2 Samuel
Inleiding 1 David verslaat de Filistijnen 2-6 Andere vijanden verslagen 7-12 Oorlogsbuit van David 13-14 David maakt naam 15-18 Regering van David
Inleiding

Het is goed om David in dit hoofdstuk op de troon te zien zitten. Toch haalt het niet bij het tafereel van het vorige hoofdstuk, waar we David hebben zien zitten voor de HEERE. Wij zijn er als gelovigen toe bestemd om te zitten op tronen. Toch is het groter om van die tronen af te komen om ons neer te werpen aan de voeten van de Verlosser en daar ook onze kronen neer te werpen. Zoals het zitten bij David in de tegenwoordigheid van de HEERE het hoogtepunt van zijn leven is, zo is ons hoogtepunt dat wij ons voor Hem neerwerpen. Aanbidden is groter dan regeren.

In dit hoofdstuk zien we David als de man van geloof. Hij breekt de macht van de vijand en maakt zijn goederen buit. Ook treft hij voorbereidingen voor de regering van vrede en voorspoed van zijn zoon Salomo.

We zien hem ook als het beeld van de Heer Jezus, de Koning van Sion, Die de overwinning behaalt over de vijanden van Israël en Die Zijn volk in het bezit stelt van het beloofde land tot aan de Eufraat toe (Gn 15:1818Op die dag sloot de HEERE een verbond met Abram, en zei: Aan uw nageslacht heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af tot aan de grote rivier, de rivier de Eufraat:). David regeert over heel Israël en oefent recht en gerechtigheid uit over het hele volk. Zij die zijn omzwervingen hebben gedeeld, delen nu ook in de heerlijkheid van zijn koninkrijk. In alles zien we een beeld van de regering van Christus.

David overwint achtereenvolgens de Filistijnen, de Moabieten, de koning van Zoba, de Arameeërs en de Edomieten. Hij rekent ook af met de Ammonieten en de Amalekieten. Al deze vijanden stellen de zonde voor in de vele verschijningsvormen ervan. Al die verschijningsvormen zijn even zoveel vijanden die invloed willen hebben in ons leven. De Heer wil ons de kracht geven die vijanden te overwinnen. De wapenrusting van God, die in Efeziërs 6 wordt beschreven, wordt ons aangereikt (Ef 6:10-1810Overigens, sterkt u in [de] Heer en in de kracht van Zijn sterkte.11Doet de hele wapenrusting van God aan, om te kunnen standhouden tegen de listen van de duivel.12Want onze strijd is niet tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis, tegen de geestelijke [machten] van de boosheid in de hemelse [gewesten].13Neemt daarom de hele wapenrusting van God op, om weerstand te kunnen bieden in de boze dag en om, na alles volbracht te hebben, stand te houden.14Houdt dan stand, uw lendenen omgord met [de] waarheid, en bekleed met het borstharnas van de gerechtigheid,15en de voeten geschoeid met [de] toerusting van het evangelie van de vrede,16terwijl u bovenal het schild van het geloof hebt opgenomen, waarmee u al de brandende pijlen van de boze zult kunnen uitblussen.17En neemt de helm van de behoudenis en het zwaard van de Geest, dat is [het] Woord van God,18terwijl u te allen tijde bidt in [de] Geest met alle gebed en smeking, en daartoe waakt met alle volharding en smeking voor alle heiligen,). Als we die aan hebben, zonder een onderdeel te vergeten, kunnen we staande blijven en overwinnaars zijn.


David verslaat de Filistijnen

1Daarna gebeurde het dat David de Filistijnen versloeg en hen onderwierp; David nam Meteg-Amma uit de macht van de Filistijnen.

“Daarna” betekent dat er een verband is met het voorgaande. Na het huis van David in het vorige hoofdstuk komt in dit hoofdstuk zijn rijk. Als het huis gevestigd is, is er ook kracht om te strijden. David is in het heiligdom geweest en komt nu naar buiten om overwinningen te boeken. Wij kunnen door de Geest vijanden overwinnen. De Heer Jezus heeft de wereld overwonnen en wij kunnen dat in de kracht van Zijn Geest.

