2 Samuel
1-2 David gaat de ark ophalen 3-5 De ark vervoerd op een nieuwe wagen 6-8 De dood van Uzza 9-11 De ark in het huis van Obed-Edom 12-15 De ark naar Jeruzalem 16 Michal veracht David 17-19 Offers en voedsel 20-23 David en Michal
David gaat de ark ophalen

1Daarna verzamelde David opnieuw de beste van alle [mannen] in Israël, dertigduizend. 2David stond op en ging [op weg] met al het volk dat bij hem was, vanuit Baälim-Juda, om vandaar de ark van God op te halen, [de ark] waarbij de Naam wordt aangeroepen: de Naam van de HEERE van de legermachten, Die daarop troont, tussen de cherubs.

Nadat David Jeruzalem tot de hoofdstad van zijn rijk heeft gemaakt, gaat zijn zorg uit naar de dienst aan God. Sinds de tijd van de dood van Eli is de dienst aan God door de scheiding tussen de ark en de tabernakel zeer in verval geraakt. Hij wil nu eerst de ark ophalen en die naar Jeruzalem brengen. De tabernakel blijft in Gibeon.

De ark is twintig jaar onder het volk van God geweest zonder dat iemand zich erom heeft bekommerd (1Sm 7:22En het gebeurde vanaf de dag dat de ark in Kirjath-Jearim bleef, dat er veel dagen verliepen – het werden twintig jaren – en het hele huis van Israël wendde zich klagend tot de HEERE.). Zo kunnen we de Heer Jezus wel toegelaten hebben in ons leven, maar kan Hij tegelijk slechts een bijkomstigheid, een ‘randfiguur’ zijn. Dat is bij David anders. We lezen in de Psalmen over zijn verlangen om voor de HEERE een woning te vinden, dat wil zeggen voor de ark (Ps 132:3-53Nee, ik ga mijn tent, mijn huis, niet binnen,
ik leg mij op de rustbank, mijn bed, niet neer;
4ik gun mijn ogen geen slaap,
mijn oogleden geen sluimer,
5totdat ik voor de HEERE een plaats gevonden heb,
een woning voor de Machtige Jakobs!
)
. Hij vindt de ark “in de velden van Jaär” (Ps 132:66Zie, wij hebben [van de ark] gehoord in Efratha,
hem gevonden in de velden van Jaär.
)
.

Toen het volk op het punt stond het beloofde land in te gaan, heeft de HEERE al gezegd dat het volk op zoek moest gaan naar de plaats die Hij zou uitkiezen (Dt 12:55Maar naar de plaats die de HEERE, uw God, uit al uw stammen zal uitkiezen om Zijn Naam daar te vestigen, naar Zijn woning moet u vragen en daarheen komen.). Toen het volk echter het land had veroverd, is niemand naar die plaats op zoek gegaan. Maar hier is een man die geen rust vindt, totdat hij die plaats heeft gevonden (Ps 132:3-53Nee, ik ga mijn tent, mijn huis, niet binnen,
ik leg mij op de rustbank, mijn bed, niet neer;
4ik gun mijn ogen geen slaap,
mijn oogleden geen sluimer,
5totdat ik voor de HEERE een plaats gevonden heb,
een woning voor de Machtige Jakobs!
)
.

De ark spreekt van de Heer Jezus. In de christenheid is ook nauwelijks een vraag naar de plaats waar Hij is en Wie Hij is.


De ark vervoerd op een nieuwe wagen

3Zij vervoerden de ark van God op een nieuwe wagen. Ze haalden hem uit het huis van Abinadab, dat op de heuvel lag, en Uzza en Ahio, zonen van Abinadab, leidden de nieuwe wagen. 4Zij haalden [de wagen] uit het huis van Abinadab, dat op de heuvel lag, met de ark van God, en Ahio liep voor de ark uit. 5David en het hele huis van Israël huppelden voor het aangezicht van de HEERE, met allerlei [muziekinstrumenten] van cipressenhout, met harpen, met luiten, met tamboerijnen, met rinkelbellen en met cimbalen.

