Amos
Inleiding 1 Afmaaiing en nagras 2 Voorbede 3 Uitwerking van voorbede 4 Vuur 5 Voorbede 6 Uitwerking van voorbede 7 Gods werk is volmaakt 8 Het paslood 9 Het oordeel voltrokken 10-11 Het verzet van Amazia 12 Uitgewezen 13 Vermenging 14 Amos, de gewone jongen 15 Het werktuig van de HEERE 16 Een woord tot Amazia 17 Verworpen door God
Inleiding

Met dit hoofdstuk begint een nieuw gedeelte in de profetie. Tot nu toe heeft Amos doorgegeven wat hij van de HEERE heeft gehoord. Nu gaat hij spreken over wat de HEERE hem heeft laten zien. In dit gedeelte, Amos 7-9:19, hebben we vijf visioenen: drie in Amos 7, één in Amos 8 en één in Amos 9. In deze visioenen komen we drie seizoenen tegen: in het eerste visioen is sprake van de lente, in het tweede van de zomer en in het vierde van de herfst. Zo is het met het volk gegaan. Het bevindt zich nu in de herfst van zijn geschiedenis.

Wat Amos in de visioenen te zien krijgt, sluit aan op Amos 3 (Am 3:77Voorzeker, de Heere HEERE doet niets tenzij Hij Zijn geheimenis heeft geopenbaard aan Zijn dienaren, de profeten. vgl. Gn 18:17,2317De HEERE zei: Zal Ik voor Abraham verbergen wat Ik ga doen?23En Abraham kwam dichterbij en zei: Zult U ook de rechtvaardige [tegelijk] met de goddeloze wegvagen?). In de visioenen 1, 2, 3 en 5 ziet Amos de HEERE Zelf. De drie visioenen in Amos 7 doelen waarschijnlijk op de drie invallen van Assyrië in het land Israël. De eerste inval vindt plaats onder Pul, waar Assyrië zich terugtrekt, nadat Menahem een vermogen aan belasting heeft betaald, wat het land heeft geruïneerd (2Kn 15:16-2116Toen versloeg Menahem Tifsah met al zijn inwoners, en [ook] het bijbehorende gebied, van Tirza af; omdat men [de poort] niet [voor hem] had opengedaan, versloeg hij [hen]. Bij al de zwangere vrouwen daar reet hij [de buik] open.17In het negenendertigste jaar van Azaria, de koning van Juda, werd Menahem, de zoon van Gadi, koning over Israël [en hij regeerde] tien jaar in Samaria.18Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE: hij week al zijn dagen niet af van de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël deed zondigen.19[Toen] kwam Pul, de koning van Assyrië, tegen het land op; en Menahem gaf Pul duizend talent zilver, zodat deze op zijn hand zou zijn om het koninkrijk vast te doen zijn in zijn hand.20Menahem bracht dit geld op van alle vermogende Israëlieten om [het] aan de koning van Assyrië te geven: vijftig sikkel zilver voor elke man. Toen keerde de koning van Assyrië terug en bleef daar niet in het land.21Het overige nu van de geschiedenis van Menahem, en alles wat hij gedaan heeft, is dat niet beschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël?). De tweede inval is wanneer dezelfde Pul, de koning van Assyrië, ook Tiglath-Pileser genoemd, in de dagen van Pekah Israël binnenvalt, verschillende steden in bezit neemt en de inwoners wegvoert, maar het merendeel van het land spaart (2Kn 15:2929In de dagen van Pekah, de koning van Israël, kwam Tiglath-Pileser, de koning van Assyrië, en nam Ijon in, en [ook] Abel-Beth-Maächa, Janoah, Kedes, Hazor, Gilead, Galilea en het hele land van Naftali; [en] hij voerde [de inwoners] weg naar Assyrië.). Bij de derde inval vindt het definitieve transport van de tien stammen door Salmaneser naar Assyrië plaats (2Kn 17:6,22-236In het negende jaar van Hosea nam de koning van Assyrië Samaria in en voerde Israël weg naar Assyrië. Hij liet hen wonen in Halah en in Habor, aan de rivier Gozan en in de steden van Medië.22De Israëlieten wandelden overeenkomstig alle zonden van Jerobeam, die hij gedaan had; zij weken daar niet van af,23totdat de HEERE Israël van Zijn aangezicht wegdeed, zoals Hij gesproken had door de dienst van al Zijn dienaren, de profeten. Zo werd Israël in ballingschap uit zijn land weggevoerd naar Assyrië, tot op deze dag.).

De visioenen 1 en 2 horen bij elkaar, omdat die visioenen nog een tuchtiging inhouden waarop God na voorbede terugkomt. De visioenen 3 en 4 horen ook bij elkaar. Het gaat daar niet meer om tuchtiging, maar om het niet langer sparen van het volk. Het volk zal ten ondergaan op de manier zoals die in het vijfde visioen te zien is. Dat is een visioen waarin Amos de HEERE Zelf ziet.

Het is niet duidelijk of het volk iets heeft gemerkt van de dreigende rampen die in de visioenen 1 en 2 worden getoond. In elk geval krijgen ze daarover de achtergrondinformatie dat deze rampen oordelen van God zijn, maar dat ze zijn afgewend op grond van het gebed van Zijn dienaar. De Heer Jezus is de volmaakte Voorbidder.

God heeft lange tijd geduld gehad. Meer dan eens heeft Hij op het punt gestaan Israël aan het oordeel over te geven. De bemiddeling van de profeet, dat is de Geest van Christus Die in de profeet werkt, heeft de gesel tegengehouden. Maar nu is het oordeel onafwendbaar. De HEERE staat met het paslood in de hand en niets kan Hem van de uitvoering van het oordeel terugbrengen.


Afmaaiing en nagras

1Dit heeft de Heere HEERE mij laten zien, en zie, Hij formeerde sprinkhanen toen het nagras begon op te komen; let wel, nagras, nadat er voor de koning gemaaid is.

De HEERE laat Amos, en ook ons, zien wat Hij gaat doen. Alleen is de vraag: Hebben wij er oog voor, zien wij het ook (Am 3:77Voorzeker, de Heere HEERE doet niets tenzij Hij Zijn geheimenis heeft geopenbaard aan Zijn dienaren, de profeten.)? Amos ziet het en het brengt hem tot voorbede. God laat Amos zien waar Hij mee bezig is. Hij vormt sprinkhanen, niet slechts als schepselen, maar als instrumenten van Zijn toorn (Jr 8:11a11Zij genezen de breuk van de dochter van Mijn volk
op het lichtst door te zeggen: Vrede, vrede!
Maar er is geen vrede!
)
. We kunnen in deze sprinkhanen een beeld zien van de Assyriërs. In Joël 1-2 vinden we ook de overgang van de letterlijke sprinkhanen in Joël 1 naar de Assyrische legermacht in Joël 2. De HEERE noemt deze legermacht “Zijn leger” (Jl 2:1111En de HEERE laat Zijn stem klinken
voor Zijn leger uit,
want Zijn leger is zeer groot,
ja, machtig is Hij, Die Zijn woord ten uitvoer brengt.
Groot is immers de dag van de HEERE
en zeer ontzagwekkend. Wie zal hem kunnen verdragen?
)
.

De sprinkhanen worden gevormd om het nagras op te eten. Het eerst opgekomen en al gemaaide gras is naar de koninklijke stallen gegaan. De Israëlitische koningen schijnen het recht te hebben opgeëist om de eerste afmaaiing van het gras voor hun eigen stallen te nemen (vgl. 1Kn 18:55Achab zei tegen Obadja: Ga het land in, naar alle waterbronnen en alle beken. Misschien zullen wij gras vinden, zodat wij de paarden en de muildieren in leven zullen houden en wij geen van de dieren hoeven af te maken.). Wat na deze afmaaiing weer opkomt, is het nagras. Dat dient tot voedsel voor de veestapel van de bevolking. Een sprinkhanenplaag die dit nagras verslindt, veroorzaakt een regelrechte ramp, een hongersnood voor mens en dier.