De eerste vijanden die David verslaat, zijn de Filistijnen. Simson was lang geleden de man van wie gezegd was dat hij een begin zou maken met het verslaan van de Filistijnen (Ri 13:55Want zie, u zult zwanger worden en een zoon baren. En er mag geen scheermes op zijn hoofd komen. Want het jongetje zal van de [moeder]schoot af als nazireeër aan God [gewijd] zijn, en hij zal beginnen Israël te verlossen uit de hand van de Filistijnen.), maar Simson is zelf door hen verslagen. Hetzelfde geldt voor Saul. David is al eerder begonnen met het verslaan van de Filistijnen (2Sm 5:17-2517Toen de Filistijnen hoorden dat zij David tot koning over Israël gezalfd hadden, trokken alle Filistijnen op om David te zoeken. Toen David dat hoorde, daalde hij af naar de vesting.18De Filistijnen kwamen en verspreidden zich in het dal Refaïm.19David vroeg de HEERE: Zal ik optrekken tegen de Filistijnen? Zult U hen in mijn hand geven? En de HEERE zei tegen David: Trek op, want Ik zal de Filistijnen zeker in uw hand geven.20Toen kwam David in Baäl-Perazim. David versloeg hen daar en zei: De HEERE is voor mij uit door mijn vijanden heen gebroken als een doorbraak van water. Daarom gaf hij die plaats de naam Baäl-Perazim.21Zij lieten daar hun afgoden achter, en David en zijn mannen namen ze mee.22Daarna trokken de Filistijnen opnieuw op en verspreidden zich in het dal Refaïm.23David vroeg de HEERE [om raad]. Die zei: U moet niet optrekken; maak een omtrekkende beweging tot achter hen, zodat u bij hen komt van de zijde van de moerbeibomen.24En laat het gebeuren, wanneer u het geluid van voetstappen in de toppen van de moerbeibomen hoort, dat u zich dan haast; want dan is de HEERE vóór u uitgegaan om het leger van de Filistijnen te verslaan.25David deed zo, zoals de HEERE hem geboden had, en hij versloeg de Filistijnen van Geba af tot waar u bij Gezer komt.) en hij maakt nu zijn werk af. Daarmee komt een einde aan een lange periode waarin het volk van God overgeleverd was aan de macht van de Filistijnen.

Het ontnemen van Meteg-Amma – waarmee waarschijnlijk Gath wordt bedoeld – aan de macht van de Filistijnen lijkt een daad te zijn die symbolisch is voor het breken van de macht van de Filistijnen. Dat kan ook worden afgeleid uit de betekenis van de naam van de stad. ‘Meteg’ betekent ‘teugel’ of ‘dwang’ en ‘Amma’ betekent ‘moeder’. De stad was een soort moeder van het Filistijnse volk die het hele Filistijnse volk en ook Israël onder haar invloed had. Deze teugel neemt David de Filistijnen uit handen en gebruikt hem om hen in bedwang te houden. Hij oefent nu zijn invloed op de Filistijnen uit en onderwerpt hen.


Andere vijanden verslagen

2Ook versloeg hij Moab. Hij mat hen af met een meetsnoer, waarbij hij hen op de grond deed neerliggen. Hij mat met twee snoeren om te doden en met één snoer in zijn volle lengte om in leven te laten. Zo werden de Moabieten Davids dienaren [en] zij moesten schatting afdragen. 3Verder versloeg David Hadadezer, de zoon van Rechob, de koning van Zoba, toen die heentrok om zijn gezag aan de rivier de Eufraat te herstellen. 4David nam van hem duizend [wagens af] en [nam] zevenhonderd ruiters en twintigduizend man voetvolk [gevangen]. Ook sneed David de hielpezen van alle wagen[paarden] door, maar hield er honderd wagen[paarden] van over. 5De Syriërs van Damascus kwamen om Hadadezer, de koning van Zoba, te helpen, maar David versloeg van de Syriërs tweeëntwintigduizend man. 6David legde garnizoenen in het Syrië van Damascus, en de Syriërs werden dienaren van David [en] moesten schatting afdragen. De HEERE gaf David de overwinning overal waar hij heen ging.

