, uw God, uw gebied ruim gemaakt heeft, zoals Hij uw vaderen gezworen heeft, en Hij u heel het land gegeven heeft dat Hij gesproken heeft uw vaderen te zullen geven9– als u heel dit gebod, dat ik u heden gebied, nauwlettend houdt, door de HEERE, uw God, lief te hebben en door alle dagen in Zijn wegen te gaan – dan moet u aan deze drie nog drie steden voor uzelf toevoegen,10zodat er geen bloed van onschuldigen vergoten wordt in het midden van uw land, dat de HEERE, uw God, u als erfelijk bezit geeft. Anders zou er bloedschuld op u rusten. volgt een aparte instructie met betrekking tot drie extra vrijsteden. Die mogen de Israëlieten aan de zes al toegewezen steden toevoegen als de HEERE hun gebied ruim heeft gemaakt in overeenstemming met de beloften aan de vaderen (Gn 15:1818Op die dag sloot de HEERE een verbond met Abram, en zei: Aan uw nageslacht heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af tot aan de grote rivier, de rivier de Eufraat:). Die verruiming van hun gebied is weer afhankelijk van hun gehoorzaamheid aan de HEERE. Omdat ze ontrouw zijn geweest, hebben ze die gebiedsuitbreiding (nog) niet gehad en daarom ook niet die steden.

Waar zijn vandaag de priester- en Levietensteden die werkelijk als vrijsteden dienst doen? Als Gods volk vandaag hebben wij het er niet beter van afgebracht dan de Israëlieten toen. Ook wij zijn ontrouw geworden. Vandaar dat het aantal gemeenten waar de hemelse zegeningen worden genoten niet echt uitbreidt. Door onze ontrouw, omdat de zegeningen niet echt voor ons leven, is de weg naar de vrijstad, de plaatselijke gemeente, vol komen te liggen met hindernissen. In plaats van die op te ruimen voegen we nog meer hindernissen toe. Daardoor worden ‘doodslagers’ verhinderd er hun toevlucht te nemen.


Grenzen niet verleggen

14U mag de grens[steen] van uw naaste, die de voorouders geplaatst hebben, niet verleggen in uw erfelijk bezit dat u ontvangt in het land dat de HEERE, uw God, u geeft om het in bezit te nemen.

In dit vers gaat het niet om de zorg voor het eigen erfdeel, maar om dat van de naaste. Dat wil zeggen dat ieder het recht van de ander op zijn erfdeel erkent en respecteert. Ze moeten er onderling op toezien dat ieder zijn erfdeel ten volle kan genieten. Iemand als Achab heeft daar geen boodschap aan. Hij berooft Naboth van diens erfdeel (1Kn 21:1-151Hierna gebeurde [het volgende]: Naboth uit Jizreël had een wijngaard die in Jizreël lag, naast het paleis van Achab, de koning van Samaria.2En Achab sprak tot Naboth: Geef mij uw wijngaard, dan kan die mij tot moestuin dienen. Hij ligt immers vlak naast mijn huis. Dan geef ik u in plaats daarvan een wijngaard die beter is dan deze, [of,] als het goed is in uw ogen, geef ik u de waarde ervan in geld.3Maar Naboth zei tegen Achab: Laat de HEERE daarvan bij mij geen sprake doen zijn, dat ik u het erfelijk bezit van mijn vaderen zou geven!4Toen kwam Achab thuis, somber gestemd en woedend vanwege het woord dat Naboth uit Jizreël tot hem had gesproken; dat deze had gezegd: Ik geef u het erfelijk bezit van mijn vaderen niet. Hij ging op zijn bed liggen, wendde zijn gezicht af en nam geen voedsel tot zich.5Toen kwam Izebel, zijn vrouw, bij hem. Zij sprak tot hem: Wat is er, dat uw geest somber gestemd is en dat u geen voedsel tot u neemt?6Hij sprak tot haar: Omdat ik tot Naboth uit Jizreël heb gesproken en tegen hem heb gezegd: Geef mij uw wijngaard voor geld. Of, als u dat liever hebt, zal ik u er een wijngaard voor in de plaats geven. Hij heeft echter gezegd: Ik geef u mijn wijngaard niet.7Toen zei Izebel, zijn vrouw, tegen hem: Moet ú nu het koningschap over Israël uitoefenen? Sta op, neem voedsel tot u, laat uw hart vrolijk zijn, dan zal ík u de wijngaard van Naboth uit Jizreël, geven.8Vervolgens schreef zij brieven in de naam van Achab, verzegelde die met zijn zegel, en zij stuurde de brieven naar de oudsten en naar de edelen die bij Naboth in diens stad woonden.9In die brieven schreef zij: Roep een vasten uit en laat Naboth aan het hoofd van het volk zitten.10En laat twee mannen tegenover hem zitten, verdorven lieden, die tegen hem getuigen: U hebt God en de koning vaarwel gezegd. Breng hem dan naar buiten en stenig hem, zodat hij sterft.11En de mannen van zijn stad, die oudsten en die edelen die in zijn stad woonden, deden zoals Izebel hun opgedragen had, zoals geschreven was in de brieven die zij hun gestuurd had.12Zij riepen een vasten uit, en zij lieten Naboth aan het hoofd van het volk zitten.13Toen kwamen er twee mannen, verdorven lieden, tegenover hem zitten, en die verdorven lieden getuigden tegen hem, tegen Naboth, ten overstaan van het volk: Naboth heeft God en de koning vaarwel gezegd. Daarop brachten zij hem buiten de stad en stenigden hem met stenen, zodat hij stierf.14Daarna stuurden zij Izebel [een bode] om te zeggen: Naboth is gestenigd en is dood.15Het gebeurde nu, toen Izebel hoorde dat Naboth gestenigd en dood was, dat Izebel tegen Achab zei: Sta op, neem de wijngaard van Naboth uit Jizreël in bezit, die hij weigerde u voor geld te geven. Naboth leeft namelijk niet [meer], maar is dood.).

