Deuteronomium
1-5 Het jaar van kwijtschelding 6-11 Het lenen aan de arme 12-18 Vrijlating van slaven 19-23 Eerstgeborenen van het vee
Het jaar van kwijtschelding

1Na verloop van zeven jaar moet u kwijtschelding verlenen. 2Dit nu is wat de kwijtschelding [inhoudt]: iedere schuldeiser die [iets] aan zijn naaste geleend heeft, moet [hem dat] kwijtschelden. Hij mag van zijn naaste of zijn broeder geen betaling eisen, aangezien men een kwijtschelding heeft uitgeroepen voor de HEERE. 3Van een buitenlander mag u betaling eisen, maar wat er van u bij uw broeder is, moet u kwijtschelden. 4Overigens hoeft er onder u geen arme te zijn, want de HEERE zal u overvloedig zegenen in het land dat de HEERE, uw God, u als erfelijk bezit geeft om dat in bezit te nemen, 5als u tenminste de stem van de HEERE, uw God, nauwgezet gehoorzaamt, door al deze geboden die ik u heden gebied, nauwlettend in acht te nemen.

De eerste twee verordeningen (verzen 1-111Na verloop van zeven jaar moet u kwijtschelding verlenen.2Dit nu is wat de kwijtschelding [inhoudt]: iedere schuldeiser die [iets] aan zijn naaste geleend heeft, moet [hem dat] kwijtschelden. Hij mag van zijn naaste of zijn broeder geen betaling eisen, aangezien men een kwijtschelding heeft uitgeroepen voor de HEERE.3Van een buitenlander mag u betaling eisen, maar wat er van u bij uw broeder is, moet u kwijtschelden.4Overigens hoeft er onder u geen arme te zijn, want de HEERE zal u overvloedig zegenen in het land dat de HEERE, uw God, u als erfelijk bezit geeft om dat in bezit te nemen,5als u tenminste de stem van de HEERE, uw God, nauwgezet gehoorzaamt, door al deze geboden die ik u heden gebied, nauwlettend in acht te nemen.6Wanneer de HEERE, uw God, u gezegend heeft, zoals Hij tot u gesproken heeft, dan zult u aan vele volken leningen verstrekken, maar zelf zult u niets hoeven te lenen; en u zult over vele volken heersen, maar over u zullen zij niet heersen.7[Maar] als er onder u een arme zal zijn, iemand uit uw broeders, binnen een van uw poorten, in uw land, dat de HEERE, uw God, u geven zal, dan mag u uw hart niet verstokken, of uw hand sluiten voor uw broeder die arm is.8Integendeel, u moet uw hand wijd voor hem opendoen en hem overvloedig lenen, genoeg voor wat hem ontbreekt.9Wees op uw hoede dat niet de verderfelijke gedachte in uw hart opkomt dat het zevende jaar, het jaar van de kwijtschelding, naderbijkomt – waardoor u uw broeder die arm is niets gunt en hem niets geeft, en hij over u tot de HEERE roept en er zonde in u is.10U moet hem overvloedig geven, en laat uw hart niet verdrietig zijn als u hem geeft. Want vanwege deze zaak zal de HEERE, uw God, u zegenen in al uw werk en in alles wat u ter hand neemt.11Want armen zullen binnen uw land nooit ontbreken. Daarom gebied ik u: U moet uw hand wijd opendoen voor uw broeder, de onderdrukte en de arme in uw land. en 12-18) sluiten aan op wat in de laatste verzen van het vorige hoofdstuk is gezegd over het uitdelen van de tienden aan de armen.

In Exodus en Leviticus wordt het sabbatsjaar, het zevende jaar, genoemd (Ex 23:10-1110U mag zes jaar uw land bezaaien, en de opbrengst ervan verzamelen,11maar [in] het zevende [jaar] moet u het met rust laten en het braak laten liggen, zodat de armen onder uw volk kunnen eten; en het overschot ervan kunnen de dieren van het veld eten. U moet hetzelfde doen met uw wijngaard [en] met uw olijfbomen.; Lv 25:1-71De HEERE sprak tot Mozes bij de berg Sinaï:2Spreek tot de Israëlieten, en zeg tegen hen: Wanneer u gekomen bent in het land dat Ik u geven zal, dan moet het land rust krijgen, een sabbat voor de HEERE.3Zes jaar mag u uw akker bezaaien, zes jaar mag u uw wijngaard snoeien en de opbrengst ervan inzamelen.4Maar in het zevende jaar moet het voor het land sabbat zijn, een periode van volledige rust, een sabbat voor de HEERE. Uw akker mag u niet bezaaien en uw wijngaard mag u niet snoeien.5Wat er na uw [laatste] oogst [nog] opkomt, mag u niet oogsten, en de druiven van uw ongesnoeide wijnstok mag u niet plukken. Het is een jaar van volkomen rust voor het land.6[De opbrengst van] de sabbat van het land zal voor u als voedsel dienen: voor u en uw slaaf en uw slavin, uw dagloner en uw bijwoner, die bij u als vreemdeling verblijven.7Ook voor uw vee en voor de [wilde] dieren die in uw land [leven], mag heel de opbrengst ervan als voedsel dienen.). Daar gaat het er alleen om dat het land in het zevende jaar niet bewerkt mag worden en braak moet blijven liggen. Over een kwijtschelding wordt daar niets gezegd. Dat gebeurt hier.

