Amos
Inleiding 1 Oproep om te horen 2 Alleen u heb Ik gekend 3 Het eens zijn 4 Oorzaak en gevolg in het woud 5 Oorzaak en gevolg in het veld 6 Oorzaak en gevolg in de stad 7 De HEERE openbaart Zijn geheimenis 8 Er móet een reactie komen 9 Laat het horen 10 Waarom het oordeel komt 11 De vijand doet zijn werk 12 Een overblijfsel wordt gered 13 Een onderbreking 14 Oordeel over de valse godsdienst 15 Huizen worden verwoest
Inleiding

Amos 1-2 laten zien dat er geen onderscheid kan zijn tussen Israël en de volken als het gaat om de maatstaf van Gods heiligheid. Maar in Amos 3 zien we dat Israël wel een apart oordeel ondergaat. De reden daarvoor is dat te midden van alle volken Israël van God een speciale plaats heeft gekregen. Het is Zijn eigendomsvolk. Daarom komt er een speciaal oordeel over het volk dat de HEERE voor Zichzelf heeft uitverkoren. Daarover gaat het in de verzen 1-21Luister naar dit woord dat de HEERE tot u spreekt, Israëlieten, tot het hele geslacht dat Ik uit het land Egypte heb geleid:2Alleen u heb Ik gekend
uit alle geslachten op de aarde.
Daarom zal Ik u vergelden
al uw ongerechtigheden.
. De aankondiging van het oordeel heeft de HEERE aan de profeten opgedragen (verzen 3-83Gaan er twee samen
zonder elkaar ontmoet te hebben?4Brult een leeuw in het woud
als hij geen prooi heeft?
Laat een jonge leeuw vanuit zijn hol zijn stem klinken
zonder dat hij [iets] gevangen heeft?5Duikt een vogel in een strik op de aarde
als er geen val voor hem is?
Springt de strik van de grond op
als er niets gevangen is?6Of wordt in een stad de bazuin geblazen
zonder dat het volk beeft?
Of komt er kwaad in de stad voor
zonder dat de HEERE dat doet?7Voorzeker, de Heere HEERE doet niets tenzij Hij Zijn geheimenis heeft geopenbaard aan Zijn dienaren, de profeten.8De leeuw heeft gebruld.
Wie zou niet bevreesd zijn?
De Heere HEERE heeft gesproken.
Wie zou niet profeteren?
)
. De inhoud van het oordeel is dat de vijand het land zal binnenvallen, zijn bewoners zal ombrengen, de altaren van Bethel zal verwoesten en van de hoofdstad een puinhoop zal maken (verzen 9-159Laat het horen in de paleizen in Asdod
en in de paleizen in het land Egypte, en zeg:
Verzamel u op de bergen van Samaria,
en zie de grote verwarring in het midden daarvan
en alle verdrukking daarbinnen.10Want zij weten niet te doen wat recht is,
spreekt de HEERE,
zij die geweld en verwoesting in hun paleizen opslaan.11Daarom, zo zegt de Heere HEERE:
De tegenstander, ja, aan alle kanten van het land!
Hij zal uw vesting van u neerhalen,
uw paleizen zullen leeggeplunderd worden.12Zo zegt de HEERE:
Zoals een herder uit de muil van de leeuw
twee pootjes redt
of een stukje van het oor,
zo zullen de Israëlieten gered worden:
Zij die in Samaria zitten
op de hoek van een bed
en op het kussen van een rustbank.13Luister en waarschuw het huis van Jakob,
spreekt de Heere HEERE, de God van de legermachten.14Voorzeker, op de dag dat Ik
Israël zijn overtredingen zal vergelden,
zal Ik ook de altaren van Bethel vergelden.
Dan zullen de hoorns van het altaar afgehakt worden
en op de aarde vallen.15Ik zal het winterverblijf treffen
samen met het zomerverblijf,
zodat de ivoren huizen verloren gaan
en vele huizen weggevaagd worden,
spreekt de HEERE.
)
.

Wij kunnen hieruit leren. Evenals Israël toen de positie innam van Gods getuigenis, zo doet de christenheid dat nu. Als we die positie innemen, is het nodig dat we een getuigenis afleggen van Wie God is en dat dit gebeurt in overeenstemming met Wie God werkelijk is. Een wangetuigenis geeft een vals beeld van Hem. Helaas heeft de geschiedenis van de christenheid laten zien dat zij het er niet beter heeft afgebracht dan Israël. God zal dan ook de christenheid moeten oordelen. De beschrijving van dat oordeel vinden we in Openbaring 17-18.


Oproep om te horen

1Luister naar dit woord dat de HEERE tot u spreekt, Israëlieten, tot het hele geslacht dat Ik uit het land Egypte heb geleid:

De oproep “luister naar dit woord” horen we ook in Amos 4 en 5 (Am 4:11Luister naar dit woord,
koeien van Basan die op de berg van Samaria zijn,
u, die de geringen onderdrukt,
die de armen mishandelt,
die tegen hun heren zeggen:
Breng [ons iets], zodat wij kunnen drinken.
; 5:11Luister naar dit woord dat Ik aanhef over u, een klaaglied, huis van Israël.)
. Het zijn woorden die oproepen alle werk te staken om aandachtig naar “dit woord” te luisteren. Dat het een woord is “dat de HEERE tot u spreekt”, legt extra nadruk op het belang van het luisteren. Niemand minder dan de HEERE spreekt en het betreft niemand anders dan henzelf, de “Israëlieten”. Dit zijn stuk voor stuk dringende redenen om de oren te spitsen. Hier wordt tot het hele volk gesproken, Juda en de tien stammen, want er wordt verwezen naar het “het hele geslacht” dat de HEERE “uit het land Egypte” voerde.

Met deze woorden legt Amos tevens de verbinding met de oorsprong van hun volksbestaan. Bekend als ze zijn met hun volksgeschiedenis, weten ze dat Egypte het land is waar ze harde slavenarbeid hebben moeten verrichten. Nooit hadden ze zichzelf uit die slavernij kunnen bevrijden. Dat ze nu in Israël wonen, hebben ze te danken aan de bevrijdende liefde en kracht van de HEERE.


Alleen u heb Ik gekend

2Alleen u heb Ik gekend
uit alle geslachten op de aarde.
Daarom zal Ik u vergelden
al uw ongerechtigheden.

Het is het exclusieve voorrecht van Israël dat de HEERE hen kent. Kennen is hier een kennen in liefde en drukt een speciale intimiteit uit. De HEERE zegt hetzelfde van Jeremia, als Hij hem vertelt hoe Hij hem al heeft gekend vóór de moederschoot (Jr 1:5a5Voordat Ik u in de [moeder]schoot vormde, heb Ik u gekend;
voordat u uit de baarmoeder naar buiten kwam, heb Ik u geheiligd.
Ik heb u aangesteld tot een profeet voor de volken.
)
. Het woord ‘kennen’ sluit de gedachte in van het soevereine handelen van God, Die het voorwerp van Zijn kennis voor Zijn doel uitkiest en apart zet. Kennen is maar niet een ‘kennisnemen van’ of ‘bekend zijn met’, maar een kennis van het diepste wezen van het volk of een mens als iets waarmee uitdrukking wordt gegeven aan gemeenschap. Dat God Zijn volk kent, wil zeggen dat Hij er gemeenschap mee heeft.