Na de Filistijnen is Moab aan de beurt. Ook deze vijand wordt verslagen. Hier vindt een voorvervulling van de profetie van Bileam plaats: “Er zal een ster uit Jakob voortkomen, er zal een scepter uit Israël opkomen; hij zal de flanken van Moab verbrijzelen” (Nm 24:1717Ik zal hem zien, maar niet nu;
ik zal hem aanschouwen, maar niet van nabij.
Er zal een ster uit Jakob voortkomen,
er zal een scepter uit Israël opkomen;
hij zal de flanken van Moab verbrijzelen
en alle zonen van Seth vernietigen.
)
. Bij het oordeel dat David over de Moabieten voltrekt, maakt hij gebruik van meetsnoeren. Zo bepaalt hij wie wordt gedood en wie in leven mag blijven. Het doet denken aan de uitwerking van het evangelie, waarvan we lezen dat het voor sommigen “een reuk uit [de] dood tot [de] dood” is, terwijl het voor anderen “een reuk uit [het] leven tot [het] leven” is (2Ko 2:1616voor de laatsten wel een reuk uit [de] dood tot [de] dood, maar voor de eersten een reuk uit [het] leven tot [het] leven. – En wie is tot deze dingen bekwaam?).

Ook Moab wordt door David verslagen. De Moabieten zijn aan Israël schatplichtig gebleven tot na de dood van Achab (2Kn 3:4-54Mesa nu, de koning van Moab, was een veehouder, en bracht aan de koning van Israël [als schatting] honderdduizend lammeren en honderdduizend rammen, met de wol.5Maar het gebeurde, nadat Achab gestorven was, dat de koning van Moab tegen de koning van Israël in opstand kwam.). Toen kwamen zij in opstand en zijn daarna nooit meer onderworpen. De uiteindelijke onderwerping zal volgens de aangehaalde profetie van Bileam gebeuren door “de ster uit Jakob” en de “scepter uit Israël”, wat in werkelijkheid ziet op de Heer Jezus, de Messias van Israël.

De geestelijke betekenis van deze vijand is niet moeilijk. We lezen van Moab dat het wordt gekenmerkt door hoogmoed en gemakzucht (Js 16:66Wij hebben gehoord van de trots van Moab,
[dat] zeer hoogmoedig is,
van zijn hoogmoed, zijn trots en zijn overmoed;
zijn holle praat is niet gepast!
; Jr 48:11a11Moab is vanaf zijn jeugd zonder zorgen geweest,
en heeft [als wijn] op zijn droesem stilgelegen.
Het is niet van het ene vat in het andere overgegoten:
het is niet in ballingschap gegaan.
Daarom heeft het zijn smaak behouden
en is zijn geur niet veranderd.
)
. Deze zonden zitten in ons, in ons vlees. We hebben in Christus de macht over de zonde. In de praktijk betekent het dat wij ons voor de zonde dood moeten houden. Dat kan door er voortdurend aan te denken dat onze oude mens met Christus is gekruisigd. Zodra hoogmoed of gemakzucht zich willen laten gelden in ons leven, moeten we kijken naar Christus en Zijn werk aan het kruis. Alleen zo krijgt het vlees geen kans zich te laten gelden.

