Amos
Inleiding 1-3 Oordeel over Moab 4-5 Oordeel over Juda 6 Oordeel over Israël 7 Harteloosheid en seksueel wangedrag 8 De rechten van de naaste en van God vertrapt 9 Wat God voor hen heeft gedaan 10 Gods goedheid in verlossing en leiding 11 Profeten en nazireeërs 12 Opstand 13 Gods vergelding 14-16 Geen ontkomen mogelijk
Inleiding

Niet alleen de volken rondom Juda en Israël worden door God geoordeeld. Nadat God eerst nog het oordeel over Moab uitspreekt, spreekt Hij ook het oordeel over Juda en Israël uit. Het is een schande voor Gods volk om op één lijn gesteld te worden met de volken. Maar als Juda en Israël zijn gezakt tot het niveau van de heidenen, krijgen ze van God ook dezelfde behandeling als de heidenen. Alleen heeft dat voor hen grotere gevolgen dan voor de andere volken omdat Gods volk een veel grotere verantwoordelijkheid heeft (Am 3:22Alleen u heb Ik gekend
uit alle geslachten op de aarde.
Daarom zal Ik u vergelden
al uw ongerechtigheden.
)
.

Jesaja, Jeremia en Ezechiël profeteren ook over de volken rondom Israël, maar pas nadat zij eerst over Israël hebben geprofeteerd. Amos keert die volgorde om met een doel. De volken worden gestraft voor het overtreden van de wetten van de natuur, het geweten en de natuurlijke gevoelens. Israël wordt gestraft vanwege zijn zwaardere zonde van het ingaan tegen de geopenbaarde wil van God.


Oordeel over Moab

1Zo zegt de HEERE:
Vanwege drie overtredingen van Moab,
ja, vanwege vier, zal Ik er niet op terugkomen,
omdat hij de beenderen van de koning van Edom
tot kalk verbrand heeft.
2Daarom zal Ik vuur werpen in Moab;
dat zal de paleizen van Kerioth verteren.
Moab zal sterven onder [oorlogs]gedruis,
[krijgs]geschreeuw en bazuingeschal.
3Ik zal de rechter uit zijn midden uitroeien,
en Ik zal al zijn vorsten met hem doden,
zegt de HEERE.

Na Ammon verschijnt zijn broer Moab voor Gods rechterstoel. Moab is geboren uit de incestrelatie van Lot met zijn oudste dochter. Hij “is de vader van Moabieten, tot op deze dag” (Gn 19:36-3736Zo werden de twee dochters van Lot zwanger van hun vader.37De eerstgeborene baarde een zoon en gaf hem de naam Moab. Hij is de vader van de Moabieten, tot op deze dag.). Hij wordt gevonnist voor de gruwelijke daad van lijkverbranding ofwel crematie.

Omdat alle vorige volken geoordeeld worden vanwege een of ander vergrijp tegen Israël, ziet het oordeel dat Amos over Moab uitspreekt volgens sommige uitleggers op een gebeurtenis die in 2 Koningen 3 wordt vermeld (2Kn 3:26-2726zag de koning van Moab dat de strijd hem te sterk was. Hij nam zevenhonderd mannen bij zich, die het zwaard uittrokken om zich een weg te banen naar de koning van Edom, maar zij waren er niet toe in staat.27Toen nam hij zijn eerstgeboren zoon, die in zijn plaats koning zou worden, en offerde hem als brandoffer op de muur. Dat bracht grote verbolgenheid teweeg in Israël; daarom braken zij op, bij hem vandaan, en keerden terug naar [hun] land.). De daar genoemde ‘oudste zoon’ zou dan zien op de oudste zoon van de koning van Edom, de erfgenaam en waarschijnlijk mede-koning.

In 2 Koningen 3 trekt Edom als vazal van Israël mee op in de oorlog tegen Moab. Deze daad betekent dan ook een schande voor Israël. Het betreft hier trouwens wel de verbranding van een in leven zijnde zoon, een kwaad dat nog ernstiger is dan het verbranden van beenderen.

In wat Amos zegt, hebben we wel een aanwijzing hoe God denkt over crematie. God straft elke inbreuk op door Hem ingestelde ordeningen. De Godvrezende koning Josia verbrandt ook beenderen. Maar hij oefent het oordeel van God uit (2Kn 23:66Ook bracht hij de Asjera uit het huis van de HEERE, naar de beek Kidron, buiten Jeruzalem, en verbrandde hem bij de beek Kidron. Hij verpulverde hem tot stof, en wierp het stof ervan over de begraafplaats van het gewone volk.; 1Kn 13:22Hij riep tot het altaar, door het woord van de HEERE, en zei: Altaar, altaar, zo zegt de HEERE: Zie, in het huis van David zal een zoon geboren worden, van wie de naam Josia zal zijn. Die zal op u de priesters van de hoogten offeren, die op u reukoffers brengen. Ja, men zal mensenbeenderen op u verbranden.). Het oordelen van de doden komt alleen God toe.

Het oordeel over Moab zal worden uitgeoefend door “de mensen van het oosten” (Ez 25:1010Met [het gebied] van de Ammonieten zal Ik het in erfelijk bezit geven aan de mensen van het oosten, zodat onder de heidenvolken aan de Ammonieten niet [meer] gedacht zal worden.). Alle aangekondigde oordelen worden door Nebukadnezar vervuld, die alle door Amos aangesproken volken verovert en deporteert (Jeremia 47-49; Ezechiël 25-28; vgl. Zf 2:99Daarom, [zo waar] Ik leef, spreekt de HEERE van de legermachten,
de God van Israël:
Voorzeker, Moab zal als Sodom worden
en de Ammonieten als Gomorra:
een distelveld, een zoutgroeve
en een woestenij tot in eeuwigheid!
De rest van Mijn volk zal hen plunderen,
het overblijfsel van Mijn volk zal hen in erfelijk bezit nemen.
; Dn 11:4141Hij zal het sieraadland binnentrekken, en vele [landen] zullen struikelen. Maar deze [zijn het die] aan zijn hand zullen ontkomen: Edom, Moab en de voornaamsten van de zonen van Ammon.)
.

Bij Ammon ontbreekt het respect voor het leven in zijn prilste bestaan (Am 1:1313Zo zegt de HEERE:
Vanwege drie overtredingen van de Ammonieten,
ja, vanwege vier, zal Ik er niet op terugkomen,
omdat zij de zwangere [vrouwen] van Gilead opengereten hebben
om [zo] hun gebied te verruimen.
)
. De toepassing naar vandaag is abortus. Bij het broedervolk Moab ontbreekt het respect voor de dood. De toepassing voor vandaag is ook niet moeilijk. Er is geen enkel respect meer voor de dood. Van de verbranding van een gestorvene is het een kleine stap naar het plegen van euthanasie op een stervende.

Euthanasie wordt net als abortus overgeheveld van misdaad naar weldaad. Zo spreken voorstanders van euthanasie niet van het ‘plegen’ van euthanasie, maar van het ‘verlenen’ van euthanasie. Door crematie en euthanasie – euthanasie betekent ‘zachte dood’ of ‘goede dood’ – worden de rechten van God geschonden. De mens meent zelfbeschikkingsrecht te hebben zowel op het leven als op de dood. Over dit denken en handelen van de mens, waarbij voor Gods geopenbaarde wil geen plaats is, zal Hij het oordeel voltrekken.