Een volk dat zo’n speciale plaats heeft gekregen, kan niet anders dan ook een speciale beoordeling krijgen. Die speciale beoordeling klinkt door in het ernstige “daarom”. Israël meent dat het door zijn uitverkiezing en zijn bijzondere positie niet behandeld zal worden als de omringende volken. Maar God zal het volk juist vanwege zijn nauwe betrekking met Hem des te zwaarder straffen voor zijn zondig gedrag. Daarbij wordt geen enkele ongerechtigheid over het hoofd gezien: “Al uw ongerechtigheden.”

De maat van de relatie is altijd de maat van verantwoordelijkheid. Daarom is dit vers ook zo belangrijk voor christenen. Zij staan in een speciale relatie met God. De zonden die Gods volk bedrijft, zijn altijd smartelijker voor Hem dan de zonden van andere volken. Die andere volken leven in onwetendheid aangaande Hem, terwijl Hij Zijn volk heeft bekendgemaakt met Zijn wil.

Een voorbeeld kan helpen om dit verschil in behandeling te verduidelijken. Stellen we ons een groep jongens voor die iets doet wat niet mag. Een politieagent die net langs komt, grijpt er eentje in de kraag en geeft hem een flink pak slaag. Omstanders roepen: ‘Ze deden het allemaal!’ ‘Dat weet ik’, zegt de agent, ‘maar deze jongen is mijn zoon.’ Reken er maar op dat de agent thuis ook nog een hartig woordje met zijn zoon zal spreken.

In Leviticus 4 wordt ook duidelijk dat het wel degelijk uitmaakt wie een zonde begaat. Daar is het te zien aan de grootte van het offer dat in geval van een zonde moet worden gebracht. De zonde van een vorst, een vooraanstaand iemand onder het volk, wordt strenger genomen dan van een gewoon lid van het volk. De Heer Jezus spreekt in dezelfde zin (Lk 12:47-4847Die slaaf nu, die de wil van zijn heer heeft gekend, en [zich] niet bereid en niet naar zijn wil gedaan heeft, zal met vele [slagen] worden geslagen;48maar wie die niet gekend en dingen gedaan heeft die slagen waard zijn, zal met weinige worden geslagen. Ieder nu wie veel gegeven is, van hem zal veel worden geëist; en wie veel is toevertrouwd, van hem zal men des te meer vragen.; vgl. Mt 11:20-2420Toen begon Hij de steden waarin Zijn meeste krachten waren gebeurd, te verwijten dat zij zich niet hadden bekeerd:21Wee u, Chorazin, wee u, Bethsaïda, want als in Tyrus en Sidon de krachten waren gebeurd die in u zijn gebeurd, allang zouden zij zich in zak en as hebben bekeerd.22Ik zeg u evenwel: het zal voor Tyrus en Sidon draaglijker zijn in [de] dag van [het] oordeel dan voor u.23En u, Kapernaüm, zult u soms tot [de] hemel verhoogd worden? Tot [de] hades zult u worden neergestoten! Want als in Sodom de krachten waren gebeurd die in u zijn gebeurd, het zou tot op heden zijn gebleven.24Ik zeg u evenwel, dat het voor [het] land van Sodom draaglijker zal zijn in [de] dag van [het] oordeel dan voor u.).


Het eens zijn

3Gaan er twee samen
zonder elkaar ontmoet te hebben?

Als je met een ander op reis gaat of ergens aan gaat beginnen, is het van belang dat je samen eens goed hebt gekeken naar de verwachtingen die ieder van dit samengaan heeft. Dit geldt voor een huwelijk, een zaak, een reis. Als je samen met mensen op weg gaat, is het mogelijk dat een partij ongegronde of te hoge verwachtingen heeft. Dit samengaan kan dan menige teleurstelling opleveren, zo erg soms dat men weer uit elkaar gaat.

Hoe komt dat? Omdat de basis van de ‘onderhandelingen’ in de mens ligt, in zijn ideeën en opvattingen over het gaan van die weg. Vaak ook wordt men het eens door het doen van concessies en het sluiten van compromissen. Ook dat blijkt geen stevige basis te zijn. Het proces dat enkele kerken onder de naam ‘Samen op weg’ hebben doorgemaakt, met als uitkomst de protestantse kerk in Nederland, is daarvan een voorbeeld.

Anders is het als God bij dit samengaan is betrokken. En daarover gaat het hier. Wie samen op weg wil gaan met God, zal het met Hem niet op een akkoordje kunnen gooien. Samen op weg gaan met God kan alleen als je het in een ontmoeting met Hem eens geworden bent met Hem. Hem ontmoeten betekent in Zijn tegenwoordigheid komen en je helemaal aanpassen aan Zijn heiligheid. Het is onmogelijk met God te wandelen zonder met Hem in het reine te zijn. Wandelen met God, met Hem op weg zijn, kan alleen door je af te zonderen van het kwaad. Op weg zijn met God betekent naar Hem luisteren, gehoorzaam zijn aan Zijn Woord.

Je gaat toch niet met een ander op weg, zonder dat je het eens met hem bent geworden? Anders moet je er niet aan beginnen. Voor Amos is het duidelijk. Hij zit op één lijn met God, hij is het volkomen met Hem eens. Amos en God trekken gelijk op. Daarom kan Amos zo door God worden gebruikt als Zijn profeet, als Zijn mond. Amos spreekt de taal van God, en, hoe schitterend, Amos spreekt ook de taal van het volk. De taal van God komt tot het volk in verstaanbare woorden.

Amos gaat in de volgende verzen aan de hand van uit het leven gegrepen voorbeelden het recht en de plicht om te profeteren ondersteunen. Hij doet dat omdat de aankondiging van de straf op de ongerechtigheden weerstand oproept. Hij gaat toelichten dat God niet met oordeel dreigt als daar geen reden voor is, als Hij niet een volk voor Zich heeft dat rijp is voor dat oordeel. Daarom houdt de vraag van dit vers tevens een oproep tot bekering in, een oproep om in overeenstemming te komen met God. Zo niet, dan zal Hij hun tegenstander moeten zijn (Lv 26:23-2423En als u zich hierdoor nog] niet laat bestraffen en tegen Mij blijft ingaan,24dan zal Ik Zelf ook tegen u ingaan en zal Ik Zelf u vanwege uw zonden ook zeven [keer] harder slaan.).


Oorzaak en gevolg in het woud

4Brult een leeuw in het woud
als hij geen prooi heeft?
Laat een jonge leeuw vanuit zijn hol zijn stem klinken
zonder dat hij [iets] gevangen heeft?

