2 Timotheüs
Inleiding
Inleiding

Nadat Paulus uit zijn eerste gevangenschap is vrijgelaten (vgl. Fp 1:23-2623maar ik word van beide kanten gedrongen: ik verlang ernaar heen te gaan en met Christus te zijn, <want> dit is verreweg het beste;24maar in het vlees te blijven is nodiger ter wille van u.25En in dit vertrouwen weet ik dat ik zal blijven en bij u allen zal blijven tot uw vordering en blijdschap van het geloof;26opdat uw roem [nog] overvloediger is in Christus Jezus door mij, doordat ik weer bij u ben.; 2:19-2419Maar ik hoop in [de] Heer Jezus Timotheüs spoedig naar u toe te zenden, opdat ook ik welgemoed mag zijn als ik uw omstandigheden weet.20Want ik heb niemand van gelijke gezindheid [als hij], die zo trouw uw belangen zal behartigen,21want allen zoeken hun eigen [belang], niet dat van Jezus Christus.22En u kent zijn beproefdheid, dat hij, zoals een kind zijn vader, met mij in het evangelie heeft gediend.23Hem nu hoop ik onmiddellijk te zenden, zodra ik mijn omstandigheden heb overzien.24Maar ik vertrouw in [de] Heer, dat ik ook zelf spoedig zal komen.; Fm 1:2222En bereid mij tevens ook huisvesting, want ik hoop door uw gebeden u geschonken te zullen worden.), heeft hij de eerste brief aan Timotheüs en de brief aan Titus geschreven. Paulus schrijft deze tweede brief aan zijn jonge vriend Timotheüs tijdens zijn tweede gevangenschap, die heel wat zwaarder is dan zijn eerste. Hij weet ook dat hij niet opnieuw zal worden vrijgelaten, maar veroordeeld zal worden en de martelaarsdood zal sterven.

Als je deze achtergrond in de gaten houdt, zul je tijdens het lezen de kracht van de brief ervaren. Het vrijmoedige getuigenis en het vertrouwen op God in zware tijden komen van een man die bereid is te sterven voor wat hem door God is toevertrouwd. Daardoor is deze brief een waarschuwing en een bemoediging voor de mens Gods in de laatste dagen.

Je kunt deze brief een afscheidsboodschap van Paulus noemen (Hd 20:17-3817Hij nu zond van Miléte [een boodschap] naar Efeze en riep de oudsten van de gemeente bij zich.18En toen zij bij hem waren gekomen, zei hij tot hen: U weet hoe ik van [de] eerste dag af dat ik Asia betrad, al die tijd bij u ben geweest,19terwijl ik de Heer diende met alle nederigheid, onder tranen en met beproevingen die mij overkwamen door de aanslagen van de Joden;20hoe ik van wat nuttig was niets heb nagelaten u te verkondigen en te leren in het openbaar en in de huizen,21terwijl ik zowel aan Joden als Grieken de bekering tot God en het geloof in onze Heer Jezus betuigde.22En nu, zie, gebonden in de geest reis ik naar Jeruzalem, zonder te weten wat mij daar zal ontmoeten,23behalve dat de Heilige Geest mij van stad tot stad betuigt en zegt dat mij gevangenschap en verdrukkingen wachten.24Maar ik reken mijn leven niet als kostbaar voor mijzelf, opdat ik mijn loop volbreng en de bediening die ik van de Heer Jezus heb ontvangen, om het evangelie van de genade van God te betuigen.25En nu, zie, ik weet dat u allen onder wie ik ben rondgegaan om het koninkrijk te prediken, mijn gezicht niet meer zult zien.26Daarom getuig ik u op de dag van vandaag, dat ik rein ben van het bloed van allen;27want ik heb niet nagelaten u de hele raad van God te verkondigen.28Past op uzelf en op de hele kudde, waarin de Heilige Geest u als opzieners heeft gesteld, om de gemeente van God te hoeden, die