3 Johannes
1-4 Afzender, geadresseerde, wandelen 5-7 Uitgaan voor de Naam 8-15 Diótrefes, Demétrius en de vrienden
Afzender, geadresseerde, wandelen

1De oudste aan de geliefde Gajus, die ik in waarheid liefheb. 2Geliefde, ik wens dat het u in alles goed gaat en dat u gezond bent, zoals het uw ziel goed gaat. 3<Want> ik heb mij zeer verblijd toen er broeders kwamen en van uw waarheid getuigden, zoals u in [de] waarheid wandelt. 4Ik heb geen grotere blijdschap dan deze, dat ik hoor dat mijn kinderen in de waarheid wandelen.

V11De oudste aan de geliefde Gajus, die ik in waarheid liefheb.. “De oudste” is Johannes in zijn hoedanigheid van oude man. Hij schrijft aan de “geliefde Gajus”. ‘Geliefde’ is een woord dat hij nog drie keer gebruikt, maar dat ontbreekt in de tweede brief, die hij aan een vrouw schreef.

Er zijn in het Nieuwe Testament drie personen te vinden die ‘Gajus’ heten (1Ko 1:1414Ik dank <God>, dat ik niemand van u gedoopt heb dan Crispus en Gajus,; Rm 16:2323U groet Gajus, de gastheer van mij en van de gehele gemeente. U groet Erastus, de rentmeester van de stad, en de broeder Quartus.; Hd 19:2929En de stad raakte vol van de verwarring en zij stormden eendrachtig naar het theater en sleurden Gajus en Aristarchus, Macedoniërs, reisgenoten van Paulus mee.; 20:44En hem vergezelden <tot in Asia> Sópater, [de zoon] van Pyrrhus, van Beréa; van [de] Thessalonikers, Aristarchus en Secundus, Gajus van Derbe, Timotheüs, en [de] Asiaten Tychicus en Trófimus.). Geen van deze drie schijnt dezelfde te zijn als de man aan wie Johannes schrijft. Het is ook niet van belang voor het begrijpen van de boodschap van deze brief. Van deze Gajus kan Johannes vijf positieve kenmerken noemen:
1. het gaat zijn ziel goed,
2. hij heeft een goed getuigenis,
3. er kan bij hem van ‘uw waarheid’ worden gesproken,
4. hij wandelt in de waarheid en
5. hij handelt trouw.

Dit zijn kenmerken waar je naar mag streven dat die ook bij jou worden gevonden.

Johannes heeft Gajus lief “in waarheid”. Hij waardeert zeer zeker de gastvrijheid van Gajus, maar dat is toch niet de aanleiding om hem lief te hebben. Johannes heeft Gajus niet om natuurlijke redenen lief, maar op grond van de waarheid van God. Het is een liefde tussen twee personen die dezelfde Goddelijke natuur bezitten. Dat gaat veel verder dan iemand alleen waarderen om zijn gastvrijheid. Het betekent dat het hart in bezit is genomen door de waarheid. Het gaat om waarheid in het binnenste, om waarachtigheid die in een oprechte handel en wandel getoond wordt.

V22Geliefde, ik wens dat het u in alles goed gaat en dat u gezond bent, zoals het uw ziel goed gaat.. Johannes begint met een persoonlijke wens voor Gajus. Die wens is niet karig. Hij wenst Gajus dat het hem “in alles goed gaat”, dat wil zeggen op alle terreinen van zijn leven. Daarbij staat het welzijn van zijn ziel voorop. Het welzijn van zijn lichaam, zijn uiterlijk, is niet onbelangrijk, maar dat van het innerlijk is toch belangrijker.

Het is niet vanzelfsprekend dat het automatisch met je lichaam goed gaat als het je ziel goed gaat. Je proeft uit wat Johannes hier zegt, dat er is geen automatisch verband is tussen de toestand van de ziel en die van het lichaam. De redenering gaat niet op dat als het goed zit met je geloof, het automatisch ook met je lichaam wel goed zit en dat je dus niet ziek hoeft te worden.

Ook met het omgekeerde, dat er iets met je geloof niet in orde zou zijn als je ziek bent, moet je heel voorzichtig zijn. Je mag uit de lichamelijke toestand van een mens niet afleiden hoe het met zijn geestelijke toestand gesteld is. Dat hebben de vrienden van Job tot hun schaamte ondervonden, toen God hun de harde, veroordelende woorden kwalijk nam die ze tegen Job hadden gesproken.

V33<Want> ik heb mij zeer verblijd toen er broeders kwamen en van uw waarheid getuigden, zoals u in [de] waarheid wandelt.. Johannes kan zeggen dat het met de ziel van Gajus goed gaat omdat anderen hem hebben verteld over wat ze bij Gajus hebben gezien. Er zijn “broeders” bij Johannes gekomen die bij Gajus zijn geweest. Deze broeders hebben oog gehad voor de wijze waarop Gajus leeft en dat heeft indruk op hen gemaakt. Daarover hebben ze de oude apostel bericht. In dat bericht getuigden ze van “uw waarheid”, dat is de waarheid van God, die door Gajus is aanvaard en die hij zich eigen heeft gemaakt (vgl. ‘zijn schat’, Mt 13:5252Hij nu zei tot hen: Daarom is iedere schriftgeleerde die een discipel van het koninkrijk der hemelen is gemaakt, gelijk aan een heer des huizes die uit zijn schat nieuwe en oude dingen voortbrengt., waar de Heer Jezus spreekt over iemand die zich Gods Woord eigen heeft gemaakt).

Zo gaat het er ook bij jou niet om dat jij de waarheid hebt, maar of je met Gods waarheid vereenzelvigd kunt worden. God schenkt de Zijnen Zijn waarheid. Die wordt in het leven van Gajus gezien, in zijn woorden en daden. Daarvan kan door anderen getuigenis worden gegeven. Je kunt boeken lezen over een onderwerp en daarover iets vertellen, maar dat is niet jouw waarheid. Jouw waarheid is wat jij hebt doorleefd van Gods waarheid.

Dit heeft totaal niets te maken met wat je vandaag wel hoort, dat iedereen zijn ‘eigen waarheid’ heeft. Dat betreft mensen die zich niet onderwerpen aan Gods Woord, maar over allerlei dingen hun eigen mening voor ‘waarheid’ houden. Johannes spreekt over de waarheid van God, maar die ‘jouw waarheid’ wordt als je die tot je eigendom hebt gemaakt, door geloof en praktijk. Dat zie je bij Gajus. Hij ‘wandelt in de waarheid’. De broeders zeiden van hem dat hij daarin wandelt, dat dus zijn hele leven in overeenstemming is met de geopenbaarde waarheid van God.