Vers 33Gaan er twee samen
zonder elkaar ontmoet te hebben?
is de eerste van zeven indringende vragen die in deze verzen achtereenvolgens worden gesteld. Amos neemt ons voor de volgende vragen
1. eerst mee naar het woud (vers 44Brult een leeuw in het woud
als hij geen prooi heeft?
Laat een jonge leeuw vanuit zijn hol zijn stem klinken
zonder dat hij [iets] gevangen heeft?
)
,
2. dan naar het veld (vers 55Duikt een vogel in een strik op de aarde
als er geen val voor hem is?
Springt de strik van de grond op
als er niets gevangen is?
)
,
3. en ten slotte naar de stad (vers 66Of wordt in een stad de bazuin geblazen
zonder dat het volk beeft?
Of komt er kwaad in de stad voor
zonder dat de HEERE dat doet?
)
.

Na de inleidende vraag van vers 33Gaan er twee samen
zonder elkaar ontmoet te hebben?
zijn de volgende vragen bedoeld om ons te laten nadenken over oorzaak en gevolg. God wil ons leren en duidelijk maken dat er niets ‘toevallig’ gebeurt.

Een leeuw brult niet zomaar. Zijn gebrul heeft een oorzaak, een aanleiding. Zo is wat in onze levens gebeurt niet het resultaat van blinde krachten, maar van een vastgesteld plan van God in Wiens hand ons leven is. Hij leidt ons leven en controleert alle gebeurtenissen.

Nu kan iemand denken: ‘Maar God leidt mij toch niet als ik een weg van zonde kies?’ Nee, dat leidt God ook niet, maar Hij leidt wel de omstandigheden op een wijze dat Hij ons daardoor wil terugbrengen naar Hemzelf. God staat altijd boven het kwaad en de zonde. In de volgende verzen werkt Amos dit uit.

Amos als veefokker weet wat het brullen van de leeuw betekent: het is een waarschuwing van naderend gevaar. Dit brullen van de leeuw ziet op de machtige stem van God die Hij laat horen. De oorzaak is de zonde van Zijn volk, waarover Hij het oordeel moet brengen.

Toch handelt God niet zonder Zijn volk eerst te waarschuwen. Vandaar dat Hij Zijn machtige stem verheft door Zijn profeten aan wie Hij heeft geopenbaard wat Hij gaat doen (vers 77Voorzeker, de Heere HEERE doet niets tenzij Hij Zijn geheimenis heeft geopenbaard aan Zijn dienaren, de profeten.). In Zijn oordeel over Zijn volk stelt de HEERE Zich voor als een leeuw en een jonge leeuw (vgl. Hs 5:1414Want Ik zal voor Efraïm zijn als een felle leeuw,
voor het huis van Juda als een jonge leeuw.
Ik, Ik verscheur en ga;
Ik sleep weg en er zal geen redder zijn.
)
. Een jonge leeuw kan zien op een geringer of gedeeltelijk oordeel.


Oorzaak en gevolg in het veld

5Duikt een vogel in een strik op de aarde
als er geen val voor hem is?
Springt de strik van de grond op
als er niets gevangen is?

In vers 44Brult een leeuw in het woud
als hij geen prooi heeft?
Laat een jonge leeuw vanuit zijn hol zijn stem klinken
zonder dat hij [iets] gevangen heeft?
komt het feit tot uiting dat de HEERE het volk als prooi al in Zijn macht heeft. Hij verscheurt nog niet, maar brult. Hij waarschuwt als het ware nog. In de eerste vraag van vers 55Duikt een vogel in een strik op de aarde
als er geen val voor hem is?
Springt de strik van de grond op
als er niets gevangen is?
zien we dat Israël zelf schuld heeft aan deze situatie. Zoals een vogel op een lokaas afschiet en dan in de strik wordt gevangen, zo schiet iemand in het verderf omdat de zonde hem daarin trekt. Het lokaas is de zonde.

Het volk heeft het verderf over zich afgeroepen door niet met God te wandelen en de weg van de zonde te kiezen. De zin is: Kan het verderf wel iemand treffen, wanneer niet zijn zonde hem daarin trekt? Niemand wordt in het verderf gestort zonder het zelf te zoeken.

De eerste vraag in dit vers gaat over het gedrag van de vogel. De tweede vraag gaat over de werking van de strik. Beide delen van het vers gaan over de zonde van Israël, maar benaderen die vanuit een verschillend gezichtspunt. De strik stelt het oordeel van God voor. Hij maakt hen die zondigen tot Zijn gevangenen. De strik staat symbool voor de middelen die God ter beschikking staan en die doeltreffend zijn in het gebruik. Ze zullen doel treffen omdat Israël de weg van de zonde is gegaan.

Maar er gaat een waarschuwing aan het oordeel vooraf. Die zien we in het volgende vers.


Oorzaak en gevolg in de stad

6Of wordt in een stad de bazuin geblazen
zonder dat het volk beeft?
Of komt er kwaad in de stad voor
zonder dat de HEERE dat doet?

Elke vorige vraag begint met het gevolg: bijvoorbeeld de vogel wordt gevangen, en daarna komt pas de oorzaak: vanwege lokaas. Die volgorde wordt nu omgedraaid. We hebben nu eerst de oorzaak: het blazen van de bazuin, en daarna dat het gevolg ervan: het beven of opschrikken van de inwoners van de stad. Het geluid van de bazuin vanaf de stadsmuur waarschuwt de stad dat er indringers in aantocht zijn (Ez 33:1-31Het woord van de HEERE kwam tot mij:2Mensenkind, spreek tot uw volksgenoten, en zeg tegen hen: Wanneer Ik een zwaard over een land breng, en de bevolking van dat land neemt een man ergens uit hun omgeving en stelt die voor zichzelf tot wachter aan,3en die ziet het zwaard over het land komen, en blaast op de bazuin en waarschuwt het volk,).

De bazuin stelt de stem van de profeten voor. Er wordt niet naar geluisterd (Jr 6:1717Ik heb wachters over u aangesteld:
Sla acht op het geluid van de bazuin!
Maar zij zeggen: Daar slaan wij geen acht op.
)
, omdat de mensen zich vergapen aan hun welvaart. Ze gaan door alsof er geen gevaar dreigt en er geen waarschuwing klinkt. Elke ramp die een mens of een gemeenschap van mensen, een stad, treft, is door God bedoeld als een tuchtiging. Het woord ‘tuchtiging’ heeft voor sommigen een negatieve klank. Maar het heeft te maken met opvoeding. De betekenis ervan is ‘trekken’. God tuchtigt om Zijn volk op te voeden en tot Zich te trekken. Ook hoeft tuchtiging niet altijd ‘correctief’ te zijn, als gevolg van begane zonden. Het kan ook ‘preventief’ zijn, om te voorkomen dat we zondigen.

Een andere fout die we kunnen maken als we worden getuchtigd, is dat we blijven steken bij de middelen die God gebruikt om te tuchtigen. Dat is het geval als we onze eigen verklaringen gaan geven voor bijvoorbeeld ziekte, een ongeluk, werkloosheid, kinderen die een eigen weg gaan, terwijl we niet denken aan het feit dat God ons deze dingen doet overkomen. We moeten leren niet te kijken naar tweede oorzaken, de instrumenten, want er is niets dat buiten Hem om gebeurt. Geen musje valt op de aarde zonder de wil van de Vader (Mt 10:2929Worden niet twee musjes voor een penning verkocht? En niet een van hen zal op de aarde vallen zonder uw Vader.). Hoeveel te minder kan een ramp een stad treffen zonder Hem.

