2 Samuel
1-14 De wraak van de Gibeonieten op Saul 15-22 Overwinningen op de Filistijnen
De wraak van de Gibeonieten op Saul

1Er was een hongersnood in de dagen van David, drie jaar [lang], jaar na jaar, en David zocht het aangezicht van de HEERE. En de HEERE zei: Het is vanwege Saul en vanwege [zijn] huis, [dat beladen is] met bloed[schuld], omdat hij de Gibeonieten gedood heeft. 2Toen riep de koning de Gibeonieten en zei tegen hen – nu behoorden de Gibeonieten niet tot de Israëlieten, maar tot het overblijfsel van de Amorieten; en hoewel de Israëlieten hun [een eed] hadden gezworen, had Saul in zijn ijver voor de Israëlieten en Judeeërs [toch] geprobeerd hen te doden – 3David zei dan tegen de Gibeonieten: Wat moet ik voor u doen, en waarmee moet ik verzoening doen, zodat u het eigendom van de HEERE [weer] zult zegenen? 4Toen zeiden de Gibeonieten tegen hem: Het is ons wat Saul en wat zijn huis betreft niet te doen om zilver of goud. Het gaat ons er ook niet om iemand te doden in Israël. En hij zei: Wat zegt u dan dat ik voor u moet doen? 5Zij zeiden tegen de koning: De man die ons vernietigd heeft en die [plannen] tegen ons heeft uitgedacht om ons weg te vagen, zodat wij niet zouden kunnen voortbestaan in welk gebied van Israël dan ook – 6laat ons van zijn zonen zeven mannen gegeven worden, zodat wij hen voor de HEERE ophangen in Gibea van Saul, verkozene van de HEERE. En de koning zei: Ík zal hen geven. 7Maar de koning spaarde Mefiboseth, de zoon van Jonathan, de zoon van Saul, vanwege de eed bij de HEERE, die tussen hen was, tussen David en Jonathan, de zoon van Saul. 8Dus nam de koning de twee zonen van Rizpa, de dochter van Aja, die zij aan Saul gebaard had, Armoni en Mefiboseth; en [ook] de vijf zonen van [de zuster van] Michal, de dochter van Saul, die zij aan Adriël, de zoon van Barzillai uit Mehola, gebaard had. 9En hij gaf hen in de hand van de Gibeonieten, die hen op de berg ophingen, voor het aangezicht van de HEERE. Zo kwamen die zeven tegelijk om. Zij werden gedood in de eerste [dagen] van de oogst, aan het begin van de gersteoogst. 10Toen nam Rizpa, de dochter van Aja, een rouwgewaad en spreidde dat voor zich uit op de rots. [Zij bleef daar] vanaf het begin van de oogst totdat er water van de hemel op hen neerviel. Overdag liet zij de vogels in de lucht niet op hen neerstrijken, en 's nachts de dieren van het veld niet. 11David werd verteld wat Rizpa, de dochter van Aja, de bijvrouw van Saul, gedaan had. 12Toen ging David bij de burgers van Jabes in Gilead de beenderen van Saul en de beenderen van diens zoon Jonathan halen. Zij hadden die weggenomen van het plein in Beth-San, waar de Filistijnen hen hadden opgehangen, op de dag dat de Filistijnen Saul gedood hadden op de Gilboa. 13Hij bracht vandaar de beenderen van Saul en de beenderen van diens zoon Jonathan mee. Ook verzamelden zij de beenderen van hen die opgehangen waren. 14Zij begroeven de beenderen van Saul en van zijn zoon Jonathan in het land van Benjamin in Zela, in het graf van zijn vader Kis, en deden alles wat de koning geboden had. En daarna liet God Zich verbidden ten gunste van het land.

Met een beschrijving aan het einde van het vorige hoofdstuk van de orde die in het rijk van David heerst, is de algemene geschiedenis van David tot een einde gekomen. Wat in dit hoofdstuk wordt beschreven, betreft handelingen die God in Zijn regering nog door David laat uitvoeren. Het gaat om een misdaad van Saul waarvoor nog vergelding moest plaatsvinden, en het verslaan van een restant reuzen.