De volgende vijanden die worden verslagen, zijn de Syriërs. Deze vijanden proberen aan de uiterste grenzen van Gods volk het gezag van David te ondergraven. David gaat erheen om zijn gezag te handhaven. Wat God als grens voor Zijn volk heeft gegeven, de Eufraat (Gn 15:1818Op die dag sloot de HEERE een verbond met Abram, en zei: Aan uw nageslacht heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af tot aan de grote rivier, de rivier de Eufraat:), daar tracht de vijand het gezag te herkrijgen. De geestelijke les is dat er machten zijn die de grenzen, die God in Zijn Woord heeft gegeven, in bezit trachten te nemen. Daarbij kunnen we bijvoorbeeld denken aan de begrenzing van het huwelijk als het enige gebied dat God heeft gegeven waarbinnen seksualiteit kan worden beleefd.

De Syriërs bestaan uit twee groepen. Dat lezen we in Psalm 60, een psalm die David heeft gedicht naar aanleiding van de strijd die hier wordt beschreven. David begint met “de Syriërs van Zoba” (verzen 3-43Verder versloeg David Hadadezer, de zoon van Rechob, de koning van Zoba, toen die heentrok om zijn gezag aan de rivier de Eufraat te herstellen.4David nam van hem duizend [wagens af] en [nam] zevenhonderd ruiters en twintigduizend man voetvolk [gevangen]. Ook sneed David de hielpezen van alle wagen[paarden] door, maar hield er honderd wagen[paarden] van over.; Ps 60:22toen hij gevochten had met de Syriërs van Mesopotamië en met de Syriërs van Zoba, en Joab terugkwam en de Edomieten versloeg in het Zoutdal: twaalfduizend [man].). Als hij naar de grens van zijn rijk aan de Eufraat gaat, vindt hij de koning van Zoba op zijn weg. Deze koning claimt het bezit van de landen die aan Israël toekomen. Zij zijn door de belofte van God aan Abraham en zijn zaad toegewezen. David verslaat hem, ontneemt hem zijn wagens en neemt veel ruiters en voetvolk gevangen. Ook snijdt hij van veel paarden de hielpezen door en maakt ze op die manier kreupel en onbruikbaar voor de strijd.

David rekent ook af met de Syriërs van Damascus die de koning van Zoba te hulp zijn gekomen. Ze doen dit tot hun eigen verderf. Al het samenspannen tegen de HEERE en Zijn gezalfde maakt het oordeel over hen slechts eenvoudiger. De vijanden van God worden in de eindtijd ook door een onzichtbare macht samengevoegd om gezamenlijk in één ogenblik volledig te worden verdelgd (vgl. Js 8:99Volken, loop te hoop, en word verpletterd!
En neem ter ore, allen die in verre landen zijn,
omgord u en word verpletterd;
omgord u en word verpletterd!
)
. Velen van de Syriërs worden door David gedood. Hij verovert daardoor eenvoudig Damascus en maakt er een garnizoensstad van.

David overwint omdat de HEERE hem de overwinning geeft (verzen 6,146David legde garnizoenen in het Syrië van Damascus, en de Syriërs werden dienaren van David [en] moesten schatting afdragen. De HEERE gaf David de overwinning overal waar hij heen ging.14Hij legde garnizoenen in Edom; in heel Edom legde hij garnizoenen, en alle Edomieten werden aan David onderworpen. De HEERE gaf David de overwinning overal waar hij heen ging.). Het is goed te beseffen dat in onszelf geen kracht is om welke vijand ook, te overwinnen.


Oorlogsbuit van David

7David nam de gouden schilden die van Hadadezers dienaren geweest waren, en bracht ze naar Jeruzalem. 8En uit Betach en uit Berothai, steden van Hadadezer, nam koning David zeer veel koper mee. 9Toen [nu] Toï, de koning van Hamath, hoorde dat David heel het leger van Hadadezer verslagen had, 10stuurde Toï zijn zoon Joram naar koning David om hem naar [zijn] welstand te vragen en hem geluk te wensen, omdat hij tegen Hadadezer gestreden en hem verslagen had – Hadadezer voerde namelijk steeds strijd tegen Toï – en hij had zilveren voorwerpen, gouden voorwerpen en koperen voorwerpen bij zich. 11Koning David heiligde ook die voor de HEERE, evenals het zilver en het goud dat hij geheiligd had van alle heidenvolken die hij [aan zich] had onderworpen: 12van Syrië, van Moab, van de Ammonieten, van de Filistijnen, van Amalek, en van de buit van Hadadezer, de zoon van Rechob, de koning van Zoba.