Iedere broeder en iedere zuster heeft zijn en haar eigen erfdeel. Dat is in de eerste plaats om zelf van te genieten in gemeenschap met God. Omdat het een erfdeel in het land is, wordt het genot gedeeld met anderen die daar ook een erfdeel hebben. Zo mogen wij allemaal van elkaar profiteren. Daarom is het van belang toe te zien dat de naaste niets van zijn erfdeel ontnomen wordt. Het is een verlies voor allen als iemands erfdeel kleiner wordt gemaakt. Als één lid verlies lijdt, lijden alle andere leden ook verlies: En als één lid lijdt, lijden alle leden mee” (1Ko 12:26a26En als één lid lijdt, lijden alle leden mee; en als <één> lid wordt verheerlijkt, verblijden alle leden zich mee.).

Een geestelijke klasse bestaat niet in Gods Woord. De zegen van God komt maar niet door één kanaal tot ons. Het uitoefenen van de gaven is tot nut van allen. Daarvoor moet in de gemeente dan ook gelegenheid worden gegeven.

Het inperken van de grens van de naaste door het verzetten van zijn grenspalen is een groot kwaad (Hs 5:1010De vorsten van Juda zijn
als verleggers van grenzen.
Over hen zal Ik Mijn verbolgenheid uitstorten als water.
; Sp 22:2828Verleg de aloude grens[stenen] niet
die uw vaderen hebben geplaatst.
; Dt 27:1717Vervloekt is wie de grens[steen] van zijn naaste verlegt! En heel het volk moet zeggen: Amen.; Jb 24:22[Er zijn mensen die] grenzen aantasten;
zij roven een kudde en weiden die.
; Sp 23:1010Verleg de aloude grens[stenen] niet
en kom niet op de akkers van wezen,
)
. Het betekent een inperking van zijn leven in het land en daardoor een vermindering van de vreugde over zijn erfdeel. Wie zich daaraan schuldig maakt, doet zijn naaste onrecht. In geestelijke zin kan het gebeuren als we een medegelovige afhankelijk maken van onszelf en hem niet leren zelfstandig zijn leven met de Heer te leven. Dit kan gebeuren door de ander te manipuleren, hem te brengen tot een gedrag dat hij geen beslissing durft te nemen zonder onze toestemming.