Gods molens malen langzaam, maar zeker. Het kan lang duren, maar de dag van de afrekening komt. Bij God verjaart misdaad niet. Elke misdaad zal rechtvaardig vergolden worden. Vaak zal deze rechtvaardige vergelding pas plaatsvinden in de opstanding, maar soms ook al tijdens het leven op aarde. Dit laatste is het geval bij wat Saul heeft gedaan met de Gibeonieten. Hoewel deze misdaad al een tijd geleden is begaan, is voor God nu de tijd gekomen Zijn volk daarover ter verantwoording te roepen.

Om de aandacht van Zijn volk te vragen laat Hij drie jaar achtereen een hongersnood over het land komen. Het eerste jaar zal iedereen de droogte en het mislukken van de oogst als een vaker voorkomend verschijnsel hebben gezien, hoewel de Godvrezende Israëliet zich zal realiseren dat er iets niet goed is in het volk. Hongersnood in het land waar God overvloed had beloofd, geeft aan dat er ontrouw bij het volk is. David begrijpt pas bij de derde hongersnood dat dit de stem van God is en vraagt Hem naar de aanleiding ervan. Als hij bidt, komt direct het antwoord.

De aanleiding is wat Saul met de Gibeonieten heeft gedaan. Het is merkwaardig dat God Saul daarvoor niet direct heeft gestraft. Nu komt deze hongersnood. David had er toch geen schuld aan? Het blijkt dan ook niet alleen de schuld van Saul te zijn, maar ook die van zijn huis en mogelijk ook van het huis van Israël, dus het volk dat hem is gevolgd. Het is een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid. Het moet ons tot het bewustzijn brengen dat, ook al zijn we misschien zelf trouw, wij ook schuldig kunnen zijn aan een situatie van onrecht en verdeeldheid. Daar moeten we ons een mee maken, zoals onder anderen Daniël dat heeft gedaan (Dn 9).

Uit de hongersnood die God stuurt, kunnen we nog een geestelijke les leren. Als wij geestelijk gebrek lijden, moeten we de Heer vragen hoe dat komt. Misschien is er in ons leven iets wat niet goed is. Het kan ook zijn dat wij nalatig zijn iets te doen wat nog moet gebeuren, zoals hier. Hier moet nog een kwaad worden geoordeeld, dat eerder door een voorganger van het volk was begaan.

De Gibeonieten hadden niet gedood mogen worden. Er was een verbond met hen gesloten dat de Israëlieten hen geen kwaad zouden doen (Jz 9:15-2115En Jozua sloot vrede met hen en sloot een verbond met hen dat hij hen zou laten leven. En de leiders van de gemeenschap zwoeren hun [een eed].16En het gebeurde na verloop van drie dagen, nadat zij het verbond met hen gesloten hadden, dat zij hoorden dat zij hun buren waren en [dat] zij in hun midden woonden.17Want toen de Israëlieten verder trokken, kwamen zij op de derde dag bij hun steden. Hun steden nu waren Gibeon, Chefira, Beëroth en Kirjath-Jearim.18Maar de Israëlieten versloegen hen niet, omdat de leiders van de gemeenschap hun [een eed] gezworen hadden bij de HEERE, de God van Israël. Daarom morde de hele gemeenschap tegen de leiders.19Toen zeiden alle leiders tegen heel de gemeenschap: Wíj hebben hun [een eed] gezworen bij de HEERE, de God van Israël. Daarom kunnen wij hen niet aanraken.20Dit zullen wij met hen doen zodat wij hen in leven kunnen laten, opdat er geen grote toorn over ons komt vanwege de eed die wij hun gezworen hebben.21Verder zeiden de leiders tegen hen: Laat hen leven, maar laat hen [dan] houthakkers en waterputters worden voor heel de gemeenschap, zoals de leiders tegen hen gezegd hebben.). Saul stoorde zich echter niet aan dat verbond, maar hij stoorde zich wel aan de aanwezigheid van deze Kanaänieten in hun midden. In eigenzinnige ijver voor Israël heeft Saul een groep inwoners van Israël, die daar terecht woonde, onrecht aangedaan en zich schuldig gemaakt aan het vergieten van het bloed van bondgenoten. Bij welke gelegenheid dat is gebeurd, is niet bekend. Naar het motief van Saul om dit te doen kunnen we slechts gissen. In elk geval houdt het voor ons de waarschuwing in dat wij ons strikt moeten houden aan de opdracht van de Heer en alleen die uitvoeren en meer niet.