Van het maaien en het nagras kunnen we de volgende toepassing maken. Het maaien van het gras ziet op de dood. Het leven wordt afgesneden. De Heer Jezus moet in ons leven gras maaien, dat wil zeggen dat Hij de bloempjes die we koesteren, onze ervaringen waar wij trots op zijn, moet wegnemen. Na het maaien komt het nagras op. Er wordt van gezegd dat het mooiste en sappigste gras groeit op de plaats waar het vaakst gemaaid wordt. Er is geen Godsvrucht zo groot als die welke volgt op een herhaaldelijke afmaaiing door God.

Als herhaaldelijk onze gezondheid, vrienden, geld en gunstige omstandigheden van ons worden afgenomen, breken daarna vaak de mooiste tijden van liefde, gebed en toewijding aan. We mogen het weten: als het gras wordt gemaaid, komt daarna het nagras op.

In het maaien en het nagras kunnen we nog een ander beeld zien. Het maaien is een beeld van de vergane glorie onder de invallen van vijanden, maar waarna toch weer glorie ontstaat. Toch dreigt uiteindelijk ook die nieuwe glorie weer verloren te gaan, zoals in de geschiedenis van Israël ook is gebeurd.


Voorbede

2En het gebeurde, toen ze het opvreten van het gewas van het land voltooid hadden, dat ik zei: Heere HEERE, vergeef toch! Hoe zou Jakob staande kunnen blijven? Hij is immers klein!

Amos spreekt tot de HEERE met de vrijheid van iemand die een vertrouwelijke omgang met Hem kent. Hij wijst de “Heere HEERE” (Adonai Jahweh) erop dat de straf toch wel heel zwaar is, voor dit “wormpje Jakob” (Js 41:1414Wees niet bevreesd, wormpje Jakob,
volkje Israël,
Ík help u, spreekt de HEERE,
uw Verlosser is de Heilige van Israël.
)
. We zien hier de andere kant van Amos. De onverschrokken prediker, die harde taal aan het adres van het volk uit, heft hier zijn grote veekoopmanshanden omhoog tot God om ten behoeve van zijn volk God te smeken het te ontzien. In het gezicht van het volk buldert hij, voor het aangezicht van God worstelt en smeekt hij.

Hij ziet het volk nu niet in vergelijking met andere volken; dan voelen ze zich heel wat mans. Maar hij ziet hen in verbinding met God, en wat zijn ze dan klein en zondig. Amos spreekt met de woorden “hij is immers klein” een heel andere taal dan de snoevers die op hun eigen kracht pochen (Am 6:1313U, die blij bent met Lodebar,
u, die zegt: Hebben wij niet door onze kracht
Karnaïm voor ons ingenomen?
)
. Hij noemt het volk hier “Jakob”, waarmee hij aangeeft dat het een volk van zondaren is, maar toch ook het volk waaraan God Zijn Naam heeft willen verbinden.

Profeten bidden tot God voor hen tot wie ze namens God profeteren. Het is een groot voorrecht dat God ons laat zien wat Hij van plan is. Tegelijk geeft het ook een grote verantwoordelijkheid. Het brengt Amos tot prediken en voorbede. Dat moet ook bij ons de uitwerking zijn bij alles wat we van Gods plannen mogen weten. We kunnen veel leren van mensen bij wie we deze uitwerking zien, zoals bij Abraham (Gn 20:77Nu dan, geef de vrouw van die man terug, want hij is een profeet! Hij zal voor u bidden, zodat u in leven blijft. Als u haar echter niet teruggeeft, weet [dan] dat u zeker zult sterven, u en al wat van u is.), Mozes (Ex 17:8-138Toen kwam Amalek en bond de strijd aan met Israël in Rafidim.9Mozes zei tegen Jozua: Kies mannen voor ons uit en trek op, bind de strijd aan met Amalek. Morgen zal ik op de top van de heuvel staan met de staf van God in mijn hand.10Jozua deed zoals Mozes tegen hem gezegd had door de strijd aan te binden met Amalek. Mozes, Aäron en Hur klommen echter op de top van de heuvel.11En het gebeurde, als Mozes zijn hand ophief, dat Israël de overhand had, maar als hij zijn hand neerliet, dat Amalek de overhand had.12De handen van Mozes werden echter zwaar; daarom namen zij een steen en legden die onder hem, zodat hij erop kon gaan zitten. Aäron en Hur ondersteunden zijn handen, de een aan de ene en de ander aan de andere [kant]. Zo bleven zijn handen onbeweeglijk, totdat de zon onderging.13Zo overwon Jozua Amalek en zijn volk met de scherpte van het zwaard.; 32:30-3130En het gebeurde de volgende dag dat Mozes tegen het volk zei: Ú hebt een grote zonde begaan, maar nu zal ik naar de HEERE opklimmen. Misschien zal ik verzoening kunnen bewerken voor uw zonde.31Toen keerde Mozes terug tot de HEERE en zei: Och, dit volk heeft een grote zonde begaan, want zij hebben voor zichzelf een gouden god gemaakt.), Samuel (1Sm 7:88En de Israëlieten zeiden tegen Samuel: Laat toch niet na voor ons te roepen tot de HEERE, onze God, opdat Hij ons zal verlossen uit de hand van de Filistijnen.; 15:2525Nu dan, vergeef [mij] toch mijn zonde, en keer met mij terug, dan zal ik mij voor de HEERE neerbuigen.), Jeremia (Jr 15:11De HEERE zei tegen mij: Al stond Mozes of Samuel voor Mijn aangezicht, dan [nog] zou Mijn ziel niet met dit volk van doen willen hebben. Stuur [hen] van voor Mijn aangezicht weg, laten zij weggaan!), Ezechiël (Ez 9:88En het gebeurde terwijl zij toesloegen, dat ik [alleen] achterbleef. Toen wierp ik mij met mijn gezicht [ter aarde] en riep: Ach, Heere HEERE, gaat U heel het overblijfsel van Israël te gronde richten door Uw grimmigheid over Jeruzalem uit te storten?) en Joël (Jl 1:1919Tot U, HEERE, roep ik,
want een vuur heeft de weiden van de woestijn verteerd,
en een vlam heeft alle bomen van het veld verzengd.
)
.


Uitwerking van voorbede

3Toen kreeg de HEERE hier berouw over. Het zal niet gebeuren, zei de HEERE.

In Zijn soevereiniteit luistert de HEERE naar het gebed van Zijn dienaar en geeft het een plaats in de voortgang van Zijn werk. Hij vergeeft niet – vergeven kan alleen na belijdenis –, maar houdt wel deze straf in. Hij heeft er ‘berouw’ over. Hij is niet de onvermurwbare God, de God van steen. Niet dat Hij Zijn plannen verandert, maar Hij verandert de manier waarop Hij ze uitvoert. Het berouw van God heeft nooit te maken met een foute beslissing die Hij zou hebben genomen, maar met een verandering in de wijze waarop Hij Zijn juiste en onherroepelijke beslissing uitwerkt.

Wat een zegen zijn voorbidders voor het volk, mogelijk zelfs zonder dat het volk zich daarvan bewust is. Wat een bemoediging om voorbidder te zijn. Liefde tot God en Zijn volk uit zich vooral in voorbede. Voorbede wordt niet gedaan door mensen die menen dat toch alles vastligt en dat God toch niet van gedachten kan veranderen. Echte voorbede wordt ook niet gedaan door mensen die menen dat je God door het gebed kunt manipuleren. Dan zouden we de indruk krijgen dat wij, mensen, het beter weten dan God.