Na een derde jaar (Dt 14:2828Om de drie jaar moet u alle tienden van uw opbrengst van dat jaar brengen en opslaan binnen uw poorten.) is hier sprake van een zevende jaar, dat in vers 99Wees op uw hoede dat niet de verderfelijke gedachte in uw hart opkomt dat het zevende jaar, het jaar van de kwijtschelding, naderbijkomt – waardoor u uw broeder die arm is niets gunt en hem niets geeft, en hij over u tot de HEERE roept en er zonde in u is. “het jaar van de kwijtschelding” wordt genoemd. In dat jaar moet een kwijtschelding worden verleend. Zeven jaar duidt op een volkomenheid. Geestelijk toegepast ziet dat op het resultaat van het werk van de gaven die door de Heer Jezus aan Zijn lichaam, de gemeente, zijn gegeven. Zij zijn gegeven om op te bouwen, waardoor het geheel tot de volle wasdom kan komen (Ef 4:12-1312om de heiligen te volmaken, tot [het] werk van [de] bediening, tot [de] opbouwing van het lichaam van Christus;13totdat wij allen komen tot de eenheid van het geloof en van de kennis van de Zoon van God, tot een volwassen man, tot [de] maat van [de] volgroeidheid van de volheid van Christus,).

Levitendienst moet erop gericht zijn dat gelovigen geestelijk volgroeid worden. Dan hebben deze gelovigen het zevende jaar bereikt, ze zijn vaders in Christus geworden (1Jh 2:13-1413Ik schrijf u, vaders, omdat u Hem kent Die van [het] begin af is. Ik schrijf u, jongelingen, omdat u de boze overwonnen hebt. Ik heb u geschreven, kinderen, omdat u de Vader kent.14Ik heb u geschreven, vaders, omdat u Hem kent Die van [het] begin af is. Ik heb u geschreven, jongelingen, omdat u sterk bent en het Woord van God in u blijft en u de boze overwonnen hebt.). Het zevende jaar wordt gekenmerkt door rust. Dat zien we bij de vaders in Christus: zij hebben alles in Christus gevonden en aan Hem genoeg.

Het gaat in dit hoofdstuk om de rust van de schulden. In het zevende jaar wordt niet over schuld gesproken. Er is geen onrust over schuldeisers. Als wij onheus behandeld zijn, staat de ander bij ons in de schuld. Iemand die zijn vlees tegenover ons heeft laten werken, heeft een schuld tegenover ons. Het kan zijn dat die schuld nooit wordt ingelost. Met zulke schuldenaars deugt het niet, zij moeten het goed maken. Maar dit hoofdstuk gaat over de schuldeiser als iemand die het zevende jaar heeft bereikt. Hij is in het jaar van de kwijtschelding.

Laten wij schulden voor wat ze zijn en gaan wij niet op ons recht staan, het recht van boetedoening? Wie op hun rechten gaan staan, zijn eigenlijk arme broeders en zusters, zij weten niet wat het is om in het ‘zevende jaar’ te leven. Als we zo op onze rechten staan, hebben we nog weinig geleerd van de Heer Jezus. Hij was rijk en is ter wille van ons arm geworden (2Ko 8:99Want u kent de genade van onze Heer Jezus Christus, dat Hij, terwijl Hij rijk was, ter wille van u arm is geworden, opdat u door Zijn armoede rijk zou worden.).

Zonen van God lijken op God: zij zijn blijmoedige gevers in navolging van God Die een onuitsprekelijke Gave gaf (2Ko 9:1515God zij dank voor Zijn onuitsprekelijke Gave.). We kunnen leren van de gelijkenis van de schuldenaars met een grote en een kleine schuld (Mt 18:21-3521Toen kwam Petrus bij Hem en zei tot Hem: Heer, hoe vaak zal mijn broeder tegen mij zondigen en ik hem vergeven?22Tot zevenmaal? Jezus zei tot hem: Ik zeg je, niet tot zevenmaal, maar tot zeventig maal zeven.23Daarom is het koninkrijk der hemelen gelijk geworden aan een koning die met zijn slaven afrekening wilde houden.24Toen hij nu begon af te rekenen, werd er een bij hem gebracht die tienduizend talenten schuldig was.25Daar hij echter niets had om te betalen, beval zijn heer hem te verkopen met zijn vrouw en zijn kinderen en alles wat hij had, en dat er betaald moest worden.26De slaaf dan viel smekend voor hem neer en zei: <Heer,> heb geduld met mij en ik zal u alles betalen.27De heer van die slaaf nu werd met ontferming bewogen, liet hem vrij en schold hem de lening kwijt.28Toen die slaaf echter naar buiten ging, vond hij een van zijn medeslaven, die hem honderd denaren schuldig was; en hij pakte hem beet, greep hem bij de keel en zei: Betaal wat je schuldig bent.29Zijn medeslaaf dan viel neer en smeekte hem aldus: Heb geduld met mij en ik zal je betalen.30Hij wilde echter niet, maar ging weg en wierp hem in [de] gevangenis, totdat hij zou betalen wat hij schuldig was.31Toen zijn medeslaven dan zagen wat er was gebeurd, werden zij zeer bedroefd; en zij gingen hun heer alles wat er gebeurd was uiteenzetten.32Toen riep zijn heer hem bij zich en zei tot hem: Boze slaaf, die hele schuld heb ik je kwijtgescholden, daar je mij gesmeekt hebt;33had ook jij je niet moeten erbarmen over je medeslaaf, zoals ook ik mij over jou erbarmd heb?34En zijn heer werd toornig en leverde hem over aan de folteraars, totdat hij alles zou betalen wat hij <hem> schuldig was.35Zo zal ook Mijn hemelse Vader u doen, als u niet ieder zijn broeder van harte vergeeft.). Als wij eisen dat een kleine schuld aan ons wordt voldaan, vergeten wij dat ons een enorme schuld is vergeven die wij nooit konden voldoen. De norm waarnaar wij als christenen behoren te vergeven is God en niet wijzelf. We moeten leren vergeven zoals God in Christus ons vergeven heeft (Ef 4:3232<Maar> weest jegens elkaar goedertieren, welgezind, elkaar vergevend, zoals ook God in Christus u vergeven heeft.; Ko 3:1313elkaar verdragend en elkaar vergevend, als de een tegen de ander een verwijt heeft; zoals ook Christus u vergeven heeft, zo ook u.; vgl. Mt 6:1212En vergeef ons onze schulden, zoals ook wij onze schuldenaars hebben vergeven.).