Evenals bij het oordeel over de misdaden van de Ammonieten gaat ook het oordeel over de Moabieten gepaard met veel lawaai en verwarring. Het is alsof zij die door God tot dit oordeel worden gebruikt, dit oordeel met het grootste genoegen voltrekken. Alle leiders, “de rechter … en al zijn vorsten”, onder wier verantwoordelijkheid deze gruwelen zijn gepleegd, krijgen in het oordeel een aparte behandeling. Zij zullen uit het midden van Moab worden weggevaagd.


Oordeel over Juda

4Zo zegt de HEERE:
Vanwege drie overtredingen van Juda,
ja, vanwege vier, zal Ik er niet op terugkomen,
omdat zij de wet van de HEERE verworpen hebben,
Zijn verordeningen niet in acht genomen hebben,
en hun leugengoden hen hebben misleid,
de goden die hun vaderen naliepen.
5Daarom zal Ik vuur werpen in Juda;
dat zal de paleizen van Jeruzalem verteren.

We luisteren nog steeds mee op het marktplein in Bethel waar Amos zijn vlammende woorden tot de volken richt die rondom Juda en Israël liggen. Bij alles wat Amos tot nu toe heeft gezegd, hebben we de Israëlitische hoorders instemmend zien knikken. Natuurlijk, al die heidense volken, en ook de broedervolken die zich heidens hebben gedragen, zullen eindelijk hun rechtvaardige straf ontvangen voor wat ze Israël hebben aangedaan.

Maar wat horen we nu? Hij richt nu het woord tot Juda! Amos loopt niet weg, hij is niet klaar met zijn prediking, hij gaat door. Juda ondergaat eenzelfde oordeel als de volken om hen heen. Bij God is er geen onderscheid, geen aanzien van de persoon, niet als het gaat om zonde en ook niet als het gaat om gerechtigheid (vgl. Jr 9:25-2625Zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat Ik elke besnedene en die de voorhuid heeft, zal straffen, [namelijk]26Egypte en Juda, Edom en de Ammonieten, Moab en allen die kaalgeschoren zijn aan [hun] slapen, die in de woestijn wonen. Want alle heidenvolken zijn onbesneden, maar heel het huis van Israël is onbesneden van hart.).

Laten we maar eens luisteren naar wat hij tegen hen te zeggen heeft. Hij zegt tegen hen dat “zij de wet van de HEERE verworpen hebben”. Door deze daad hebben ze zich losgerukt van God en daarmee van de Bron van alle zegen. Het is onmogelijk te zeggen dat je in God gelooft en tegelijk dat te verwerpen waarin Hij Zijn wil bekendmaakt. Wie Zijn wet, Zijn Woord, verwerpt, is niet in staat Zijn inzettingen te onderhouden. De belijdenis dat men in God gelooft, kan er zijn, maar de praktijk is dat men door leugengoden wordt verleid.

Als het Woord van de waarheid wordt verworpen, nemen leugens de plaats ervan in. De verwerping van het Woord vindt vandaag overal plaats waar dit Woord wordt uitgelegd naar eigen inzichten, op een manier waarbij we niets hoeven op te geven wat onze lusten kan bevredigen. Er wordt geredeneerd in de trant van: ‘God wil dat je gelukkig bent; geniet alles maar wat er te genieten valt; als jij blij bent, is God ook blij.’ Zo werken de leugengoden. Ze weten precies in te spelen op wat de belijders van Gods Naam prettig vinden. Door de eeuwen heen hebben ze een succesformule ontwikkeld, een recept dat aangepast kan worden al naar gelang de behoeften van een bepaalde generatie.

De vaderen, de vorige geslachten, zijn er ook achteraan gegaan. De toevoeging “die hun vaderen naliepen”, dient om er de nadruk op te leggen hoe diep de zonde van de afgoderij het volk in het bloed zit. Leugengoden is letterlijk ‘leugens’. Dit is in twee opzichten waar: ten eerste liegen ze zelf en ten tweede zijn ze het product van de leugenachtige geesten van mensen.

Er is niets nieuws onder de zon, ook al verandert de verschijningsvorm van deze leugengoden steeds. Wat dat betreft, is de duivel, die zich van deze leugengoden bedient, als een kameleon. Hij neemt de kleur aan van de omgeving waarin hij zich bevindt. Hij oefent zijn boosaardige invloed uit op een manier die past bij het geestelijk klimaat waarin de mens zich bevindt.

Elk volk wordt geoordeeld naar het licht dat het heeft. God straft de volken naar hun houding tegenover mensen, Zijn volk. Zijn volk straft Hij naar hun houding ten opzichte van Hemzelf, hun God. Het oordeel dat Amos over Juda uitspreekt, wordt vervuld als Nebukadnezar in 586 v.Chr. Jeruzalem verovert en haar paleizen en het huis van God verbrandt (2Kr 36:1919Zij verbrandden het huis van God, en braken de muur van Jeruzalem af. Ook alle paleizen van [Jeruzalem] verbrandden zij met vuur, zodat alle kostbare voorwerpen ervan te gronde werden gericht.). Joël heeft wel ten gunste van Jeruzalem geprofeteerd, maar de stad zal ook geoordeeld worden om haar vele zonden. Dit oordeel zal haar niet ontgaan, hoe groot de toekomstige heerlijkheid ook is.


Oordeel over Israël

6Zo zegt de HEERE:
Vanwege drie overtredingen van Israël,
ja, vanwege vier, zal Ik er niet op terugkomen,
omdat zij de rechtvaardige voor geld verkopen
en de arme voor een paar schoenen.

Misschien dat Israël al nattigheid begon te voelen toen Amos het over Juda had. De beschuldigende vinger van de profeet komt steeds meer in hun richting. Ze hebben heftig geknikt toen ze hem hoorden spreken over het oordeel over de volken om hen heen. Ze hebben ook instemmend geknikt bij het oordeel over hun broeder en zuiderbuur Juda. Mogelijk hebben ze openlijk hun vreugde geuit over het oordeel dat de volken zal treffen en hebben ze een heimelijke vreugde als ze denken aan het oordeel dat over Juda zal komen. Maar als de beschuldigende vinger van de profeet nu rechtstreeks op hen wordt gericht, is het afgelopen met hun vreugde.

Het merendeel van de aanwezigen op het marktplein van Bethel zal uit Israëlieten hebben bestaan. Zij worden als laatsten en het meest uitvoerig geconfronteerd met hun eigen situatie. Nu zijn ze zelf het voorwerp van Gods oordeel. De beschuldiging van Juda is geformuleerd in termen van het overtreden van beginselen, van wat God in de wet heeft gezegd. De overtredingen van Israël worden duidelijk benoemd. Juda veracht de wet; in Israël is er een totaal gebrek aan vrees voor God.