God weet alles van tevoren. Voor Hem bestaan geen verrassingen. In Zijn plannen houdt Hij rekening met de voorbede van de zijnen. God verwacht van Zijn kinderen de grootst mogelijke betrokkenheid bij wat Hij van plan is. Daarom heeft Hij hen daarover ook uitvoerig geïnformeerd. Al Zijn informatie vinden we in Zijn Woord. Daarom is het lezen en bestuderen van Zijn Woord absolute voorwaarde om een voorbidder te worden.


Vuur

4Dit heeft de Heere HEERE mij laten zien, en zie, de Heere HEERE riep uit dat Hij een rechtszaak wilde voeren door middel van vuur. Het verslond de grote watervloed. Ook verslond het een stuk land.

Visioen 2 ligt in het verlengde van visioen 1. Ze hebben allebei te maken met natuurverschijnselen die door God worden gevormd en opgeroepen om een aanval te doen op de bronnen van Israëls leven. Achter de sprinkhanen en het vuur zien we de hand van God.

In dit tweede visioen blijkt dat het volk zich niet heeft willen bekeren, ondanks het uitstel van het vorige visioen. Amos ziet dat het vuur al bezig is te woeden. Het vuur is hier de zon die met zijn verschroeiende hitte alles verteert. Het stelt Tiglath-Pileser voor, de Assyrische koning (2Kn 15:27-2927In het tweeënvijftigste jaar van Azaria, de koning van Juda, werd Pekah, de zoon van Remalia, koning over Israël [en hij regeerde] twintig jaar, in Samaria.28Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE: hij week niet af van de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël deed zondigen.29In de dagen van Pekah, de koning van Israël, kwam Tiglath-Pileser, de koning van Assyrië, en nam Ijon in, en [ook] Abel-Beth-Maächa, Janoah, Kedes, Hazor, Gilead, Galilea en het hele land van Naftali; [en] hij voerde [de inwoners] weg naar Assyrië.; 1Kr 5:6,266diens zoon Beëra, die Tillegath-Pilneser, de koning van Assyrië, in ballingschap gevoerd had. Hij was vorst van de Rubenieten.26Toen wekte de God van Israël de geest van Pul, de koning van Assyrië op, en de geest van Tillegath-Pilneser, de koning van Assyrië. Deze voerde hen in ballingschap, te weten de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam van Manasse. Hij bracht hen in Halah, Habor, Hara en aan de rivier Gozan, tot op deze dag.; 2Kr 28:2020Tiglath-Pileser, de koning van Assyrië, kwam naar hem toe, dreef hem in het nauw, en steunde hem niet.). God heeft de macht alles op te roepen wat Hij wil gebruiken om Zijn volk te tuchtigen. Hij roept een vuur op, en wat Hij oproept, gehoorzaamt.

“De grote watervloed” stelt de heidenwereld voor en “een stuk land” Zijn volk Israël. Het vuur is niet een aards vuur, maar de toorn van de HEERE.


Voorbede

5Toen zei ik: Heere HEERE, houd toch op! Hoe zou Jakob staande kunnen blijven? Hij is immers klein!

In vers 22En het gebeurde, toen ze het opvreten van het gewas van het land voltooid hadden, dat ik zei: Heere HEERE, vergeef toch! Hoe zou Jakob staande kunnen blijven? Hij is immers klein! ziet Amos dat het oordeel op het punt staat uitgeoefend te worden. Daar vraagt hij om vergeving. Hier ziet hij dat het oordeel al is begonnen. Daarom roept hij het uit: “Heere HEERE, houd toch op!” Amos is weer de voorbidder. Maar hij herhaalt niet automatisch het gebed van de vorige keer. Hij ziet goed wat de HEERE doet en wat zich voor zijn ogen afspeelt. Op grond daarvan doet hij weer een beroep op Hem.

Als wij voorbede doen, is het belangrijk oog te hebben voor de actuele situatie. Dan zijn we in staat gericht te bidden. God verwacht van ons dat we met inzicht in Zijn handelen bidden. Dit is voor de christen een van de kenmerken van het zoonschap. Een zoon is iemand die handelt met inzicht in de plannen van zijn vader.


Uitwerking van voorbede

6Toen kreeg de HEERE hier berouw over. Ook dit zal niet gebeuren, zei de Heere HEERE.

Deze tweede verhoring is een extra bemoediging om voort te gaan met het doen van voorbede. We hoeven niet bang te zijn dat God er moe van wordt om naar ons te luisteren. Hoe zou dat kunnen als Hij juist zegt dat we zullen volharden in het gebed (Ef 6:1818terwijl u te allen tijde bidt in [de] Geest met alle gebed en smeking, en daartoe waakt met alle volharding en smeking voor alle heiligen,; 1Th 5:1515Ziet toe dat niet iemand een ander kwaad met kwaad vergeldt, maar jaagt altijd naar het goede <én> voor elkaar én voor allen.; Ko 4:22Volhardt in het gebed, terwijl u daarin waakzaam bent met dankzegging). Abraham heeft dat ervaren in zijn voorbede voor Sodom (Gn 18:22-3322Toen keerden die mannen vandaar om en gingen naar Sodom, maar Abraham bleef nog staan voor het aangezicht van de HEERE.23En Abraham kwam dichterbij en zei: Zult U ook de rechtvaardige [tegelijk] met de goddeloze wegvagen?24Misschien zijn er vijftig rechtvaardigen binnen de stad; wilt U hen ook wegvagen en de plaats niet sparen omwille van de vijftig rechtvaardigen die daarin zijn?25Er kan toch geen sprake van zijn dat U zoiets doet, dat [U] de rechtvaardige [samen] met de goddeloze doodt? Dan zal het zijn: zo de rechtvaardige zo de goddeloze. [Daar] kan bij U toch geen sprake van zijn! Zou de Rechter van de hele aarde geen recht doen?26Toen zei de HEERE: Als Ik in Sodom vijftig rechtvaardigen binnen de stad vind, dan zal Ik de hele plaats omwille van hen sparen.27Abraham antwoordde en zei: Zie toch, ik heb het aangedurfd om tot de Heere te spreken, hoewel ik stof en as ben!28Misschien zullen er aan de vijftig rechtvaardigen vijf ontbreken; zult U dan om vijf [mensen] de hele stad te gronde richten? En Hij zei: Ik zal haar niet te gronde richten, als Ik er vijfenveertig vind.29Hij sprak opnieuw tot Hem: Misschien zullen er daar veertig gevonden worden! En Hij zei: Ik zal het niet doen omwille van die veertig.30Verder zei hij: Laat de Heere toch niet [in toorn] ontbranden, omdat ik spreek; misschien zullen er daar dertig gevonden worden! En Hij zei: Ik zal het niet doen, als Ik er daar dertig vind.31Hij zei: Zie toch, ik heb het aangedurfd om tot de Heere te spreken; misschien zullen er daar twintig gevonden worden! En Hij zei: Ik zal haar niet te gronde richten omwille van die twintig.32Verder zei hij: Laat de Heere toch niet [in toorn] ontbranden, omdat ik nog eenmaal spreek: Misschien zullen er tien gevonden worden. En Hij zei: Ik zal haar niet te gronde richten omwille van die tien.33Toen ging de HEERE weg, nadat Hij geëindigd had met Abraham te spreken, en Abraham keerde terug naar zijn [woon]plaats.). Tot zes keer toe krijgt hij waar hij om vraagt.