Het is mogelijk om goede dingen op een verkeerde manier te doen. Dat is wat hier gebeurt. De wens van David om de ark naar Jeruzalem te brengen is goed, maar de manier waarop hij dat doet, is niet goed. De ark moet worden gedragen. In geestelijke zin wil dat zeggen dat de dragers het gewicht moeten voelen van de heerlijkheid van de HEERE. Het gaat erom dat een dienst voor de Heer wordt uitgevoerd op de manier die Hij Zelf aangeeft. Het belang daarvan moeten we voelen. Wil God een dienst kunnen aanvaarden, dan moet die dienst in overeenstemming met Zijn Woord zijn.

David gaat hier op Filistijnse wijze te werk. Hij gebruikt hun methode om de ark te vervoeren (1Sm 6:7-127Nu dan, neem een nieuwe wagen, maak [die gereed], en neem twee zogende koeien, waarop [nog] geen juk gekomen is; span de koeien voor de wagen en breng hun kalveren achter hen vandaan terug naar huis.8Neem dan de ark van de HEERE, zet hem op de wagen, en leg de gouden voorwerpen die u Hem als schuldoffer doet toekomen, in een kistje ernaast. Stuur hem vervolgens [terug] en laat hem gaan.9Let dan op: als [de ark] de weg naar het gebied van Beth-Semes inslaat, heeft Híj ons dit grote kwaad aangedaan. Maar zo niet, dan weten wij dat niet Zijn hand ons getroffen heeft; [dan] is het ons toevallig overkomen.10Zo deden die mannen; zij namen twee zogende koeien en spanden die voor de wagen, maar hun kalveren sloten zij in huis op.11Zij zetten de ark van de HEERE op de wagen, evenals het kistje met de gouden muizen en de beeldjes van hun gezwellen.12De koeien liepen regelrecht, in één spoor, de weg langs, op weg naar Beth-Semes; zij liepen al loeiend steeds maar door en weken niet af naar rechts of naar links. De stadsvorsten van de Filistijnen liepen erachteraan, tot aan het gebied van Beth-Semes.). Het is wel een nieuwe wagen, maar tegelijk Filistijns. Het spreekt van het werk van de mens, van een voor de mens aansprekende manier van dienen van God. Hier zien we dat het gevaar van de Filistijnen niet alleen van buitenaf komt, maar ook in het eigen hart zit. De gevaren van het vlees en de zonde zijn in ons eigen hart.

Om de Filistijnen te bestrijden heeft hij in het vorige hoofdstuk de HEERE tot twee keer toe om Zijn leiding gevraagd. Nu het om de ark gaat, lezen we daarover niet. David gaat aan het werk zonder de HEERE te vragen. Misschien is het wel omdat het toch wel vanzelfsprekend is dat hij de ark naar Jeruzalem wil brengen. Dat kan toch niet anders dan goed zijn? Het is ook goed, maar ook de methode moet goed zijn en dat is hier niet zo. Als ergens de leiding van God en de aanwijzingen van Zijn genade nodig zijn, is het wel in Zijn eigen dienst en aanbidding van Hem.

We kunnen dit vergelijken met het houden van bijbellezingen of het organiseren daarvan. Dat zijn toch goede dingen? Maar is het ook dan niet belangrijk aan de Heer te vragen of en hoe Hij dat wil? Het gaat erom te weten dat wij in Zijn weg zijn. Als we het niet doen in afhankelijkheid van de Heer, gaat het verkeerd.


De dood van Uzza

6Maar toen zij bij de dorsvloer van Nachon kwamen, strekte Uzza [zijn hand] uit naar de ark van God en greep die, omdat de runderen struikelden. 7Toen ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Uzza, en God strafte hem daar om deze onbedachtzaamheid, en hij stierf daar bij de ark van God. 8David ontstak [in woede], omdat de HEERE Uzza een zware slag had toegebracht, en hij noemde die plaats Perez-Uzza, tot op deze dag.

Wat een feest had moeten worden, eindigt in een ramp. Wat David met de beste bedoelingen heeft geregeld, voorkomt niet dat er een ongeluk met de ark gebeurt. Uzza wil voorkomen dat de ark valt en doet dat door zijn hand naar de ark uit te strekken om hem tegen te houden. Deze goedbedoelde handeling wordt echter door God met de dood bestraft.