Toen Johannes dat van die broeders over Gajus hoorde, heeft hij zich daarover “zeer verblijd”. Evenals in vers 44Ik heb geen grotere blijdschap dan deze, dat ik hoor dat mijn kinderen in de waarheid wandelen. van de tweede brief geeft ook hier het ‘zeer verblijd’ de intense vreugde aan en de diepte van het medeleven met het geestelijk welzijn van de ander. Deze grote blijdschap heeft betrekking op wat Johannes hoorde over een medegelovige. Dat staat niet tegenover de blijdschap in de Heer, maar is er juist onlosmakelijk mee verbonden.

Je verheugt je, als het goed is, niet alleen in de Vader en de Zoon, maar ook in alles wat je van de Heer Jezus in een ander ziet. Als je gelovigen op bezoek krijgt die goede verhalen hebben over andere kinderen van God, geeft dat blijdschap. Helaas gaan de verhalen vaker over waarin een broeder tekortschiet of waarin hij faalt. Probeer je erop toe te leggen om te kijken naar het positieve dat bij je broeder of zuster aanwezig is.

Johannes spreekt over ‘broeders’ die bij hem kwamen en niet over enkele ‘heren’. ‘Broeders’ is een eretitel en heel wat warmer dan het afstandelijke ‘meneer’ of ‘mevrouw’ dat wel eens onder gelovigen wordt gebruikt. In de naam ‘broeders’ weerklinkt de familieverhouding van de gelovigen die voortvloeit uit het feit dat zij kinderen van God zijn. Het is ook mooi om eraan te denken dat Gajus niet van zichzelf getuigt. Dat hoeft hij niet.

Wij moeten ook niet over onszelf spreken, over wat wij hebben gedaan. Laat een vreemde u prijzen en niet uw [eigen] mond, een onbekende en niet uw [eigen] lippen” (Sp 27:22Laat een vreemde u prijzen en niet uw [eigen] mond,
een onbekende en niet uw [eigen] lippen.
)
. Je moet altijd oppassen voor het gevaar dat je je beroemt op wat je voor de Heer hebt gedaan (Mk 6:3030En de apostelen kwamen samen bij Jezus en berichtten Hem alles wat zij gedaan en wat zij geleerd hadden.). Je mag wel vertellen over wat Gód door jou heeft gedaan (Hd 14:2727Toen zij nu daar waren aangekomen en de gemeenten hadden vergaderd, berichtten zij alles wat God met hen had gedaan en dat Hij voor de volken een deur van geloof had geopend.; 15:4,124En in Jeruzalem aangekomen werden zij ontvangen door de gemeente, de apostelen en de oudsten; en zij berichtten alles wat God met hen had gedaan.12De hele menigte nu zweeg; en zij hoorden Barnabas en Paulus verhalen welke grote tekenen en wonderen God door hen onder de volken had gedaan.). Zie ook hoe de Heer getuigt van het werk van Maria, een getuigenis dat door anderen verder zal worden gedragen (Mt 26:1313Voorwaar, Ik zeg u: overal waar dit evangelie wordt gepredikt in de hele wereld, zal ook van wat deze heeft gedaan, gesproken worden tot haar gedachtenis.).

V44Ik heb geen grotere blijdschap dan deze, dat ik hoor dat mijn kinderen in de waarheid wandelen.. Er is voor de oude apostel geen grotere blijdschap dan te vernemen dat zijn kinderen “in de waarheid wandelen”. Het gaat om wandelen in de geloofswaarheid, de hele waarheid zoals we die in de Schrift hebben. Het is niet het aanvaarden van een orthodoxe geloofswaarheid, maar wat in je wandel zichtbaar wordt. Zo is het bij Gajus, die in geestelijke zin een van de kinderen van Johannes is (vgl. 1Ko 4:14-1514Ik schrijf deze dingen niet om u te beschamen, maar om u terecht te wijzen als mijn geliefde kinderen.15Want al had u tienduizend leermeesters in Christus, dan hebt u toch niet vele vaders; want in Christus Jezus heb ik u door het evangelie verwekt.).

Het is algemeen zo, dat het Johannes een niet te overtreffen blijdschap geeft als hij hoort dat zijn kinderen in de waarheid wandelen. Hij verheugt zich in de Heer Jezus en dus verheugt hij zich in allen die zich ook in die Persoon verheugen. Daarom spreekt hij over “geen grotere blijdschap”. Deze niet te overtreffen blijdschap is niet alleen in de gemeenschap met de Heer te vinden, maar ook in gemeenschap met elkaar in de Heer.

Deze blijdschap is niets anders dan de blijdschap van de hemel. In de hemel zullen al Gods kinderen zich volmaakt in overstemming met God gedragen. Daar wordt alleen het nieuwe leven, dat is de Heer Jezus, zichtbaar. Het is voor iedere geestelijk gezinde oudere gelovige een intense vreugde die door niets te vervangen of te overtreffen is, als hij in de levens van jongere gelovigen de kenmerken van de Heer Jezus ziet. In de waarheid wandelen is wandelen zoals Hij gewandeld heeft. Hij heeft alles gedaan zoals God het wilde. Aangezien Hij het leven van ieder kind van God is, kan dat ook zichtbaar worden in ieder kind van God. Als je luistert naar de stem van de goede Herder en Hem volgt, zal het zichtbaar worden.

Lees nog eens 3 Johannes 1:1-4.

Verwerking: Kan van jou worden getuigd dat je in de waarheid wandelt? Waarom wel / niet?


Uitgaan voor de Naam

5Geliefde, u handelt trouw in alles wat u jegens de broeders bewerkt, en dat jegens vreemdelingen, 6die van uw liefde getuigd hebben tegenover [de] gemeente; u zult er goed aan doen, als u hen voorthelpt op een wijze God waardig; 7want zij zijn voor de Naam uitgegaan, zonder iets aan te nemen van hen die tot de volken [behoren].

V55Geliefde, u handelt trouw in alles wat u jegens de broeders bewerkt, en dat jegens vreemdelingen,. Na in vers 22Geliefde, ik wens dat het u in alles goed gaat en dat u gezond bent, zoals het uw ziel goed gaat. Gajus als “geliefde” te hebben aangesproken, doet Johannes dat hier weer. In vers 1111Geliefde, volg niet het kwade na maar het goede. Wie goeddoet, is uit God; wie kwaad doet, heeft God niet gezien. zal hij het nog een keer doen. Hij overtuigt Gajus daarmee van zijn liefde voor hem. Daar is ook alle aanleiding toe. Gajus heeft veel wat prijzenswaardig en daardoor voor jou ook navolgenswaardig is. Maar wat Johannes als eerste noemt, is zijn “trouw”. Van alle dienst is trouw het voornaamste kenmerk en wordt van alles het meest door God gewaardeerd en beloond (1Ko 4:22Verder wordt hier van de rentmeesters vereist, dat men trouw wordt bevonden.). Niet je gave of de resultaten van een bepaald werk dat je voor de Heer doet, maar de trouw waarmee je alle dingen doet, is belangrijk voor Hem.