De gelijkenis van de onrechtvaardige rechter laat hetzelfde zien (Lk 18:1-81Hij nu sprak ook een gelijkenis tot hen, met het oog daarop dat zij altijd moesten bidden en niet moedeloos worden,2en zei: Er was in een stad een rechter die God niet vreesde en geen mens ontzag.3Nu was er in die stad een weduwe die naar hem toe kwam en zei: Verschaf mij recht tegenover mijn tegenpartij.4En hij wilde een tijdlang niet. Daarna echter zei hij bij zichzelf: Hoewel ik God niet vrees en geen mens ontzie, zal ik,5omdat deze weduwe mij lastig valt, haar recht verschaffen, opdat zij mij niet uiteindelijk in het gezicht komt slaan.6De Heer nu zei: Hoort wat de onrechtvaardige rechter zegt.7Zal God dan Zijn uitverkorenen geenszins recht verschaffen, die dag en nacht tot Hem roepen, en laat Hij hen lang wachten?8Ik zeg u, dat Hij hun spoedig recht zal verschaffen. Als evenwel de Zoon des mensen komt, zal Hij dan het geloof vinden op de aarde?). De Heer Jezus spreekt die gelijkenis tot Zijn discipelen, en tot ons, “met het oog daarop dat zij altijd moesten bidden en niet moedeloos worden” (Lk 18:11Hij nu sprak ook een gelijkenis tot hen, met het oog daarop dat zij altijd moesten bidden en niet moedeloos worden,). En in de toepassing van de gelijkenis zegt Hij: “Zal God dan Zijn uitverkorenen geenszins recht verschaffen, die dag en nacht tot Hem roepen, en laat Hij hen lang wachten? Ik zeg u, dat Hij hun spoedig recht zal verschaffen” (Lk 18:7-87Zal God dan Zijn uitverkorenen geenszins recht verschaffen, die dag en nacht tot Hem roepen, en laat Hij hen lang wachten?8Ik zeg u, dat Hij hun spoedig recht zal verschaffen. Als evenwel de Zoon des mensen komt, zal Hij dan het geloof vinden op de aarde?).


Gods werk is volmaakt

7Dit heeft Hij mij laten zien, en zie, de Heere stond op een loodrechte muur met een paslood in Zijn hand.

In visioen 1 en 2 laat de Heere HEERE (Adonai Jahweh) aan Amos zien wat Hij doet. Hij is bezig met het voorbereiden en zelfs al met het voltrekken van het vonnis. Dit brengt Amos tot voorbede. In dit derde visioen ziet Amos “de Heere” (Adonai) Zelf en wel als Rechter. Hij krijgt inzicht in de volstrekte rechtvaardigheid van het vonnis, dat op grond van zijn voorbede al twee keer is uitgesteld. Als Amos dit heeft gezien, doet hij geen voorbede meer.

De Heere staat “op een loodrechte muur”. De muur is een beeld van Israël zoals God het bedoeld heeft: een welgeordend en vast bouwwerk (vgl. Hl 8:9-109Als zij een muur is,
zullen wij een zilveren bolwerk op haar bouwen.
Als zij een deur is,
zullen wij haar insluiten met een plank van ceder[hout].
10Ik ben een muur
en mijn borsten zijn als torens.
Toen was ik in Zijn ogen
als iemand die vrede vindt.
)
. Dat Hij daar op staat, geeft aan dat Israël Zijn volmaakt eigendom is en aan Hem onderworpen is.

Het paslood toont de volstrekte orde en rechtmatigheid van Gods werk in en met Israël aan. In Zijn werk zijn geen afwijkingen of onvolkomenheden aan te tonen, ze zijn er niet in aanwezig (vgl. Js 5:1-41Ik wil graag voor mijn Beminde zingen,
een lied van mijn Geliefde over Zijn wijngaard.
Mijn Beminde had een wijngaard
op een vruchtbare heuvel.
2Hij spitte hem om en zuiverde hem van stenen,
Hij beplantte hem met edele wijnstokken.
In het midden ervan bouwde Hij een toren,
en hakte ook een perskuip daarin uit.
Hij verwachtte dat hij [goede] druiven zou voortbrengen,
maar hij bracht stinkende druiven voort.
3Nu dan, inwoners van Jeruzalem
en mannen van Juda,
oordeel toch tussen Mij
en Mijn wijngaard.
4Wat is er nog meer te doen aan Mijn wijngaard,
dan wat Ik eraan gedaan heb?
Waarom heb Ik verwacht dat hij [goede] druiven zou voortbrengen,
terwijl hij [slechts] stinkende druiven voortbracht?
)
.


Het paslood

8Toen zei de HEERE tegen mij: Wat ziet u, Amos? Ik zei: Een paslood. Daarop zei de Heere: Zie, Ik ga een paslood plaatsen in het midden van Mijn volk Israël. Ik zal het niet langer voorbijgaan.

Als de HEERE vragen stelt, doet Hij dat om ons bij Zijn handelen te betrekken. Hij wil ons inzicht daarin geven, zodat wij zien dat Hij rechtvaardig handelt en wij met Zijn handelen zullen instemmen. Door ons erbij te betrekken kan Hij ons ook inschakelen in Zijn plannen. Hij wil dat wij Hem begrijpen in Zijn doen. Het stellen van vragen dwingt de ander tot oplettend waarnemen en vaak ook tot nadenken.

Aan Amos wordt niet gevraagd of hij weet wat het betekent. Hij krijgt de uitleg, zonder dat wij zijn vraag daarnaar horen. Maar als iemand oplettend naar Gods handelen kijkt, zal hij zeker benieuwd zijn naar de reden ervan. Aan Jeremia en Zacharia wordt ook gevraagd wat zij zien (Jr 1:11,1311Het woord van de HEERE kwam tot mij: Wat ziet u, Jeremia? Ik zei: Ik zie een amandeltak.13Het woord van de HEERE kwam voor de tweede keer tot mij: Wat ziet u daar? Ik zei: Ik zie een kokende pot en zijn open kant verschijnt vanuit het noorden.
; Zc 4:22Hij zei tegen mij: Wat ziet u? Daarop zei ik: Ik zie, en zie, een kandelaar, geheel van goud, met een olievaatje aan de bovenkant ervan en daarbovenop zeven bijbehorende lampen met telkens zeven toevoerbuisjes aan de lampen, die daarboven zitten,; 5:22Hij zei tegen mij: Wat ziet u? En ik zei: Ik zie een vliegende boekrol. Zijn lengte is twintig el en zijn breedte tien el.)
. Na hun antwoorden vertelt de HEERE hun ook de betekenis van wat zij zien.

Op de vraag wat Amos ziet, had hij kunnen antwoorden: ‘U’, of: ‘Een muur.’ Maar hij antwoordt: “Een paslood.” Daar gaat het dus om. Het paslood is een stuk lood aan een touw dat men langs of voor een bouwwerk hangt om te zien of het loodrecht is opgetrokken. In figuurlijke zin wordt het hier gebruikt om de precisie, de exactheid van het oordeel over Israël aan te tonen (2Kn 21:1313Ik zal over Jeruzalem het meetlint van Samaria uitstrekken en het paslood van het huis van Achab. Ik zal Jeruzalem schoonvegen zoals men een schotel schoonveegt: men veegt hem schoon en keert hem ondersteboven.; Js 34:1111Kauw en nachtuil zullen het in bezit nemen,
ransuil en raaf zullen daar wonen.
Hij zal er het meetlint van de woestheid over uitspannen
en het paslood van de leegte.
)
.

De muur is loodrecht, het paslood geeft dat aan. Gods werk aan Israël is volmaakt. Nu wordt het paslood aangelegd in Israël. Het paslood geeft aan dat een volstrekt rechte maat wordt toegepast om hun ongerechtigheden aan te tonen, zodat de afwijking door ieder erkend zal moeten worden. God heeft een onveranderlijke standaard om de geestelijke oprechtheid van Zijn volk te toetsen. De maat waarnaar het leven van het volk gemeten wordt, is de wet. Het paslood wordt gehouden naast alles wat het volk doet.

Na het aantonen van de afwijkingen zou verder uitstel de indruk geven dat God de zonde niet ernstig neemt. Amos ziet in dat de Heere met het aanleggen van het paslood de weg tot verdere voorbede afsnijdt. Het oordeel staat vast en zal nu worden voltrokken. Gods besluit staat vast: “Ik zal het niet langer voorbijgaan”, zoals Hij dat wel in Egypte heeft gedaan (vgl. Am 5:1717En in alle wijngaarden zal er rouwklacht zijn,
want Ik zal door uw midden trekken, zegt de HEERE.
)
. In Egypte is God vergevend voorbijgegaan op grond van het bloed aan de deurposten. Maar nu is er een einde gekomen aan het geduld van God.