God wil niet dat wij met onze handen Zijn dienst ondersteunen. Zijn Goddelijke heerlijkheid, waarvan de ark het symbool is, kan niet worden aangeraakt door onze handen. Die aanraking heeft namelijk slechts een bezoedeling van de ark tot gevolg. God waakt over Zijn eer. De ark is een beeld van de Heer Jezus. God wil dat wij Hem met respect behandelen, met Hem omgaan zoals Hij aangeeft. Hij is het centrum van de ware dienst aan God. Nooit zal God toestaan dat wij, mensen, de dienst aan Hem regelen naar onze eigen gedachten. Als wij die dienst zelf gaan invullen, loopt het zeker verkeerd af. Alleen als wij Hem echt de leiding in ons leven en ons samenkomen geven, zal het goed gaan.

Als het bijvoorbeeld gaat om aanbidding, zegt de Heer Jezus dat de Vader aanbidders zoekt. Tegelijk geeft Hij aan hoe God aanbeden moet worden (Jh 4:23-2423Maar er komt een uur, en het is er, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid; immers, de Vader zoekt zulke [personen] die Hem aanbidden.24God is een geest, en wie Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid.). Dat doet Hij niet door menselijke regels voor te schrijven, ook niet met de beste bedoelingen. God heeft Zijn Woord en Zijn Geest gegeven. In Zijn Woord kunnen we lezen hoe we Hem in geest en in waarheid kunnen aanbidden. Waar gehoorzaamheid aan Zijn Woord onder de leiding van Zijn Geest wordt gevonden, kan een dienst plaatsvinden die tot Zijn eer is.

De runderen die de wagen trekken waarop de ark staat, zijn niet beter dan de schouders van priesters. Ze struikelen. God heeft bij de Filistijnen de runderen geleid. Dat heeft Hij gedaan omdat de Filistijnen niet beter weten. Gods volk moet echter beter weten. Wat God bij de Filistijnen tot op zekere hoogte verdraagt, verdraagt Hij niet bij de Zijnen. Uzza probeert de ark te redden voor een val en vergeet Gods voorschrift om de ark niet aan te raken. God straft zwaar!

Hier doet zich in beeld het geval voor dat er niet genoeg afstand tussen de Heer Jezus en ons bewaard wordt. Gepaste eerbied wordt door vertrouwelijke omgang niet weggenomen. Hoewel Uzza niet in de ark kijkt, doet hij toch iets wat spreekt van een aantasten van de heerlijkheid van de Heer Jezus. Dan moet God ingrijpen.

David is niet alleen verdrietig, maar ook boos, en zelfs opstandig. Hij denkt dat hij zo goed bezig is en nu wordt hij zo gestraft! De slag komt nu niet over de Filistijnen (1Sm 5:66En de hand van de HEERE drukte zwaar op de inwoners van Asdod en teisterde hen; Hij trof hen, [namelijk] Asdod en de bijbehorende gebieden, met gezwellen.), maar over David. David moet echter leren dat niet God, maar hijzelf de oorzaak van deze ramp is. Het is wel vaker zo dat we God de schuld geven van gebeurtenissen die we zelf hebben veroorzaakt.

Het gebrek aan gehoorzaamheid van David aan wat God gezegd heeft, kost een ander, Uzza, het leven. Zo kan onze ongehoorzaamheid kwalijke gevolgen voor anderen hebben. Dat pleit Uzza niet vrij. Ook hij was verantwoordelijk de wil van God te kennen. Zijn goedbedoelde poging de ark te redden was in strijd met Gods Woord en God moet dat straffen. God kan niets van Zijn heiligheid prijsgeven.


De ark in het huis van Obed-Edom

9David was op die dag bevreesd voor de HEERE en zei: Hoe moet de ark van de HEERE bij mij komen? 10David wilde de ark van de HEERE niet bij zich laten komen in de stad van David, maar David liet hem uitwijken naar het huis van Obed-Edom, de Gethiet. 11Zo bleef de ark van de HEERE in het huis van Obed-Edom, de Gethiet, drie maanden [lang], en de HEERE zegende Obed-Edom en heel zijn huis.