1. In de verzen 6-86Zo zegt de HEERE:
Vanwege drie overtredingen van Israël,
ja, vanwege vier, zal Ik er niet op terugkomen,
omdat zij de rechtvaardige voor geld verkopen
en de arme voor een paar schoenen.7Zij snakken ernaar dat het stof van de aarde op het hoofd van de geringen is,
zij duwen de zachtmoedigen van de weg.
Een man en zijn vader gaan naar [hetzelfde] meisje
om Mijn heilige Naam te ontheiligen.8Zij strekken zich uit op kleren die zij in onderpand hebben,
naast elk altaar.
Zij drinken wijn die als boete was opgelegd,
in het huis van hun goden.
worden Israëls misdaden beschreven.
2. In de verzen 9-119Maar Ík heb de Amorieten voor hun ogen weggevaagd,
die hoog waren als ceders
en sterk waren als eiken.
Ik heb zijn vrucht vanboven weggevaagd
en zijn wortels vanonder.10Maar Ík heb u uit het land Egypte geleid,
en liet u veertig jaar door de woestijn gaan,
om het land van de Amorieten in bezit te nemen.11Uit uw zonen deed Ik profeten opstaan,
uit uw jongemannen nazireeërs.
Is dit niet zo, Israëlieten?
spreekt de HEERE.
verwijst de profeet naar Gods handelen ten gunste van hen in het verleden.
3. In de verzen 12-1612Maar u laat de nazireeërs wijn drinken,
en u hebt de profeten geboden: Profeteer niet!13Zie, Ik ga het onder u laten kraken,
zoals een wagen kraakt,
vol graanschoven.14Dan gaat voor de snelle [de kans op] ontvluchten verloren,
de sterke zal zijn kracht niet inzetten,
geen held zijn leven redden.
15Niemand die de boog hanteert, zal staande blijven,
geen hardloper zich redden,
geen ruiter te paard zijn leven redden.
16Zelfs de moedigste onder de helden
zal op die dag naakt wegvluchten,
spreekt de HEERE.
besluit Amos zijn rede met een levendige beschrijving van de straf die zij voor hun gedrag zullen krijgen.

Israëls zonden worden het breedst uitgemeten. Er wordt nu niet volstaan met de beschrijving van één enkele zonde die als het ware model staat voor alle zonden en waarin de andere zonden vertegenwoordigd zijn. Het lijkt om vier overtredingen te gaan: hebzucht, het vertrappen van de armen, een tegennatuurlijke vorm van hoererij en afgodische genoegens.

Wat ze met rechtvaardige volksgenoten doen, zullen ze ook met dé Rechtvaardige doen. De Heer Jezus wordt door Judas verkocht. Hij is ook dé Arme. De rechtvaardige is hij die het recht aan zijn zijde heeft, dus rechtvaardig in juridische zin. Door corrupte rechtspraak en zijn armoede is de rechtvaardige toch schuldig verklaard ten gunste van wie geld en aanzien heeft.

Bij het verkopen kunnen we ons voorstellen dat een arme een lijfeigene is geworden van iemand van wie hij geld heeft moeten lenen en bij wie hij daardoor in de schuld staat. Mogelijk heeft hij een paar schoenen moeten aanschaffen, waarvan hij de prijs niet heeft kunnen betalen en is daardoor tot slaaf gemaakt (Lv 25:3939En wanneer uw broeder bij u in armoede raakt en zich aan u verkocht heeft, [dan] mag u hem geen slavenarbeid laten verrichten.; 2Kn 4:11Een vrouw, een van de vrouwen van de leerling-profeten, riep tot Elisa om hulp en zei: Uw dienaar, mijn man, is gestorven, en u weet zelf dat uw dienaar de HEERE vreesde. Maar [nu] is de schuldeiser gekomen om mijn beide kinderen als slaven met zich mee te nemen.). Ook kan bij ‘verkopen’ worden gedacht aan het overleveren aan de willekeur van de tegenpartij.


Harteloosheid en seksueel wangedrag

7Zij snakken ernaar dat het stof van de aarde op het hoofd van de geringen is,
zij duwen de zachtmoedigen van de weg.
Een man en zijn vader gaan naar [hetzelfde] meisje
om Mijn heilige Naam te ontheiligen.

De onderdrukkers zijn zó harteloos, hun gezindheid is zó verdorven, dat er een hunkering is naar de vernedering van de armen. Door hun armoede zijn de armen al vernederd. Maar van enige tederheid of medelijden met hun situatie is bij deze onderdrukkers geen sprake. Hard en egoïstisch als ze zijn, vinden ze er een duivels genoegen in te zien hoe de armen in hun grote droefheid nog dieper worden vernederd en tot uiterste wanhoop worden gebracht. Van deze rijken geldt wat van Edom gezegd is: zij hebben hun barmhartigheid tenietgedaan (Am 1:1111Zo zegt de HEERE:
Vanwege drie overtredingen van Edom,
ja, vanwege vier, zal Ik er niet op terugkomen,
omdat hij zijn broeder met het zwaard achtervolgd heeft
en zijn barmhartigheid tenietgedaan,
omdat zijn toorn altijd weer verscheurde
en hij zijn verbolgenheid voor altijd koesterde.
)
. En hier betreft het nog wel hun eigen volksgenoten, medeleden van het volk van God.

De uitdrukking “stof … op het hoofd” wil zeggen dat zij in rouw gedompeld worden of dat de rijken over hen heenlopen en hen zo in het stof drukken. Stof op het hoofd is een teken van droefheid (2Sm 1:22op de derde dag gebeurde het dat, zie, er een man uit het legerkamp kwam, bij Saul vandaan. Zijn kleren waren gescheurd en er was aarde op zijn hoofd. En het gebeurde, toen hij bij David kwam, dat hij zich ter aarde wierp en zich neerboog.; Jb 2:1212Toen zij hun ogen van veraf opsloegen, herkenden zij hem niet. Zij begonnen luid te huilen; daarbij scheurde ieder zijn bovenkleed en ze strooiden stof naar de hemel over hun hoofden.).

Armen zijn tegelijk ook weerlozen. De macht is bij hen die geld hebben. De armen zijn overgeleverd aan de willekeur van de rijken. Die bepalen naar hun eigen onrechtvaardige normen wat recht is voor de armen en wat hun toekomt. Het komt erop neer dat zij alle leefomstandigheden van de armen buigen op een manier die hun het meeste voordeel oplevert.

Wie enigszins bekend is met de geschiedenis van de mensheid, ziet deze afschuwelijke handelwijze telkens weer opduiken. De minstbedeelden worden gemanipuleerd, er wordt mee gehandeld alsof ze koopwaar of gebruiksvoorwerpen zijn. Elke menselijke waardigheid, elk recht op een menswaardig bestaan, wordt hun afgenomen. Nog eens, het gaat hier om handelingen van mensen die tot Gods volk behoren ten opzichte van mensen die eveneens tot dat volk behoren.

Als het hart gesloten is voor God en Zijn Woord – hoewel men met de mond nog wel iets belijdt –, gaat het hart ook op slot voor de medegelovigen (vgl. 1Jh 3:1717Wie nu aardse goederen heeft en zijn broeder gebrek ziet lijden en zijn hart voor hem sluit, hoe blijft de liefde van God in hem?). De omgang met andere leden van Gods volk wordt bepaald door wat die omgang oplevert, hetzij in materieel voordeel, hetzij in de bevrediging van de verdorven gevoelens.