Het oordeel voltrokken

9Verwoest zullen worden de [offer]hoogten van Izak,
de heiligdommen van Israël zullen worden verwoest,
en tegen het huis van Jerobeam zal Ik opstaan met het zwaard.

Met “de [offer]hoogten van Izak” wordt verwezen naar Berseba, waar de HEERE aan Izak is verschenen en waar hij een altaar heeft gebouwd en de Naam van de HEERE heeft aangeroepen (Gn 26:23-2523Hij vertrok vandaar naar Berseba.24De HEERE verscheen hem in die nacht en zei: Ik ben de God van Abraham, uw vader. Wees niet bevreesd, want Ik ben met u; Ik zal u zegenen en uw nageslacht talrijk maken omwille van Abraham, Mijn dienaar.25Toen bouwde hij daar een altaar en riep de Naam van de HEERE aan. Hij zette daar zijn tent op en de dienaren van Izak groeven daar een put.). Het is een plaats geworden waar het volk ook heen gaat voor het vervullen van zijn godsdienstige verplichtingen (Am 5:55Maar zoek niet [in] Bethel,
in Gilgal moet u niet komen
en u moet niet naar Berseba trekken,
want Gilgal zal zeker in ballingschap gaan
en Bethel zal tot niets worden.
)
.

In dit oordeel vinden we weer een verwijzing naar het optreden van de Assyriërs, ditmaal onder koning Salmaneser (2Kn 17:1-61In het twaalfde jaar van Achaz, de koning van Juda, werd Hosea, de zoon van Ela, koning over Israël in Samaria [en hij regeerde] negen jaar.2Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE, alleen niet zoals de koningen van Israël die er vóór hem geweest waren.3Tegen hem trok Salmaneser op, de koning van Assyrië; Hosea werd zijn dienaar en droeg schatting aan hem af.4Maar toen de koning van Assyrië een samenzwering bij Hosea ontdekte, [namelijk] dat deze boden gestuurd had naar So, de koning van Egypte, en dat hij de schatting aan de koning van Assyrië niet als tevoren van jaar tot jaar afdroeg, nam de koning van Assyrië hem gevangen en sloot hij hem op in de gevangenis.5Vervolgens trok de koning van Assyrië het hele land door. Hij trok ook op naar Samaria en belegerde het drie jaar [lang].6In het negende jaar van Hosea nam de koning van Assyrië Samaria in en voerde Israël weg naar Assyrië. Hij liet hen wonen in Halah en in Habor, aan de rivier Gozan en in de steden van Medië.). Het oordeel over “het huis van Jerobeam” is voltrokken aan de zoon van Jerobeam, Zacharia, die zes maanden heeft geregeerd en toen is vermoord (2Kn 15:1010Sallum, de zoon van Jabes, spande tegen hem samen. Hij sloeg hem neer in aanwezigheid van het volk en doodde hem; en hij werd koning in zijn plaats.). Na Zacharia hebben nog vijf koningen geregeerd over Israël, samen eenenveertig jaar. Onder de laatste van deze vijf, koning Hosea, is het volk weggevoerd door de Assyriërs. Dat gebeurde in 722 v.Chr. (2Kn 17:66In het negende jaar van Hosea nam de koning van Assyrië Samaria in en voerde Israël weg naar Assyrië. Hij liet hen wonen in Halah en in Habor, aan de rivier Gozan en in de steden van Medië.).


Het verzet van Amazia

10Toen stuurde Amazia, de priester van Bethel, [een bode] naar Jerobeam, de koning van Israël, om te zeggen: Amos heeft een samenzwering tegen u gesmeed in het midden van het huis van Israël. Het land zal aan al zijn woorden geen weerstand kunnen bieden. 11Want dit heeft Amos gezegd: Jerobeam zal sterven door het zwaard, Israël zal zeker in ballingschap worden gevoerd, weg uit zijn land.

Het gedeelte van de verzen 10-1710Toen stuurde Amazia, de priester van Bethel, [een bode] naar Jerobeam, de koning van Israël, om te zeggen: Amos heeft een samenzwering tegen u gesmeed in het midden van het huis van Israël. Het land zal aan al zijn woorden geen weerstand kunnen bieden.11Want dit heeft Amos gezegd: Jerobeam zal sterven door het zwaard, Israël zal zeker in ballingschap worden gevoerd, weg uit zijn land.12Daarop zei Amazia tegen Amos: Ziener, ga heen, vlucht naar het land van Juda! Eet daar [uw] brood en ga daar profeteren.13In Bethel mag u niet langer profeteren, want dat is het heiligdom van de koning, dat is het huis van het koninkrijk.14Toen antwoordde Amos en zei tegen Amazia: Ik ben geen profeet en ik ben geen profetenzoon, maar ik ben veehouder en moerbeikweker.15De HEERE haalde mij echter achter de kudde vandaan en de HEERE zei tegen mij: Ga heen, profeteer tegen Mijn volk Israël!16Nu dan, hoor het woord van de HEERE. U zegt: U mag niet profeteren tegen Israël, en: U mag [uw woorden] niet laten stromen tegen het huis van Izak!17Daarom, zo zegt de HEERE:
Uw vrouw zal in de stad hoererij bedrijven,
uw zonen en uw dochters zullen door het zwaard vallen,
en uw land zal met een meetsnoer verdeeld worden;
en ú zult sterven op onreine bodem,
en Israël zal zeker in ballingschap worden gevoerd,
weg uit zijn land.
vormt een tussenzin, die aansluit op de eerste drie visioenen. De geschiedenis met Amazia bewijst dat het volk volhardt in het volgen van het kwaad en zich door niets daarvan laat afbrengen, ook niet door de boodschap van Amos. Daarom kan het oordeel niet meer afgewend worden.

Terwijl Amos voor het volk voorbede doet, beschuldigt een valse priester hem van samenzwering. Deze valse priester, Amazia, wordt “de priester van Bethel” genoemd en niet ‘de priester van de HEERE’. Amazia zal wel de opper- of hogepriester zijn geweest. De valse beschuldiging die hij uitspreekt, is de eerste reactie op Amos’ prediking die wij vernemen. Die reactie komt van een godsdienstige leider. Godsdienstige leiders voelen zich altijd in hun vermeende geestelijke rechten aangetast als er een echte dienaar van God komt. Ze weten zich ontmaskerd als aanmatigers van een positie die hun voordeel oplevert en die ze daarom niet willen prijsgeven.

Zo gaat het met iedere prediker die waarheden verkondigt waardoor menselijke godsdienstige instellingen worden veroordeeld. Het is net als in de dagen van de Heer Jezus, toen ook de tegenstand kwam van de godsdienstige leiders (Lk 23:22Zij nu begonnen Hem te beschuldigen en zeiden: Wij hebben bevonden dat Deze onze natie afkerig maakt en verbiedt de keizer belasting te betalen en van Zichzelf zegt dat Hij Christus is, een Koning.; vgl. Hd 6:1313En zij brachten valse getuigen voor, die zeiden: Deze mens houdt niet op woorden te spreken tegen <deze> heilige plaats en de wet;). Een godsdienst die zonder enige vrees voor God door de politiek van de mens is georganiseerd, kan het getuigenis van de waarheid niet verdragen.

Amazia verzet zich tegen Gods werk. Daarvoor bedient hij zich van een valse beschuldiging. Valse beschuldigingen zijn altijd door de duivel gebruikt om Gods werk te ondermijnen (Jr 37:14-1514Maar Jeremia zei: Dat is een leugen! Ik wil niet naar de Chaldeeën overlopen. Hij luisterde echter niet naar hem, maar Jeria greep Jeremia vast en bracht hem naar de vorsten.15De vorsten werden erg kwaad op Jeremia. Zij sloegen hem en zetten hem in de gevangenis, in het huis van de schrijver Jonathan, want dat hadden zij tot gevangenis gemaakt.).