Ook in praktische zin kunnen door God gestelde grenzen worden genegeerd. Met het oog op seksualiteit en huwelijk is het van belang de door God bepaalde grenzen in acht te nemen. In 1 Thessalonicenzen 4 worden die grenzen gegeven: Want dit is [de] wil van God: uw heiliging, dat u zich onthoudt van de hoererij; dat ieder van u zijn eigen vat weet te bezitten in heiliging en eerbaarheid (niet in begerige hartstocht, zoals de volken die God niet kennen) [en] dat men zijn broeder geen onrecht aandoet en hem bedriegt in die zaak; want [de] Heer is een wreker van dit alles, zoals wij u ook vroeger gezegd en ernstig betuigd hebben. Want God heeft ons niet geroepen tot onreinheid, maar in heiliging. Daarom, wie dit veracht, veracht niet een mens, maar God, Die u <ook> zijn Heilige Geest heeft gegeven” (1Th 4:3-83Want dit is [de] wil van God: uw heiliging, dat u zich onthoudt van de hoererij;4dat ieder van u zijn eigen vat weet te bezitten in heiliging en eerbaarheid5(niet in begerige hartstocht, zoals de volken die God niet kennen)6[en] dat men zijn broeder geen onrecht aandoet en hem bedriegt in die zaak; want [de] Heer is een wreker van dit alles, zoals wij u ook vroeger gezegd en ernstig betuigd hebben.7Want God heeft ons niet geroepen tot onreinheid, maar in heiliging.8Daarom, wie dit veracht, veracht niet een mens, maar God, Die u <ook> Zijn Heilige Geest heeft gegeven.).

Hier wordt duidelijk gesteld dat het eigen lichaam niet voor hoererij bedoeld is, maar voor de Heer (1Ko 6:13b13De spijzen zijn voor de buik, en de buik is voor de spijzen, maar God zal zowel het een als het ander tenietdoen. Maar het lichaam is niet voor de hoererij, maar voor de Heer, en de Heer voor het lichaam.). Even duidelijk wordt gesteld dat iemand geen recht heeft op de vrouw van zijn medebroeder. De christelijke gemeenschap handhaaft die grens volledig. De grens van geslachtsgemeenschap ligt rondom het huwelijk van die ene man met die ene vrouw. Daar inbreuk op plegen is het begaan van groot onrecht tegenover zijn broeder dat de Heer niet ongestraft zal laten.


Twee of drie getuigen

15Eén enkele getuige mag tegen niemand opstaan met betrekking tot enige ongerechtigheid of tot enige zonde, bij elke zonde die men [ook] zou kunnen doen. Op de verklaring van twee getuigen of op de verklaring van drie getuigen staat de zaak vast.

Een rechter mag geen vonnis vellen op grond van het getuigenis dat één enkele getuige aflegt in geval van een misdrijf. Wil een zaak geldig zijn, dan moeten er twee of drie getuigen zijn (Dt 17:66Op de verklaring van twee of drie getuigen moet hij die dient te sterven, gedood worden; hij mag niet gedood worden op de verklaring van [slechts] één getuige.; Nm 35:3030[Wat betreft] allen die iemand om het leven gebracht hebben: op grond van de verklaring van [meerdere] getuigen moet men degene die een doodslag begaan heeft, doodslaan. Er mag echter niet [slechts] één getuige tegen een persoon getuigen, zodat die zou moeten sterven.; 1Jh 5:77Want drie zijn er die getuigen:; 2Ko 13:11Dit is [de] derde keer dat ik naar u toe kom: in [de] mond van twee of drie getuigen zal elke zaak vaststaan.).

Naar dit beginsel moet ook door de gemeente in het Nieuwe Testament in geval van zonde worden gehandeld: Als nu uw broeder <tegen u> zondigt, ga heen, overtuig hem tussen u en hem alleen; als hij naar u luistert, hebt u uw broeder gewonnen. Als hij echter niet luistert, neem nog één of twee met u mee, opdat door [de] mond van twee of drie getuigen elk woord vaststaat” (Mt 18:15-1615Als nu uw broeder <tegen u> zondigt, ga heen, overtuig hem tussen u en hem alleen;16als hij naar u luistert, hebt u uw broeder gewonnen. Als hij echter niet luistert, neem nog één of twee met u mee, opdat door [de] mond van twee of drie getuigen elk woord vaststaat.). De gemeente mag geen oordeel vellen op grond van wat één persoon zegt, al is het een nog zo betrouwbare broeder of zuster. Het moet eerst onderzocht worden en wel met als eerste doel de overtreder te winnen. Pas als de zonde vaststaat én vaststaat dat de overtreder zijn zonde niet wil belijden, moet de zaak in en voor de gemeente worden gebracht.