Moeilijkheden in geloofsgemeenschappen ontstaan slechts zelden door werkelijk principiële dingen. Vaak gaat het om een botsing van karakters, waardoor er schulden ontstaan. Als er dan zo'n zevende jaar aanbreekt, wat kan dat een verlichting geven. We bedenken te weinig dat we schatrijke mensen zijn, gezegend met alle geestelijke zegeningen. We zijn schatrijke zonen van God. Wie zich dat bewust is, zal de schuld kunnen laten rusten. Dat neemt, zoals al is opgemerkt, de verantwoordelijkheid van de schuldenaar niet weg, maar wat hij moet doen, is hier niet aan de orde.

Het is een kwijtschelding voor de HEERE (vers 22Dit nu is wat de kwijtschelding [inhoudt]: iedere schuldeiser die [iets] aan zijn naaste geleend heeft, moet [hem dat] kwijtschelden. Hij mag van zijn naaste of zijn broeder geen betaling eisen, aangezien men een kwijtschelding heeft uitgeroepen voor de HEERE.). We kunnen het alleen opbrengen om de schulden niet op te eisen, als we op de Heer Jezus zien. Dat brengt Zijn zegen met zich mee. Het is als het ware de schuld bij Hem declareren. Hij vergoedt altijd wat ter wille van Hem wordt kwijtgescholden. Kwijtschelden maakt niet armer, maar rijker: God belooft Zijn zegen (vers 44Overigens hoeft er onder u geen arme te zijn, want de HEERE zal u overvloedig zegenen in het land dat de HEERE, uw God, u als erfelijk bezit geeft om dat in bezit te nemen,) en lost die belofte ook in (vers 66Wanneer de HEERE, uw God, u gezegend heeft, zoals Hij tot u gesproken heeft, dan zult u aan vele volken leningen verstrekken, maar zelf zult u niets hoeven te lenen; en u zult over vele volken heersen, maar over u zullen zij niet heersen.). Hierdoor zullen ze in staat zijn in wijdere kring zegen uit te delen. Uitlenen plaatst in een positie van vrijheid en gezag.

Israël heeft de gelegenheid gekregen het rijkste en welvarendste volk op aarde te worden. Deze welvaart zou niet door technologische inspanningen worden verkregen, maar door gehoorzaamheid aan wat God heeft gezegd. Hun is zelfs de wereldheerschappij in het vooruitzicht gesteld waarmee zij een positie zouden hebben waarvan alle volken de zegen zouden ervaren.


Het lenen aan de arme

6Wanneer de HEERE, uw God, u gezegend heeft, zoals Hij tot u gesproken heeft, dan zult u aan vele volken leningen verstrekken, maar zelf zult u niets hoeven te lenen; en u zult over vele volken heersen, maar over u zullen zij niet heersen. 7[Maar] als er onder u een arme zal zijn, iemand uit uw broeders, binnen een van uw poorten, in uw land, dat de HEERE, uw God, u geven zal, dan mag u uw hart niet verstokken, of uw hand sluiten voor uw broeder die arm is. 8Integendeel, u moet uw hand wijd voor hem opendoen en hem overvloedig lenen, genoeg voor wat hem ontbreekt. 9Wees op uw hoede dat niet de verderfelijke gedachte in uw hart opkomt dat het zevende jaar, het jaar van de kwijtschelding, naderbijkomt – waardoor u uw broeder die arm is niets gunt en hem niets geeft, en hij over u tot de HEERE roept en er zonde in u is. 10U moet hem overvloedig geven, en laat uw hart niet verdrietig zijn als u hem geeft. Want vanwege deze zaak zal de HEERE, uw God, u zegenen in al uw werk en in alles wat u ter hand neemt. 11Want armen zullen binnen uw land nooit ontbreken. Daarom gebied ik u: U moet uw hand wijd opendoen voor uw broeder, de onderdrukte en de arme in uw land.