Gajus heeft trouw gehandeld jegens gelovigen, broeders, die hem volkomen onbekend waren. Ze stonden ineens voor zijn deur. Hij maakte zich er ook niet vanaf, maar handelde trouw “in alles”. De gastvrijheid die Gajus aan de broeders heeft bewezen, heeft hij in werkelijkheid aan de Heer bewezen (Mt 25:4040En de Koning zal antwoorden en tot hen zeggen: Voorwaar, Ik zeg u: voor zoveel u het hebt gedaan aan een van de geringsten van deze broeders van Mij, hebt u het Mij gedaan.). Gastvrijheid is een verantwoordelijkheid en voorrecht voor ons allen (Rm 12:1313Deelt mee voor de behoeften van de heiligen; legt u toe op de gastvrijheid.; Hb 13:22Vergeet de gastvrijheid niet, want daardoor hebben sommigen onwetend engelen gehuisvest.), maar speciaal voor opzieners (1Tm 3:22De opziener dan moet onberispelijk zijn, man van één vrouw, nuchter, ingetogen, waardig, gastvrij, geschikt om te leren,; Tt 1:88maar gastvrij, een liefhebber van het goede, ingetogen, rechtvaardig, heilig, matig,) en weduwen die door de gemeente ondersteund worden (1Tm 5:1010[en] getuigenis heeft door haar goede werken: als zij kinderen opgevoed, als zij gastvrijheid bewezen, als zij [de] voeten van heiligen gewassen, als zij aan verdrukten hulp verleend, als zij zich op alle goed werk toegelegd heeft.). Gastvrijheid moet niet tegen wil en dank worden verleend, mopperend, maar van harte (1Pt 4:99Weest gastvrij voor elkaar, zonder mopperen.).

Deze “broeders” werden ontvangen omdat ze de waarheid brachten. Waarschijnlijk waren het arme broeders van eenvoudige komaf en ongeschoold, die in volledige afhankelijkheid van de Heer rondtrokken. Zij zagen op tot Hem voor Wiens Naam zij waren uitgegaan. Zij waren geen aangestelde predikers. Zij reisden rond zonder formele zending en zonder zichtbare bron van inkomsten.

Johannes richt zijn brief niet aan hen, maar aan Gajus, en over zijn hoofd heen aan alle gelovigen die door de Heer gebruikt willen worden om zulke rondtrekkende gelovigen te ondersteunen. Zij genieten van hun dienst en zijn schuldig hun te geven wat nodig is (Gl 6:66En laat hij die in het Woord wordt onderwezen, hem die onderwijst van alle goede dingen meedelen.). Gajus handelde naar het beginsel dat ‘een dorsende os niet gemuilband mag worden’ (1Ko 9:99Want in de wet van Mozes staat geschreven: ‘U zult een dorsende os niet muilbanden’. Zorgt God voor de ossen?). Hoewel de gemeente waar Gajus was, hier niet naar leek te handelen en daarin faalde, kon Gajus toch in persoonlijke trouw dat wel doen.

De Schrift toont hier aan dat God waarde hecht aan liefdebewijzen jegens vreemden. Veel gelovigen bewijzen liefde aan werkers voor de Heer die ze kennen en bewonderen, terwijl ze zich gereserveerd opstellen jegens broeders van wie ze nog nooit gehoord hebben, die ze niet kennen. Als we die houding bij onszelf bespeuren, moeten we die belijden en veroordelen.

V66die van uw liefde getuigd hebben tegenover [de] gemeente; u zult er goed aan doen, als u hen voorthelpt op een wijze God waardig;. Naast het getuigenis dat van de waarheid van Gajus werd gegeven (vers 33<Want> ik heb mij zeer verblijd toen er broeders kwamen en van uw waarheid getuigden, zoals u in [de] waarheid wandelt.), kan er ook getuigenis worden gegeven van zijn liefde. ‘Uw waarheid’ (vers 33<Want> ik heb mij zeer verblijd toen er broeders kwamen en van uw waarheid getuigden, zoals u in [de] waarheid wandelt.) en “uw liefde” geven aan dat Gajus evenwichtig is in het uitleven van zijn geloof. Het is goed de waarheid in ons te hebben, maar het is nog beter als de waarheid in ons leven tot uiting komt. We moeten niet alleen de waarheid vasthouden, de waarheid moet ook ons vasthouden. Wij gaan soms mank aan een van beide zijden. We staan óf pal voor de waarheid, maar doen dat hard, zonder liefde, óf we hebben het alleen over de liefde, terwijl we de waarheid tekortdoen.

Gajus heeft in liefde en waarheid de vreemdelingen opgenomen en verder geholpen (vgl. Tt 3:1313Help ijverig Zenas de wetgeleerde voort, en Apollos, opdat het hun aan niets ontbreekt.). Deze vreemdelingen hebben daarvan weer getuigenis gegeven. Er zit een wederkerigheid in. Gastvrijheid bewerkt getuigenis. De broeders die door Gajus waren geholpen, getuigden in de gemeenten waar zij zelf thuishoorden van zijn inzet voor hen. In hun verslag van hun reis vertelden ze ook hoe ze door Gajus waren ontvangen en voortgeholpen (vgl. Hd 14:2727Toen zij nu daar waren aangekomen en de gemeenten hadden vergaderd, berichtten zij alles wat God met hen had gedaan en dat Hij voor de volken een deur van geloof had geopend.). Zij hebben in de samenkomst getuigd van Gods werk dat zij op andere plaatsen hebben waargenomen en de dienst die door andere gelovigen aan hen is gedaan. Het moet voor die broeders een vreugde zijn geweest over de liefde van Gajus te kunnen vertellen, die liefhad met de daad en in waarheid (1Jh 3:1818Kinderen, laten wij niet liefhebben met [het] woord of met de tong, maar met [de] daad en in waarheid.).

Met de woorden “u zult er goed aan doen” spoort Johannes hem aan door te gaan met dit goede werk van het voorthelpen van de reizende broeders. Zo spoort Paulus de Filippiërs aan toe te voegen aan het goede dat ze al deden (Fp 2:1-21Als er dan enige vertroosting in Christus, als er enige troost van [de] liefde, als er enige gemeenschap van [de] Geest, als er enige genegenheid en ontferming is,2maakt dan mijn blijdschap volkomen door hetzelfde te bedenken, terwijl u dezelfde liefde hebt, eenstemmig bent, het ene bedenkt.; vgl. 1Th 4:9-109Wat nu de broederliefde betreft, hierover hebt u niet nodig dat wij u schrijven; want zelf bent u door God onderwezen om elkaar lief te hebben;10want u doet dat ook jegens alle broeders in heel Macedonië. Maar wij vermanen u, broeders, daarin nog overvloediger te zijn). Gajus zal deze aanmoediging ook nodig hebben gehad omdat hij daarin werd tegengestaan door Diótrefes. Laat dit ook een aanmoediging voor jou zijn als je te maken hebt met mensen die jou willen verhinderen om hen te helpen die van de Heer getuigen.