Omdat David Hadadezer heeft verslagen, is er vreugde bij Toï, de koning van Hamath. Het verslaan van vijanden heeft een rijkere uitwerking dan alleen een persoonlijke vreugde. Zoals falen kwalijke gevolgen heeft voor anderen (2Sm 6:77Toen ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Uzza, en God strafte hem daar om deze onbedachtzaamheid, en hij stierf daar bij de ark van God.), zo heeft een overwinning in de kracht van God een goede uitwerking voor anderen.

Toï komt niet gedwongen, maar vrijwillig. In het vrederijk zullen koningen en rijken met een ijzeren roede worden onderworpen, terwijl anderen zich vrijwillig onderwerpen aan de heerschappij van de Heer Jezus (Ps 18:44-4644U hebt mij bevrijd van de aanklachten van het volk;
U hebt mij aangesteld tot hoofd van de heidenvolken;
het volk [dat] ik niet kende, heeft mij gediend.
45Zodra [hun] oor [van mij] hoorde, hebben zij mij gehoorzaamd.
Vreemdelingen veinsden zich aan mij te onderwerpen.
46Vreemdelingen zijn bezweken
en kwamen sidderend uit hun burchten.
)
. Ze zijn Hem dankbaar dat Hij hun vijanden heeft verslagen. Toï brengt voorwerpen van materialen die David kan gebruiken voor de tempel.

David heiligt alles wat hij in de diverse oorlogen buitmaakt voor de HEERE (vers 1111Koning David heiligde ook die voor de HEERE, evenals het zilver en het goud dat hij geheiligd had van alle heidenvolken die hij [aan zich] had onderworpen:). Alles wordt bestemd voor het bouwen van de tempel (1Kn 7:5151Zo werd al het werk dat koning Salomo [voor] het huis van de HEERE verrichtte, voltooid. Daarna bracht Salomo de geheiligde [gaven] van zijn vader David over. Het zilver, het goud en de voorwerpen legde hij in de schatkamers van het huis van de HEERE.). Dat de tempel gebouwd wordt van de buit en de geschenken van heidense volken toont Gods goedgunstigheid tegenover de heidenen. Het huis van God zal dan ook “een huis van gebed genoemd worden voor alle volken” (Js 56:77hen zal Ik ook brengen naar Mijn heilige berg,
en Ik zal hen verblijden in Mijn huis van gebed.
Hun brandoffers en hun slachtoffers zullen welgevallig zijn op Mijn altaar.
Want Mijn huis zal een huis van gebed genoemd worden voor alle volken.
)
. We zien ditzelfde met betrekking tot het nieuwe Jeruzalem. We lezen van “de koningen van de aarde” dat zij ”hun heerlijkheid tot haar” brengen (Op 21:2424En de naties zullen door haar licht wandelen en de koningen van de aarde brengen hun heerlijkheid tot haar.; vgl. Mi 4:13b13Sta op en dors, dochter van Sion,
want Ik zal uw hoorn van ijzer maken
en Ik zal uw hoeven van brons maken,
en u zult vele volken verpletteren
en Ik zal hun winstbejag met de ban slaan: [het is] voor de HEERE,
hun vermogen is voor de Heere van heel de aarde.
)
.