Hoezeer de natuurlijke gevoelens verstikt zijn, blijkt ook uit de tweede overtreding die wordt genoemd. Het gaan van een man en zijn vader naar hetzelfde meisje doet denken aan “zo’n hoererij als zelfs onder de volken niet [bestaat], dat iemand [de] vrouw van zijn vader heeft” (1Ko 5:11Men hoort algemeen van hoererij onder u, en zo’n hoererij als zelfs onder de volken niet [bestaat], dat iemand [de] vrouw van zijn vader heeft.). Als het volk van God Gods Woord verwerpt, zakt het lager dan de heidenen.

In verbinding met deze lage zonde spreekt de HEERE bij monde van Amos dat juist deze zonde gebeurt “om Mijn heilige Naam te ontheiligen”. Deze uitdrukking komt ook voor in Leviticus 22 als afsluiting van een lang gedeelte dat gaat over persoonlijke en sociale reinheid (Lv 22:3232U mag Mijn heilige Naam niet ontheiligen, opdat Ik in het midden van de Israëlieten geheiligd word. Ik ben de HEERE, Die u heiligt,). In dat gedeelte wordt speciaal de zonde van incest verboden (Lv 18:6-186Niemand mag tot welke bloedverwant van zijn [eigen] familie dan ook naderen om de schaamdelen te ontbloten. Ik ben de HEERE.7U mag de schaamte van uw vader, namelijk de schaamdelen van uw moeder, niet ontbloten. Zij is uw moeder, u mag haar schaamdelen niet ontbloten.8U mag de schaamdelen van de vrouw van uw vader niet ontbloten. Het is de schaamte van uw vader.9De schaamdelen van uw zuster, de dochter van uw vader of de dochter van uw moeder, [of ze nu in dit] gezin of daarbuiten geboren is, hun schaamdelen mag u niet ontbloten.10De schaamdelen van de dochter van uw zoon of van de dochter van uw dochter, hun schaamdelen mag u niet ontbloten, want zij zijn uw schaamte.11De schaamdelen van de dochter van de vrouw van uw vader, die bij uw vader geboren is – zij is uw zuster – haar schaamdelen mag u niet ontbloten.12U mag de schaamdelen van de zuster van uw vader niet ontbloten. Zij is een bloedverwante van uw vader.13U mag de schaamdelen van de zuster van uw moeder niet ontbloten, want zij is een bloedverwante van uw moeder.14U mag de schaamte van de broer van uw vader niet ontbloten. U mag niet tot zijn vrouw naderen, zij is uw tante.15U mag de schaamdelen van uw schoondochter niet ontbloten. Zij is de vrouw van uw zoon, u mag haar schaamdelen niet ontbloten.16U mag de schaamdelen van de vrouw van uw broer niet ontbloten. Het is de schaamte van uw broer.17U mag de schaamdelen van een vrouw én die van haar dochter niet ontbloten. U mag niet de dochter van haar zoon en [ook] niet de dochter van haar dochter [tot vrouw] nemen om haar schaamdelen te ontbloten. Zij zijn bloedverwanten, het is schandelijk gedrag.18Verder mag u niet naast [uw eigen] vrouw haar zuster [tot vrouw] nemen. [U] zou haar krenken door haar schaamte te ontbloten terwijl zij [nog] in leven is.; 20:17-2117Wanneer een man zijn zuster neemt, [of ze nu] de dochter van zijn vader of de dochter van zijn moeder [is], en hij haar schaamdelen en zij zijn schaamdelen gezien heeft, [dan] is dat een schande. Zij moeten daarom voor de ogen van hun volksgenoten uitgeroeid worden. [Omdat] hij de schaamdelen van zijn zuster ontbloot heeft, moet hij zijn ongerechtigheid dragen.18Wanneer een man met een vrouw slaapt die ongesteld is, en hij haar schaamdelen ontbloot, [de] bron van haar [bloeding], en zijzelf [voor hem] de bron van haar bloeding ontbloot, dan moeten zij beiden uit het midden van hun volk uitgeroeid worden.19Verder mag u de schaamdelen van de zuster van uw moeder en van de zuster van uw vader niet ontbloten. Omdat hij [de schaamdelen van] zijn bloedverwant heeft ontbloot, moeten zij hun ongerechtigheid dragen.20Een man die met zijn tante slaapt, ontbloot de schaamte van zijn oom. Zij moeten hun zonde dragen. Zij zullen kinderloos sterven.21Wanneer een man de vrouw van zijn broer neemt, is dat onreinheid. [Omdat] hij de schaamte van zijn broer ontbloot heeft, zullen zij kinderloos zijn.). Daar wordt niet specifiek een verbod genoemd met het oog op gemeenschap met een vrouw buiten de familie. Toch is het beginsel hier natuurlijk wel van toepassing, waar het gaat om het gebruik van een en hetzelfde meisje door zowel de vader als de zoon.

Deze handelwijze geeft inzicht in de sociale toestanden in die tijd. De reinheid en trouw die van een Godvrezende vader in zijn huwelijk mogen worden verwacht, ontbreken. Zowel de vader als de zoon handelt welbewust in ongehoorzaamheid aan God. Met het volharden in ongehoorzaamheid verdwijnt ook alle schaamtegevoel.

De aanhaling hierboven uit 1 Korinthiërs 5 maakt duidelijk dat deze soort wanstaltige dingen niet alleen in Israël voorkwam. Ook in de christelijke gemeente komt deze schaamteloze ontucht voor. Waar het recht wordt gebogen, is ook geen juist zicht meer op huwelijk en seksualiteit en wordt ook in deze dingen de broeder onrecht aangedaan (1Th 4:66[en] dat men zijn broeder geen onrecht aandoet en hem bedriegt in die zaak; want [de] Heer is een wreker van dit alles, zoals wij u ook vroeger gezegd en ernstig betuigd hebben.).

Paulus maakt in het vervolg van 1 Korinthiërs 5 duidelijk wat de plicht van de gemeente is ten opzichte van leden van de gemeente die in zulke en andere zonden leven. De gemeente krijgt de opdracht: “Doet de boze uit uw midden weg” (1Ko 5:13b13Maar hen die buiten zijn, zal God oordelen. Doet de boze uit uw midden weg.). Wie in een zonde volhardt, moet uiteindelijk als een boze uit het midden van de gemeente worden weggedaan.


De rechten van de naaste en van God vertrapt

8Zij strekken zich uit op kleren die zij in onderpand hebben,
naast elk altaar.
Zij drinken wijn die als boete was opgelegd,
in het huis van hun goden.

Kleding wordt beschouwd als een voorwerp van waarde, niet zozeer in materiële zin, maar meer in de zin van het gebruik. Een kledingstuk vormt voor de eigenaar iets, waarmee hij zich ’s nachts kan bedekken als een bescherming tegen de kou. Als iemand geld moet lenen, kan hij zijn jas als pand achterlaten. God heeft in Zijn zorg voor de armen in Zijn wet laten opnemen dat degene die de jas als pand genomen heeft, die ’s avonds weer moet teruggeven (Ex 22:26-2726Als u het kleed van uw naaste in onderpand neemt, moet u dat aan hem teruggeven voordat de zon ondergaat.27Dat is immers zijn enige bedekking. Het is de kleding over zijn huid. Waarin zou hij [anders moeten] slapen? Wanneer hij tot Mij [om hulp] roept, zal het gebeuren dat Ik het zal horen, want Ik ben genadig!; Dt 24:10-1310Wanneer u aan uw naaste iets geleend hebt, dan mag u zijn huis niet binnengaan om zijn onderpand mee te nemen.11U moet buiten blijven staan en de man aan wie u iets geleend hebt, moet het onderpand naar u toe brengen, naar buiten.12En als het een arme man is, mag u niet in diens onderpand gaan slapen,13maar u moet hem het onderpand zeker teruggeven als de zon ondergaat, zodat hij in zijn kleed kan gaan slapen, en hij u zegent. Dat zal u [tot] gerechtigheid zijn voor het aangezicht van de HEERE, uw God.).