De volgende reactie is vrees. Zonde brengt altijd vrees mee, “maar de volmaakte liefde drijft de vrees uit” (1Jh 4:1818In de liefde is geen vrees, maar de volmaakte liefde drijft de vrees uit, want de vrees houdt straf in, en wie vreest, is niet volmaakt in de liefde.). David wandelt dan ook niet in het licht van Gods liefde, maar in het licht van zijn goede bedoelingen. Daarom ontmoedigt deze daad van God hem. Hij wordt bang en geeft zijn plan op. Hij laat de ark uitwijken naar het huis van Obed-Edom.

Obed-Edom zal ongetwijfeld hebben geweten wat voor leed de ark heeft veroorzaakt onder de Filistijnen, die de ark gevangen hadden gehouden (1Sm 5). Hij zal ook hebben geweten van de Beth-Semieten die erin gekeken hebben en van wie sommigen zijn gedood (1Sm 6:1919Maar de HEERE doodde [sommigen] van de mannen van Beth-Semes, omdat zij in de ark van de HEERE hadden gekeken. Hij doodde van het volk zeventig man [van de] vijftigduizend man. Toen bedreef het volk rouw, omdat de HEERE het volk een grote slag had toegebracht.). Hij heeft zeker gehoord en misschien wel gezien dat Uzza is gedood, omdat hij de ark heeft aangeraakt. Ook heeft hij opgemerkt dat David te bang is geworden om zich verder nog met de ark bezig te houden. Toch neemt hij de ark met vreugde in zijn huis op. Zonder vrees opent hij zijn deur ervoor. Dat doet hij, omdat hij weet dat de ark alleen voor hen die er verkeerd mee omgaan “een reuk uit [de] dood tot [de] dood” is (2Ko 2:16a16voor de laatsten wel een reuk uit [de] dood tot [de] dood, maar voor de eersten een reuk uit [het] leven tot [het] leven. – En wie is tot deze dingen bekwaam?).

In het huis van Obed-Edom zien we hoe God de ark heeft bedoeld: niet tot vloek, maar tot zegen. Dezelfde hand die de overmoed van Uzza heeft gestraft, beloont de gastvrijheid van Obed-Edom. Voor hem wordt de ark “een reuk uit [het] leven tot [het] leven” (2Ko 2:16b16voor de laatsten wel een reuk uit [de] dood tot [de] dood, maar voor de eersten een reuk uit [het] leven tot [het] leven. – En wie is tot deze dingen bekwaam?). Als de Heer Jezus centraal staat in ons gezin, komt de zegen. Het verblijf van de ark bij Obed-Edom laat zien dat het mogelijk is om, als de leiders en het hele volk falen, toch persoonlijk en als familie de zegen van Gods tegenwoordigheid te ervaren. Wie op de juiste wijze met de ark omgaat, wordt door God gezegend.

Nooit heeft iemand een reden gehad en nooit zal iemand een reden hebben, om te zeggen dat het tevergeefs is God te dienen. Het voorbeeld van Obed-Edom is een aanmoediging voor hoofden van gezinnen om de dienst van God in ere te houden in hun gezin. Het dienen van God en de belangen van Zijn koninkrijk met hun huizen en hun goederen is het middel om een zegen te brengen over alles wat zij hebben. Het gezin van Obed-Edom deelt in de zegen. Het is goed wonen in een gezin dat de ark huisvest. Allen die ertoe behoren, zullen er de zegen van ervaren.