Hij Zich heeft verworven door het bloed van Zijn eigen [Zoon].29Ik weet, dat na mijn vertrek wrede wolven bij u zullen binnenkomen, die de kudde niet sparen;30en uit uzelf zullen mannen opstaan, die verdraaide dingen spreken om de discipelen achter zich af te trekken.31Daarom waakt, en herinnert u dat ik drie jaar, nacht en dag, niet heb opgehouden ieder met tranen terecht te wijzen.32En nu draag ik u op aan God en aan het Woord van Zijn genade, Die machtig is op te bouwen en het erfdeel te geven onder alle geheiligden.33Niemands zilver, goud of kleding heb ik begeerd.34U weet zelf, dat deze handen in mijn behoeften en in die van hen die bij mij waren, hebben voorzien.35In alles heb ik u getoond, dat men door zo te arbeiden zich de zwakken moet aantrekken en de woorden van de Heer Jezus in herinnering moet houden, dat Hijzelf heeft gezegd: Het is gelukkiger te geven dan te ontvangen.36En toen hij dit had gezegd, knielde hij neer en bad met hen allen.37En zij barstten allen uit in groot geween en vielen Paulus om de hals en kusten hem innig,38het meest bedroefd over het woord dat hij had gezegd, dat zij zijn gezicht niet meer zouden zien. En zij deden hem uitgeleide naar het schip.), zoals we afscheidswoorden van Jakob hebben (Gn 49:1-331Daarop riep Jakob zijn zonen en zei:
Verzamel jullie, dan maak ik jullie bekend
wat jullie in later tijd overkomen zal.
2Kom bijeen en luister, zonen van Jakob,
luister naar Israël, jullie vader.3Ruben, jij bent mijn eerstgeborene,
mijn kracht en de eerste [vrucht] van mijn mannelijkheid,
de voortreffelijkste in hoogheid
en de voortreffelijkste in sterkte.
4Onstuimig als het water [als je bent],
zul je niet de voortreffelijkste zijn,
want je bent het bed van je vader ingeklommen,
[en] toen heb je [het] geschonden.
Hij is mijn sponde ingeklommen!5Simeon en Levi zijn broers,
hun wapens zijn werktuigen van geweld.
6Laat mijn ziel niet in hun geheim overleg komen,
en mijn eer niet aan hun bijeenkomst deelnemen;
want in hun woede hebben zij mannen doodgeslagen;
en in hun moedwil hebben zij runderen de pezen doorgesneden.
7Vervloekt zij hun woede, want die is hevig,
en hun verbolgenheid, want die is hard.
Ik zal hen verdelen over Jakob
en hen verspreiden in Israël.8Juda, jij bent het,
jou zullen je broers loven!
Je hand zal rusten op de nek van je vijanden;
voor jou zullen de zonen van je vader zich neerbuigen.
9Juda is een leeuwenwelp;
van [je] prooi ben je opgestaan, mijn zoon.
Hij heeft zich gekromd, zich als een leeuw neergelegd,
als een leeuwin; wie zal hem doen opstaan?
10De scepter zal van Juda niet wijken
en evenmin de heersersstaf van tussen zijn voeten,
totdat Silo komt,
en Hem zullen de volken gehoorzamen.
11Hij bindt zijn jonge ezel aan de wijnstok
en het veulen van zijn ezelin aan de edelste wijnstok;
hij wast zijn kleren in wijn
en zijn gewaad in druivenbloed.
12Zijn ogen zijn donker door de wijn
en zijn tanden wit door de melk.13Zebulon zal aan de zeekust wonen,
ja, hij zal wonen aan de kust, [bij] de schepen,
en zijn zijde zal naar Sidon [gericht] zijn.14Issaschar is een ezel met sterke beenderen,
die tussen twee lasten ligt.
15Toen hij de rust zag, dat die goed was,
en het land, dat het lieflijk was,
boog hij zijn schouders om te dragen
en verrichtte slaafse herendienst.16Dan zal over zijn volk rechtspreken,
als een van de stammen van Israël.