Het voorgaande is niet bedoeld als een goedkope oplossing voor ongelooflijk diepingrijpende en schokkende gebeurtenissen of zelfs misdrijven die iemand zijn overkomen. Er zijn daden die iemand kunnen worden aangedaan, die iemands leven kunnen verwoesten. In zulke gevallen kun je alleen maar hopen en bidden dat het slachtoffer er uiteindelijk toe kan komen zich toch volkomen aan God toe te vertrouwen. Hij was erbij toen dat vreselijke gebeurde.

Hij heeft niet ingegrepen, dat is waar. Maar dat wil niet zeggen dat Hij dit vreselijke wilde of het er zelfs maar mee eens was. Hij heeft meegehuild. Wie ertoe kan komen over deze persoonlijke ramp en de veroorzaker ervan heen de blik op God te richten, zal Zijn vertroosting en verzachting van de pijn op weg naar genezing gaan ondervinden.

De gedachte aan de zonde, alsof God die zou bewerken, is volledig misplaatst. Dat is ook niet wat Amos zegt. Het is altijd, en zeker hier, noodzakelijk het verband te zien van de verzen eromheen. Dan wordt duidelijk dat God niet de Bewerker, de Auteur van de zonde is. Het kwaad heeft hier een straffend karakter. Het betreft een ramp, zoals een inval door vijandelijke machten, het zwaard, hongersnood of pest, als het noodzakelijke gevolg van de zonde (Js 45:77Ik formeer het licht en schep de duisternis,
Ik maak de vrede en schep het onheil;
Ik, de HEERE, doe al deze dingen.
)
.


De HEERE openbaart Zijn geheimenis

7Voorzeker, de Heere HEERE doet niets tenzij Hij Zijn geheimenis heeft geopenbaard aan Zijn dienaren, de profeten.

Het is een enorm voorrecht dat God vertelt wat Hij van plan is. Dit voorrecht is het deel van de ‘vrienden’ van de Heer Jezus, Zijn discipelen (Jh 15:1515Ik noem u niet meer slaven, want de slaaf weet niet wat zijn heer doet; maar Ik heb u vrienden genoemd, omdat Ik u alles wat Ik van Mijn Vader heb gehoord, bekendgemaakt heb.). Aan alle christenen heeft God door Zijn Geest geopenbaard wat Hij heeft bereid voor hen die Hem liefhebben (1Ko 2:10-1610Want ons heeft God het geopenbaard door de Geest; want de Geest onderzoekt alle dingen, zelfs de diepten van God.11Want wie van de mensen kent het innerlijk van de mens, dan de geest van de mens die in hem is? Zo kent ook niemand het innerlijk van God, dan de Geest van God.12En wij hebben niet de geest van de wereld ontvangen, maar de Geest Die uit God is, opdat wij weten de dingen die ons door God geschonken zijn.13Hiervan spreken wij ook, niet met woorden door menselijke wijsheid geleerd, maar met [woorden] door [de] Geest geleerd, terwijl wij geestelijke [dingen] door geestelijke [woorden] meedelen.14Maar [de] natuurlijke mens neemt niet aan wat van de Geest <van God> is, want het is hem dwaasheid, en hij kan het niet begrijpen, omdat het geestelijk beoordeeld wordt.15Maar wie geestelijk is, beoordeelt alle dingen, maar hijzelf wordt door niemand beoordeeld.16Want ‘wie heeft [het] denken van [de] Heer gekend, dat hij Hem zou onderrichten?’ Maar wij hebben [het] denken van Christus.). En Petrus schrijft in zijn tweede brief over aanstaande gebeurtenissen en besluit zijn brief met: “U dan, geliefden, nu u dit van tevoren weet, weest op uw hoede” (2Pt 3:1717U dan, geliefden, nu u dit van tevoren weet, weest op uw hoede dat u niet, door de dwaling van de zedelozen meegesleept, afvalt van uw eigen standvastigheid;).

Hoe komt het dan dat toch zoveel mensen niet op de hoogte zijn van Gods voornemens? Omdat ze niet voldoen aan de voorwaarden die daaraan verbonden zijn. Zijn we ‘vrienden’ van de Heer Jezus, volgelingen, discipelen, van Hem? Hebben we God echt lief en laten wij ons leiden door de Heilige Geest? Want de dingen van God worden alleen door geestelijk gezinde christenen begrepen. Lezen we in Gods Woord om te weten wat erin staat? God heeft alles meegedeeld, maar we moeten er wel kennis van nemen. En zijn we bereid te doen wat Hij zegt?

Dit laatste is, waar Amos het over heeft. Hij spreekt over “Zijn dienaren”. Een dienaar is iemand die in dienst staat van een baas en van wie verwacht wordt dat hij de bevelen van zijn baas uitvoert. Aan zulke mensen kan God Zijn raad openbaren. Aan hen kan Hij de dingen bekendmaken die Hij gaat doen. Als we Gods mededelingen ter harte nemen over wat Hij gaat doen, kunnen we een zekere weg gaan. Alles wat Hij te vertellen heeft, heeft Hij ons in Zijn Woord bekendgemaakt.

We lezen in het Oude Testament hoe Hij dienaren als Noach, Abraham, Jozef en vele anderen in vertrouwen heeft genomen aangaande oordelen die zouden komen. In het Nieuwe Testament lezen we hoe de Heer Jezus Zijn discipelen heeft verteld over toekomstige gebeurtenissen (Lk 21:20-2420Wanneer u nu Jeruzalem door legerkampen omsingeld ziet, weet dan dat haar verwoesting nabij gekomen is.21Laten dan zij die in Judéa zijn, vluchten naar de bergen; en zij die in haar midden zijn, er uittrekken, en die in de landstreken zijn, niet in haar binnengaan.22Want dit zijn dagen van wraak, opdat alles wat geschreven staat, vervuld wordt.23Wee de zwangeren en de zogenden in die dagen; want er zal grote nood zijn in het land en toorn over dit volk.24En zij zullen vallen door [het] scherp van [het] zwaard en als gevangenen worden weggevoerd onder alle volken; en Jeruzalem zal door [de] volken worden vertrapt, totdat [de] tijden van [de] volken zijn vervuld.). En hebben wij niet “het profetische woord” (2Pt 1:1919En [zo] hebben wij het profetische woord des te vaster, en u doet er goed aan daarop acht te geven als op een lamp die schijnt in een duistere plaats, totdat [de] dag aanbreekt en [de] morgenster opgaat in uw harten.), zoals het hele boek Openbaring? Wat doen wij met al die vertrouwelijke mededelingen van onze Heer?


Er móet een reactie komen

8De leeuw heeft gebruld.
Wie zou niet bevreesd zijn?
De Heere HEERE heeft gesproken.
Wie zou niet profeteren?