Het woord “toen” waarmee vers 1010Toen stuurde Amazia, de priester van Bethel, [een bode] naar Jerobeam, de koning van Israël, om te zeggen: Amos heeft een samenzwering tegen u gesmeed in het midden van het huis van Israël. Het land zal aan al zijn woorden geen weerstand kunnen bieden. begint, lijkt erop te wijzen dat Amazia op de hoogte is geweest of gebracht van alles wat Amos heeft gezegd, en dat vers 99Verwoest zullen worden de [offer]hoogten van Izak,
de heiligdommen van Israël zullen worden verwoest,
en tegen het huis van Jerobeam zal Ik opstaan met het zwaard.
de maat voor hem vol maakt. Het is zelfs waarschijnlijk dat Amos zijn visioen heeft uitgesproken, want Amazia haalt aan wat in vers 99Verwoest zullen worden de [offer]hoogten van Izak,
de heiligdommen van Israël zullen worden verwoest,
en tegen het huis van Jerobeam zal Ik opstaan met het zwaard.
staat. Daarmee geeft hij dan onbedoeld getuigenis van de woorden van de profeet.

Nadat Amos het definitieve oordeel heeft uitgesproken, kan Amazia het niet langer aanhoren. Hij onderneemt twee acties, één naar koning Jerobeam en één naar Amos. Naar koning Jerobeam toe verdraait hij de woorden van Amos. Amos heeft gesproken over “het huis van Jerobeam” (vers 99Verwoest zullen worden de [offer]hoogten van Izak,
de heiligdommen van Israël zullen worden verwoest,
en tegen het huis van Jerobeam zal Ik opstaan met het zwaard.
)
. Amazia maakt daarvan ‘Jerobeam’ in persoon.

Waar de eigen, vaak aangematigde, positie in gevaar komt, zullen mensen die dikwijls verdedigen, niet alleen met valse beschuldigingen, maar ook met het aanhalen van halve waarheden of het verdraaien van woorden. In zulke gevallen zien we dat altijd selectief te werk wordt gegaan. Over de voorbede van Amos rept Amazia bijvoorbeeld met geen woord.

Wat betreft het gaan in ballingschap haalt Amazia de woorden van Amos correct aan. Zo heeft Amos het ook gezegd (Am 5:2727Daarom zal Ik u in ballingschap voeren,
verder dan Damascus, zegt de HEERE;
God van de legermachten is Zijn Naam.
)
.

Het land zal aan al zijn woorden geen weerstand kunnen bieden”, wil zeggen dat de rust van het land verstoord wordt door wat Amos zegt. Hiermee getuigt hij onbewust van de kracht van de woorden van Amos, die in werkelijkheid de woorden van God zijn.


Uitgewezen

12Daarop zei Amazia tegen Amos: Ziener, ga heen, vlucht naar het land van Juda! Eet daar [uw] brood en ga daar profeteren.

Dan volgt de actie naar Amos. Amazia zal Amos “ziener” (vgl. Js 30:1010die tegen de zieners zeggen: U mág niet zien;
tegen de schouwers: U mág niet voor ons schouwen wat waar is.
Spreek tot ons vleierijen,
schouw bedriegerijen.
; Mi 3:77De zieners zullen beschaamd worden
en de waarzeggers rood van schaamte,
zij zullen allen [hun] baard en snor bedekken,
want er komt geen antwoord van God.
)
noemen vanwege zijn visioenen en de aangekondigde oordelen. Het is mogelijk dat hij dit woord in spottende zin gebruikt, omdat hij geen enkel geloof hecht aan diens woorden. Amazia zegt tegen Amos dat hij maar naar Juda moet gaan, waar hij ongestoord met profeteren zijn boterham kan verdienen. Alsof met het verwijderen van de boodschapper ook de boodschap niet meer geldt. Alsof met de dood van een dokter die heeft gezegd dat je aan een ernstige ziekte lijdt, de ziekte ongedaan wordt gemaakt.

Uit de oproep van Amazia blijkt ook dat hij vergeet, of er geen oog voor heeft, dat God geen landsgrenzen kent als het gaat om Zijn volk. Zo zijn er ook geen ‘wijkgemeenten’ waar bepaalde voorgangers het voor het zeggen hebben en ware dienaren van God worden buitengesloten – hoewel God ieder van Zijn dienaren een eigen gebied geeft (2Ko 10:13-1813Maar wij zullen niet roemen buiten de maat; maar naar de maat van het arbeidsterrein dat God ons als maat heeft toebedeeld, om ook u te bereiken.14Want wij strekken onszelf niet te ver uit, alsof wij u niet bereikten (want wij zijn ook tot aan u gekomen in het evangelie van Christus);15terwijl wij niet roemen buiten de maat op [de] arbeid van anderen, maar hopen dat, naarmate uw geloof toeneemt, wij onder u meer aanzien zullen krijgen in overeenstemming met ons arbeidsterrein, om nog overvloediger,16in de [streken] verder dan u, het evangelie te verkondigen; niet om te roemen in [het] arbeidsterrein van een ander over wat bereikt is.17Maar ‘wie roemt, laat hij roemen in [de] Heer’.18Want niet wie zichzelf aanbeveelt, maar die de Heer aanbeveelt, die is beproefd [bevonden].). Niemand mag spreken over ‘mijn gemeente’ dan alleen de Heer Jezus (Mt 16:1818En ook Ik zeg je dat jij Petrus bent, en op deze rots zal Ik Mijn gemeente bouwen, en [de] poorten van [de] hades zullen haar niet overweldigen.). En Hij heeft Zijn gaven gegeven aan Zijn gemeente, dat zijn alle gelovigen (Ef 4:7,117Maar aan ieder van ons is de genade gegeven naar de maat van de gave van Christus.11En Hij heeft sommigen gegeven als apostelen, anderen als profeten, anderen als evangelisten, anderen als herders en leraars,).

Amazia ziet Amos als iemand die zijn kostje als profeet verdient, zeker net zoals hij dat als priester doet (Mi 3:5,115Zo zegt de HEERE
tegen de profeten die Mijn volk misleiden,
die, [als] zij met hun tanden [kunnen] bijten,
vrede verkondigen.
Wie hun echter niets in hun mond geeft,
aan hem verklaren zij de oorlog.11Hun hoofden spreken er recht voor geschenken,
hun priesters onderwijzen voor loon,
hun profeten plegen waarzeggerij voor geld.
En nog steunen zij op de HEERE en zeggen:
Is de HEERE niet in ons midden?
Ons zal geen kwaad overkomen.
)
. Hij kan niet begrijpen dat Amos niet het ‘vak’ van profeet uitoefent, maar profeteert als een door de HEERE geroepen dienaar.

Dat begrijpen mensen vandaag ook niet. Het is voor de materialistisch ingestelde mens ondenkbaar dat iemand die zich in dienst van de Heer Jezus stelt, zich niet door geld laat leiden. Zo iemand gaat niet daarheen waar hij het meeste krijgt, maar waar God wil dat Zijn Woord wordt gepredikt. God kent de plaatsen waar de prediking van Zijn Woord nodig is, los van de vraag of mensen daarop zitten te wachten of niet.

De zogenaamd goede raad die Amazia geeft in afwachting van het antwoord van de koning, is puur eigen belang. Hij wil Amos kwijt.


Vermenging

13In Bethel mag u niet langer profeteren, want dat is het heiligdom van de koning, dat is het huis van het koninkrijk.

In de aanduiding “heiligdom van de koning” en “huis van het koninkrijk” is de vermenging te zien van politiek en godsdienst, alsof godsdienst een politieke aangelegenheid is. Dat is terug te zien in de namen van sommige kerkgenootschappen, zoals protestantse kerk in Nederland, kerk van Engeland en Duitse evangelische kerk.