17Dan zal een slang zijn op de weg,
een adder op het pad,
die in de hielen van het paard bijt,
zodat zijn berijder achterovervalt.
18Op Uw zaligheid wacht ik, HEERE!19Gad: een bende zal hem aanvallen,
maar híj zal hen op de hielen zitten.20Aser: zijn brood zal overvloedig zijn,
en hij zal koninklijke lekkernijen leveren.21Naftali is een losgelaten hinde;
hij laat schone woorden horen.22Jozef is een jonge vruchtbare [boom],
een jonge vruchtbare [boom] bij een bron.
Elk van [zijn] takken loopt over de muur.
23[Boog]schutters hebben hem verbitterd,
beschoten en hem gehaat,
24maar zijn boog bleef gespannen;
zijn armen en handen bleven soepel
door de handen van de Machtige van Jakob,
– vandaar dat Hij de Herder is, de rots van Israël –
25door de God van je vader, Die je zal helpen,
en [door] de Almachtige, Die je zal zegenen
met zegeningen uit de hemel van boven,
met zegeningen uit de watervloed, die beneden ligt,
met zegeningen van borsten en baarmoeder.
26De zegeningen van je vader
gaan de zegeningen van mijn vaderen te boven,
tot aan de begerenswaardigheid van de eeuwige heuvels.
Zij zullen zijn op het hoofd van Jozef,
ja, op de schedel van de gewijde onder zijn broers.27Benjamin is een verscheurende wolf;
's morgens verslindt hij [zijn] prooi,
en 's avonds deelt hij buit uit.28Dit waren al de stammen van Israël: twaalf. En dit was wat hun vader tot hen sprak toen hij hen zegende. Hij zegende hen, elk met een eigen zegen.29Daarop gebood hij hun en zei: Ik word met mijn volk verenigd. Begraaf mij [dan] bij mijn vaderen in de grot die op de akker van Efron, de Hethiet, ligt;30in de grot die op de akker van Machpela ligt, dat tegenover Mamre ligt, in het land Kanaän, [en] die Abraham [samen] met die akker gekocht heeft van Efron, de Hethiet, als eigen graf.31Daar hebben ze Abraham begraven en Sara, zijn vrouw; daar hebben ze Izak begraven en Rebekka, zijn vrouw; en daar heb ik Lea begraven.32De akker en de grot die daarop ligt, zijn gekocht van de Hethieten.33Toen Jakob klaar was met het geven van bevelen aan zijn zonen, legde hij zijn voeten bij elkaar op het bed en gaf de geest; en hij werd verenigd met zijn voorgeslacht.
)
, van Mozes (Dt 33:1-251Dit nu is de zegen waarmee Mozes, de man Gods, de Israëlieten gezegend heeft, vóór zijn dood.2Hij zei:
De HEERE is van Sinaï gekomen,
[als de zon] kwam Hij uit Seïr op.
Hij verscheen blinkend vanaf het gebergte Paran,
Hij kwam met tienduizenden heiligen,
aan Zijn rechterhand was een vurige wet voor hen.
3Ja, Hij heeft de volken lief!
Al Zijn heiligen zijn in Uw hand,
Zíj zitten aan Uw voeten
en vangen [iets] op van Uw woorden.
4Mozes gebood ons de wet,
het erfelijk bezit van de gemeente van Jakob.
5Hij was Koning in Jesjurun,
toen de hoofden van het volk zich verzamelden,
samen met de stammen van Israël.6Moge Ruben leven en niet sterven,
en mogen zijn mannen [groot] in aantal zijn!7Dit betreft Juda; hij zei:
Luister, HEERE, naar de stem van Juda!
Breng hem terug bij zijn volk,
laten zijn handen [sterk] genoeg voor hem zijn,
en wees [hem] een hulp tegen zijn tegenstanders!8Over Levi zei hij:
Uw Tummim en Uw Urim zijn bij deze man, Uw gunsteling;
U stelde hem op de proef in Massa,
U riep hem ter verantwoording bij de wateren van Meriba.