Maar de rijken hebben geen boodschap aan de wet van God. Zij kunnen die kleding best gebruiken als een zachte ondergrond, waarop zij heerlijk kunnen liggen. Om hun arme, nu ook kou lijdende broeder bekommeren zij zich net zomin als om God. Ze zijn integendeel zeer toegewijd aan allerlei afgoden, waarop de uitdrukking “elk altaar” schijnt te wijzen. Er is een veelheid aan altaren (vgl. Hs 10:11Israël is een weelderige wijnstok,
hij brengt zijn vrucht voort.
Hoe groter zijn vrucht is,
hoe meer er voor de altaren is.
Hoe beter zijn land,
hoe mooier de gewijde stenen.
)
.

Ze menen dat ze al hun voorspoed aan de afgoden te danken hebben. Die afgoden bevinden zich in de tempel in Bethel. Mogelijk hebben ze voor deze afgoden ook nog andere huizen gebouwd. Daar worden ze dronken van de wijn die ze hebben gekocht met geld dat ze op misdadige wijze hebben verkregen. Ze hebben namelijk onschuldige mensen boetes opgelegd en daarvoor misdaden verzonnen. Met het aldus verkregen geld vieren ze nu feest.


Wat God voor hen heeft gedaan

9Maar Ík heb de Amorieten voor hun ogen weggevaagd,
die hoog waren als ceders
en sterk waren als eiken.
Ik heb zijn vrucht vanboven weggevaagd
en zijn wortels vanonder.

Om hen te beschamen wijst God op Zijn zorg voor hen, zowel vroeger als nu. Hun handelwijze ten opzichte van God staat toch wel in scherp contrast met wat God voor hen heeft gedaan. Wat een ondankbaarheid! Waaraan heeft Hij dat verdiend? Het klinkt als een teleurstelling: “Maar Ík heb.” De herinnering aan vroeger zou hen tot inkeer moeten brengen. God heeft de weg voor hen vrijgemaakt om te komen op de plaats die ze nu innemen.

“De Amorieten” zijn de oorspronkelijke inwoners van Kanaän (Gn 15:1818Op die dag sloot de HEERE een verbond met Abram, en zei: Aan uw nageslacht heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af tot aan de grote rivier, de rivier de Eufraat:; Jz 24:1818De HEERE heeft al die volken van voor onze [ogen] verdreven, zelfs de Amorieten, de inwoners van het land. Wíj zullen eveneens de HEERE dienen, want Hij is onze God.; Ri 6:1010En Ik zei tegen u: Ik ben de HEERE, uw God! Vrees de goden van de Amorieten niet, in wier land u woont. Maar u hebt niet naar Mijn stem willen luisteren.). Op eigen kracht was het volk nooit in het land gekomen. Hun ongeloof had hen krachteloos gemaakt. Zij hadden zich in hun ongeloof als sprinkhanen gevoeld tegenover de bewoners van Kanaän die in hun ogen als reuzen waren (Nm 13:22,32-3322Zij gingen het Zuiderland in en kwamen tot aan Hebron, en daar [woonden] Ahiman, Sesai en Talmai, nakomelingen van Enak. Hebron nu was zeven jaar eerder gebouwd dan Zoan in Egypte.32En zij lieten een kwaad gerucht uitgaan bij de Israëlieten over het land dat zij verkend hadden, door te zeggen: Het land waar wij doorgetrokken zijn om het te verkennen, is een land dat zijn inwoners verslindt, en heel het volk dat wij in het midden daarvan gezien hebben, [bestaat uit] mannen van grote lengte.33Wij hebben er ook reuzen gezien, nakomelingen van Enak, [afkomstig] van de reuzen. Wij waren in onze [eigen] ogen als sprinkhanen, en zo waren wij ook in hun ogen.; Dt 1:2828Waar moeten wij heen trekken? Onze broeders hebben ons hart laten smelten door te zeggen: Het is een volk, groter en langer dan wij; de steden zijn groot en hemelhoog versterkt; wij hebben er zelfs Enakieten gezien.; 3:1111Want alleen Og, de koning van Basan, was van de rest van de Refaïeten overgebleven. Zie, zijn bed was een bed van ijzer. Bevindt het zich niet in Rabba van de Ammonieten? De lengte ervan is negen el, en de breedte vier el, [gemeten] naar de elleboog van een man.).

Maar God had hun zaak ter hand genomen. Ze zijn er getuigen van geweest hoe Hij te werk is gegaan. Hij heeft die sterke reuzen voor hen verdelgd, geheel en al, van boven tot beneden. De ceder is vaker een beeld van wat hoog, verheven en stabiel is (Ez 31:33Zie, Assyrië was een ceder op de Libanon, [met] mooie takken,
[als] een woud dat schaduw geeft en hoog van stam is;
zijn kruin reikte tot in de wolken.
)
en de eik van wat sterk en hard is en een lange levensduur heeft.

“Zijn vrucht” is zijn nageslacht en “zijn wortels” zijn de voorouders van dat volk. God heeft al die inwoners met wortel en tak voor hen uitgeroeid. Maar nu ze in het land wonen, al zoveel jaren, zijn ze al Zijn inspanningen vergeten. Daarvoor zijn ze ook gewaarschuwd (Dt 8:11-2011Wees op uw hoede dat u de HEERE, uw God, niet vergeet, en daardoor Zijn geboden, Zijn bepalingen en Zijn verordeningen, die ik u heden gebied, niet in acht neemt.12Wanneer u eet, verzadigd wordt, goede huizen bouwt en [daarin] woont,13uw runderen en uw kleinvee talrijk worden en [ook] uw zilver en goud toeneemt, ja, alles wat u hebt, talrijk wordt,14[pas ervoor op] dat uw hart zich dan niet verheft en u de HEERE, uw God, vergeet, Die u uit het land Egypte, uit het slavenhuis, geleid heeft;15Die u geleid heeft in die grote en vreselijke woestijn, met gifslangen, schorpioenen en droogte, waar geen water was; Die uit hard gesteente water voor u liet komen,16Die u in de woestijn het manna liet eten, dat uw vaderen niet gekend hadden, opdat Hij u zou verootmoedigen en u op de proef zou stellen, om u uiteindelijk wel te doen;17en dat u [dan] niet in uw hart zegt: Mijn [eigen] kracht en de macht van míjn hand heeft dit vermogen voor mij verworven.18Maar u moet de HEERE, uw God, in gedachten houden, dat Hij het is Die u kracht geeft om vermogen te verwerven, opdat Hij Zijn verbond zou bevestigen, dat Hij onder ede met uw vaderen gesloten heeft, zoals het op deze dag [nog] is.19Als het echter gebeurt dat u de HEERE, uw God, helemaal vergeet, achter andere goden aan gaat, hen dient en u voor hen neerbuigt, dan verzeker ik u heden dat u zeker zult omkomen.20Zoals de heidenen die de HEERE van voor uw [ogen] uitgeroeid heeft, zo zult u [dan ook zelf] omkomen, omdat u de stem van de HEERE, uw God, niet gehoorzaam bent geweest.). Maar wat wil je als Gods volk niet meer naar Zijn Woord luistert, er geen kennis meer van neemt en zo voorbijgaat aan de waarschuwingen die erin staan? Ellende en verderf kunnen niet uitblijven.