Het is het heiligdom van de koning omdat een koning (Jerobeam I) het heeft gesticht (1Kn 12:2828Daarom pleegde de koning overleg en maakte twee gouden kalveren. Hij zei tegen [het volk]: Het is te veel voor u om op te trekken naar Jeruzalem. Zie uw goden, Israël, die u uit het land Egypte hebben doen optrekken.). Hij heeft dat gedaan uit politieke overwegingen. Er is geen krachtiger politiek ‘bindmiddel’ dan godsdienst. Vanuit dit oogpunt laat koning Nebukadnezar in het dal Dura een geweldig beeld oprichten. Dit beeld is het centrum waar omheen hij alle rijksgroten verzamelt om het te aanbidden (Dn 3:1-71Koning Nebukadnezar maakte een gouden beeld, waarvan de hoogte zestig el was, [en] zijn breedte zes el. Hij richtte het op in het dal Dura, in het gewest Babel.2En koning Nebukadnezar stuurde [een boodschap] om de stadhouders, de machthebbers, de landvoogden, de raadsheren, de schatbewaarders, de rechters, de magistraten en al de autoriteiten van de gewesten te verzamelen, om naar de inwijding van het beeld te komen dat koning Nebukadnezar had opgericht.3Toen verzamelden zich de stadhouders, de machthebbers, de landvoogden, de raadsheren, de schatbewaarders, de rechters, de magistraten en al de autoriteiten van de gewesten voor de inwijding van het beeld dat koning Nebukadnezar had laten oprichten. En zij stonden voor het beeld dat Nebukadnezar had opgericht.4En een heraut riep met kracht: Men zegt u aan, volken, natiën en talen:5Op het moment dat u het geluid hoort van de hoorn, fluit, citer, luit, lier, panfluit, en allerlei muziekinstrumenten, moet u neervallen en het gouden beeld aanbidden dat koning Nebukadnezar heeft opgericht.6Wie niet neervalt en aanbidt, zal op hetzelfde ogenblik midden in de brandende vuuroven worden geworpen.7Daarom, zodra alle volken het geluid hoorden van de hoorn, fluit, citer, luit, lier, en allerlei muziekinstrumenten, vielen op dat tijdstip alle volken, natiën en talen neer, [en] aanbaden het gouden beeld dat Nebukadnezar had opgericht.).

In de islamitische landen werkt het niet anders. Helaas is ook de christenheid ervan doortrokken, met als duidelijkste uiting het Vaticaan. Als mensen Gods centrum van eredienst vervangen door eigen vinding en daarbij ook nog eens politieke doelen worden nagestreefd, mondt dit uit in wat we beschreven vinden in ‘de vrouw op het beest’ (Op 17:1-61En een van de zeven engelen die de zeven schalen hadden, kwam en sprak met mij en zei: Kom, ik zal u tonen het oordeel over de grote hoer die op vele wateren zit,2met wie de koningen van de aarde gehoereerd hebben, en zij die de aarde bewonen zijn dronken geworden van de wijn van haar hoererij.3En hij voerde mij weg in [de] Geest naar een woestijn. En ik zag een vrouw zitten op een scharlakenrood beest dat vol namen van laster was [en] zeven koppen en tien horens had.4En de vrouw was bekleed met purper en scharlaken en versierd met goud en edelgesteente en parels, en had een gouden drinkbeker in haar hand, vol gruwelen en de onreinheden van haar hoererij.5En op haar voorhoofd was een naam geschreven: Verborgenheid, het grote Babylon, de moeder van de hoeren en van de gruwelen van de aarde.6En ik zag de vrouw dronken van het bloed van de heiligen en van het bloed van de getuigen van Jezus. En toen ik haar zag, verwonderde ik mij met grote verwondering.). De vrouw is de wereldkerk of rooms-katholieke kerk met, als resultaat van de oecumene, onder haar vleugels de protestantse kerken. Het beest is het een geworden Europa.

In het streven van de wereldraad van kerken naar de oecumene is geen plaats voor de stem van God. God is van boven, wij zijn van beneden. Al het denken is gericht op het wonen op aarde. Aan God wordt slechts een plaats toegedacht in zover Hij past in de plannen van het streven van de mens. Maar waar geen plaats is voor de stem van God, is geen plaats voor Hem.


Amos, de gewone jongen

14Toen antwoordde Amos en zei tegen Amazia: Ik ben geen profeet en ik ben geen profetenzoon, maar ik ben veehouder en moerbeikweker.

De ‘raad’ van Amazia wordt door Amos genegeerd. Zoals ook de Heer Jezus de raad van de farizeeën negeerde toen zij tegen Hem zeiden te vertrekken omdat Herodes Hem zocht te doden (Lk 13:31-3531Op hetzelfde uur kwamen er enige farizeeën, die tot Hem zeiden: Vertrek en ga weg van hier, want Herodes wil U doden.32En Hij zei tot hen: Gaat heen en zegt tot die vos: Zie, Ik drijf demonen uit en volbreng genezingen, vandaag en morgen, en op de derde [dag] kom Ik aan het einde.33Ik moet evenwel vandaag en morgen en de volgende [dag] voortgaan, want het gaat niet aan, dat een profeet omkomt buiten Jeruzalem.34Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt en hen stenigt die tot haar zijn gezonden, hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen bijeenverzamelen, zoals een hen haar kuikens onder haar vleugels, en u hebt niet gewild.35Zie, uw huis wordt aan u overgelaten. <En> Ik zeg u: u zult Mij geenszins zien, totdat <[de tijd] komt dat> u zegt: ‘Gezegend Hij Die komt in [de] Naam van [de] Heer’.). Amos is geen profeet van beroep en is er ook niet voor in opleiding. Hij heeft geen theologische opleiding gehad of een bijbelschool doorlopen. In zijn familie kan hij niet wijzen op iemand, bijvoorbeeld zijn vader of een voorvader, die naam heeft gemaakt te midden van Gods volk (vgl. Gl 1:11Paulus, apostel, niet vanwege mensen, ook niet door een mens, maar door Jezus Christus en God [de] Vader, Die Hem uit [de] doden heeft opgewekt,).

Zo waren de eerste apostelen eenvoudige vissers en ongeletterde mensen (Hd 4:1313Toen zij nu de vrijmoedigheid van Petrus en Johannes zagen en merkten dat zij ongeletterde en eenvoudige mensen waren, verwonderden zij zich; en zij herkenden hen dat zij met Jezus waren geweest.). In het boek Richteren zien we hoe God, om Zijn volk te bevrijden uit de macht van de vijanden, vaak gebruikmaakt van mensen die een bepaalde zwakheid hebben. Van de Heer Jezus is gezegd: “Hoe komt Deze zo geleerd zonder [in door farizeeën erkende scholen] onderwezen te zijn?” (Jh 7:1515De Joden dan verwonderden zich en zeiden: Hoe is Deze zo geleerd zonder onderwezen te zijn?; Zc 13:55Maar hij zal zeggen: Ik ben geen profeet. Ik ben een man die het land bewerkt, omdat iemand mij [daarvoor] heeft geworven vanaf mijn jeugd.).

Amos is veehouder en kweekt moerbeivijgen. Hij getuigt met grote vrijmoedigheid van zijn afkomst en bezigheden, omdat dit een extra bewijs vormt dat niet hij belangrijk is, maar zijn Zender en de boodschap die hij namens Hem brengt.


Het werktuig van de HEERE

15De HEERE haalde mij echter achter de kudde vandaan en de HEERE zei tegen mij: Ga heen, profeteer tegen Mijn volk Israël!

Uit het antwoord dat Amos aan Amazia geeft, blijkt dat hij, ondanks zijn nederige afkomst en zijn maatschappelijk lage status, totaal niet onder de indruk is van de woorden die Amazia uitspreekt. Waarom zou hij ook? De HEERE heeft iets met hem gedaan en iets tegen hem gezegd.