Als iemand door de genade van de Zoon van David overwonnen wordt, moet alles wat eerst tot eigen eer heeft gediend, vanaf dat ogenblik worden gebruikt om Hem te verheerlijken. Daarvoor moet het geheiligd worden, dat wil zeggen bewust die bestemming krijgen en niet meer worden gebruikt tot eigen verheerlijking (vgl. Js 23:1818Haar winst en hoerenloon zal echter heilig worden voor de HEERE. Het zal niet opgeslagen of weggelegd worden, maar haar winst zal zijn voor hen die wonen voor het aangezicht van de HEERE, om tot verzadiging te [kunnen] eten en kostbare kleding [te kopen].; Mi 4:13b13Sta op en dors, dochter van Sion,
want Ik zal uw hoorn van ijzer maken
en Ik zal uw hoeven van brons maken,
en u zult vele volken verpletteren
en Ik zal hun winstbejag met de ban slaan: [het is] voor de HEERE,
hun vermogen is voor de Heere van heel de aarde.
)
. Dat kan alleen als alles wordt gezien in het licht van het kruis.


David maakt naam

13Ook maakte David naam, toen hij terugkwam nadat hij de Syriërs verslagen had in het Zoutdal, achttienduizend [man]. 14Hij legde garnizoenen in Edom; in heel Edom legde hij garnizoenen, en alle Edomieten werden aan David onderworpen. De HEERE gaf David de overwinning overal waar hij heen ging.

Door zijn overwinningen, met name die op de Syriërs, maakt David naam. Hij doet dat door zijn beleid en moed die hem doen uitsteken boven andere legeraanvoerders. Waarschijnlijk is er iets buitengewoons in zijn wijze van oorlog voeren. Hij past er echter zeer voor op zichzelf eer toe te kennen. Dat blijkt wel uit het slot van de psalm die hij naar aanleiding van deze oorlog heeft geschreven: “Met God zullen wij krachtige daden doen; Híj zal onze tegenstanders vertrappen” (Ps 60:1414Met God zullen wij krachtige daden doen;
Híj zal onze tegenstanders vertrappen.
)
. Hij beseft dat zijn overwinningen uitsluitend te danken zijn aan God.

Alle Edomieten worden knechten van David. Op deze manier en op dit moment wordt de zegen van Izak vervuld, waarbij hij Jakob tot heer over Ezau stelde (Gn 27:37-4037Izak antwoordde en zei tegen Ezau: Zie, ik heb hem heerser over jou gemaakt en al zijn broers heb ik hem als dienaar gegeven. Ik heb hem van koren en nieuwe wijn voorzien. Wat kan ik dan [nog] voor je doen, mijn zoon?38Daarop zei Ezau tegen zijn vader: Hebt u [alleen maar] deze ene zegen, mijn vader? Zegen mij, ook mij, mijn vader! En Ezau begon luid te huilen.39Toen antwoordde zijn vader Izak en zei tegen hem:
Zie, van de vruchtbare streken van de aarde
zal je woongebied zijn,
en van de dauw van de hemel van boven.
40Van je zwaard zul je leven
en je broer zul je dienen.
Maar als je tot macht komt,
zul je zijn juk van je nek afrukken.
)
. Het gaat hier ook om een voorvervulling, want de definitieve vervulling komt pas in het vrederijk. De Edomieten zijn lange tijd aan de koningen van Juda schatplichtig gebleven, evenals de Moabieten aan de koningen van Israël. In de tijd van koning Joram komen ze in opstand (2Kr 21:88In zijn dagen kwam Edom in opstand tegen het gezag van Juda, en stelde een koning over zich aan.), naar de voorzegging door Izak dat Ezau na verloop van tijd het juk van Jakob van zijn hals zal afwerpen.


Regering van David

15Zo regeerde David over heel Israël, en David deed recht en gerechtigheid aan heel zijn volk. 16Joab, de zoon van Zeruja, ging over het leger en Josafat, de zoon van Ahilud, was kanselier. 17En Zadok, de zoon van Ahitub, en Achimelech, de zoon van Abjathar, waren priesters; en Seraja was schrijver. 18En Benaja, de zoon van Jojada, met de Krethi en de Plethi. De zonen van David waren echter staatsdienaren.