De negatieve gevolgen van het geven van een eigen invulling aan een werk voor de Heer blijven niet uit. Bij wat Saul deed, was zijn aandacht niet op de HEERE, maar op mensen gericht. Het is altijd gevaarlijk voor iemand die een dienst voor de Heer wil doen als niet de Heer, maar mensen voor zijn aandacht staan. Daar komen brokken van. De HEERE komt terug op wat Saul heeft gedaan. David gaat de Gibeonieten vragen wat hij kan doen. Daarbij staan hem twee dingen voor ogen: hij wil verzoening bewerken en hij wenst dat zij het erfdeel van de HEERE weer gaan zegenen.

Als iemand van Gods volk een ander, die geen lid is van Gods volk, onrecht aandoet, zal dat een negatief effect hebben op het zicht van zo iemand op het erfdeel van de Heer. Hij zal daar niet toe worden aangetrokken. Daarom moeten wij het kwaad dat in de Naam van de Heer wordt gedaan niet goedpraten als ongelovigen daar op wijzen. Het is onze opdracht om na te gaan op welke wijze wij verzoening in het geweten van zo iemand kunnen bewerken.

Als David de reden van de hongersnood weet, laat hij de Gibeonieten bij zich komen. Hij vraagt hun wat zij als genoegdoening voor de misdaad van Saul wensen. Het is de vraag of hij daarmee juist handelt. Is het juist voor een koning als hoogste rechtsorgaan om aan verongelijkte mensen te vragen hoe zij willen dat recht wordt gedaan aan het onrecht dat hun is aangedaan? Rechtspreken moet gebeuren door een onafhankelijke rechter. Toch lijkt het erop dat God zijn handelwijze goedkeurt, want als alles is gedaan zoals David heeft bevolen, laat “God Zich verbidden ten gunste van het land” (vers 1414Zij begroeven de beenderen van Saul en van zijn zoon Jonathan in het land van Benjamin in Zela, in het graf van zijn vader Kis, en deden alles wat de koning geboden had. En daarna liet God Zich verbidden ten gunste van het land.).

Wat de Gibeonieten willen, komt niet voort uit boosaardigheid tegenover Saul of zijn nageslacht. Als ze op wraak uit waren geweest, is het denkbaar dat ze al veel eerder dit voorstel zouden hebben gedaan. Hun wens lijkt meer voort te komen uit liefde voor het volk van Israël, waar zij te midden van wonen en dat nu lijdt onder de droogte vanwege wat hun was aangedaan. Ze vragen om het oordeel over het huis van Saul, dat moet worden voltrokken aan zeven mannen uit diens huis. Die zeven mannen zullen zij dan “voor de HEERE ophangen in Gibea van Saul, verkozene van de HEERE”. Het ophangen “voor de HEERE” betekent dat zij hiermee aan Zijn gerechtigheid willen voldoen en dus niet handelen uit wraakzucht.