Het gaat niet over hoe de arme zo arm is geworden, maar om de houding van de rijken, om hun gevoelens van medelijden en barmhartigheid te beproeven. God verwacht van ons dat wij onze hand wijd opendoen en met mildheid geven. In de christenheid als geheel is nauwelijks enige kennis van de hemelse zegeningen. God heeft de blijmoedige gever lief, wij mogen doorgeven van onze rijkdom die de Heer ons gegeven heeft. Rijke christenen, dat wil zeggen zij die hun geestelijke rijkdommen kennen en erin en ernaar leven, lenen niet, maar lenen uit aan anderen. Zo zal er gelijkheid zijn (2Ko 8:13-1413Want het is niet opdat anderen verlichting hebben en u verdrukking,14maar naar gelijkheid; in de tegenwoordige tijd [diene] uw overvloed voor hun gebrek, opdat ook hun overvloed dient voor uw gebrek, zodat er gelijkheid is,).

Zij, die hun geestelijke rijkdommen kennen, hebben een even zondig hart als zij, die deze rijkdommen niet kennen. De argumenten om niet te geven komen uit een zondig hart (vers 99Wees op uw hoede dat niet de verderfelijke gedachte in uw hart opkomt dat het zevende jaar, het jaar van de kwijtschelding, naderbijkomt – waardoor u uw broeder die arm is niets gunt en hem niets geeft, en hij over u tot de HEERE roept en er zonde in u is.). Een verhard hart houdt de hand gesloten. Er worden uitvluchten gezocht om de verplichting te ontlopen om aan onze arme broeders en zusters te geven (vgl. Jk 2:1616en iemand van u zegt tot hen: Gaat heen in vrede, warmt u en verzadigt u, maar u geeft hun niet het voor het lichaam benodigde, wat baat het?). Wie een verhard hart heeft, toont dat hij de Heer niet vertrouwt in de toezegging van zegen die Hij heeft gedaan.

Als de rijke zijn hart sluit (1Jh 3:1717Wie nu aardse goederen heeft en zijn broeder gebrek ziet lijden en zijn hart voor hem sluit, hoe blijft de liefde van God in hem?), laadt hij zonde op zich, waarvoor hij ter verantwoording zal worden geroepen. De arme zal, als hij met iemand te maken heeft die een verhard hart heeft, tot de HEERE roepen. Roepen tot de Heer is “naderen tot de troon van de genade” (Hb 4:1616Laten wij dus met vrijmoedigheid naderen tot de troon van de genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden tot hulp op de juiste tijd.). Daar is hulp. In Hem vindt de arme een Vriend Die zijn roepen hoort en niet beschaamt.

Het idee dat lenen vlak voor het zevende jaar gelijk staat aan weggeven, mag geen verhindering zijn tot een edelmoedig voorzien in de nood van de ander. Lenen (of geven) moet gebeuren met verstand van en inzicht in de situatie waarin de ander zich bevindt. De HEERE geeft niet de opdracht om in het wilde weg te lenen (of te geven), maar “genoeg voor wat hem ontbreekt” (vers 88Integendeel, u moet uw hand wijd voor hem opendoen en hem overvloedig lenen, genoeg voor wat hem ontbreekt.).

Als rijke christenen niet omkijken naar arme christenen en onder elkaar genieten van hun rijkdom, dan handelen ze het zoonschap onwaardig. De Heer Jezus spreekt erover dat zelfs aan vijanden moet worden geleend (Lk 6:3535Hebt daarentegen uw vijanden lief, en doet goed, en leent zonder iets terug te hopen; en uw loon zal groot zijn, en u zult zonen van [de] Allerhoogste zijn, want Hij is goedertieren over de ondankbaren en bozen.). Hij maakt daar duidelijk dat zonen geven en niet eisen en daardoor lijken op hun Vader. Zij permitteren zich de luxe van het geven. Waar geëist wordt, hebben we met arme gelovigen te maken.

Geven is Gods grote kenmerk. Hij wil dat we Hem hierin navolgen als goede zonen die op hun Vader lijken. We worden aangespoord met mildheid te geven en dat niet met tegenzin. “God heeft een blijmoedige gever lief” (2Ko 9:77Laat ieder [geven] naardat hij zich in zijn hart heeft voorgenomen; niet met tegenzin of uit dwang, want God heeft een blijmoedige gever lief.). Wie geeft, mag rekenen op Zijn zegen, zowel in materieel als in geestelijk opzicht (Js 58:10-1110als u uw hart opent voor de hongerigen,
en de verdrukte ziel verzadigt,
dan zal uw licht in de duisternis opgaan,
en uw donkerheid als de middag zijn.
11En de HEERE zal u voortdurend leiden,
Hij zal uw ziel in dorre streken verzadigen,
uw beenderen kracht geven;
u zult zijn als een bevloeide tuin,
als een waterbron
waarvan het water nooit ontbreekt.
; Sp 3:1010dan zullen je schuren gevuld worden met overvloed
en je perskuipen overlopen van nieuwe wijn.
; 28:2727Wie aan de arme geeft, zal geen gebrek hebben,
maar wie zijn ogen toesluit, zal veel vervloekt worden.
)
. Salomo heeft misschien wel aan dit woord van Mozes gedacht toen hij zijn spreuk neerschreef: Er zijn er die mild uitdelen en nog meer ontvangen, en [er zijn er] die meer inhouden dan rechtmatig is, maar het is tot gebrek” (Sp 11:2424Er zijn er die mild uitdelen en nog meer ontvangen,
en [er zijn er] die meer inhouden dan rechtmatig is, maar het is tot gebrek.
)
.