Later zien we dat Obed-Edom een bijzondere dienst als poortwachter bij de tempel krijgt (1Kr 26:4-84Obed-Edom had de [volgende] zonen: Semaja, de eerstgeborene, Jozabad de tweede, Joah de derde, Sachar de vierde en Nethaneël de vijfde,5Ammiël de zesde, Issaschar de zevende, Peüllethai de achtste; want God had hem gezegend.6Bij zijn zoon Semaja werden ook zonen geboren, die heersten over hun familie; zij waren namelijk strijdbare helden.7De zonen van Semaja waren Othni, Refaël, Obed en Elzabad; [met] zijn broers, dappere mannen: Elihu en Semachja.8Deze allen waren uit de nakomelingen van Obed-Edom: zij, hun zonen en hun broeders, strijdbare mannen, bekwaam tot het dienstwerk; er waren er tweeënzestig van Obed-Edom.). Hij is een Leviet, maar geboren in een stad van de Filistijnen. Zijn naam betekent ‘knecht van Edom’, dat wil zeggen knecht van het vlees, de zondige natuur, iemand die de wil van het vlees doet (Ef 2:33onder wie ook wij allen vroeger verkeerden in de begeerten van ons vlees, toen wij de wil deden van het vlees en van de gedachten; en wij waren van nature kinderen van [de] toorn, evenals de overigen.). In hem zien we echter ook wat God kan doen in zo iemand en wat Zijn genade van hem kan maken.


De ark naar Jeruzalem

12Koning David werd de boodschap gebracht: De HEERE heeft het gezin van Obed-Edom en al wat hij heeft, gezegend vanwege de ark van God. Toen ging David [op weg] en bracht de ark van God met blijdschap vanuit het huis van Obed-Edom over naar de stad van David. 13En het gebeurde, nadat de dragers van de ark van de HEERE zes stappen gedaan hadden, dat hij een rund en een gemest [kalf] offerde. 14David huppelde uit alle macht voor het aangezicht van de HEERE; en David was gekleed in een linnen priesterhemd. 15Zo brachten David en heel het huis van Israël de ark van de HEERE over, met gejuich en met bazuingeschal.

Nadat de ark drie maanden in het huis van Obed-Edom is geweest, hoort David wat de ark voor het gezin van Obed-Edom heeft betekend. In deze drie maanden is de ark niet uit de gedachten van David geweest. Hij is in de school van God geoefend en onderwezen in de genade. De ark in het huis van Obed-Edom brengt zegen over zijn huis en daarvan gaat een getuigenis uit. Als wij de Heer Jezus werkelijk centraal stellen, zal dat zegen voor onszelf betekenen en anderen zullen van Hem horen.

Als de genade haar werk in David heeft gedaan en hij hoort van de zegen die de ark heeft gebracht, brengt dat hem ertoe de ark vandaar op te halen. Dit keer doet hij het op de juiste wijze, in overeenstemming met Gods Woord. David heeft geleerd en laat de ark nu door Levieten dragen (Nm 7:99Maar aan de zonen van Kahath gaf hij niets, want de dienst van de heilige dingen was hun [toegewezen]. Zij moesten [die] op de schouders dragen.; 1Kr 15:22Toen zei David: Niemand mag de ark van God dragen dan [alleen] de Levieten, want hen heeft de HEERE gekozen om de ark van God te dragen en Hem tot in eeuwigheid te dienen.). Na zes stappen sterft nu niet Uzza, maar een offer. Dat spreekt ervan dat de ark alleen op Sion geplaatst kan worden op grond van het offer van de Heer Jezus. David offert en draagt ook een priesterhemd. Hij is hier de koning-priester. Dat wijst vooruit naar wat de Heer Jezus in het vrederijk zal zijn.

Het enthousiasme van David zal door iedereen worden begrepen die de dingen van de HEERE op het hart draagt. Het gaat om de ark van de HEERE die naar de plaats wordt gebracht die Hij daarvoor Zelf heeft uitgekozen! Het geeft grote vreugde daaraan te mogen meewerken. Wij doen dat door als priesters – en dat zijn alle nieuwtestamentische gelovigen – in de samenkomsten van de gemeente Christus te eren voor God de Vader.


Michal veracht David

16En het gebeurde, toen de ark van de HEERE in de stad van David kwam, dat Michal, de dochter van Saul, uit het venster neerkeek. Toen zij koning David zag springen en huppelen voor het aangezicht van de HEERE, verachtte zij hem in haar hart.