9Hij zei over zijn vader en moeder:
Ik zie hen niet.
Hij herkende zijn broers niet,
en zijn zonen kende hij niet.
Zij hielden namelijk Uw woord,
en namen Uw verbond in acht.
10Zij zullen Jakob Uw bepalingen leren
en Israël Uw wet,
zij zullen reukwerk voor Uw neus leggen,
en een offer dat geheel verteerd wordt op Uw altaar.
11Zegen zijn vermogen, HEERE,
en wees het werk van zijn handen goedgezind;
verbrijzel de heupen van wie tegen hem opstaan,
en van hen die hem haten, zodat zij niet meer opstaan!12Over Benjamin zei hij:
De door de HEERE beminde, hij zal onbezorgd bij Hem wonen.
Hij zal hem heel de dag beschermen,
en tussen zijn schouders zal Hij wonen!13Over Jozef zei hij:
Moge zijn land door de HEERE gezegend zijn,
met het beste van de hemel, met dauw,
en [met het beste] van de watervloed die beneden ligt;
14met de beste opbrengst van de zon,
en met het beste wat de maan voortbrengt;
15met het voornaamste van de aloude bergen,
en met het beste van de eeuwige heuvels;
16met het beste van de aarde en haar volheid,
en [met] de goedgunstigheid van Hem Die in de doornstruik woonde.
Laat het komen op het hoofd van Jozef,
ja, op de schedel van de gewijde onder zijn broers!
17Hij heeft de pracht van de eerstgeborene van zijn rund,
en zijn horens zijn horens van de wilde os;
daarmee zal hij volken stoten, allemaal,
tot aan de einden der aarde.
Dit zijn de tienduizenden van Efraïm,
en dit zijn de duizenden van Manasse!18Over Zebulon zei hij:
Verblijd u, Zebulon, over uw uittocht,
en [u,] Issaschar, over uw tenten.
19Volken zullen zij naar de berg roepen.
Daar zullen zij offers van gerechtigheid brengen,
want zij zullen de overvloed van de zeeën opzuigen,
en de dingen die onder het zand bedekt en verborgen zijn.20Over Gad zei hij:
Gezegend is Hij Die ruimte geeft aan Gad!
[Gad] woont als een leeuwin
en verscheurt de arm, ja zelfs de schedel.
21Hij heeft zich van het beste voorzien,
omdat daar het deel van de wetgever [voor hem] weggelegd was;
hij kwam met de hoofden van het volk,
hij voerde het recht van de HEERE uit,
en Zijn bepalingen, [samen] met Israël.22Over Dan zei hij:
Dan is een leeuwenwelp,
hij springt uit Basan tevoorschijn.23Over Naftali zei hij:
Naftali, wees verzadigd met goedgunstigheid,
en vol van de zegen van de HEERE;
neem het westen en het zuiden in bezit.24Over Aser zei hij:
Moge Aser gezegend zijn met zonen;
laten zijn broers hem goedgezind zijn
en hij zijn voet in olie dompelen.
25Uw grendels zullen van ijzer en brons zijn;
laat uw kracht zijn overeenkomstig uw dagen!