Wat als algemene regel voor een broeder of zuster geldt die zondigt, geldt wel speciaal voor iemand die zondigt, terwijl hij in de gemeente een vooraanstaande plaats inneemt (1Tm 5:1919Neem tegen een oudste geen beschuldiging aan, tenzij onder twee of drie getuigen.). Zij die op een bijzondere manier bezig zijn met het welzijn van de gemeente, staan ook op een bijzondere manier bloot aan kritiek. Hun fouten hebben ook grotere gevolgen dan die van een onopvallend gemeentelid. Maar een zonde die tot een aanklacht voert, moet wel duidelijk bewezen kunnen worden. Een aanklacht moet niet op een vermoeden berusten en nog minder op een gekwetst gevoel.


Valse getuige

16Wanneer een misdadige getuige tegen iemand opstaat om hem aan te klagen wegens afvalligheid, 17dan moeten de twee mannen die dit geschil hebben, voor het aangezicht van de HEERE gaan staan, voor [de ogen van] de priesters en de rechters die er in die dagen zijn, 18en de rechters moeten [de zaak] goed onderzoeken. En zie, is de getuige een valse getuige, heeft hij vals getuigd tegen zijn broeder, 19dan moet u met hem doen zoals hij met zijn broeder dacht te doen. Zo moet u het kwaad uit uw midden wegdoen. 20Laten zij die overgebleven zijn, het horen en bevreesd zijn en een dergelijke wandaad niet meer in uw midden verrichten. 21Laat uw oog [hem] niet ontzien: leven voor leven, oog voor oog, tand voor tand, hand voor hand, voet voor voet.

Een geschil tussen twee personen, waarbij een misdadige getuige iemand aanklaagt om een overtreding, maar waarbij geen getuigen zijn, moet voor de priesters en rechters worden gebracht. Dat komt neer op het zich voor het aangezicht van de HEERE stellen. De rechters moeten de aanklacht nauwkeurig onderzoeken. Zij zullen hun bevindingen met de priesters bespreken. De priesters, die in Gods tegenwoordigheid verkeren, zullen de zaak aan de HEERE voorleggen. Dan kan blijken dat de aanklacht verzonnen is om de aangeklaagde kwaad te doen.

Een valse getuige mag niet ongestraft blijven (Sp 19:55Een valse getuige wordt niet voor onschuldig gehouden,
en wie leugens blaast, zal niet ontkomen.
; 19:99Een valse getuige wordt niet voor onschuldig gehouden,
wie leugens blaast, zal omkomen.
)
. Als een aanklacht vals blijkt te zijn, moet de aanklager de straf krijgen die zou zijn toegewezen als de aanklacht juist was gebleken. Als de misdaad, waarvan hij zijn naaste heeft beschuldigd, met de dood bestraft moet worden, dan moet de valse getuige gedood worden; als de misdaad met geseling moet worden bestraft, dan moet hij gegeseld worden; als het een geldboete is, dan moet hij voor dezelfde som beboet worden.

Deze handelwijze zal een preventief effect hebben op mensen die van plan zijn hun naaste met een valse aanklacht schade te berokkenen. Zij zullen zich wel twee keer bedenken dit te doen als ze zich realiseren dat bij ontdekking van hun valsheid zij zelf het lot ondergaan dat ze anderen hebben willen bezorgen.

De Heer Jezus heeft de ‘wet van de vergelding’ niet ontbonden. Het “leven voor leven, oog voor oog” enzovoort blijft voluit van kracht voor officiële handhavers van het recht. Wat de Heer wel doet, is het gebruik van de ‘wet van de vergelding’ in persoonlijke aangelegenheden niet van toepassing verklaren. Voor die gevallen geeft Hij een andere houding aan: U hebt gehoord dat gezegd is: Oog om oog en tand om tand. Maar Ik zeg u de boze niet te weerstaan; maar wie u op uw rechterwang slaat, keer hem ook de andere toe; en wie met u een rechtsgeding wil voeren en uw onderkleed nemen, laat hem ook de mantel; en wie u tot één mijl zal dwingen, ga met hem twee. Geef aan hem die van u vraagt, en keer u niet af van hem die van u wil lenen” (Mt 5:38-4238U hebt gehoord dat gezegd is: Oog om oog en tand om tand.39Maar Ik zeg u de boze niet te weerstaan; maar wie u op uw rechterwang slaat, keer hem ook de andere toe;40en wie met u een rechtsgeding wil voeren en uw onderkleed nemen, laat hem ook de mantel;41en wie u tot één mijl zal dwingen, ga met hem twee.42Geef aan hem die van u vraagt, en keer u niet af van hem die van u wil lenen.). Het past niet bij een discipel van Hem dat deze persoonlijk vergelding of wraak zoekt voor hem persoonlijk aangedaan onrecht.


Lees verder