Amos past de voorbeelden van oorzaak en gevolg niet alleen op zijn hoorders toe. Hij doet er zelf ook wat mee. Zijn spreken is het gevolg van het spreken van de HEERE. Hij móet spreken omdat hij als profeet in een directe verbinding met Hem staat. Wat Amos heeft gezegd en nog gaat zeggen, lijkt voor de hoorders allerminst een Godswoord. Het volk kan in afwijzing zeggen: ‘Hoe kán die man zo spreken, waar haalt hij het lef vandaan?’ En Amos zegt: ‘Ik kán niet anders, want de HEERE heeft gesproken.’

Geen leeuw brult zonder roof, geen vogel wordt gevangen zonder lokaas en geen profeet spreekt zonder een woord van de HEERE te hebben vernomen. En als Die spreekt, kán hij niet zwijgen. Amos bewijst met de aangehaalde voorbeelden dat hij wel móet spreken, wánt de HEERE heeft tot hem gesproken. Wie kritiek heeft op Amos, heeft kritiek op de HEERE.

De HEERE heeft Zijn waarschuwende stem met grote kracht in allerlei gebeurtenissen laten horen. Velen zijn er doof voor gebleven. De profeten zijn Gods stem tot het geweten van het volk. Zij willen nog een keer wijzen op Gods waarschuwingen, opdat het volk alsnog tot inkeer zal komen. Wie op de hoogte is van wat God gaat doen, kan niet anders dan daarover spreken (Hd 4:2020want ons is het onmogelijk niet te spreken over wat wij hebben gezien en gehoord.; Jr 20:99Zei ik: Ik zal niet aan Hem denken,
ik zal niet meer spreken in Zijn Naam,
dan werd het in mijn hart als brandend vuur,
opgesloten in mijn beenderen.
Wel deed ik moeite om [het] in te houden,
maar ik kon [het] niet.
; 1Ko 9:1616Want als ik het evangelie verkondig, strekt het mij niet tot roem, want [de] noodzaak is mij opgelegd; want wee mij, als ik het evangelie niet verkondig!)
. Als wij overtuigd zijn van de waarheid van Gods Woord en de ernst van het oordeel dat daarin wordt aangekondigd over hen die God ongehoorzaam zijn, zal dat ons aansporen om van de Heer Jezus te getuigen: “Daar wij dan weten hoezeer de Heer te vrezen is, overreden wij [de] mensen” (2Ko 5:1111Daar wij dan weten hoezeer de Heer te vrezen is, overreden wij [de] mensen; maar voor God zijn wij openbaar geworden, en ik hoop dat wij ook in uw gewetens openbaar zijn geworden.).

We mogen daarbij niets anders doorgeven dan wat God ons heeft verteld. Een eigenzinnige uitleg van wat Hij heeft gezegd, is ontoelaatbaar. Als Hij niet heeft gesproken, is elke uitspraak van de ene mens net zo weinig waard als die van een ander; de ene filosoof is net zo weinig waard als de andere. De waarde ervan is nihil, om van een schadelijke uitwerking maar niet te spreken. Alleen het Woord van God houdt eeuwig zijn waarde en bewijst in alle tijden en situaties zijn geldigheid. Wie dat eenmaal heeft ingezien, wil graag dit Woord aan anderen doorgeven.


Laat het horen

9Laat het horen in de paleizen in Asdod
en in de paleizen in het land Egypte, en zeg:
Verzamel u op de bergen van Samaria,
en zie de grote verwarring in het midden daarvan
en alle verdrukking daarbinnen.

Na de rechtvaardiging van zijn dienst als profeet verkondigt Amos nu zonder enige terughoudendheid het oordeel dat over de tien stammen moet komen. De opdracht van de HEERE aan de profeten is: “Laat het horen.” Zij moeten Asdod en Egypte oproepen tot getuigen van de gewelddadigheden en gruwelen die zich afspelen in de paleizen van Samaria. Daarvoor moeten ze op de bergen van Samaria plaatsnemen en zien wat zich daar afspeelt. Van wat ze hebben gezien, moeten ze weer getuigenis afleggen tegenover Israël.

Door deze handelwijze van de HEERE wordt de overmaat van de zonden van Israël op beschamende wijze voorgesteld (vgl. 2Sm 1:2020Maak het niet bekend in Gath,
breng de boodschap niet op de straten van Askelon,
anders verblijden de dochters van de Filistijnen zich,
anders springen de dochters van de onbesnedenen op van vreugde.
)
. Wat een vernedering is het voor het volk van God als het door heidenen beoordeeld moet worden. Soms heeft de wereld een juister oordeel over het kwaad bij Gods volk dan de christen zelf. De Filistijnen, voorgesteld in de stad Asdod, zijn het volk dat het dichtst bij hen ligt. Egypte is het bekende grote rijk.

Wat God heeft bekendgemaakt, moet worden gepredikt, dichtbij en veraf. Door hen tot getuigen te maken van de zonden die Samaria bedrijft, moeten de vijanden begrijpen dat God hen terecht gebruikt om Zijn volk te tuchtigen. Asdod en Egypte worden opgeroepen om getuigen te zijn van Israëls ongerechtigheid die hier tot uiting komt in rustverstoring en onderdrukking. Er wordt algemeen (sociaal) onrecht gepleegd, en machtigen misbruiken hun positie om anderen te onderdrukken. Het hele maatschappelijke leven is ontwricht (Pr 4:11Opnieuw zag ik al de onderdrukking die er onder de zon plaatsvindt. En zie, de tranen van de onderdrukten; zij hadden echter geen trooster. Aan de kant van hun onderdrukkers was macht, zij daarentegen hadden geen trooster.).

Overigens mag het feit dat God hen gebruikt om Zijn volk te tuchtigen de volken om hen heen niet tot de gedachte brengen dat zij zelf beter zijn. Om het in nieuwtestamentische taal te zeggen: ze zullen zich moeten realiseren dat “het oordeel begint bij het huis van God”. Daarna zal het hen treffen en wat zal hún einde zijn? (1Pt 4:1717Want het is nu <de> tijd dat het oordeel begint bij het huis van God; als het echter eerst bij ons [begint], wat zal het einde zijn van hen die het evangelie van God niet gehoorzamen?).


Waarom het oordeel komt

10Want zij weten niet te doen wat recht is,
spreekt de HEERE,
zij die geweld en verwoesting in hun paleizen opslaan.

“Zij weten niet te doen wat recht is”, wil zeggen dat recht doen hun totaal vreemd is. Het is een weg die ze nooit hebben bewandeld, ze hebben er in het geheel geen kennis van. Wat ze kennen en doen is het omgekeerde: ze stapelen onrecht en geweld op in hun burchten of paleizen.

Hoe beeldend is hier de taal van Amos. Hun huizen zijn net pakhuizen, gevuld met allerlei welvaartsgoederen. Maar met het opstapelen van deze goederen stapelen zij ook hun sociale zonden op, want hun voorraad hebben ze te danken aan geweld en onderdrukking. Als je naar die opgestapelde goederen kijkt, zie je hun opgestapelde zonden. Hun morele zinnen zijn zo verwrongen, dat ze geen onderscheid meer kennen tussen goed en kwaad. Het doen van onrecht is hun tot natuur geworden.