De Heilige Geest wijst tussendoor op Michal, die ook hier “de dochter van Saul” wordt genoemd. De vrouw van David heeft geen deel aan de vreugde van haar man. Integendeel, ze veracht hem in haar hart. De oorzaak daarvan is dat zij geen belangstelling heeft voor de ark, de woonplaats en rustplaats van God. De ark is voor haar niet meer dan een kist van goud.

Ze bevindt zich in haar eigen vertrouwde omgeving. Vanuit haar verheven verblijf kijkt ze uit het venster neer. Het duidt aan dat ze vanuit haar eigen denken in hoogmoed beoordeelt wat zich buiten haar eigen beperkte kring afspeelt. Voor de dingen die in verbinding met de hemel staan, is ze niet toegankelijk. Het venster waardoor ze neerkijkt, is waarschijnlijk een smal venster. Zo smal is haar blik op wat ze ziet. En al was het een breed venster, haar gezichtsveld wordt bepaald door haar trots, waardoor ze blind is voor de glorie van de ark en de dienst die daarbij past.

Zij is een beeld van de natuurlijke mens voor wie de dingen van de Geest dwaasheid zijn (1Ko 2:1414Maar [de] natuurlijke mens neemt niet aan wat van de Geest <van God> is, want het is hem dwaasheid, en hij kan het niet begrijpen, omdat het geestelijk beoordeeld wordt.). Zoals Michal blind is voor wat de ziel van haar man overweldigt, zo ziet de wereld niets aantrekkelijks in onze Geliefde, de Heer Jezus Christus. De mensen die een even beperkte kijk als Michal hadden, zagen in Christus niet meer dan de timmerman, de Zoon van Maria en de Broer van Jakobus, Joses, Judas en Simon” (Mk 6:33Is Deze niet de timmerman, de Zoon van Maria en de Broer van Jakobus, Joses, Judas en Simon? En zijn Zijn zusters niet hier bij ons? En zij namen aanstoot aan Hem.) en “de Zoon van de timmerman” (Mt 13:5555Is Deze niet de Zoon van de timmerman? Heet Zijn moeder niet Maria en Zijn broers Jakobus, Jozef, Simon en Judas?).

Ze veracht David omdat hij niet aan haar verwachtingen beantwoordt. Ze wil hem alleen als hij gekleed is in schitterende koninklijke kleding. Van de bronnen van waarachtig enthousiasme in de dienst van God weet ze niets.


Offers en voedsel

17Toen zij de ark van de HEERE [de stad] binnenbrachten, zetten zij die op zijn plaats, midden in de tent die David ervoor gespannen had. En David bracht brandoffers voor het aangezicht van de HEERE, en dankoffers. 18Toen David klaar was met het brengen van het brandoffer en de dankoffers, zegende hij het volk in de Naam van de HEERE van de legermachten. 19Hij deelde aan heel het volk, aan heel de menigte van Israël, van de man tot de vrouw toe, aan ieder één broodkoek, één klomp dadels en één rozijnenkoek uit. Toen ging al het volk [zijns weegs], ieder naar zijn huis.

De ark komt op Sion. Sion staat tegenover de Sinaï. Sion staat voor de genade, de Sinaï voor de wet. Op Sion vindt de ark zijn uiteindelijke plaats. Daar woont Gods volk bij Hem van Wie de ark spreekt. In de toekomst is Sion het middelpunt van de aarde. David is ook een uitdeler van voedsel en zegen, zoals Melchizedek dat eens was (Gn 14:18-1918En Melchizedek, de koning van Salem, bracht brood en wijn; hij was een priester van God, de Allerhoogste.
19En hij zegende hem en zei:
Gezegend zij Abram
door God, de Allerhoogste,
Die hemel en aarde bezit!
)
.

In het Nieuwe Testament zien we de vervulling van dit oudtestamentische beeld, wanneer op de eerste dag van de week de Heer Jezus in het midden van de discipelen komt (Jh 20:1919Toen het dan avond was op die eerste dag van [de] week, en de deuren waar de discipelen waren, wegens hun vrees voor de Joden waren gesloten, kwam Jezus, ging in het midden staan en zei tot hen: Vrede zij u!). Daar zien we de heerlijkheid van Hem van Wie de ark spreekt in de kracht van de opstanding, nadat Hij in de handen van ‘de Filistijnen’, de godsdienstige leiders van het volk, is geweest.