‘Voorthelpen’ wil zeggen dat hij hen moest voorzien van al het nodige om hun dienst verder te doen. Toen ze bij hem vertrokken, nadat ze zijn gastvrijheid hadden genoten, zal hij hun geld en goederen hebben gegeven voor de reis. Gajus moest dat doen “op een wijze God waardig”. Dat sluit enerzijds oneerlijke motieven en slechte bijbedoelingen uit en anderzijds wordt in zijn handelen de Naam van God zichtbaar en verheerlijkt, want hij handelt namens God (Fp 4:1919Maar mijn God zal in al uw behoefte voorzien naar Zijn rijkdom in heerlijkheid in Christus Jezus.).

De Heer ondersteunt Zijn dienaren niet met loon of salaris of een gegarandeerd inkomen. Zij mogen vertrouwen op Hem, Die trouw is. Ieder die op Hem vertrouwt, zal kunnen getuigen dat het hem aan niets heeft ontbroken (Lk 22:3535En Hij zei tot hen: Toen Ik u uitzond zonder beurs en reiszak en sandalen, heeft u soms iets ontbroken? Zij nu zeiden: Niets.). De dienaar van Christus moet worden ondersteund door de heiligen (1Ko 9:1-181Ben ik niet vrij? Ben ik geen apostel? Heb ik niet Jezus onze Heer gezien? Bent u niet mijn werk in [de] Heer?2Als ik voor anderen geen apostel ben, dan ben ik het toch voor u, want het zegel van mijn apostelschap bent u in [de] Heer.3Mijn verantwoording aan hen die mij beoordelen, is deze:4Hebben wij niet [het] recht te eten en te drinken?5Hebben wij niet [het] recht een zuster als vrouw mee te nemen, evenals de andere apostelen en de broers van de Heer en Kefas?6Of hebben alleen ik en Barnabas niet [het] recht niet te werken?7Wie doet ooit dienst als soldaat op eigen kosten? Wie plant een wijngaard en eet niet zijn vrucht? Of wie hoedt een kudde en eet niet van de melk van de kudde?8Spreek ik dit naar [de] mens, of zegt ook de wet dit niet?9Want in de wet van Mozes staat geschreven: ‘U zult een dorsende os niet muilbanden’. Zorgt God voor de ossen?10Of zegt hij dit eigenlijk ter wille van ons? Want ter wille van ons is dit geschreven, dat de ploeger op hoop moet ploegen, en de dorser op hoop zijn deel te ontvangen.11Als wij voor u het geestelijke hebben gezaaid, is het iets groots, als wij het stoffelijke van u zullen maaien?12Als anderen dit recht op u bezitten, wij niet nog meer? Maar wij hebben dit recht niet gebruikt, maar verdragen alles, opdat wij voor het evangelie van Christus geen enkele belemmering vormen.13Weet u niet, dat zij die het heilige bedienen, van de [offers in de] tempel eten; dat zij die steeds bij het altaar zijn, met het altaar delen?14Zo heeft de Heer ook verordend voor hen die het evangelie verkondigen, dat zij van het evangelie leven.15Maar ik heb geen van deze dingen gebruikt. Maar ik heb dit niet geschreven, opdat het zo met mij zou gebeuren; want het is voor mij beter te sterven, dan – niemand zal mijn roem verijdelen!16Want als ik het evangelie verkondig, strekt het mij niet tot roem, want [de] noodzaak is mij opgelegd; want wee mij, als ik het evangelie niet verkondig!17Want als ik het vrijwillig doe, heb ik loon; maar als ik het onvrijwillig [doe], mij is een rentmeesterschap toevertrouwd.18Wat is dan mijn loon? Dat ik bij mijn evangelieprediking het evangelie kosteloos stel, zodat ik van mijn recht in het evangelie geen gebruikmaak.; Gl 6:66En laat hij die in het Woord wordt onderwezen, hem die onderwijst van alle goede dingen meedelen.), maar niet met een vast inkomen (Fp 4:11-1211Ik zeg dit niet omdat ik gebrek lijd; want ik heb geleerd tevreden te zijn met de omstandigheden waarin ik ben.12Ik weet vernederd te worden, ik weet ook overvloed te hebben; in elk opzicht en in alles ben ik ingewijd, zowel in verzadigd zijn als in hongerlijden, zowel in overvloed hebben als in gebrek lijden.). Ze zijn in dienst van de Heer en Hij bepaalt waar Zijn dienaren heen gaan en hoe lang ze ergens moeten blijven. Dat mogen mensen niet bepalen, hoewel gelovigen best wel eens een advies mogen geven (vgl. Hd 16:9-109En Paulus kreeg ‘s nachts een gezicht: een Macedonisch man stond [daar] en smeekte hem aldus: Kom over naar Macedonië en help ons.10Toen hij nu het gezicht had gezien, trachtten wij terstond naar Macedonië te reizen, daar wij [daaruit] opmaakten dat God ons had geroepen om hun het evangelie te verkondigen.), als ze bijvoorbeeld van een bepaalde geestelijke nood horen. Als de dienaar gaat, zal hij dat doen, nadat hij daarover van de Heer duidelijkheid heeft gekregen dat het goed is.

Er is nog iets verbonden aan dit ‘God waardig’. Overal waar deze uitdrukking in het Nieuwe Testament voorkomt, heeft dit te maken met het karakter van de brief (1Th 2:1212en betuigden dat u zou wandelen God waardig, Die u roept tot Zijn eigen koninkrijk en heerlijkheid.; Ko 1:1010om de Heer waardig te wandelen tot al [Zijn] welbehagen, terwijl u in alle goed werk vrucht draagt en opgroeit door de kennis van God,; Ef 4:11Ik vermaan u dan, ik, de gevangene in [de] Heer, dat u wandelt waardig de roeping waarmee u bent geroepen,; Fp 1:2727Alleen, wandelt waardig het evangelie van Christus, opdat, hetzij ik kom en u zie, hetzij ik afwezig ben, ik uw omstandigheden hoor, dat u vast staat in één geest, terwijl u één van ziel meestrijdt met het geloof van het evangelie; Rm 16:22opdat u haar ontvangt in [de] Heer, op een wijze de heiligen waardig, en haar bijstaat in elke zaak waarin zij u nodig mocht hebben; want ook zijzelf heeft bijstand verleend aan velen, ook aan mijzelf.). Dat is ook hier zo. Het gaat in de brieven van Johannes over het eeuwige leven, dat is de Heer Jezus, Die tevens de waarachtige God is (1Jh 5:2020En wij weten dat de Zoon van God gekomen is en ons [het] verstand gegeven heeft, opdat wij de Waarachtige kennen; en wij zijn in de Waarachtige, in Zijn Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God en [het] eeuwige leven.). Als Johannes Gajus dan ook aanspoort tot een voorthelpen op een manier die ‘God waardig’ is, wil dat zeggen op een wijze die in overeenstemming is met God Die licht en liefde is.