De aanwijzing van de personen laten de Gibeonieten aan David over. David kiest zeven nakomelingen uit, waarbij hij Mefiboseth buiten beschouwing laat. Hij doet dat om Jonathans wil, die hij met een eed gezworen heeft zijn goedertierenheid niet aan zijn huis te onthouden (1Sm 20:15-1615Je zult toch ook mijn huis tot in eeuwigheid je goedertierenheid niet onthouden, ook niet wanneer de HEERE eenieder van de vijanden van David van de aardbodem uitgeroeid zal hebben!16Zo sloot Jonathan [een verbond] met het huis van David [en zei]: Laat de HEERE [rekenschap] eisen van de vijanden van David!). Hij geeft hun twee zonen en vijf kleinzonen van Saul. De twee zonen van Saul waren door hem verwekt bij Rizpa, een van zijn bijvrouwen (2Sm 3:77Nu had Saul een bijvrouw gehad, van wie de naam Rizpa was, een dochter van Aja. [Isboseth] zei tegen Abner: Waarom bent u bij de bijvrouw van mijn vader gekomen?). De vijf kleinzonen van Saul zijn niet de kinderen van Michal, want Michal heeft nooit kinderen gehad (2Sm 6:2323Michal nu, de dochter van Saul, kreeg geen kind tot op de dag van haar dood.). Het moeten kinderen van Sauls dochter Merab zijn (vgl. 1Sm 18:1919In de tijd dat men Merab, de dochter van Saul, aan David zou geven, gebeurde het echter dat zij aan Adriël uit Mehola tot vrouw gegeven werd.), die mogelijk door Michal zijn opgevoed.

De twee zonen en de vijf kleinzonen van Saul worden opgehangen “in Gibea van Saul” om te tonen dat zij voor zijn zonde gedood worden. Zij worden als het ware opgehangen voor hun eigen deur om de schuld van het huis Sauls te verzoenen. Of deze mannen persoonlijk hebben deelgenomen aan de misdaad van Saul, wordt niet vermeld. Een belangrijke les voor ons in deze geschiedenis is dat dingen die vroeger door anderen verkeerd zijn gedaan, gevolgen hebben voor het volk van God nu. Dat betekent dat we dingen kunnen doen waar het volk van God later de wrange vruchten van moet plukken.

Nadat de nakomelingen van Saul zijn gedood, wordt ons verteld wat moeder Rizpa doet. Rizpa is een moeder die haar kinderen zeer mist. Haar kinderen konden het niet helpen dat zij zonen van Saul waren. Het kan zijn dat ze zich ook aan het bloed van de Gibeonieten hebben schuldig gemaakt. De HEERE spreekt in vers 11Er was een hongersnood in de dagen van David, drie jaar [lang], jaar na jaar, en David zocht het aangezicht van de HEERE. En de HEERE zei: Het is vanwege Saul en vanwege [zijn] huis, [dat beladen is] met bloed[schuld], omdat hij de Gibeonieten gedood heeft. immers ook over de bloedschuld van het huis van Saul. Dat verandert echter niets aan de liefde die zij als moeder voor haar zonen heeft. We hebben in de vorige hoofdstukken iets gezien van de liefde van David voor een goddeloze zoon. Als we daar al enig begrip voor zouden kunnen opbrengen, dan toch zeker voor Rizpa als moeder van deze twee zonen.

Ze houdt zes maanden de wacht bij de lijken die ze niet heeft begraven. Ze beschermt de lichamen tegen de vogels en de wilde dieren. Meer kon ze niet doen, minder wilde ze niet doen. Ze heeft deze jongens gebaard en opgevoed. Nu ze gestorven zijn, wil ze hen niet verlaten. We weten niet waarom ze dat deed.

Ook weten we niet wat ze heeft gedacht al die zes maanden dat ze voor de lijken zorgde. Is ze opstandig geworden voor wat haar zonen is aangedaan om wat Saul heeft gedaan? Is ze jaloers geweest dat Mefiboseth gespaard is gebleven? Hij was toch ook van het huis van Saul? Allerlei vragen kunnen haar hebben beziggehouden. Haar zonen waren geofferd om de toorn van de hemel te stillen. Hun leven was daarmee opgehouden, maar niet haar liefde voor hen. Ze kon ze niet in haar schoot nemen, maar ze kon wel verhinderen dat wat kostbaar voor haar was door de vogels en wilde dieren werd weggenomen. Daarmee toonde ze een liefde die sterker is dan de dood.