Als David de offers heeft gebracht, zegent hij “het volk in de Naam van de HEERE”. Hier is een man die zijn vreugde in de HEERE heeft, voor wie God het grote doel is, maar die ook een hart voor Gods volk heeft. Niet alleen verheugt hij zich erover dat hij in de tegenwoordigheid van God is, maar hij wil ook anderen graag daarheen leiden. Hij denkt aan het hele volk en geeft allen een rijke zegen. Wat een contrast met drie maanden eerder. Toen had hij geen zegen voor het volk. We zijn alleen voor anderen tot zegen als we in de weg van de wil van de Heer zijn.

Het is belangrijk dat we Christus als middelpunt erkennen en ons daarbij tevens realiseren dat dit voor alle ware kinderen van God geldt. David deelt uit “aan heel het volk, aan heel de menigte van Israël, van de man tot de vrouw toe”. Paulus weigert ook sektarisch te zijn en deel uit te maken van een partij. Hij schrijft aan de Korinthiërs: “Is Christus gedeeld?” (1Ko 1:1313Is Christus gedeeld? Is Paulus soms voor u gekruisigd, of bent u tot de naam van Paulus gedoopt?). En aan de Filippenzen schrijft hij: “Want God is mijn Getuige hoezeer ik naar u allen verlang” (Fp 1:88Want God is mijn Getuige dat ik naar u allen verlang met [het] hart van Christus Jezus.).


David en Michal

20Toen David terugkwam om zijn gezin te zegenen, kwam Michal, de dochter van Saul, naar buiten, David tegemoet en zei: Wat zal de koning van Israël vandaag geëerd zijn, die zich vandaag voor de ogen van de slavinnen van zijn dienaren heeft uitgekleed, zoals een leegloper zich schaamteloos uitkleedt! 21Maar David zei tegen Michal: Voor het aangezicht van de HEERE, Die mij uitgekozen heeft boven jouw vader en boven heel zijn huis door mij aan te stellen als een vorst over het volk van de HEERE, over Israël, ja, voor het aangezicht van de HEERE heb ik gehuppeld! 22En ik zal mij nog geringer gedragen dan dit en nederig zijn in eigen oog, maar met de slavinnen over wie je sprak, met hen zal ik geëerd worden. 23Michal nu, de dochter van Saul, kreeg geen kind tot op de dag van haar dood.

Nadat hij het volk heeft gezegend, wil David ook zijn gezin zegenen. Zijn vrouw Michal echter, ook hier weer veelzeggend “de dochter van Saul” genoemd, blijkt niets te delen van de vreugde van David over de ark. Zij ziet niets in de ark. Huppelen voor een ark is iets om over te lachen. Het is bespottelijk. Zo kunnen mensen die zo dicht bij ons staan, ons uitlachen als we vol enthousiasme spreken over de Heer Jezus en voor Hem willen leven.

Michal veracht David omdat hij zijn koninklijke waardigheid heeft afgelegd en in plaats daarvan een linnen priesterkleed heeft aangedaan. Dat priesterkleed heeft voor haar geen enkele betekenis en waarde. Ze ziet het helemaal niet. Ze beschuldigt hem er zelfs van dat hij zich "heeft uitgekleed". Voor een geestelijk gezinde vrouw zou dit juist een waardige toevoeging zijn geweest aan zijn waardigheid als koning. Voor Michal heeft hij echter afgedaan. David steekt nu niet meer boven anderen uit en dat is wat zij juist wil, tot haar eigen glorie. Ze kan niet met hem pronken als hij zich nederig opstelt. Een vrouw die zich zo gedraagt, hoeft niet op geestelijke vrucht te rekenen.