Dat sluit uit dat we dienaren bewieroken door bij hen alleen te kijken naar alles wat we prachtig vinden, en hen dus alleen vanuit het perspectief van de liefde bezien. Het sluit ook uit dat we dienaren verwerpen door alleen te kijken naar wat ons niet aanstaat, en hen dus alleen vanuit het perspectief van het licht bezien. God waardig wil zeggen dat we dienaren benaderen en hun dienst beoordelen in overeenstemming met licht en liefde. We mogen best dienaren bemoedigen of vermanen, maar het evenwicht is belangrijk. Kort gezegd wil ‘God waardig’ zeggen dat het leven van God in jou en mij tegenover de dienaar op waardige wijze tot uiting komt.

V77want zij zijn voor de Naam uitgegaan, zonder iets aan te nemen van hen die tot de volken [behoren].. De reden voor waardering van het handelen van Gajus en de aansporing daarmee door te gaan is dat deze vreemdelingen zijn uitgegaan “voor de Naam”. Ik denk dat je kunt zeggen dat in ‘de Naam’ alles vervat is wat de Zoon van God is. Johannes hoeft tegenover Gajus niet nader te verklaren wat hij bedoelt. Het is helemaal helder. Het gaat alleen om die Naam.

In deze brief komt de naam van de Heer Jezus of van de Vader helemaal niet voor. Het is niet nodig Hun namen te noemen, want het is volkomen duidelijk voor zowel Johannes als Gajus dat het alleen om de Vader en de Zoon gaat. Als je met iemand spreekt over een persoon die voor jou en de ander even dierbaar is, noem je niet steeds de naam, want bij alles wat je zegt, weten jij en de ander over wie het gaat.

De Naam is de ene en enige Naam waar het bij jou en mij om moet gaan. Het mag niet gaan om de naam van een kerkgenootschap of de een of andere persoon (vgl. 1Ko 1:10-1310Maar ik vermaan u, broeders, door de Naam van onze Heer Jezus Christus, dat u allen hetzelfde spreekt en dat er onder u geen scheuringen zijn; maar dat u vast aaneengesloten bent, één van denken en één van bedoeling.11Want mij is over u bekendgemaakt, mijn broeders, door de [huisgenoten] van Chloë, dat er twisten onder u zijn.12Ik bedoel dit, dat ieder van u zegt: Ik ben van Paulus, ik van Apollos, ik van Kefas, en ik van Christus.13Is Christus gedeeld? Is Paulus soms voor u gekruisigd, of bent u tot de naam van Paulus gedoopt?). De Naam is de volle openbaring van God in Jezus Christus. Om Hem hadden deze reizende broeders hun beroep eraan gegeven om aan Zijn roeping gehoor te geven, evenals Johannes dat destijds zelf ook had gedaan (Mk 1:19-2019En toen Hij iets verder was gegaan, zag Hij Jakobus, de [zoon] van Zebedeüs, en zijn broer Johannes, terwijl dezen in het schip bezig waren hun netten te verstellen.20En terstond riep Hij hen; en zij lieten hun vader Zebedeüs in het schip achter met de knechten en gingen weg, Hem achterna.). Ze waren niet uitgezonden door of namens mensen. De gemeente heeft geen gezag om dienaren van de Heer te kiezen, te wijden of uit te zenden. Dat recht heeft alleen de Heer Jezus. Wel zal de gemeente met vreugde erkennen wie zo door Hem zijn geroepen en gezonden (Hd 14:2727Toen zij nu daar waren aangekomen en de gemeenten hadden vergaderd, berichtten zij alles wat God met hen had gedaan en dat Hij voor de volken een deur van geloof had geopend.).

Wie voor de Naam zijn uitgegaan, zijn niet afhankelijk van hen tot wie zij zijn gezonden. De Heer financiert Zijn eigen werk. Fondswerven is niet in overeenstemming met wat we hier vinden. Nooit mag de indruk worden gewekt dat geld een rol speelt in de prediking of dat het om financieel gewin gaat. Dat vertroebelt de prediking of verderft haar zelfs. Aan de andere kant is het wel belangrijk je te realiseren dat je een verplichting hebt ten opzichte van predikers die in vertrouwen op de levende God uitgaan en aan niemand anders dan aan Hem hun behoeften vertellen.

De predikers over wie Johannes hier schrijft, nemen niets aan van hen die tot de volken behoren. Zij laten het aan God over ervoor te zorgen dat zij ontvangen worden door hen die de waarheid na aan het hart ligt. De waarheid is, en is nog steeds, de enige geloofsbrief onder de christenen en ook het enige middel waardoor de apostel de gelovigen kan beschermen.

Lees nog eens 3 Johannes 1:5-7.

Verwerking: Waar let jij op bij hen die zeggen dat zij Gods waarheid brengen en hoe help jij hen voort die Gods waarheid brengen?


Diótrefes, Demétrius en de vrienden

8Wij behoren daarom zulke [personen] te ontvangen, opdat wij medearbeiders van de waarheid worden. 9Ik heb aan de gemeente <een en ander> geschreven; maar Diótrefes, die graag onder hen de eerste is, neemt ons niet aan. 10Daarom zal ik, als ik kom, in herinnering brengen zijn werken die hij doet, terwijl hij met boze woorden tegen ons zwetst; en hiermee niet tevreden neemt hijzelf de broeders niet aan en verhindert hen die het willen [doen] en werpt hen uit de gemeente. 11Geliefde, volg niet het kwade na maar het goede. Wie goeddoet, is uit God; wie kwaad doet, heeft God niet gezien. 12Van Demétrius is getuigd door allen en door de waarheid zelf; en ook wij getuigen [van hem], en u weet dat ons getuigenis waar is. 13Ik had u veel te schrijven, maar ik wil u niet schrijven met inkt en pen; 14ik hoop u echter spoedig te zien en dan zullen wij van mond tot mond spreken. 15Vrede zij u! De vrienden groeten u. Groet de vrienden bij name.