Vers 1111Want armen zullen binnen uw land nooit ontbreken. Daarom gebied ik u: U moet uw hand wijd opendoen voor uw broeder, de onderdrukte en de arme in uw land. lijkt in tegenspraak met vers 44Overigens hoeft er onder u geen arme te zijn, want de HEERE zal u overvloedig zegenen in het land dat de HEERE, uw God, u als erfelijk bezit geeft om dat in bezit te nemen,. De tegenspraak is schijn. In vers 44Overigens hoeft er onder u geen arme te zijn, want de HEERE zal u overvloedig zegenen in het land dat de HEERE, uw God, u als erfelijk bezit geeft om dat in bezit te nemen, gaat het om Gods voornemen, waarin hij de rijken de verantwoordelijkheid geeft ervoor te zorgen dat er geen armen zullen zijn. In vers 1111Want armen zullen binnen uw land nooit ontbreken. Daarom gebied ik u: U moet uw hand wijd opendoen voor uw broeder, de onderdrukte en de arme in uw land. gaat het om een voorzegging van de alwetende God Die weet dat door ontrouw of om de rijken te beproeven, er altijd armen zullen zijn (vgl. Mk 14:77Want de armen hebt u altijd bij u en wanneer u wilt, kunt u hun weldoen; Mij echter hebt u niet altijd.).


Vrijlating van slaven

12Als uw broeder, een Hebreeuwse man of Hebreeuwse vrouw, aan u verkocht is, dan zal hij u zes jaar dienen; maar in het zevende jaar moet u hem vrij van u laten weggaan. 13En als u hem vrij van u laat weggaan, mag u hem niet [met] lege [handen] laten gaan. 14U moet hem overvloedig geven van uw kleinvee, uw dorsvloer en uw perskuip; van dat waarmee de HEERE, uw God, u gezegend heeft, moet u hem geven. 15En u moet bedenken dat u een slaaf geweest bent in het land Egypte, en dat de HEERE, uw God, u verlost heeft; daarom gebied ik u heden deze zaak. 16Maar het moet [zó] zijn, als hij tegen u zegt: Ik wil niet bij u weggaan, omdat hij u en uw gezin liefheeft, omdat hij het goed bij u heeft, 17dat u een priem neemt en die door zijn oor en in de deur steekt; dan zal hij voor altijd uw slaaf zijn. Ook bij uw slavin moet u zo doen. 18Laat het niet moeilijk zijn in uw ogen als u hem vrij van u laat weggaan, want hij heeft u zes jaar dubbel zoveel opgeleverd als een dagloner. Dan zal de HEERE, uw God, u zegenen in alles wat u doet.

Iemand die niet in staat is om zijn schuld te betalen, kan zichzelf als slaaf aan de schuldeiser verkopen. Als de hoogte van zijn schuld het noodzakelijk maakt dat hij zeker zes jaar als slaaf moet werken, moet hij in het zevende jaar worden vrijgelaten. Dat jaar van vrijlating is niet hetzelfde als het jaar van kwijtschelding, maar het zevende jaar van zijn werken als slaaf.

De bepaling om slaven vrij te laten in het zevende jaar maakt duidelijk dat God Zijn volk als een vrij volk wil zien. Hij wil hun die vrijheid garanderen, zelfs als ze die door eigen schuld zijn kwijtgeraakt. Het uitgangspunt voor die vrijheid is gehoorzaamheid van de meester aan deze bepaling van God. In de wijze van vrijlating kan hij laten zien dat zijn hart met Gods hart in verbinding staat en kan hij Gods hart vertolken.

Dit gedeelte lijkt op het gedeelte in Exodus dat ook over een Hebreeuwse slaaf gaat (Ex 21:1-111Dit zijn de bepalingen die u hun moet voorhouden.2Wanneer u een Hebreeuwse slaaf koopt, moet hij zes jaar dienen, maar in het zevende mag hij zonder te betalen als vrij [man] vertrekken.3Als hij alleen gekomen is, moet hij alleen vertrekken, [en] als hij getrouwd is, mag zijn vrouw met hem vertrekken.4Als zijn meester hem een vrouw gegeven heeft en zij zonen of dochters bij hem gebaard heeft, dan zal de vrouw met haar kinderen aan haar meester blijven toebehoren en moet hijzelf alleen vertrekken.5Maar als de slaaf nadrukkelijk zegt: Ik heb mijn meester, mijn vrouw en mijn kinderen lief, ik wil niet als vrij [man] vertrekken,6dan moet zijn meester hem bij de rechters brengen. Hij moet hem bij de deur of de deurpost brengen. Zijn meester moet dan met een priem zijn oor doorboren. Zo zal hij hem voor eeuwig dienen.7Wanneer iemand zijn dochter als slavin verkoopt, dan mag zij niet vertrekken zoals de slaven vertrekken.8Als zij slecht bevalt in de ogen van haar meester, die haar voor zichzelf bestemd had, moet hij haar laten vrijkopen. Hij heeft niet het recht haar aan een vreemd volk te verkopen, omdat hij haar ontrouw geworden is.9Maar als hij haar voor zijn zoon bestemt, moet hij haar behandelen volgens de bepaling voor de dochters.10Als hij voor zichzelf [nog] een andere [vrouw] neemt, mag hij haar niet tekortdoen wat betreft voedsel, kleding en huwelijksgemeenschap.11Als hij deze drie [dingen] niet voor haar doet, mag zij vertrekken, voor niets, zonder [los]geld.). De samenhang van beide gedeelten laat echter zien dat het in geestelijk opzicht om twee verschillende toepassingen gaat. In Exodus 21 is de Hebreeuwse slaaf een type van de Heer Jezus. Zijn vrouw en kinderen zijn een beeld van de gemeente en de individuele gelovigen.