Deze verzen geven een beeld van het vrederijk onder de regering van de Heer Jezus. David regeert over heel Israël. Het hele volk is veilig onder zijn bescherming en deelt in de vruchten van zijn goede regering. Hij is onpartijdig en eerlijk in het rechtsgeding. Nooit heeft hij uit gunst of voorliefde het recht verdraaid. In zijn rechtspraak gaat hij te werk zonder aanzien van de persoon. Hierin is hij een type van Christus, Die getrouw en waarachtig is en “oordeelt en oorlog voert in gerechtigheid” (Op 19:1111En ik zag de hemel geopend, en zie, een wit paard, en Hij Die daarop zit, <heet> Getrouw en Waarachtig, en Hij oordeelt en voert oorlog in gerechtigheid.; Ps 72:1-21Voor Salomo.
O God, geef de koning Uw recht
en Uw gerechtigheid aan de zoon van de koning.
2Dan zal hij over Uw volk rechtspreken met gerechtigheid
en over Uw ellendigen met recht.
)
.

Met vaste hand oefent hij onder het hele volk recht en gerechtigheid uit, zonder iemand onrecht te doen of het recht aan iemand te weigeren. Het toont aan dat het volk gemakkelijk toegang tot hem heeft en dat hij bereid is om te luisteren naar wie hem iets wil vragen of een beroep op hem wil doen.

David heeft ook goede beambten aan zijn hof. Hij is de eerste leider van Gods volk die een gevestigde regering heeft. Hij ziet ook in dat hij mensen nodig heeft die goed kunnen besturen. Hij heeft twee militaire beambten, Joab en Benaja. Joab is overste van het leger met het oog op vijandige machten buiten Israël. Benaja is overste van de Krethi en de Plethi, de lijfwacht van David, en zorgt voor de handhaving van de binnenlandse orde.

Hij heeft ook twee priesters voor de godsdienstige zaken, Zadok en Achimelech. De gemeenschappelijke vermelding van Zadok en Achimelech als priesters wijst op de overgang die in de priesterdienst plaatsvindt. Achimelech, de zoon van Abjathar, is een nakomeling van Eli, de zoon van Ithamar, de zoon van Aäron. Deze lijn van het priesterschap zal, naar de woorden van Samuel tot Eli, eindigen (1Sm 3:10-1410Toen kwam de HEERE en bleef daar staan; en Hij riep zoals de andere keren: Samuel, Samuel! En Samuel zei: Spreek, want Uw dienaar luistert.11De HEERE zei tegen Samuel: Zie, Ik ga iets doen in Israël waarvan bij ieder die het hoort, de beide oren zullen tuiten.12Op die dag zal Ik over Eli alles gestand doen wat Ik tegen zijn huis gesproken heb, [van] het begin tot het einde.13Want Ik heb hem bekendgemaakt dat Ik over zijn huis voor eeuwig gericht zal oefenen, omwille van de ongerechtigheid die hij geweten heeft; want toen zijn zonen zich vervloekt gemaakt hebben, heeft hij hen niet eens zuur aangekeken.14En daarom heb Ik het huis van Eli gezworen: De ongerechtigheid van het huis van Eli zal in eeuwigheid niet verzoend worden door slachtoffer of door graanoffer!). Zadok is een nakomeling van Aäron via Eleazar, de andere overgebleven zoon van Aäron (1Kr 6:3-83De kinderen van Amram waren Aäron, Mozes en Mirjam; en de zonen van Aäron waren Nadab, Abihu, Eleazar en Ithamar.4Eleazar verwekte Pinehas [en] Pinehas verwekte Abisua.5Abisua verwekte Bukki en Bukki verwekte Uzzi.6Uzzi verwekte Zerahja en Zerahja verwekte Merajoth.7Merajoth verwekte Amarja en Amarja verwekte Ahitub.8Ahitub verwekte Zadok en Zadok verwekte Ahimaäz.). Via Zadok wordt de lijn van het priesterschap vanaf de regering van Salomo voortgezet (1Kn 2:3535En de koning stelde Benaja, de zoon van Jojada, in zijn plaats aan over het leger, en de priester Zadok stelde de koning aan in de plaats van Abjathar.).