V88Wij behoren daarom zulke [personen] te ontvangen, opdat wij medearbeiders van de waarheid worden.. Als Johannes Gajus heeft gezegd waar hij goed aan doet, betrekt hij zichzelf in de aansporing door te spreken van “wij”. Hij, Johannes, behoort net zo goed als iedere andere gelovige hen te ontvangen die voor de Naam zijn uitgegaan. Hij laat hiermee zien dat hij niet alleen iets aan een ander voorhoudt, maar het ook zelf in praktijk brengt. Hij geeft het goede voorbeeld. Dat is de beste manier om elkaar aan te vuren in praktische liefde. Deze aansporing vormt een enorm contrast met de vorige brief, waarin je is verteld dat de geringste medewerking aan de verspreiding van valse leer gemeenschap met boze werken geeft.

Door op praktische wijze gelovigen te ondersteunen die Gods Woord brengen, word je ‘medewerker van de waarheid’. Zo heeft ieder, ook jij, een eigen plaats en functie in het verbreiden van de waarheid. Zo waren de Filippiërs medewerkers van het evangelie door de gave die ze de apostel hadden gestuurd (Fp 1:55wegens uw gemeenschap met het evangelie van de eerste dag af tot nu toe;; 4:1515U weet ook zelf, Filippenzen, dat in [het] begin van het evangelie, toen ik van Macedonië was vertrokken, geen gemeente in rekening van uitgave en ontvangst met mij in verbinding heeft gestaan dan u alleen.). Ze waren misschien geen evangelisten, maar ze werkten eraan mee, want zonder hun ondersteuning kon het werk niet doorgaan. Wie werkt en wie ondersteunt ontvangen dezelfde beloning van de Heer (Mt 10:4141Wie een profeet ontvangt in naam van een profeet, zal [het] loon van een profeet krijgen; en wie een rechtvaardige ontvangt in naam van een rechtvaardige, zal [het] loon van een rechtvaardige krijgen.).

V99Ik heb aan de gemeente <een en ander> geschreven; maar Diótrefes, die graag onder hen de eerste is, neemt ons niet aan.. Gajus heeft deze bemoediging nodig omdat er een Diótrefes in de gemeente aanwezig is. Omdat de gemeente verantwoordelijk is voor wat er in haar midden gebeurt, heeft Johannes “aan de gemeente … geschreven”. Die brief, waarin hij schrijft over het ontvangen van hen die de waarheid verkondigen, is in elk geval niet aan Diótrefes gericht, al wil die het hoofd van de gemeente zijn. De brief waarnaar Johannes Gajus verwijst, is niet voor ons bewaard gebleven.

Diótrefes is iemand die ‘onder hen groot wil zijn’ (Mt 20:2626Zo zal het onder u niet zijn; maar wie onder u groot wil worden, zal uw dienstknecht zijn,), maar dat niet doet op de manier die de Heer aangeeft. De meeste of de eerste willen zijn is een kwaad dat in ons allen schuilt. De Heer geeft met het voorbeeld van de voetwassing aan hoe Hij is en hoe Hij wil dat wij, die Hem Meester en Heer noemen, zullen zijn (Jh 13:1-201Vóór het feest van het Pascha nu heeft Jezus, Die wist dat Zijn uur was gekomen dat Hij uit deze wereld zou overgaan naar de Vader [en] Die de Zijnen die in de wereld waren, had liefgehad, hen liefgehad tot [het] einde.2En tijdens [de] maaltijd, toen de duivel Judas Iskariot, [de zoon] van Simon, al in het hart gegeven had Hem over te leveren,3stond Hij, terwijl Hij wist dat de Vader Hem alles in de handen had gegeven en dat Hij van God was uitgegaan en tot God heenging, van de maaltijd op4en legde Zijn kleren af; en Hij nam een linnen doek en omgordde Zich.5Daarna goot Hij water in het bekken en begon de voeten van de discipelen te wassen en af te drogen met de linnen doek waarmee Hij omgord was.6Hij kwam dan tot Simon Petrus; deze zei tot Hem: Heer, wast U mijn voeten?7Jezus antwoordde en zei tot hem: Wat Ik doe, weet jij nu niet, maar je zult het hierna begrijpen.8Petrus zei tot Hem: U zult mijn voeten geenszins wassen tot in eeuwigheid. Jezus antwoordde hem: Als Ik je niet was, heb je geen deel met Mij.9Simon Petrus zei tot Hem: Heer, niet alleen mijn voeten, maar ook mijn handen en mijn hoofd!10Jezus zei tot hem: Wie gebaad is, heeft alleen nodig zich de voeten te laten wassen, maar is geheel rein. En u bent rein, maar niet allen.11Want Hij wist wie Hem zou overleveren; daarom zei Hij: U bent niet allen rein.12Toen Hij dan hun voeten gewassen en Zijn kleren genomen had en weer aanlag, zei Hij tot hen: Begrijpt u wat Ik u heb gedaan?13U noemt Mij Meester en Heer, en u zegt het terecht, want Ik ben het.14Als dan Ik, de Heer en de Meester, uw voeten heb gewassen, dan behoort ook u elkaars voeten te wassen;15want Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat ook u doet zoals Ik u heb gedaan.16Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: een slaaf is niet groter dan zijn heer, en een gezant niet groter dan hij die hem heeft gezonden.17Als u deze dingen weet, gelukkig bent u als u ze doet.18Ik spreek niet van u allen; Ik weet wie Ik heb uitverkoren; maar de Schrift moet worden vervuld: ‘Hij die met Mij het brood eet, heeft zijn hiel tegen Mij opgeheven’.19Nu al zeg Ik het u, voordat het gebeurt, opdat u, wanneer het gebeurt, zult geloven dat Ik het ben.20Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wie ontvangt wie Ik ook zend, ontvangt Mij; en wie Mij ontvangt, ontvangt Hem Die Mij heeft gezonden.).

Diótrefes heeft de eerste plaats lief. Hij handelt uit partijzucht en eigen roem en daarmee volkomen tegengesteld aan de gezindheid van de Heer Jezus (Fp 2:3-43[Doet] niets uit partijzucht of uit ijdele roem, maar laat elk in nederigheid de ander uitnemender achten dan zichzelf;4laat ieder niet [alleen] op zijn eigen [belangen], maar ieder <ook> op die van anderen zien.). Hij gaat zelfs zo ver, dat hij de apostelen niet aanneemt. Volgens de eerste brief is het een teken dat hij niet uit God is, want wie uit God is, hoort de apostelen (1Jh 4:66Wij zijn uit God; wie God kent, hoort ons; wie niet uit God is, hoort ons niet. Hieraan kennen wij de geest van de waarheid en de geest van de dwaling.). Deze Diótrefes wil de eerste zijn in invloed en gezag en plaatst zich daarmee boven de gelovigen. Er is geen reden om aan te nemen dat hij in enig opzicht antichristelijke leringen aanhangt. Het gaat hem om zichzelf.