Hier gaat het over een slaaf en een slavin. Over een vrouw en kinderen van de slaaf wordt niet gesproken. Hier staat in vers 1313En als u hem vrij van u laat weggaan, mag u hem niet [met] lege [handen] laten gaan. dat de slaaf die vrij weggaat van alles meekrijgt van zijn meester, hoewel hij ook vrijwillig kan blijven uit liefde voor zijn meester. De nadruk ligt hier echter niet op de gezindheid van de slaaf, maar op de gezindheid van de meester. Hier gaat het erom de broeder goed te doen, of het nu een schuldenaar is (verzen 1-61Na verloop van zeven jaar moet u kwijtschelding verlenen.2Dit nu is wat de kwijtschelding [inhoudt]: iedere schuldeiser die [iets] aan zijn naaste geleend heeft, moet [hem dat] kwijtschelden. Hij mag van zijn naaste of zijn broeder geen betaling eisen, aangezien men een kwijtschelding heeft uitgeroepen voor de HEERE.3Van een buitenlander mag u betaling eisen, maar wat er van u bij uw broeder is, moet u kwijtschelden.4Overigens hoeft er onder u geen arme te zijn, want de HEERE zal u overvloedig zegenen in het land dat de HEERE, uw God, u als erfelijk bezit geeft om dat in bezit te nemen,5als u tenminste de stem van de HEERE, uw God, nauwgezet gehoorzaamt, door al deze geboden die ik u heden gebied, nauwlettend in acht te nemen.6Wanneer de HEERE, uw God, u gezegend heeft, zoals Hij tot u gesproken heeft, dan zult u aan vele volken leningen verstrekken, maar zelf zult u niets hoeven te lenen; en u zult over vele volken heersen, maar over u zullen zij niet heersen.), een arme (verzen 7-117[Maar] als er onder u een arme zal zijn, iemand uit uw broeders, binnen een van uw poorten, in uw land, dat de HEERE, uw God, u geven zal, dan mag u uw hart niet verstokken, of uw hand sluiten voor uw broeder die arm is.8Integendeel, u moet uw hand wijd voor hem opendoen en hem overvloedig lenen, genoeg voor wat hem ontbreekt.9Wees op uw hoede dat niet de verderfelijke gedachte in uw hart opkomt dat het zevende jaar, het jaar van de kwijtschelding, naderbijkomt – waardoor u uw broeder die arm is niets gunt en hem niets geeft, en hij over u tot de HEERE roept en er zonde in u is.10U moet hem overvloedig geven, en laat uw hart niet verdrietig zijn als u hem geeft. Want vanwege deze zaak zal de HEERE, uw God, u zegenen in al uw werk en in alles wat u ter hand neemt.11Want armen zullen binnen uw land nooit ontbreken. Daarom gebied ik u: U moet uw hand wijd opendoen voor uw broeder, de onderdrukte en de arme in uw land.) of een slaaf (verzen 12-1812Als uw broeder, een Hebreeuwse man of Hebreeuwse vrouw, aan u verkocht is, dan zal hij u zes jaar dienen; maar in het zevende jaar moet u hem vrij van u laten weggaan.13En als u hem vrij van u laat weggaan, mag u hem niet [met] lege [handen] laten gaan.14U moet hem overvloedig geven van uw kleinvee, uw dorsvloer en uw perskuip; van dat waarmee de HEERE, uw God, u gezegend heeft, moet u hem geven.15En u moet bedenken dat u een slaaf geweest bent in het land Egypte, en dat de HEERE, uw God, u verlost heeft; daarom gebied ik u heden deze zaak.16Maar het moet [zó] zijn, als hij tegen u zegt: Ik wil niet bij u weggaan, omdat hij u en uw gezin liefheeft, omdat hij het goed bij u heeft,17dat u een priem neemt en die door zijn oor en in de deur steekt; dan zal hij voor altijd uw slaaf zijn. Ook bij uw slavin moet u zo doen.18Laat het niet moeilijk zijn in uw ogen als u hem vrij van u laat weggaan, want hij heeft u zes jaar dubbel zoveel opgeleverd als een dagloner. Dan zal de HEERE, uw God, u zegenen in alles wat u doet.).

De slaaf wordt vrijgelaten in het zevende jaar en moet met volle handen worden vrijgelaten. Wat hij meekrijgt, hangt af van de waardering die de meester heeft van de zegen waarmee de HEERE hem heeft gezegend. Door de slaaf heeft de meester zoveel verdiend. Als hij voor al het werk dat de slaaf heeft gedaan, een dagloner had moeten inhuren, zou hem dat het dubbele hebben gekost.

Het kan voor ons al moeilijk zijn om een broeder die zich moreel aan ons heeft verplicht te vergeven. We doen het wel, maar soms met een morrend hart. Hem dan ook nog eens met volle handen te laten vertrekken vraagt nog meer geestelijke gezindheid. Tot zo’n houding kunnen we alleen komen, als we zelf beseffen dat we alles wat we hebben, van de Heer hebben gekregen. Dat zal ons dankbaar maken en die dankbaarheid zal ons tot dit handelen brengen in navolging van hoe de Heer met ons heeft gehandeld. We zijn zelf vroeger ook slaven in Egypte geweest. Als het volk uit Egypte vertrekt, worden ze ook overladen met gaven. Zo doet God dat.