Gods goedheid in verlossing en leiding

10Maar Ík heb u uit het land Egypte geleid,
en liet u veertig jaar door de woestijn gaan,
om het land van de Amorieten in bezit te nemen.

Opnieuw klinkt de teleurstelling door. Zijn ze dan ook vergeten hoe zij door Gods goedheid verlost zijn uit de harde slavernij van Egypte? Zijn ze ook vergeten hoe Hij hen na hun verlossing door heel die “grote en vreselijke woestijn” (Dt 8:1515Die u geleid heeft in die grote en vreselijke woestijn, met gifslangen, schorpioenen en droogte, waar geen water was; Die uit hard gesteente water voor u liet komen,) heen geleid heeft, voordat ze het land in bezit namen waarheen ze onderweg waren? Als God hen niet had verlost, waren ze nog steeds in slavernij geweest; als God hen niet had geleid in de woestijn, waren ze daar omgekomen.

Laten ook wij nooit vergeten op welke manier wij uit de wereld en van het oordeel zijn bevrijd. De Heer Jezus moest daarvoor in de dood gaan. Laten wij ook nooit vergeten hoe God ons sinds onze verlossing door de wereld heen heeft geleid en verzorgd. Groot is Zijn trouw. Te vaak beantwoorden wij Zijn trouw met ontrouw. Stellen we Hem dan ook niet teleur?


Profeten en nazireeërs

11Uit uw zonen deed Ik profeten opstaan,
uit uw jongemannen nazireeërs.
Is dit niet zo, Israëlieten?
spreekt de HEERE.

In de vorige verzen hebben we het getuigenis van al Gods weldaden, door Hem bewezen aan het hele volk, de twaalf stammen. Maar Gods zorg voor Zijn volk blijkt ook uit de middelen die Hij te midden van Zijn volk heeft gegeven om het tot Zich te doen terugkeren. Daar is in de eerste plaats het getuigenis van de profeten. Zij hebben Zijn woorden gesproken. In de tweede plaats wijst Amos op het getuigenis van de nazireeërs. Zij hebben door hun leven gesproken. Profeten hebben in hun prediking verkondigd Wie God is, nazireeërs hebben in hun leven getoond Wie God is.

Profeten spreken meestal als het volk van God is afgeweken. Dan laat God Zijn Woord door hen aan Zijn volk prediken om het op te roepen tot belijdenis en terugkeer tot Hem. Vóór Amos hebben vele profeten tot het hele volk, de twaalf stammen, gesproken (Hb 1:1a1Nadat God vroeger vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft Hij in [het] laatst van deze dagen tot ons gesproken in [de] Zoon,). We kunnen bijvoorbeeld denken aan Mozes en Samuel. Maar ook in het midden van de tien stammen, die geen tempel, altaar en priesterschap hadden, heeft God Zich niet onbetuigd gelaten. Vooral Elia en Elisa hebben in het tienstammenrijk gewerkt. Ook daarna heeft God boodschappers gestuurd die uit henzelf voortkwamen en hun taal spraken.

Een bijzonder getuigenis heeft God gegeven in de nazireeërs. Al lezen we niet veel over de nazireeërs, toch moeten zij, gezien de aanhaling hier door Amos, een belangrijke plaats onder het volk hebben gehad. Het woord ‘nazireeër’ – in het Hebreeuws nazir – betekent ‘afgezonderd’. Hiermee wordt de toewijding aan God aangegeven die deze personen in praktijk brengen.

Om zich af te zonderen en aan God toe te wijden legt de nazireeër een speciale gelofte af. Daarover lezen we in Numeri 6. Nazireeër worden doet iemand vrijwillig. Maar wil iemand, “een man of een vrouw” (Nm 6:22Spreek tot de Israëlieten en zeg tegen hen: Wanneer een man of een vrouw [een gelofte] aflegt door de gelofte van een nazireeër te doen, om zich aan de HEERE te wijden,), het worden, dan worden daar voorwaarden door God aan verbonden. Die voorwaarden zijn dat zo iemand
1. niets van de wijnstok mag nuttigen,
2. het haar lang moet laten groeien en
3. geen dode mag aanraken (Nm 6:33[dan] moet hij zich van wijn en sterkedrank onthouden; azijn uit wijn of azijn uit sterkedrank mag hij niet drinken; verder mag hij helemaal geen druivensap drinken en geen verse of gedroogde druiven eten.).

Deze voorwaarden zijn in hun toepassing op ons als volgt ‘te vertalen’. Iemand die zich aan God wil toewijden,
1. doet vrijwillig afstand van aardse vreugden – wijn is een beeld van dingen die in zichzelf niet slecht zijn (Ri 9:1313Maar de wijnstok zei tegen hen: Zou ik mijn nieuwe wijn opgeven, die God en mensen vrolijk maakt, en zou ik weggaan om boven de [andere] bomen te zweven?),
2. neemt een onderdanige plaats in – waarvan ook nu nog het lange haar van de vrouw het beeld is (1Ko 11:1-161Weest mijn navolgers, zoals ook ik van Christus.2En ik prijs u, dat u in alles aan mij denkt en de inzettingen vasthoudt, zoals ik ze u heb overgeleverd.3Maar ik wil dat u weet, dat Christus het Hoofd is van iedere man, en de man [het] hoofd van [de] vrouw, en God [het] Hoofd van Christus.4Iedere man die bidt of profeteert met [iets] op zijn hoofd, onteert zijn Hoofd;5en iedere vrouw die bidt of profeteert met ongedekt hoofd, onteert haar hoofd; want het is een en hetzelfde alsof zij geschoren was.6Want als een vrouw niet gedekt is, laat zij zich ook [maar] het haar laten afknippen; maar als het voor een vrouw een schande is zich het haar te laten afknippen of zich te laten scheren, laat zij zich dan dekken.7Want [de] man behoort zijn hoofd niet te dekken, daar hij [het] beeld en [de] heerlijkheid van God is; maar de vrouw is [de] heerlijkheid van [de] man.8Want [de] man is niet uit [de] vrouw, maar [de] vrouw uit [de] man;9want [de] man is ook niet geschapen om de vrouw, maar [de] vrouw om de man.10Daarom behoort de vrouw een macht op haar hoofd te hebben ter wille van de engelen.11Evenwel is noch [de] vrouw zonder [de] man, noch [de] man zonder [de] vrouw, in [de] Heer.12Want zoals de vrouw uit de man is, zo is ook de man door de vrouw; maar alle dingen zijn uit God.13Oordeelt bij uzelf: is het gepast dat een vrouw ongedekt tot God bidt?14Leert ook de natuur zelf u niet, dat als een man lang haar draagt het een oneer voor hem is?15Maar als een vrouw lang haar draagt, is het een eer voor haar, omdat <haar> het lange haar tot een sluier gegeven is.16Maar als iemand meent te moeten twisten, wij hebben zo’n gewoonte niet, en evenmin de gemeenten van God.), dat ook vandaag nog van toepassing is – en
3. blijft af van alles wat niet in verbinding met de levende God staat – dat is het kenmerk van de dood.