Als het gaat regenen, is dat het teken dat de vloek is opgeheven. Als er water van de hemel op de lichamen drupt, als God regen zendt om de aarde te bevochtigen, worden de lichamen afgenomen. Rizpa kan de lichamen vrijgeven en laten begraven. Dat gebeurt als gevolg van haar bijzondere liefdedaad voor hen die zijn gedood. Van haar daad wordt namelijk aan David bericht gegeven.

Als David ervan hoort, wordt hij herinnerd aan de dode lichamen van Saul en Jonathan. Hij besluit om ze op te halen van de plaats waar de mannen van Jabes in Gilead ze hadden begraven (1Sm 31:11-1311Toen de inwoners van Jabes in Gilead erover hoorden wat de Filistijnen met Saul gedaan hadden,12stonden alle strijdbare mannen op. Zij liepen de hele nacht door en namen het lichaam van Saul en de lichamen van zijn zonen weg van de muur van Beth-San. Zij kwamen in Jabes en verbrandden ze daar.13Zij namen hun beenderen en begroeven die onder het geboomte bij Jabes, en zij vastten zeven dagen.). Het is een laat eerbetoon, maar het is nooit te laat een zaak in orde te brengen. Hij begraaft de lichamen van de gehangenen samen met de beenderen van Saul en Jonathan.

Als op aarde gerechtigheid gedaan wordt, houdt de wraak van de hemel op en komt er in plaats van toorn zegen over het land. De regen is het bewijs dat God Zich heeft laten verbidden, terwijl de regen het gevolg is van het voldoen aan de gerechtigheid van God.


Overwinningen op de Filistijnen

15De Filistijnen waren opnieuw in oorlog met Israël. David trok eropuit en zijn manschappen met hem. Zij streden tegen de Filistijnen, en David was uitgeput. 16En Isbi Benob, die [een] van de kinderen van Rafa was – het gewicht van zijn speer was driehonderd sikkel brons, en hij had een nieuw [zwaard] aan zijn gordel – dacht David neer te kunnen slaan. 17Maar Abisaï, de zoon van Zeruja, hielp hem, sloeg de Filistijn neer en doodde hem. Toen bezwoeren de mannen van David hem: U moet niet meer met ons ten strijde trekken, opdat u de lamp van Israël niet uitdooft. 18Daarna gebeurde het dat er in Gob opnieuw oorlog met de Filistijnen was. Toen versloeg Sibbechai uit Husa, Saf, die [een] van de kinderen van Rafa was. 19Er was opnieuw oorlog met de Filistijnen in Gob, en Elhanan, de zoon van Jaäre-Oregim, versloeg Beth-halachmi, [die] met Goliath uit Gath was. De schacht van zijn speer was als een weversboom. 20Er was opnieuw oorlog in Gath. Er was een man van grote lengte die zes vingers aan zijn handen had en zes tenen aan zijn voeten, vierentwintig in getal. Ook deze was bij Rafa geboren. 21Hij hoonde Israël, maar Jonathan, de zoon van Simea, de broer van David, versloeg hem. 22Deze vier waren bij Rafa geboren in Gath. Zij vielen door de hand van David en door de hand van zijn manschappen.

Aan het einde van de regering van David, als hij oud is, duiken oude vijanden van het begin weer op, de Filistijnen. Voor ons betekent het dat onze oude vijand, het vlees, actief blijft, hoe oud we ook zijn. In beeld kunnen we hier ook zien hoe er aanvallen worden gedaan op het aloude evangelie en op Hem Die daarin centraal staat. Wij mogen ons ter beschikking van de Heer Jezus stellen “om te strijden voor het geloof dat eenmaal aan de heiligen is overgeleverd” (Jd 1:33Geliefden, terwijl ik alle bereidwilligheid had u te schrijven over onze gemeenschappelijke behoudenis, werd ik genoodzaakt u te schrijven met de vermaning om te strijden voor het geloof dat eenmaal aan de heiligen is overgeleverd.).