Hij heeft iets moeten loslaten. Dat is vaak de eerste oefening die ieder krijgt die iets voor de Heer wil doen. Hoe het precies bij Amos is gegaan, wordt ons niet meegedeeld. Als een zorgzame veehouder zal hij zich hebben afgevraagd wie er op zijn vee moest passen als hij wegging. Maar de HEERE heeft hem de rust gegeven dat hij daar niet over in moest zitten. Als Hij roept, zal Hij ook voor zijn vee zorgen (vgl. Mt 4:2222en zij lieten terstond het schip en hun vader achter en volgden Hem.). Amos moest zijn vee laten waar het was, in het vertrouwen dat de HEERE ervoor zou zorgen, en gaan doen wat de HEERE hem heeft opgedragen.

De opdracht was duidelijk: “Ga heen, profeteer tegen Mijn volk Israël.” Kort en krachtig vertelt Amos aan Amazia dat de enige reden om te spreken ligt in het feit dat de HEERE hem heeft geroepen. Zoals al eerder is opgemerkt, is dit geen gemakkelijke taak. Toch weet Amos zich gesteund door de HEERE Zelf, want Hij heeft gesproken van “Mijn volk Israël”. Hierin klinkt de liefde van God voor Zijn volk door. Dat er “tegen” hen geprofeteerd moet worden, verandert niets aan die liefde, het is er juist een uiting van. Als Zijn volk niet meer met Hem wandelt, moet Hij hen tegenkomen. Amos vertolkt de stem en de gevoelens van God.


Een woord tot Amazia

16Nu dan, hoor het woord van de HEERE. U zegt: U mag niet profeteren tegen Israël, en: U mag [uw woorden] niet laten stromen tegen het huis van Izak!

De boodschapper kwalijk behandelen, is zijn zender kwalijk behandelen. Een ambassadeur minachten, is zijn koning minachten. Een voorbeeld daarvan zien we in wat Hanun de boden van David aandoen (1Kr 19:1-61Het gebeurde daarna dat Nahas, de koning van de Ammonieten, stierf, en zijn zoon werd koning in zijn plaats.2Toen zei David: Ik zal goedertierenheid bewijzen aan Hanun, de zoon van Nahas, want zijn vader heeft mij goedertierenheid bewezen. En David stuurde boden om hem te troosten vanwege zijn vader. Toen de dienaren van David [echter] in het land van de Ammonieten aankwamen om hem te troosten,3zeiden de vorsten van de Ammonieten tegen Hanun: Eert David uw vader in uw ogen door mannen naar u toe te sturen om u te troosten? Zijn zijn dienaren niet naar u toe gekomen om het land te onderzoeken, het ondersteboven te keren en het te verkennen?4Daarop nam Hanun de dienaren van David, schoor hen en sneed hun kleren halverwege af, tot aan de heupen, en liet hen gaan.5Zij gingen [op weg]. Toen men David over de mannen vertelde, stuurde hij hun [boden] tegemoet, want deze mannen waren zeer te schande gemaakt. De koning zei: Blijf in Jericho tot uw baard [weer] aangegroeid is en kom [dan] terug.6Toen de Ammonieten zagen dat zij zich bij David in een kwade reuk hadden gebracht, stuurde Hanun met de Ammonieten duizend talent zilver om wagens en ruiters voor zich te huren uit Mesopotamië, uit Syrië-Maächa en uit Zoba.). Vlijmscherp is de reactie van Amos tegen de man die zogenaamd een ambtsdrager is. Hier botst de ware godsdienst op de valse. Amos geeft niet letterlijk weer wat Amazia heeft gezegd, maar wel precies de bedoeling ervan. De uitdrukking “woorden laten stromen” is een typische uitdrukking voor profeteren (Ez 21:22Mensenkind, richt uw gezicht op Jeruzalem, laat [uw woorden] stromen tegen de heiligdommen en profeteer tegen het land van Israël.; vgl. Jb 29:2222Na mijn woorden spraken zij niet opnieuw,
en míjn woorden druppelden op hen neer.
)
.

Dat het volk zich blijkbaar als “het huis van Izak” ziet, kan erop wijzen dat zij zich op hun positie beroemen als nageslacht van Abraham. Izak is de zoon van de belofte. Maar een dergelijk beroep is waardeloos als daar niet het geloof en de werken van Abraham mee verbonden zijn (Jh 8:39-4039Zij antwoordden en zeiden tot Hem: Onze vader is Abraham. Jezus zei tot hen: Als u kinderen van Abraham was, zou u de werken van Abraham doen;40maar nu tracht u Mij te doden, een Mens Die de waarheid tot u heeft gesproken die Ik van God heb gehoord; dat deed Abraham niet.).

Hij spreekt “het woord van de HEERE”. Dat is waarheid en duldt geen tegenspraak. Amazia had kunnen zeggen: ‘Dat heb ik niet gezegd.’ Dat doen velen die in verhullende taal spreken. Maar een man Gods weet de verborgen ondertoon eruit te halen, waardoor de ander in het licht geplaatst wordt. Uitvluchten zijn er niet, er wordt geen weerwoord van Amazia gehoord.


Verworpen door God

17Daarom, zo zegt de HEERE:
Uw vrouw zal in de stad hoererij bedrijven,
uw zonen en uw dochters zullen door het zwaard vallen,
en uw land zal met een meetsnoer verdeeld worden;
en ú zult sterven op onreine bodem,
en Israël zal zeker in ballingschap worden gevoerd,
weg uit zijn land.

Uit het oordeel dat Amos Amazia aanzegt, blijkt wel hoe ernstig het is om een profeet van God het zwijgen op te leggen. We lezen niet dat Amazia Amos heeft geslagen of op andere manieren heeft dwarsgezeten. Maar het verhinderen van het spreken van Gods Woord is zo erg, dat Amazia daarmee dit vreselijke oordeel over zich en zijn huis haalt. Laat het een waarschuwing zijn voor allen die God het zwijgen willen opleggen, want dat is wat Amazia in feite wilde.

Amos stelt hier het woord van de HEERE, “zo zegt de HEERE”, tegenover het woord van Amazia, “U zegt” (vers 1616Nu dan, hoor het woord van de HEERE. U zegt: U mag niet profeteren tegen Israël, en: U mag [uw woorden] niet laten stromen tegen het huis van Izak!). De priester die het woord van Amos tegenstaat, dat in feite dat van de HEERE is, zal persoonlijk de gevolgen van zijn tegenstand moeten dragen en Israël zal zeker in gevangenschap gaan. Wat met de priester en zijn gezin zal gebeuren, staat symbool voor wat met het volk zal gebeuren.

Zijn vrouw zal, nadat haar man is weggevoerd om in ballingschap – op “onreine bodem” wil zeggen buiten Israël – te sterven, als hoer in haar levensonderhoud gaan voorzien. Amazia is hoofdverantwoordelijk voor het oordeel dat zijn gezin treft, maar zijn vrouw zal hem niet in de weg hebben gestaan bij het uitoefenen van zijn aangematigd priesterschap, hem daarin misschien zelfs wel hebben gestimuleerd. Zijn kinderen delen in de gevolgen van dit slechte ouderschap. Als ze verloren gaan, is dat overigens wel om hun eigen zonden. Amazia heeft een akker en is blijkbaar niet van grondbezit uitgesloten (1Kn 2:2626En tegen de priester Abjathar zei de koning: Ga naar Anathoth, naar uw akkers, want u bent een man des doods. Op deze dag zal ik u echter niet ter dood brengen, omdat u de ark van de Heere HEERE voor mijn vader David uit gedragen hebt, en omdat u in alles waarin mijn vader onderdrukt werd, [ook] onderdrukt werd.), maar ook dit bezit zal hij kwijtraken.

Het stoppen van de mond van de profeet zal niet de voortgang van Gods Woord stoppen, want dat keert nooit leeg terug.


Lees verder