Ten slotte zijn er nog twee burgerlijke beambten, Josafat en Seraja. Josafat is kanselier. Hij brengt de belangrijke zaken onder de aandacht van David om zich daarmee bezig te houden. Seraja is schrijver of staatssecretaris. Hij stelt de openbare orde op en houdt aantekening van besluiten en rechterlijke vonnissen.

Uit de zorg van David voor interne rust door het handhaven van het recht kunnen we geestelijke lessen trekken. Hij zorgt voor een goed leger omdat hij beseft dat, al zijn de vijanden overwonnen, er een dreiging van hen blijft uitgaan. Het leger is er niet alleen om de vrede ten opzichte van de volken om hen heen te handhaven, het wordt ook gebruikt om de vrede onder de leden van het volk zelf te handhaven. Ook intern mag er geen opstand uitbreken.

Als we dit toepassen op het leven van de gemeente, is de les dat ook bij onderlinge spanningen de ware David klaarstaat om rust en vrede te herstellen. Hij heeft een leger, Zijn ‘gaven’ aan de gemeente, die aanwijzingen geven waardoor de spanningen kunnen verdwijnen. In Handelingen 6 hebben we een voorbeeld van zulke spanningen. Een groep gelovigen voelt zich benadeeld. Deze gelovigen menen dat zij, vergeleken met anderen, te weinig krijgen. Als dit gemopper niet vlug verdwijnt, zal het een verwoestende uitwerking op de gemeente hebben. Het ‘leger’ van de Heer Jezus, de apostelen, komt met de oplossing, waardoor het gemopper ophoudt. Die oplossing ligt niet in het gebruik van geweld, maar in het tegemoetkomen aan de klagers waar dat maar kan (Hd 6:1-61In die dagen nu, toen de discipelen talrijker werden, ontstond er gemopper van de Griekssprekende [Joden] tegen de Hebreeën, omdat in de dagelijkse bediening hun weduwen over het hoofd werden gezien.2De twaalf nu riepen de menigte van de discipelen bijeen en zeiden: Het is niet bevredigend dat wij het Woord van God nalaten en [de] tafels dienen.3Ziet nu uit, broeders, naar zeven mannen uit u, met een [goed] getuigenis, vol van [de] Geest en van wijsheid, die wij over deze taak zullen stellen.4Wij echter zullen volharden in het gebed en in de bediening van het Woord.5En dit woord bevredigde de hele menigte; en zij kozen Stéfanus, een man vol van geloof en van [de] Heilige Geest, en Filippus, Próchorus, Nicánor, Timon, Pármenas en Nicolaüs, een proseliet van Antiochië,6die zij voor de apostelen stelden; en na gebeden te hebben legden zij hun de handen op.). Voor zo’n oplossing is een geestelijke instelling nodig, de gezindheid van de Heer Jezus.

Wij hebben ook de verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat wij in ons eigen leven en in de gemeente van God Zijn recht handhaven. Dat wil zeggen, dat er wordt gehoorzaamd aan wat Hij zegt in Zijn Woord. Dat kan niet gebeuren door kracht of geweld, maar door de Geest Die werkt in voorgangers die de Heer heeft gegeven. Deze voorgangers zijn geen officieel aangestelde personen. Zoiets komt in de Bijbel niet voor. Het zijn door de Heer in de school van het leven opgeleide en gevormde dienaren. Wij worden vermaand hun gehoorzaam en onderdanig te zijn (Hb 13:17a17Weest aan uw voorgangers gehoorzaam en weest hun onderdanig, want zij waken over uw zielen als degenen die rekenschap zullen afleggen, opdat zij dit met vreugde en niet zuchtend doen, want dat is voor u niet nuttig.).


Lees verder