Er is niet alleen dankbaarheid tegenover God, maar ook tegenover de slaaf die trouw heeft gediend. Het voordeel dat de meester daarvan heeft gehad, mag hij tot uitdrukking laten komen in wat hij de slaaf meegeeft. Wat of hoeveel het moet zijn, wordt aan de meester overgelaten.

Paulus zegt tegen Filémon dat hij Onésimus niet alleen moet vergeven, maar dat hij hem moet vrijlaten en overladen met al de christelijke liefde van zijn hart (Fm 1:15-1715Want wellicht was hij daarom voor een tijd [van u] gescheiden, opdat u hem eeuwig zou bezitten,16niet langer als een slaaf, maar meer dan een slaaf, een geliefde broeder, vooral voor mij, hoeveel te meer dan voor u, zowel in [het] vlees als in [de] Heer.17Als u mij dus voor [uw] deelgenoot houdt, neem hem aan als mijzelf.). Zo zal hij de handen van Onésimus vullen en hem winnen en voor altijd aan zich verbinden.


Eerstgeborenen van het vee

19Alle mannelijke eerstgeborenen die bij uw runderen en uw kleinvee geboren worden, moet u voor de HEERE, uw God, heiligen. U mag met de eerstgeborene van uw rund geen arbeid verrichten, en de eerstgeborene van uw kleinvee mag u niet scheren. 20Voor het aangezicht van de HEERE, uw God, moet u het eten, u en uw gezin, jaar op jaar, op de plaats die de HEERE zal uitkiezen. 21Maar als er een gebrek aan is, [als] het mank is of blind, [of als] het enig ernstig gebrek heeft, mag u het niet aan de HEERE, uw God, offeren. 22Binnen uw poorten mag u het eten, of [u] nu onrein [bent] of rein, net als [bij] een gazelle en een hert. 23Alleen zijn bloed mag u niet eten; u moet het als water over de aarde uitgieten.

Dit gedeelte is een overgangsgedeelte naar het volgende hoofdstuk. De eerstgeborenen van het vee moeten worden geheiligd en gegeten worden, jaar op jaar, voor het aangezicht van de HEERE. Ze zijn het voedsel voor de zonen van God, waarmee Deuteronomium 14 begint. Zonen zijn ook eerstgeborenen. Zij zijn losgekocht door een lam en voor God geheiligd (Ex 13:1-161Toen sprak de HEERE tot Mozes:2Heilig voor Mij alle eerstgeborenen: alles wat de baarmoeder opent onder de Israëlieten, van de mensen en van het vee, dat behoort Mij toe.3Daarna zei Mozes tegen het volk: Gedenk deze dag, waarop u uit Egypte, uit het slavenhuis, vertrokken bent, want de HEERE heeft u met sterke hand vanhier uitgeleid. Daarom mag wat gezuurd is, niet gegeten worden.4Vandaag vertrekt u, in de maand Abib.5Het zal gebeuren, als de HEERE u gebracht heeft in het land van de Kanaänieten, Hethieten, Amorieten, Hevieten en Jebusieten, dat Hij uw vaderen gezworen heeft u te geven, een land overvloeiend van melk en honing, dat u [dan] in deze maand dit dienstwerk zult verrichten:6Zeven dagen moet u ongezuurde [broden] eten, en op de zevende dag zal er een feest zijn voor de HEERE.7Zeven dagen [lang] moeten er ongezuurde [broden] gegeten worden. Wat gezuurd is, mag bij u niet gezien worden, ja, geen zuurdeeg mag er in heel uw gebied bij u gezien worden.8En op die dag moet u uw zoon vertellen: [Dit gebeurt] om wat de HEERE voor mij gedaan heeft, toen ik uit Egypte vertrok.9En het moet voor u als een teken op uw hand zijn, en als een herinnering tussen uw ogen, opdat de wet van de HEERE op uw lippen is, want de HEERE heeft u met sterke hand uit Egypte geleid.10Daarom moet u deze verordening in acht nemen op de daarvoor vastgestelde tijd, van jaar tot jaar.11Het zal gebeuren, als de HEERE u in het land van de Kanaänieten gebracht heeft, zoals Hij u en uw vaderen gezworen heeft, en Hij het u gegeven heeft,12dat u alles wat de baarmoeder opent, aan de HEERE zult afstaan. Ook alles wat [de baarmoeder] opent van de dracht van het vee dat u toebehoort: de mannetjes zullen voor de HEERE zijn.13Maar alles wat [de baarmoeder] van een ezelin opent, moet u vrijkopen met een lam. Als u het niet vrijkoopt, moet u het de nek breken. Maar wat de mensen betreft, moet u alle eerstgeborenen onder uw zonen vrijkopen.14Het zal gebeuren, als uw zoon u morgen vraagt: Wat is dit? dat u tegen hem zult zeggen: De HEERE heeft ons met sterke hand uit Egypte, uit het slavenhuis, geleid.15Want toen de farao zich verhardde [en weigerde] ons te laten gaan, gebeurde het dat de HEERE alle eerstgeborenen in het land Egypte doodde, van de eerstgeborene van de mens tot de eerstgeborene van het vee toe. Daarom offer ik aan de HEERE de mannetjes van alles wat de baarmoeder opent, maar alle eerstgeborenen van mijn zonen koop ik vrij.16Dit zal tot een teken zijn op uw hand en tot een band tussen uw ogen, want de HEERE heeft ons met sterke hand uit Egypte geleid.).