Het is een grote zegen van Godswege als Hij zulke mensen, ook jonge mensen, die Hem toegewijd willen leven, onder Zijn volk verwekt. Zij betekenen een geestelijke zegen voor het hele volk. In aardse zegeningen kunnen ook de heidense volken zich verheugen. Daarom wijst Amos op de geestelijke zegen die deze gaven van God aan Zijn volk inhouden. Deze geestelijke zegen gaat aan de aardse vooraf, want de aardse zegen is afhankelijk van hun geestelijke gesteldheid. Om die in overeenstemming met God te brengen laat Hij door Zijn profeten horen wat Hij van Zijn volk wil. Door de profeten die Hij zendt, houdt Hij de verbinding met Zijn volk in stand.

Hoewel in Numeri 6 staat dat iemand nazireeër wordt als gevolg van een vrijwillige beslissing om een gelofte te vervullen, is het duidelijk dat zo’n gelofte gedaan wordt vanuit een innerlijke aansporing door de Geest. Ook het leven als nazireeër kan alleen gebeuren onder de kracht en leiding van Gods Geest. Daarom kunnen naast de profeten ook de nazireeërs als een gave van God gezien worden. In de nazireeër kan het volk zijn eigen roeping tot toewijding aan God zien, met tegelijk het zicht erop dat de HEERE ook de kracht geeft om het in praktijk te brengen.

Hoewel het nazireeërschap niet aan leeftijd is gebonden, spreekt Amos hier over “uw jongemannen”. Juist jonge mensen wil God gebruiken om te midden van Zijn volk te laten zien wat een leven van toewijding betekent. Wat is er ook vandaag in de christenheid een grote behoefte aan jonge christenen die zich vrijwillig dingen ontzeggen waarvoor hun leeftijdsgenoten zich inzetten, om zich helemaal te wijden aan de zaak van God. Laten we God vragen dit in de harten van nog veel jongeren te werken. Een voorbeeld van de zegen die zo’n toewijding geeft, lezen we in Jeremia 35 (Jr 35:1-191Het woord dat van de HEERE gekomen is tot Jeremia in de dagen van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda:2Ga naar het huis van de Rechabieten, spreek met hen en breng hen in het huis van de HEERE, in een van de kamers, en geef hun wijn te drinken.3Toen haalde ik Jaäzanja, de zoon van Jeremia, de zoon van Habazzinja met zijn broers en al zijn zonen, ja heel het huis van de Rechabieten,4en bracht hen in het huis van de HEERE, in de kamer van de zonen van Hanan, de zoon van Jigdalia, de man Gods, die naast de kamer van de vorsten is, die zich boven de kamer van Maäseja, de zoon van Sallum, de deurwachter, bevindt.5Ik zette de leden van het huis van de Rechabieten kannen vol wijn en bekers voor en ik zei tegen hen: Drink wijn!6Zij zeiden echter: Wij drinken geen wijn, want onze voorvader Jonadab, de zoon van Rechab, heeft ons geboden: U mag geen wijn drinken, u niet en uw kinderen niet, tot in eeuwigheid.7U mag geen huis bouwen, en geen zaad zaaien, geen wijngaard planten of [in bezit] hebben, maar u moet in tenten wonen, al uw dagen, opdat u vele dagen leeft in het land waar u als vreemdeling verblijft.8Wij nu hebben geluisterd naar de stem van onze voorvader Jonadab, de zoon van Rechab, in alles wat hij ons geboden heeft, door al onze dagen geen wijn te drinken, wij niet [en] onze vrouwen niet, evenmin als onze zonen en onze dochters,9en door geen huizen te bouwen tot onze woning. We hebben geen wijngaard of akker, en geen zaaigoed.10Wij hebben in tenten gewoond, en hebben geluisterd en gedaan overeenkomstig alles wat onze voorvader Jonadab ons geboden heeft.11Maar het gebeurde, toen Nebukadrezar, de koning van Babel, naar dit land optrok, dat wij zeiden: Kom, laten wij Jeruzalem binnengaan, vanwege het leger van de Chaldeeën en vanwege het leger van de Syriërs. Daarom wonen wij [nu] in Jeruzalem.12Toen kwam het woord van de HEERE tot Jeremia:13Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Ga zeggen tegen de mannen van Juda en tegen de inwoners van Jeruzalem: Zult u niet de vermaning aanvaarden door te luisteren naar Mijn woorden? spreekt de HEERE.14De woorden van Jonadab, de zoon van Rechab, die hij zijn kinderen geboden heeft, dat zij geen wijn mochten drinken, hebben zij gestand gedaan. Zij hebben tot op deze dag geen [wijn] gedronken, want zij hebben geluisterd naar het gebod van hun voorvader. Ik echter heb vroeg en laat tot u gesproken, maar naar Mij hebt u niet geluisterd.15Ik zond tot u vroeg en laat al Mijn dienaren, de profeten, om te zeggen: Bekeer u toch, ieder van zijn slechte weg, en beter uw daden, ga geen andere goden achterna om die te dienen. Dan zult u in het land blijven dat Ik u en uw vaderen gegeven heb. Maar u hebt uw oor niet geneigd en naar Mij niet geluisterd.16Ja, de kinderen van Jonadab, de zoon van Rechab, hebben het gebod van hun voorvader dat hij hun geboden had, gestand gedaan, maar naar Mij luistert dit volk niet.17Daarom, zo zegt de HEERE, de God van de legermachten, de God van Israël: Zie, Ik ga over Juda en over al de inwoners van Jeruzalem al het onheil brengen dat Ik over hen heb uitgesproken, omdat Ik tot hen gesproken heb, maar zij niet geluisterd hebben, Ik tot hen geroepen heb, maar zij niet geantwoord hebben.18Tegen het huis van de Rechabieten zei Jeremia: Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Omdat u geluisterd hebt naar het gebod van uw voorvader Jonadab, al zijn geboden in acht genomen hebt, en gedaan hebt overeenkomstig alles wat hij u geboden heeft,19daarom, zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Het zal Jonadab, de zoon van Rechab, niet aan een man ontbreken die in Mijn dienst staat, alle dagen.).

Met Zijn vraag “is dit niet zo?” benadrukt God Zijn geven van de profeten en de nazireeërs. Hij vraagt Zijn volk met klem om te beoordelen of Zijn opmerkingen juist zijn. Zulke vragen dienen om het geweten aan te spreken, om tot nadenken aan te zetten en tot inzicht te brengen van het handelen van God. Wie daarmee van harte instemt, keert terug tot Hem. God wil mensen betrekken in Zijn handelingen en hen door het nadenken erover tot de erkenning brengen dat het niet anders kan.