Het is aardig om te zien dat er in de Bijbel personen zijn met namen die een rangorde aangeven. Zo is er sprake van een ‘broeder Quartus’ (betekent ‘vierde’, Rm 16:2323U groet Gajus, de gastheer van mij en van de gehele gemeente. U groet Erastus, de rentmeester van de stad, en de broeder Quartus.), een ‘Tertius’ (betekent ‘derde’, Rm 16:2222Ik, Tertius, die de brief geschreven heb, groet u in [de] Heer.) en een ‘Secundus’ (betekent ‘tweede’, Hd 20:44En hem vergezelden <tot in Asia> Sópater, [de zoon] van Pyrrhus, van Beréa; van [de] Thessalonikers, Aristarchus en Secundus, Gajus van Derbe, Timotheüs, en [de] Asiaten Tychicus en Trófimus.). Iemand met de naam ‘Primus’ (‘eerste’) is echter niet te vinden. Die naam komt alleen de Heer Jezus toe, want Hij is Degene Die in alle dingen de eerste plaats inneemt (Ko 1:1818En Hij is het Hoofd van het lichaam, de gemeente, Hij Die [het] begin is, [de] Eerstgeborene uit de doden, opdat Hij in alle dingen de eerste plaats zou innemen.). Deze plaats matigt Diótrefes zich aan. Hij wil graag “de eerste” zijn.

De tegenstelling tussen Gajus en Diótrefes is groot. Gajus wandelt in waarheid en liefde, heeft de broeders lief en dient zelfs vreemden. Diótrefes wandelt in hoogmoed, heeft zichzelf lief en haat dienaren die Gods waarheid brengen. Beiden bevinden zich in dezelfde gemeente. Hoe vaak is deze situatie al in de geschiedenis van de christenheid voorgekomen!

V1010Daarom zal ik, als ik kom, in herinnering brengen zijn werken die hij doet, terwijl hij met boze woorden tegen ons zwetst; en hiermee niet tevreden neemt hijzelf de broeders niet aan en verhindert hen die het willen [doen] en werpt hen uit de gemeente.. Over Diótrefes deelt Johannes nog het een en ander aan Gajus mee. Hij zegt hem dat Diótrefes de kracht van de apostel zal ervaren. Dit is geen grootspraak van Johannes. Hij zal met apostolisch gezag optreden. Hij matigt zich niet aan door een bevel orde op zaken te stellen. Alles wat Johannes doet, is de aandacht vestigen op de waarheid, zelfs als het een vrouw betreft, zoals in zijn tweede brief.

Hij zal Diótrefes confronteren met zijn “werken”, die in strijd zijn met de waarheid. De hele kwestie van het wel of niet opnemen van predikers wordt namelijk alleen beslist door de leer die zij brengen. Brengen zij de waarheid niet? Groet hen dan niet. Brengen zij de waarheid? Ontvang hen dan, ondanks alle Diótrefessen in de wereld.

Behalve dat Diótrefes boze werken heeft, “zwetst” hij ook nog. Hij kletst onzin. Zijn “boze woorden” zijn onzinnig, ze hebben geen enkele grond. Ze worden in een boosaardige gezindheid geuit en zijn boos van inhoud.

Het blijft bij hem niet bij woorden. Uit zijn praktijk blijkt dat hij een boos man is. Hij wil niets met ware dienaren te maken hebben, want die ziet hij als een bedreiging voor zijn eigen positie. Daarom neemt hij hen en hun boodschap en dus ook hun Zender niet aan. Hij wijst hen af. Hij heeft een hoge dunk van zichzelf en veracht anderen. Hij is het soort dat zijn medeslaven begint te slaan (Mt 24:4949Mijn heer blijft uit, en zijn medeslaven begint te slaan en eet en drinkt met de dronkaards,). De man was misschien goed begonnen, maar hij ontpopt zich als een tegenstander van Gods werk en daardoor van Christus. Hij kan het niet hebben dat een ander meer eer krijgt dan hijzelf. Zo ging het met koning Saul ook (1Sm 18:6-96Toen David en zijn mannen terugkwamen na het verslaan van de Filistijnen, gebeurde het dat de vrouwen uit al de steden van Israël met gezang en reidans koning Saul tegemoet trokken; met tamboerijnen, met blijdschap en met muziekinstrumenten.7Terwijl de vrouwen huppelden, zongen zij in beurtzang:
Saul heeft zijn duizenden verslagen,
maar David zijn tienduizenden!
8Toen ontstak Saul in woede; die woorden waren namelijk kwalijk in zijn ogen. Hij zei: Ze hebben er aan David tienduizend gegeven, maar mij hebben ze er maar duizend gegeven; het koninkrijk zal zeker nog eens voor hém zijn!9Vanaf die dag hield Saul David in het oog.
)
.

Als een echte sekteleider bepaalt hij, en niemand anders, dat niemand de ware dienaar van God mag ontvangen. Diótrefes schijnt zo’n heersende positie te hebben ingenomen, dat hij eigenmachtig iedereen uit de gemeente gooit die het niet eens is met zijn beleid en ongehoorzaam is aan zijn bevel om de broeders niet te ontvangen. Uit de gemeente gegooid worden wil zeggen de toegang tot de plaatselijke gemeente ontzeggen, want niemand kan een ander uit de gemeente als het lichaam van Christus verwijderen.

Diótrefes heeft zichzelf tot dictator uitgeroepen, die zijn macht in stand houdt door de gemeenteleden te intimideren. Wat moeten ze met onbekende en mogelijk minder begaafde broeders? Hij is er toch?

Als iemand echter de waarheid brengt, hebben we hem op te nemen. Het is juist belangrijk naar verschillende broeders te luisteren en van hen het Woord te horen. Iedere broeder is beperkt en eenzijdig. De gemeente is niet gediend met altijd alleen maar naar een en dezelfde persoon te moeten of te willen luisteren. Er moet gelegenheid zijn tot het uitoefenen van de verschillende gaven.

V1111Geliefde, volg niet het kwade na maar het goede. Wie goeddoet, is uit God; wie kwaad doet, heeft God niet gezien.. Na de schildering van de situatie met betrekking tot Diótrefes en tegenover het totale gebrek aan liefde bij Diótrefes, moet het voor Gajus als olie in de wonde hebben gevoeld dat Johannes hem weer aanspreekt met ‘geliefde’. Johannes roept hem op geen navolger van “het kwade” te worden, maar in tegenstelling daarmee “het goede” te volgen (1Pt 2:2121Want hiertoe bent u geroepen, omdat ook Christus voor u geleden en u een voorbeeld nagelaten heeft, opdat u Zijn voetstappen navolgt;). We moeten het kwade overwinnen door het goede (Rm 12:2121Laat u door het kwade niet overwinnen, maar overwin het kwade door het goede.). Het kwade wordt voorgesteld in Diótrefes in de voorgaande verzen, het goede wordt voorgesteld in Demétrius in het volgende vers.