Het optreden tegen het onderdrukken van de armen en sociaal zwakken door de rijken en machtigen is een element waarop Amos steeds weer terugkomt (Am 2:66Zo zegt de HEERE:
Vanwege drie overtredingen van Israël,
ja, vanwege vier, zal Ik er niet op terugkomen,
omdat zij de rechtvaardige voor geld verkopen
en de arme voor een paar schoenen.
; 4:11Luister naar dit woord,
koeien van Basan die op de berg van Samaria zijn,
u, die de geringen onderdrukt,
die de armen mishandelt,
die tegen hun heren zeggen:
Breng [ons iets], zodat wij kunnen drinken.
; 5:7,10,12,157[Wee hun] die recht in alsem veranderen,
die gerechtigheid ter aarde doen liggen.10Zij haten wie in de poort opkomt voor het recht,
zij hebben een afschuw van wie de waarheid spreekt.12Want Ik weet dat uw overtredingen veel zijn,
en uw zonden talrijk:
u drijft de rechtvaardige in het nauw, u neemt zwijggeld aan,
u duwt armen in de poort opzij.15Haat het kwade en heb het goede lief,
handhaaf het recht in de poort.
Misschien zal de HEERE, de God van de legermachten, genadig zijn
voor het overblijfsel van Jozef.
; 6:3,123[U,] die de onheilsdag ver van u afhoudt,
maar de zetel van het geweld naderbij brengt;12Rennen paarden op een rots?
Ploegt men er met runderen?
Ja, u hebt recht in gal veranderd,
en de vrucht van de gerechtigheid in alsem.
; 8:55door te zeggen: Wanneer is de nieuwemaansdag voorbij, zodat wij graan kunnen verkopen? En de sabbat, zodat wij de korenschuren kunnen openen? U maakt de efa kleiner, de sikkel groter, en u bedriegt met valse weegschalen.)
.


De vijand doet zijn werk

11Daarom, zo zegt de Heere HEERE:
De tegenstander, ja, aan alle kanten van het land!
Hij zal uw vesting van u neerhalen,
uw paleizen zullen leeggeplunderd worden.

Ze zullen met verrukking hun telkens grotere stapels goederen hebben bekeken. Maar het plezier erin zal hun vergaan. Hun luxe woningen zullen door de vijand worden leeggeplunderd. Dat is het gevolg als God anders naar onze goederen kijkt dan wij doen. Hij ziet elke vermeerdering van hun bezit als een vermeerdering van hun zonden, vanwege de onrechtmatige manier waarop ze het verkregen hebben.

Zijn oordeel over hun zonden wordt door Amos gezien en wat hij ziet, geeft hij door. De vijand zal het land van alle kanten aanvallen en innemen. Hij zal het land omsingelen (vgl. Lk 19:4343Want er zullen dagen over u komen dat uw vijanden een wal rondom u zullen opwerpen en u zullen omsingelen en u van alle zijden benauwen;) en het hoogmoedige volk vernederen door hun “vesting”, dat zijn de muren en torens, neer te halen en hun “paleizen”, dat zijn hun luxueuze woningen, te verwoesten. Het is het meest voor de hand liggend bij de vijand te denken aan Assyrië, die in 722 v.Chr. de bevolking van het tienstammenrijk zal wegvoeren in de verstrooiing.


Een overblijfsel wordt gered

12Zo zegt de HEERE:
Zoals een herder uit de muil van de leeuw
twee pootjes redt
of een stukje van het oor,
zo zullen de Israëlieten gered worden:
Zij die in Samaria zitten
op de hoek van een bed
en op het kussen van een rustbank.

Van het volk dat zo in weelde en gerustheid leeft, zal nauwelijks iets overblijven, naar verhouding niets. Slechts een overblijfsel zal gered worden (Am 4:1111Ik heb u ondersteboven gekeerd,
zoals God Sodom en Gomorra ondersteboven keerde;
u werd als een stuk brandhout dat aan de vlammen ontrukt is,
maar u hebt zich niet tot Mij bekeerd,
spreekt de HEERE.
; 5:1515Haat het kwade en heb het goede lief,
handhaaf het recht in de poort.
Misschien zal de HEERE, de God van de legermachten, genadig zijn
voor het overblijfsel van Jozef.
; 9:88Zie, de ogen van de Heere HEERE
zijn [gericht] op dit zondige koninkrijk.
Ik zal het wegvagen
van de aardbodem.
Evenwel zal Ik het huis van Jakob niet geheel wegvagen,
spreekt de HEERE.
)
, een armzalig klein hoopje, niet eens een schaduw van de vroegere veelheid. Toch ís er een overblijfsel, zoals God altijd zal zorgen voor een overblijfsel en wel naar de verkiezing van Zijn genade (Rm 11:55Zo is er dan ook in de tegenwoordige tijd een overblijfsel naar [de] verkiezing van [de] genade.). Zo komen we later een Anna tegen, uit de stam van Aser (Lk 2:36-3836En er was een profetes, Anna, een dochter van Fanuël, uit [de] stam van Aser; deze was op zeer hoge leeftijd gekomen, nadat zij na haar maagdelijke staat zeven jaar met [haar] man had geleefd.37En zij was een weduwe van ongeveer vierentachtig jaar, die niet uit de tempel week, terwijl zij met vasten en bidden [God] diende, nacht en dag.38En zij kwam op datzelfde ogenblik daarbij en loofde God en sprak over Hem tot allen die [de] verlossing van Jeruzalem verwachtten.). Zij heeft geen winterhuis of zomerhuis (Am 3:1515Ik zal het winterverblijf treffen
samen met het zomerverblijf,
zodat de ivoren huizen verloren gaan
en vele huizen weggevaagd worden,
spreekt de HEERE.
)
, maar is dag en nacht in Góds huis.

Dit overblijfsel zal gekenmerkt worden door een evenwichtige wandel tot eer van God, waarvan de “twee pootjes” spreken, en een luisteren naar Hem, waaraan we mogen denken bij “een stukje van het oor”. Ook in de tegenwoordige tijd, die van de christenheid, waarin het verval hand over hand toeneemt en waarover Gods oordeel is aangekondigd, is er een overblijfsel. Dat bestaat uit allen die zich niet neerleggen bij de algehele neergang in de christenheid als gevolg van het steeds meer loslaten van het Woord van God.

In Openbaring 2-3 wordt het verval in de christenheid voorgesteld in de zeven zendbrieven aan de zeven gemeenten. Allen die niet meegaan met het in de betreffende brief genoemde kwaad, worden ‘overwinnaars’ genoemd. Zij vormen te midden van het geheel het overblijfsel. Hun kenmerken zijn: zij wandelen in trouw aan de Heer en aan Zijn Woord en zij hebben een oor om te horen.

Dit overblijfsel staat in schril contrast met de mensen op hun rustbedden en divans. Dat zijn de mensen van wie Petrus zegt: “Zij achten de zwelgpartij overdag een genot; zij zijn vlekken en smetten en zwelgen in hun bedriegerijen, als zij bij u brassen” (2Pt 2:1313en [het] loon van [de] ongerechtigheid ontvangen. Zij achten de zwelgpartij overdag een genot; zij zijn vlekken en smetten en zwelgen in hun bedriegerijen, als zij bij u brassen.). Zij baden zich in weelde en gemakzucht en omgeven zich met alles wat hun vleselijke genoegens bevredigen kan.