Voor David is de ontvangst door zijn vrouw als een koude douche. Hij is zelf als het ware nog in vervoering over wat met de ark is gebeurd. Hij heeft de ark op de plaats gebracht waar God hem wil hebben. Zijn omgang met de ark heeft hem, om zo te zeggen, op het niveau van de hemel gebracht. De ontvangst door Michal heeft hem misschien wel het gevoel gegeven dat Paulus heeft gehad, nadat hij in de derde hemel is geweest. Na die ervaring kwam er een engel van satan die hem met vuisten sloeg (2Ko 12:77En opdat ik mij door de uitnemendheid van de openbaringen niet verhef, is mij een doorn voor het vlees gegeven, een engel van satan, om mij met vuisten te slaan, <opdat ik mij niet verhef>.). De Heer liet dat toe, opdat hij zich niet zou verheffen op het feit dat hij opgetrokken was geweest tot in het paradijs.

In zijn gesprek met Michal stelt David zich nederig op. Haar verachtelijke woorden moeten hem pijn hebben gedaan, want hij houdt van haar. Tegelijk voelt hij zich inniger verbonden met de geringsten van het volk dan met hen die door natuurlijke banden met hem verbonden zijn. Hij is zich aan de ene kant bewust van zijn verkiezing door God en aan de andere kant neemt hij ten opzichte van de mensen de minste plaats in. Hij is nederig in eigen ogen en dat is tegelijk waardoor hij weet eer te verwerven. Zo lijkt hij op de Heer Jezus Die gezegd heeft: “Laat de grootste onder u als de jongste zijn, en de voorganger als een die dient” (Lk 22:2626U echter niet aldus, maar laat de grootste onder u als de jongste zijn, en de voorganger als een die dient.). Daarin is Hij Zelf het grote voorbeeld.

De houding van Michal brengt geen vrucht. Er is geen betrekking tussen David en haar, geen geestelijke gemeenschap. Ze heeft geen deel aan wat David bezielt in zijn verhouding tot God. Het lijkt erop dat haar verachting van David vanwege zijn liefde tot de ark er de oorzaak van is dat ze nooit een kind heeft gekregen.

We kunnen hier een geestelijke les leren. We kunnen geen gemeenschap hebben met hen die de Heer Jezus (van Wie de ark een beeld is) verachten. Zoals Michal zonder vrucht blijft door haar houding ten opzichte van David, zo zal er in ons leven geen vrucht voor God zijn, als wij verachtelijk spreken over mensen die zich inzetten voor de belangen van God.

Er zullen altijd mensen zijn zoals Michal die minachtend doen over een buitengewoon enthousiasme van de gelovigen voor God en Christus. Er zal altijd iemand zijn als Judas die de zalfolie van Maria voor de Heer verkwisting noemt (Jh 12:4-64Een van Zijn discipelen echter, Judas Iskariot, <[zoon] van Simon,> die Hem zou overleveren, zei:5Waarom is deze balsem niet verkocht voor driehonderd denaren en aan [de] armen gegeven?6Dit zei hij echter, niet omdat hij zich om de armen bekommerde, maar omdat hij een dief was en als degene die de beurs had, droeg wat erin werd gedaan.). Er zullen altijd spotters zijn die van gelovigen die van de Geest vervuld zijn, zeggen dat ze vol zoete wijn zijn (Hd 2:1313Anderen echter zeiden spottend: Zij zijn vol zoete wijn.). Er zullen altijd mensen zijn die van brood dat uit de hemel is gekomen, zeggen: ‘Wat is dat ? en van de gave uit de hemel: Wie is dat?’ Er zal altijd een Festus zijn om tegen Paulus te zeggen: ‘U spreekt wartaal, uw grote geleerdheid brengt u tot waanzin’ (Hd 26:2424Toen hij zich met deze dingen verdedigde, zei Festus met luider stem: U spreekt wartaal, Paulus, uw grote geleerdheid brengt u tot waanzin.). Er zullen er altijd zijn die aanstoot nemen aan het kruis. Maar er zullen er ook altijd zijn die kunnen zeggen dat ze in niets anders roemen dan in het kruis van onze Heer Jezus Christus (Gl 6:1414Maar ik wil volstrekt niet roemen dan alleen in het kruis van onze Heer Jezus Christus, door Wie voor mij [de] wereld gekruisigd is en ik voor [de] wereld.).


Lees verder