)
en van Samuel (1Sm 12:1-251Toen zei Samuel tegen heel Israël: Zie, ik heb naar uw stem geluisterd in alles wat u mij gezegd hebt, en ik heb een koning over u aangesteld.2En nu, zie, de koning gaat u voor; ík ben oud en grijs geworden, en mijn zonen, zie, zij zijn onder u. Ik ben u van mijn jeugd af tot op deze dag voorgegaan.3Zie, [hier] ben ik, leg getuigenis tegen mij af in de tegenwoordigheid van de HEERE en in de tegenwoordigheid van Zijn gezalfde: van wie heb ik een rund afgenomen, van wie heb ik een ezel afgenomen, wie heb ik onderdrukt, wie heb ik mishandeld, uit wiens hand heb ik zwijggeld aangenomen om mijn ogen voor hem te sluiten? Dan zal ik het u teruggeven.4Toen zeiden zij: U hebt ons niet onderdrukt, u hebt ons niet mishandeld en u hebt uit niemands hand iets genomen.5Toen zei hij tegen hen: De HEERE is getuige tegen u, en Zijn gezalfde is op deze dag getuige, dat u bij mij niets gevonden hebt. En [het volk] zei: Hij is getuige.6Verder zei Samuel tegen het volk: Het is de HEERE Die Mozes en Aäron voortgebracht heeft en Die uw vaderen uit Egypte heeft laten wegtrekken.7Welnu, stel u [hier] op, dan zal ik als richter voor het aangezicht van de HEERE al de rechtvaardige daden van de HEERE bij u aan de orde stellen, die Hij bij u en bij uw vaderen verricht heeft.8Nadat Jakob in Egypte gekomen was, riepen uw vaderen tot de HEERE. Toen zond de HEERE Mozes en Aäron. Zij leidden uw vaderen uit Egypte en lieten hen in deze plaats wonen.9Maar zij vergaten de HEERE, hun God. Toen leverde Hij hen over in de hand van Sisera, de bevelhebber van het leger in Hazor, in de hand van de Filistijnen en in de hand van de koning van Moab, die tegen hen streden.10Zij riepen tot de HEERE en zeiden: Wij hebben gezondigd, omdat wij de HEERE verlaten en de Baäls en Astartes gediend hebben. Nu dan, red ons uit de hand van onze vijanden; dan zullen wij U dienen.11Toen zond de HEERE Jerubbaäl, Bedan, Jefta en Samuel; en Hij redde u uit de hand van uw vijanden rondom [u], zodat u veilig woonde.12Toen u zag dat Nahas, de koning van de Ammonieten, op u afkwam, zei u tegen mij: Nee, maar een koning moet over ons regeren – terwijl toch de HEERE, uw God, uw Koning is.13Welnu, zie [hier] de koning die u gekozen hebt, die u verlangd hebt. Zie, de HEERE heeft een koning over u aangesteld.14Als u dan maar de HEERE vreest, Hem dient, naar Zijn stem luistert en het bevel van de HEERE niet ongehoorzaam bent! Dan zal zowel u als de koning die over u regeren zal, [veilig] zijn, achter de HEERE uw God.15Maar wanneer u niet naar de stem van de HEERE luistert, en het bevel van de HEERE ongehoorzaam bent, dan zal de hand van de HEERE tegen u zijn, zoals tegen uw vaderen.16Blijf dan nu staan, en zie het indrukwekkende dat de HEERE voor uw ogen zal doen.17Is het vandaag niet [de tijd van] de tarweoogst? Ik zal tot de HEERE roepen, en Hij zal donder en regen geven. Besef dan en zie, dat uw kwaad, dat u voor de ogen van de HEERE gedaan hebt, groot is, omdat u een koning voor u verlangd hebt.18Toen Samuel de HEERE aanriep, gaf de HEERE donder en regen op die dag. Daarom werd heel het volk zeer bevreesd voor de HEERE en voor Samuel.19En heel het volk zei tegen Samuel: Bid voor uw dienaren tot de HEERE, uw God, dat wij niet sterven; want boven al onze zonden hebben wij ook nog dit kwaad gedaan dat wij een koning voor ons verlangd hebben.20Toen zei Samuel tegen het volk: Wees niet bevreesd, u hebt al dit kwaad [wel] gedaan, maar wijk niet [langer] van achter de HEERE af, en dien de HEERE met uw hele hart.21Wijk niet af door de nietige [afgoden] na [te volgen], die niet van nut zijn en niet kunnen redden, want zij zijn nietigheden.22Want de HEERE zal Zijn volk niet verlaten, omwille van Zijn grote Naam, omdat het de HEERE behaagd heeft u voor Hem tot een volk te maken.23En wat mij betreft, er is bij mij geen sprake van dat ik tegen de HEERE zou zondigen door op te houden voor u te bidden; maar ik zal u de goede en juiste weg leren.24Vrees alleen de HEERE, en dien Hem trouw met uw hele hart, want zie welke grote dingen Hij bij u gedaan heeft.25Maar indien u het kwade blijft doen, dan zult u weggevaagd worden, zowel u als uw koning.). Misschien is het nog beter om te spreken van het geestelijk testament van de apostel. In een testament verklaart iemand wat hij wil dat er na zijn dood met zijn bezittingen gebeurt. Paulus weet dat zijn aardse leven binnenkort eindigt. Hij laat een geestelijke erfenis achter: de waarheid die God hem heeft toevertrouwd. Hoe moeten de gelovigen daarmee omgaan als hij er niet meer is? Dat zal hij in deze brief uiteenzetten.