David en zijn mannen verslaan de vier reuzen van de Filistijnen. David begon zijn roem met de overwinning over een reus, en hier besluit hij hem met de overwinning over vier reuzen. Hun indrukwekkende gestalten en bewapening maken de mannen van David niet bang. Zij verslaan ze in de kracht van de HEERE, zoals David Goliath heeft verslagen.

Een reus staat symbool voor trots, eigendunk, arrogantie en onderdrukkende macht. Wij hebben niet te maken met letterlijke reuzen van vlees en bloed, maar met de geestelijke machten in de hemelse gewesten (Ef 6:1212Want onze strijd is niet tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis, tegen de geestelijke [machten] van de boosheid in de hemelse [gewesten].). We zien dat in de naam van de eerste reus. Zijn naam is “Isbi Benob”, dat betekent ‘zijn woonplaats is in de hoge’. Dit doet denken aan “overleggingen en elke hoogte die zich verheft tegen de kennis van God” (2Ko 10:5a5daar wij [de] overleggingen en elke hoogte die zich verheft tegen de kennis van God, afbreken en elke gedachte gevangennemen tot de gehoorzaamheid van Christus,). Om die hoogten af te breken – in beeld: die reus te doden – kunnen we de strijd niet strijden met vleselijke wapens, maar moeten we de wapens gebruiken die “krachtig voor God” zijn, “tot afbreking van bolwerken” (2Ko 10:3-43Want al wandelen wij in [het] vlees, wij voeren geen strijd naar [het] vlees;4want de wapens van onze strijd zijn niet vleselijk, maar krachtig voor God, tot afbreking van bolwerken;). Het gevolg is dat we “elke gedachte gevangen nemen tot de gehoorzaamheid van Christus” (2Ko 10:5b5daar wij [de] overleggingen en elke hoogte die zich verheft tegen de kennis van God, afbreken en elke gedachte gevangennemen tot de gehoorzaamheid van Christus,).

David is hier oud en zijn kracht is achteruit gegaan door alles wat hij heeft meegemaakt. Zijn mannen komen hem te hulp als hij gevaar loopt gedood te worden. Hieruit blijkt hun liefde voor David. Wij mogen eenzelfde liefde voor elkaar hebben en elkaar te hulp komen als iemand gevaar loopt door de vijand te worden overrompeld, terwijl hij zelf geen kracht heeft om weerstand te bieden.

Dat David in het grootste deel van zijn latere leven geen beeld is van de Heer Jezus, zien we ook hier. We lezen hier van een uitgeputte David. Dat is voor de vijand een uitgelezen kans om hem neer te slaan. Gelukkig zorgt God ervoor dat Abisaï in de buurt is. Abisaï komt hem te hulp en doodt de Filistijn. Deze dreiging van de dood die het gevolg is van de afgenomen kracht van David brengt zijn mannen ertoe hem te bezweren dat hij niet meer met hen ten strijde trekt.

De reden die ze daarvoor aanvoeren, is dat hij voor licht zorgt in Israël. Hij is hun hoop. Ze zeggen niet dat hij te oud is. Dat doen we wel eens als iemand erg lastig is. Hier is het om te beschermen. Ouderen moeten leren aan jongeren dingen over te laten of over te geven. Oud worden brengt beperkingen mee en die moeten ouderen zich bewust zijn of daarvan bewust gemaakt worden. Het is niet altijd gemakkelijk om oud te zijn. Oud zijn kan soms een last zijn voor anderen.

De reuzen zijn onverbeterlijke optimisten. Dat Goliath door David verslagen is, speelt voor hen geen rol. Zij menen dat zij David wel kunnen verslaan. We zien in hen de grote dwaasheid om te roemen in eigen kracht. Ze kennen niet het geheim van de kracht van David en zijn mannen. Davids mannen zijn niet groter of sterker dan andere mensen, maar door de hulp van God vellen zij de ene reus na de andere. God verkiest het zwakke om daardoor het sterke te beschamen (1Ko 1:27b27maar het dwaze van de wereld heeft God uitverkoren om de wijzen te beschamen, en het zwakke van de wereld heeft God uitverkoren om het sterke te beschamen,).


Lees verder