De eerstgeborene spreekt van kracht (Ps 78:5151Hij trof al het eerstgeborene in Egypte,
de eerste [vruchten] van de mannelijke kracht in de tenten van Cham.
; 105:3636Hij trof alle eerstgeborenen in hun land,
de eerste [vruchten] van al hun mannelijke kracht.
)
. Daarin heeft God de Egyptenaren getroffen toen Hij hen sloeg. Als mensen zich daarop beroemen, worden ze steeds aan de kant gezet. God kan met hen niets beginnen en moet hen zelfs oordelen. Eerstgeborenen die hebben geschuild achter het bloed van het Lam, heeft God niet alleen bevrijd van het oordeel, maar Hij wil hen voor Zichzelf bezitten (Ef 1:55terwijl Hij ons tevoren door Jezus Christus tot [het] zoonschap voor Zichzelf bestemd heeft, naar het welbehagen van Zijn wil,). Bij God is het zo, dat iedere zoon het karakter heeft van een eerstgeboren zoon. Zo noemt Hij ook Israël (Ex 4:2222Dan moet u tegen de farao zeggen: Zo zegt de HEERE: Mijn zoon, Mijn eerstgeborene, is Israël.).

De Heer Jezus is de Eerstgeborene onder vele broeders (Rm 8:2929Want hen die Hij tevoren heeft gekend, heeft Hij ook tevoren bestemd om aan het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te zijn, opdat Hij [de] Eerstgeborene zou zijn onder vele broeders.). Wij zijn zonen geworden door Hem (Hb 2:10-1210Want het paste Hem, om Wie alle dingen zijn en door Wie alle dingen zijn, dat Hij, om vele zonen tot heerlijkheid te leiden, de overste Leidsman van hun behoudenis door lijden volmaakte.11Want én Hij Die heiligt én zij die geheiligd worden, zijn allen uit één; daarom schaamt Hij Zich niet hen broeders te noemen en zegt:12‘Ik zal Uw Naam aan Mijn broeders verkondigen, in [het] midden van [de] gemeente zal Ik U lofzingen’.). De hele gemeente bestaat uit eerstgeborenen (Hb 12:2323[de] algemene vergadering; en tot [de] gemeente van [de] eerstgeborenen, die in [de] hemelen staan opgeschreven, en tot God, [de] Rechter van allen; en tot [de] geesten van [de] tot volmaaktheid gekomen rechtvaardigen;). Daarmee lijken zij op Hem, zijn ze gelijkvormig aan Hem. De titel ‘Eerstgeborene’ wijst op een rangorde, een plaats boven anderen. Zijn unieke, met niets en niemand te vergelijken Persoon wordt uitgedrukt in de naam ‘Eniggeborene’.

De eerstgeborenen moeten worden genomen uit de runderen en schapen. Deze dieren zijn een type van de Heer Jezus. In zijn algemeenheid zijn runderen en schapen het voedsel voor zonen. Maar de eerstgeboren runderen en schapen zijn speciaal voedsel. Ze zijn geheiligd voor de HEERE. Dit aspect wordt er hier aan toegevoegd en wel in verbinding met de plaats die Hij uitgekozen heeft om daar te wonen.

In Numeri staat dat alleen de priesters dit mogen eten bij het heiligdom en nadat het geofferd is (Nm 18:17-1817Maar het eerstgeborene van een rund, of het eerstgeborene van een schaap, of het eerstgeborene van een geit mag u niet vrijkopen: ze zijn heilig. Hun bloed moet u op het altaar sprenkelen en hun vet moet u in rook laten opgaan, [als] een vuuroffer, [als] een aangename geur voor de HEERE.18Hun vlees is voor u. Zowel het borststuk van het beweegoffer als de rechterachterbout is voor u.). Hier in Deuteronomium gaat het niet om priesters en niet om offeren, hier verwacht God dat het hele volk een priesterschap is en dat zij allen voor Gods aangezicht genieten van de zegen die Hij heeft gegeven.

We mogen eten van de zegeningen samen met anderen, maar we moeten nooit vergeten God erbij te betrekken. Hij wil Zijn deel van zonen die in het heiligdom gaan om Hem te eren. Als er sprake is van ’kinderen’, ligt de nadruk meer op de zorg en liefde die we van God ontvangen, op Wie God is voor ons. Als er sprake is van ’zonen’, ligt de nadruk meer op wat wij zijn voor God.

Eerstgeboren dieren waaraan een gebrek is, mogen niet naar Jeruzalem gebracht worden. Die mogen wel thuis gegeten worden. De normen voor het samenzijn van de gemeente – de plaats waar de Heer Jezus in het midden is – liggen anders dan thuis. Dat heeft te maken met andere verantwoordelijkheden. In de gemeente komen gelovigen als ‘verstandigen’ (1Ko 10:1515Ik spreek als tot verstandigen; beoordeelt u wat ik zeg.) om de Heer te eren. Thuis hebben ook de kinderen hun inbreng in het eren van de Heer, zonder dat er, bijvoorbeeld vanwege de leeftijd, sprake is van inzicht of ‘verstand’ in de dingen van de Heer. De niveaus liggen anders. Zo kunnen in het gezin liederen worden gezongen die in de samenkomst van de gemeente niet geschikt zijn.


Lees verder