Een onderbreking

13Luister en waarschuw het huis van Jakob,
spreekt de Heere HEERE, de God van de legermachten.

Even wordt de oordeelsaanzegging onderbroken. Even een pauze om wat is gezegd, te laten bezinken. Die rust wordt gebruikt om een ernstige oproep tot het volk te richten. Dat het volk toch zou mogen horen! De Spreker wordt op grootse en indrukwekkende wijze aangeduid. De woorden: “Luister en waarschuw” komen van niemand minder dan “de Heere HEERE, de God van de legermachten”. Hij stelt Zich hier voor als hun “Heere”, Adonai, hun Gebieder. Hij is de “HEERE”, Jahweh, Die Zichzelf met hen in een verbondsbetrekking heeft gebracht. Hij staat aan het hoofd van alle hemelse en aardse legermachten, “God van de legermachten”.

Tot wie dit ‘luister’ is gericht, staat er niet bij. Een mogelijkheid is dat het weer gericht is tot de heidenen van vers 99Laat het horen in de paleizen in Asdod
en in de paleizen in het land Egypte, en zeg:
Verzamel u op de bergen van Samaria,
en zie de grote verwarring in het midden daarvan
en alle verdrukking daarbinnen.
. Ze hebben gezien wat Samaria doet. Ze hebben ook het strafgericht gehoord dat God daarover aankondigt. Nu moeten ze het huis van Jakob waarschuwen. “Waarschuw” is het plechtig verzekeren van wat is gezegd en waarschuwen dat komt wat is gezegd.


Oordeel over de valse godsdienst

14Voorzeker, op de dag dat Ik
Israël zijn overtredingen zal vergelden,
zal Ik ook de altaren van Bethel vergelden.
Dan zullen de hoorns van het altaar afgehakt worden
en op de aarde vallen.

Het oordeel over de altaren van Bethel herinnert aan het woord van de man Gods uit Juda in de dagen van Jerobeam I (1Kn 13:1-51En zie, er kwam een man Gods door het woord van de HEERE uit Juda naar Bethel, terwijl Jerobeam bij het altaar stond om een reukoffer te brengen.2Hij riep tot het altaar, door het woord van de HEERE, en zei: Altaar, altaar, zo zegt de HEERE: Zie, in het huis van David zal een zoon geboren worden, van wie de naam Josia zal zijn. Die zal op u de priesters van de hoogten offeren, die op u reukoffers brengen. Ja, men zal mensenbeenderen op u verbranden.3Op die dag gaf hij een teken: Dit is het teken waarvan de HEERE heeft gesproken: Zie het altaar zal scheuren en de as die erop ligt, zal eraf storten.4En het gebeurde, toen de koning het woord van de man Gods hoorde, dat deze tot het altaar in Bethel uitgeroepen had, dat Jerobeam zijn hand van op het altaar uitstrekte en zei: Grijp hem! Maar zijn hand, die hij tegen hem had uitgestrekt, verstijfde, zodat hij hem niet meer naar zich toe kon trekken.5En het altaar scheurde, en de as stortte van het altaar af, overeenkomstig het teken dat de man Gods door het woord van de HEERE had gegeven.). Het woord dat toen is gesproken, zal honderd jaar na Amos door Josia worden voltrokken (2Kn 23:15-1615En ook het altaar dat in Bethel stond, [en] de [offer]hoogte die Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël deed zondigen, gemaakt had – ook dat altaar en die [offer]hoogte brak hij af; ja, hij verbrandde de [offer]hoogte, verpulverde die tot stof en verbrandde de gewijde paal.16Toen Josia zich omkeerde en de graven zag die daar op de berg waren, stuurde hij [boden] en [liet] de beenderen uit de graven halen. Vervolgens verbrandde hij ze op dat altaar en verontreinigde dat, overeenkomstig het woord van de HEERE dat de man Gods verkondigd had, die deze woorden verkondigde.).

De horens zijn een belangrijk onderdeel van het altaar (Ex 27:22U moet dan zijn horens op de vier hoeken ervan maken; zijn horens moeten er één geheel mee vormen en u moet het met koper overtrekken.; 30:22zijn lengte moet een el zijn en zijn breedte een el – vierkant moet het zijn – en zijn hoogte twee el. De bijbehorende horens moeten er één geheel mee vormen.). Ze staan symbool voor de kracht van het altaar. Als de horens worden afgebroken, is het altaar verwoest en krachteloos in zijn werking. Ze zijn er dan ook niet meer om zich aan vast te grijpen om mogelijk aan het oordeel te ontkomen (1Kn 1:5050Maar Adonia was bevreesd voor Salomo. Hij stond op en ging weg, en greep de horens van het altaar vast.; vgl. Ex 21:12-1412Wie iemand [zó] slaat dat hij sterft, moet zeker gedood worden.13Maar [voor het geval] dat hij het er niet op toelegde, maar God het zijn hand liet overkomen, zal Ik voor een plaats voor u zorgen waar hij naartoe kan vluchten.14Maar wanneer iemand moedwillig tegen zijn naaste optreedt [en] hem met list doodt, moet u hem bij Mijn altaar vandaan halen, zodat hij zal sterven.).

Dit oordeel over de altaren is in feite het oordeel over heel de afgodendienst die in Bethel plaatsvindt. Omdat deze zonde van afgoderij eigenlijk de basis vormt voor de andere zonden, spreekt Amos, tussen de oordelen over weelde en onderdrukking door, dit oordeel over de valse godsdienst uit. In feite komt elk zondig gedrag dat een lid van het volk vertoont voort uit een zondige dienst aan God. Het is ook mogelijk de horens van het altaar te zien als een symbool van alles waar een mens zijn toevlucht toe meent te kunnen nemen in de (valse) zekerheid dat het daar wel goed zit.


Huizen worden verwoest

15Ik zal het winterverblijf treffen
samen met het zomerverblijf,
zodat de ivoren huizen verloren gaan
en vele huizen weggevaagd worden,
spreekt de HEERE.