Paulus heeft in dienst van God door het evangelie de gemeente van God op aarde gesticht en opgebouwd. Zijn werk is klaar. Maar zoals het is gegaan met alles wat God aan de mens in handen heeft gegeven, zal het ook gaan met de gemeente op aarde. Paulus voorziet de afwijking en het verval ervan. Daarbij ziet hij ook scherp de omstandigheden waarin de gemeente na zijn heengaan zal terechtkomen (vgl. Hd 20:2929Ik weet, dat na mijn vertrek wrede wolven bij u zullen binnenkomen, die de kudde niet sparen;). Hij heeft oog voor het verval dat na zijn sterven zal toenemen. De aanwijzingen die hij in dit geestelijk testament neerlegt, zijn daarom van groot belang voor de gemeente door de tijd heen vanaf het ontslapen van de grote apostel.

Je ontmoet veel emotie in de brief. Paulus was een mens van gelijke natuur als wij. Hij kijkt terug op zijn levenswerk en ziet wat ervan is geworden. Dat doet hij niet als een koelbloedige analyticus die de kille cijfers van een statistiek bekijkt. Hij doorleeft zijn werk opnieuw en voorvoelt ook hoe het zal gaan. Vanuit die gevoelens geeft hij richtlijnen voor een tijd dat het allemaal nog verder achteruit zal gaan en er van de oorsprong van de gemeente niet veel meer te herkennen is.

Als je de brief leest, hoor je hem de zorg van zijn hart delen met een (jonge) man die daar net zo bezorgd over is als hij. Dat doet hij op een manier die de brief voor alle tijden van belang maakt. Het is dan ook duidelijk een door de Heilige Geest geïnspireerde brief die daarom ook deel uitmaakt van de Bijbel. Door deze brief onderwijst de Geest ons over de afwijking van de gemeente van haar oorspronkelijke toestand.

Ook staat erin wat in zo’n toestand de zekere weg is voor hen die God zoeken en ernaar verlangen tot Zijn eer te leven. Die zekere weg rust op twee beginselen waaruit ieder te midden van vermenging en verwarring troost kan putten, zoals de apostel dat deed. Deze twee beginselen zijn:
1. het vaste fundament van God en
2. zich onttrekken aan ongerechtigheid.

Wat dat betekent, zal duidelijk worden als we 2 Timotheüs 2 gaan bespreken.

De brief is behalve waarschuwend en bemoedigend ook strijdlustig, want ondanks alle verval moet je niet bij de pakken gaan neerzitten. Hoe groter het verval, hoe groter de uitdaging is om een mens Gods (man/vrouw) te zijn. Een mens Gods is iemand die in een omgeving die met de rechten van God geen rekening houdt, laat zien Wie God is. De kracht daarvoor hebben we niet in onszelf, maar in de Geest van God, Die werkzaam is in een mens Gods, ook als de christenheid vol is van zelfgenoegzaamheid. Ik hoop dat jij een mens Gods wilt zijn.


Lees verder