In het tweede deel van vers 1111Geliefde, volg niet het kwade na maar het goede. Wie goeddoet, is uit God; wie kwaad doet, heeft God niet gezien. hoor je weer de absolute taal van Johannes. Ook al hebben we te doen met een arme rondtrekkende broeder, als hij “goeddoet”, als dat zijn kenmerk is, betekent het dat hij nieuw leven heeft en is hij uit God. Hetzelfde geldt voor het doen van het kwade. “Wie kwaad doet” en wandelt in een kwade weg, heeft geen gemeenschap met God, ook al neemt hij de voornaamste plaats in de gemeente in of eist hij die voor zichzelf op, zoals Diótrefes.

V1212Van Demétrius is getuigd door allen en door de waarheid zelf; en ook wij getuigen [van hem], en u weet dat ons getuigenis waar is.. Johannes wijst Gajus op Demétrius. Demétrius lijkt een van de rondreizende broeders te zijn. Hij kan wel eens de persoon zijn die het getuigenis bij Johannes is komen brengen aangaande Gajus en de gemeente. Hij verkondigt ook de waarheid. Hij heeft een goed getuigenis, niet alleen van de gelovigen, maar ook van hen die buiten zijn (1Tm 3:77En hij moet ook een goed getuigenis hebben van hen die buiten zijn, opdat hij niet in opspraak komt en in [de] strik van de duivel valt.). Het woord “allen” kan namelijk zowel op gelovigen als op ongelovigen slaan (vgl. 1Th 1:88Want van u uit heeft het Woord van de Heer weerklonken, niet alleen in Macedonië en in Achaje, maar in elke plaats is uw geloof jegens God uitgegaan, zodat wij daarvan niets hoeven te zeggen;). Hij heeft twee soorten getuigen: alle mensen die hem kennen, en de waarheid. De waarheid is als het ware een persoon.

De vruchten van zijn dienst getuigen ervan dat hij de waarheid heeft gebracht. Zijn leven is een constante uiting van de waarheid. Als iemand naar Demétrius keek en vervolgens naar de waarheid, dan zag hij dat wat Demétrius deed, beantwoordde aan wat de waarheid voorschrijft. Ook Johannes getuigt van hem als een onderstreping van de voorgaande getuigenissen. Hij veronderstelt dat Gajus zijn getuigenis als waarachtig zal aanvaarden en niet als onwaar of onbetekenend van de hand zal doen.

V13-1413Ik had u veel te schrijven, maar ik wil u niet schrijven met inkt en pen;14ik hoop u echter spoedig te zien en dan zullen wij van mond tot mond spreken.. Evenals in de tweede brief besluit Johannes dit schrijven met een persoonlijke noot. Hij wil het niet bij schrijven laten, maar hoopt Gajus spoedig te ontmoeten om dan verder met hem te spreken. Het met elkaar spreken is de beste manier voor gemeenschap. Welke middelen we voor contact ook mogen gebruiken (papier, telefoon, e-mail e.d.), het is toch niet een werkelijke vervanging voor het directe contact. Het is bedroevend als in een plaatselijke gemeente de geschillen worden behandeld via brieven per e-mail en niet via een open gesprek.

V1515Vrede zij u! De vrienden groeten u. Groet de vrienden bij name.. Zijn wens voor Gajus “vrede zij u” is extra hard nodig in deze gemeente waarin een Diótrefes actief is en waar grote onvrede zal hebben geheerst. Toch is het mogelijk om in een dergelijke situatie persoonlijk vrede in het hart te hebben (Jh 14:2727Vrede laat Ik u, Mijn vrede geef Ik u; niet zoals de wereld geeft, geef Ik u. Laat uw hart niet ontroerd en niet bang worden.; 20:19,2619Toen het dan avond was op die eerste dag van [de] week, en de deuren waar de discipelen waren, wegens hun vrees voor de Joden waren gesloten, kwam Jezus, ging in het midden staan en zei tot hen: Vrede zij u!26En na acht dagen waren Zijn discipelen weer binnen en Thomas bij hen. Jezus kwam terwijl de deuren gesloten waren, ging in het midden staan en zei: Vrede zij u!). Dit betekent niet dat er onverschilligheid is ten aanzien van iemand als Diótrefes, maar een vertrouwen op God dat Hij op Zijn tijd (hier door de komst van Johannes) een eind aan die situatie zal maken.

Johannes noemt de broeders hier “vrienden”. Zo heeft de Heer Zijn discipelen genoemd (Jh 15:13-1513Niemand heeft groter liefde dan deze, dat iemand zijn leven voor zijn vrienden aflegt.14U bent Mijn vrienden, als u doet wat Ik u gebied.15Ik noem u niet meer slaven, want de slaaf weet niet wat zijn heer doet; maar Ik heb u vrienden genoemd, omdat Ik u alles wat Ik van Mijn Vader heb gehoord, bekendgemaakt heb.; vgl. Jh 11:1111Dit sprak Hij en daarna zei Hij tot hen: Onze vriend Lazarus slaapt, maar Ik ga heen om hem uit de slaap te wekken.; Hd 27:33En de volgende dag liepen wij Sidon binnen. En Julius behandelde Paulus vriendelijk door hem toe te staan naar de vrienden te gaan om zich door hen te laten verzorgen.). Het spreekt van een vertrouwelijke omgang en genegenheid. Gastvrijheid is in het Duits ‘Gastfreundschaft’, dat letterlijk ‘gastvriendschap’ betekent, waarin dus het woord ‘vriendschap’ zit. Gastvrijheid maakt van broeders vrienden. Er ontstaan vriendschapsbanden.

Er zijn vrienden bij Johannes en er zijn vrienden bij Gajus. Die vrienden vormen niet een onpersoonlijke groep, maar met ieder van hen is een speciale band. Vrienden ken je “bij name”. Die uitdrukking komt alleen nog voor in Johannes 10, waar je leest dat de Heer Jezus Zijn schapen “bij name” kent (Jh 10:33Hem doet de deurwachter open, en de schapen horen zijn stem; en hij roept zijn eigen schapen bij name en leidt ze naar buiten.). Hierin zie je dat Johannes een goede navolger is van de goede Herder.

Terwijl Johannes zijn tweede brief met een familiegroet heeft afgesloten, eindigt hij deze derde brief met een vriendengroet.

Lees nog eens 3 Johannes 1:8-15.

Verwerking: Welke kenmerken heeft Diótrefes en welke heeft Demétrius?