Als ‘het huis van God’ – dat is de betekenis van de naam ‘Bethel’ – ten ondergaat, kan er voor geen enkel huis bestaansrecht meer zijn. Bethel doet zijn naam allang geen eer meer aan. God is vervangen door afgoden. Het oordeel over Bethel is in het vorige vers aangekondigd. Naarmate de welvaart meer nagejaagd wordt, verdwijnt God uit het zicht. De luxe waarin het volk zich baadt, is voor de plattelander Amos een ergernis. Meerdere keren barst hij daartegen met een gerechtvaardigde verontwaardiging los (Am 3:12,1512Zo zegt de HEERE:
Zoals een herder uit de muil van de leeuw
twee pootjes redt
of een stukje van het oor,
zo zullen de Israëlieten gered worden:
Zij die in Samaria zitten
op de hoek van een bed
en op het kussen van een rustbank.15Ik zal het winterverblijf treffen
samen met het zomerverblijf,
zodat de ivoren huizen verloren gaan
en vele huizen weggevaagd worden,
spreekt de HEERE.
; 5:1111Omdat u de arme vertrapt
en van hem een heffing op koren neemt,
daarom hebt u huizen van gehouwen steen kunnen bouwen,
maar u zult er niet in wonen;
begerenswaardige wijngaarden hebt u kunnen planten,
maar u zult de wijn ervan niet drinken.
; 6:1,4-61Wee de zorgelozen in Sion,
en de onbezorgden op de berg van Samaria,
de beroemdsten van de voornaamste van de volken,
en tot wie het huis van Israël komt.4[u,] die op bedden van ivoor ligt,
die op uw rustbanken hangt,
die lammeren uit het kleinvee eet,
kalveren uit het midden van de stal;5[u,] die vrolijk zingt onder het geklank van de luit
– zoals David hebben zij voor zichzelf muziekinstrumenten uitgedacht –6[u,] die wijn uit sprengbekkens drinkt
en u zalft met de beste olie,
maar om de ondergang van Jozef bekommert u zich niet.
)
.

De welvaart van de tijd van Amos laat zich eenvoudig vertalen naar de tijd waarin wij, christenen van de eenentwintigste eeuw, leven. De economie draait op volle toeren. Iedereen, zo wordt ons voorgehouden, gaat er steeds meer op vooruit. Als dit maar vaak genoeg wordt herhaald en ook nog tastbaar waar wordt, doemt het enorme gevaar op dat ook wij ons laten meeslepen door wat iemand eens noemde het ‘vooruitgangsgeloof’.

Zijn het ‘winterhuis’ en het ‘zomerhuis’ waarover Amos spreekt voor ons ook in letterlijke zin niet heel dichtbij? Heel wat christenen bezitten immers twee huizen? Eentje in Nederland voor de zomer, eentje in Spanje om daar de winter door te brengen. Om van iets maar één exemplaar te hebben, is niet altijd meer genoeg. Twee auto’s, twee keer per jaar op vakantie, twee mobiele telefoons en ga zo maar door.

We moeten alles dubbel hebben, vaak hebben we immers ook twee inkomens. En lukt het daarmee niet helemaal, dan nemen we een persoonlijke lening. Tja, je wilt niet achterblijven. Het geld ligt binnen handbereik. Een handtekening en de zaak is beklonken. We belijden dan wel christenen te zijn, maar leven we intussen niet net zo berekenend en egocentrisch als de mensen om ons heen? Waar in dit alles is de afhankelijkheid van God?

Maar dit woord is ook met alle kracht van toepassing op ons als we maar één huis en één auto hebben en als we maar één keer per jaar op vakantie gaan. We kunnen ons huis zo inrichten dat het kan dienen tot een verblijf waarin we in alle mogelijke situaties denken te kunnen overleven. We zijn op alles berekend en hebben ons tegen alle mogelijke calamiteiten ingedekt. En die ene vakantie moet en zal er komen. Daar zijn we aan toe en daar hebben we recht op. En onze ene auto heeft de plaats van een ‘altaar van Bethel’. Wat een offers worden er aan afgod auto gebracht! En maar poetsen, jongens; pas ook op dat er geen krasje op of deukje in komt. Het is ons statussymbool.

Weten we wel wie ook een winterhuis heeft? Koning Jojakim, de goddeloze zoon van de Godvrezende koning Josia. Wat doet hij daar? Het Woord van God kapotsnijden (Jr 36:16-2616Nu gebeurde het, zodra zij alle woorden hoorden, [dat] zij elkaar angstig aankeken en tegen Baruch zeiden: Al deze woorden moeten wij beslist aan de koning bekendmaken.17Zij vroegen Baruch: Maak ons toch bekend, hoe hebt u al deze woorden [die] uit zijn mond [kwamen], opgeschreven?18Baruch zei tegen hen: Met zijn [eigen] mond deelde hij mij al deze woorden mee, terwijl ik ze met inkt op deze boek[rol] schreef.19Toen zeiden de vorsten tegen Baruch: Ga heen, verberg u, u en Jeremia, zodat niemand weet waar u bent.20Zij gingen naar de koning in de voorhof [van het koninklijk paleis], maar de rol legden zij weg in de kamer van de schrijver Elisama. Toen maakten zij al deze woorden bekend ten aanhoren van de koning.21Daarop stuurde de koning Jehudi om de rol te halen. Hij haalde die uit de kamer van de schrijver Elisama. Toen las Jehudi eruit voor ten aanhoren van de koning en ten aanhoren van al de vorsten die rondom de koning stonden.22Terwijl de koning [in] het winterpaleis zat – het was de negende maand – met vóór hem een brandend kolenbekken,23gebeurde het, zodra Jehudi drie of vier kolommen had voorgelezen, [dat de koning] ze met een schrijversmes afsneed en in het vuur wierp dat in het kolenbekken was, totdat heel de rol verteerd was in het vuur dat in het kolenbekken was.24Zij schrokken niet en zij scheurden hun kleding niet, de koning evenmin als al zijn dienaren, die al deze woorden gehoord hadden.25Toch hadden Elnathan, Delaja en Gemarja er bij de koning op aangedrongen de rol niet te verbranden, maar hij heeft niet naar hen geluisterd.26Verder gaf de koning Jerahmeël, de zoon van de koning, Seraja, de zoon van Azriël, en Selemja, de zoon van Abdeël, bevel om de schrijver Baruch en de profeet Jeremia [gevangen] te nemen. Maar de HEERE hield hen verborgen.). We moeten er maar eens over nadenken hoeveel wij met al onze luxe al hebben ‘weggesneden’ van het Woord van God. En Achab, de meest goddeloze koning van Israël, heeft een ivoren huis (1Kn 22:3939Het overige nu van de geschiedenis van Achab, alles wat hij gedaan heeft, het ivoren huis dat hij gebouwd heeft en al de steden die hij gebouwd heeft, is dat niet beschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël?).

Maar al die welvaart zal door het oordeel worden weggenomen, verdwijnen. Het oordeel dat Amos over deze huizen aankondigt, is mogelijk voltrokken door de aardbeving waarover we lezen in het begin van zijn profetie. Maar zeker zal het gebeurd zijn bij de verovering van Samaria door Salmaneser (2Kn 17:5-75Vervolgens trok de koning van Assyrië het hele land door. Hij trok ook op naar Samaria en belegerde het drie jaar [lang].6In het negende jaar van Hosea nam de koning van Assyrië Samaria in en voerde Israël weg naar Assyrië. Hij liet hen wonen in Halah en in Habor, aan de rivier Gozan en in de steden van Medië.7Dit gebeurde omdat de Israëlieten gezondigd hadden tegen de HEERE, hun God, Die hen uit het land Egypte geleid had, onder de hand van de farao vandaan, de koning van Egypte. Zij hadden andere goden vereerd,).

De toepassing op onze tijd zien we in de crises op de woningmarkt. Mensen met torenhoge hypotheken zitten totaal aan de grond. Verplichte woningverkopen brengen mensen in grote financiële nood.


Lees verder