Opstand

12Maar u laat de nazireeërs wijn drinken,
en u hebt de profeten geboden: Profeteer niet!

Maar wat is het antwoord van het volk op Gods zorg? Je kunt je voorstellen dat de slechte gezindheid van het volk zich uit door gewoon niet naar die mensen te luisteren en hun boodschap te negeren. Maar hun slechte toestand openbaart zich op een vreselijker wijze en wel in de geest van rebellie.

In plaats van zich door de voorbeelden van de nazireeërs tot een heilig leven te laten aanzetten wil het volk dat de nazireeërs wijn drinken om hun gelofte te verbreken. Het geven van wijn wil hier niet zeggen dat ze wijn aanbieden, maar dat ze op een gewelddadige manier de nazireeërs dwingen om wijn te drinken.

De profeten ontmoeten dezelfde geest van rebellie. Gods getuigen zijn onverdraaglijk voor het volk en ze doen er alles aan om hun het zwijgen op te leggen. Amos heeft dat zelf ook ervaren (Am 7:1212Daarop zei Amazia tegen Amos: Ziener, ga heen, vlucht naar het land van Juda! Eet daar [uw] brood en ga daar profeteren.; vgl. Js 30:1010die tegen de zieners zeggen: U mág niet zien;
tegen de schouwers: U mág niet voor ons schouwen wat waar is.
Spreek tot ons vleierijen,
schouw bedriegerijen.
; Jr 11:2121Daarom, zo zegt de HEERE over de mannen van Anathoth die u naar het leven staan [en zeggen]: Profeteer niet in de Naam van de HEERE, opdat u niet door onze hand sterft.; Mi 2:1111Als er iemand is die wind naloopt,
en bedrieglijk liegt [en zegt]:
Ik profeteer voor u
voor wijn en sterkedrank,
dan is hij voor dit volk de profeet!
)
.

En wat beleven wij vandaag? Welk antwoord geven wij op Gods zorg? Veel ‘nazireeërs’ zijn verleid om toch weer ‘wijn’ te gaan drinken. De satan zal alles in het werk stellen om juist jongeren in te palmen, zodat ze geen gehoor geven aan de roep van God, maar luisteren naar de stem van mensen. Christenen die het niet zo nauw nemen, voelen zich kriebelig worden als ze andere christenen zien die volledig aan de Heer toegewijd willen leven.

Natuurlijk is er best wat op het leven van toegewijde christenen aan te merken. Ook dat zijn geen volmaakte mensen. Maar in plaats van aangesproken te worden door wat er aan toewijding te zien is, wordt vaak geprobeerd toegewijde christenen te brengen tot een handelen waarbij niet Christus maar de eigen genoegens centraal staan.

Als zulke christenen voor die druk bezwijken, zal hun leven geen ‘veroordeling’ meer vormen voor minder of niet toegewijde christenen. De angel is eruit. Het zal toegewijde christenen er overigens niet om te doen zijn anderen te veroordelen die minder toegewijd leven. Het is een min of meer automatisch gevolg, iets waaraan niet te ontkomen is.

De Heer Jezus bovenal, en in Zijn navolging ook Paulus, zijn volkomen aan God toegewijd geweest. De haat die de Heer en Paulus hebben ondervonden, was niet te ontlopen. Wie toegewijd wil leven, moet erop rekenen dat hem of haar overkomt wat Paulus tegen Timotheüs zegt: “En ook allen die Godvruchtig willen leven in Christus Jezus zullen vervolgd worden” (2Tm 3:1212En ook allen die Godvruchtig willen leven in Christus Jezus zullen vervolgd worden.).

Wat de nazireeër ondervindt, zal ook de trouwe profeet ervaren. Een duidelijke, radicale prediking van Gods Woord wordt in de christenheid in het algemeen niet op prijs gesteld. Zolang je het geweten buiten schot laat, zal men je aanhoren. Maar wijs je op het kwaad, dan ontmoet je verwerping en zal men proberen je het spreken onmogelijk te maken.


Gods vergelding

13Zie, Ik ga het onder u laten kraken,
zoals een wagen kraakt,
vol graanschoven.

Op de weerspannige houding en tegenstand van het volk als antwoord op al Zijn zorg kan God niet anders dan met Zijn oordeel reageren. In de wijze waarop Amos Gods oordeel voorstelt, zien we een beeld uit het leven van de landbouw. Het geeft Amos’ vertrouwdheid met dit leven weer. In het gebruik van dit beeld ligt mogelijk een zinspeling dat het oordeel door middel van een aardbeving zal plaatsvinden. In ruimere zin kan het zien op de tijd dat God Zijn oogst binnenhaalt, waarbij er verlossing is voor het gelovig overblijfsel, terwijl de goddelozen door het oordeel getroffen zullen worden.

De overvolle, krakende wagen toont ook dat de zonde een zware last is, vooral de zonden die hiervoor zijn genoemd. Geen mens blijft daaronder staande, maar zal eronder bezwijken. Voor wie dat erkent, is de redding aanwezig. Die mag weten dat de schoven van zijn of haar zonden werden gelegd op de Heer Jezus en in Hem door God zijn geoordeeld.


Geen ontkomen mogelijk

14Dan gaat voor de snelle [de kans op] ontvluchten verloren,
de sterke zal zijn kracht niet inzetten,
geen held zijn leven redden.
15Niemand die de boog hanteert, zal staande blijven,
geen hardloper zich redden,
geen ruiter te paard zijn leven redden.
16Zelfs de moedigste onder de helden
zal op die dag naakt wegvluchten,
spreekt de HEERE.

Aan het oordeel van God dat in vers 1313Zie, Ik ga het onder u laten kraken,
zoals een wagen kraakt,
vol graanschoven.
is voorgesteld, is niet te ontkomen. Iedereen zal proberen te vluchten, maar tevergeefs. Alle individuele bekwaamheden zullen niet baten. Als we denken aan een aardbeving, zien we in dat snelheid, kracht en moed nutteloos zijn. Hoe hard iemand ook kan lopen, hij zal geen toevluchtsoord kunnen bereiken. De grond splijt onder hem open. Hoe sterk iemand ook is, al zijn kracht en inspanning bieden geen uitkomst. Hij ziet zich geplaatst voor natuurkrachten waarbij de kracht van de mens in het niet verzinkt. Hoe moedig iemand ook is, hij zal het afleggen tegen Gods oordeel. Deze vijand is niet met menselijke moed te bestrijden.

De pijlen van de boogschutter doen belachelijk aan tegenover een macht die genadeloos nadert en niet op afstand kan worden gehouden. Zelfs wie gebruik kan maken van een paard, zal door de dood worden ingehaald. De held die meent te kunnen vluchten, werpt alles weg waarop hij heeft vertrouwd, maar wat hem in het gezicht van het oordeel in zijn vlucht hindert. Naakt wil zeggen zonder opperkleed en zonder wapens. Zo probeert hij, die eens zo dapper, goed gekleed en goed bewapend het gevaar tegemoet is gegaan, aan dit gevaar te ontkomen. Het hele toneel ademt een volkomen ontreddering van mensen die, voordat dit oordeel plaatsvindt, zich nog zo beroemen op hun kwaliteiten.


Lees verder