2 Samuel
1-4 David door Ziba misleid 5-8 Simeï vervloekt David 9-14 David buigt zich onder de vervloeking 15-19 Husai meldt zich bij Absalom 20-23 De raad van Achitofel
David door Ziba misleid

1Kort nadat David de [berg]top was overgegaan, zie, daar kwam Ziba, de knecht van Mefiboseth, hem tegemoet met een span gezadelde ezels, en daarop tweehonderd broden, honderd rozijnenkoeken, honderd zomervruchten en een leren zak met wijn. 2De koning zei tegen Ziba: Wat wilt u daarmee? Ziba zei: De ezels zijn voor het huis van de koning om op te rijden, het brood en de zomervruchten voor de knechten om te eten, en de wijn [voor] de vermoeiden in de woestijn om te drinken. 3Toen zei de koning: En waar is de zoon van uw heer? Ziba zei tegen de koning: Zie, hij blijft in Jeruzalem, want hij zei: Vandaag zal het huis van Israël het koninkrijk van mijn vader aan mij teruggeven. 4Toen zei de koning tegen Ziba: Zie, alles wat Mefiboseth heeft, zal van u zijn. En Ziba zei: Ik buig mij neer, laat mij genade vinden in uw ogen, mijn heer, de koning.

David heeft een nieuwe ontmoeting. Ziba komt hem zijn steun betuigen. Hij heeft heel wat bij zich om daarmee David te dienen. Op zich is dat een goede zaak. Zo mogen ook wij alles wat wij bezitten, beschikbaar stellen aan de Heer en aan hen die Hem dienen. Maar Ziba is niet eerlijk in zijn motieven. Daarbij komt nog dat alles wat hij geeft, in werkelijkheid van Mefiboseth is van wie hij de knecht is. Het hele optreden van Ziba gebeurt uit eigen belang.

Voor David blijft Ziba de knecht van Saul (vers 33Toen zei de koning: En waar is de zoon van uw heer? Ziba zei tegen de koning: Zie, hij blijft in Jeruzalem, want hij zei: Vandaag zal het huis van Israël het koninkrijk van mijn vader aan mij teruggeven.; 2Sm 9:99Toen riep de koning Ziba, de knecht van Saul, en zei tegen hem: Al wat van Saul en heel zijn huis was, heb ik aan de zoon van uw heer gegeven.). Toch lijkt het erop dat David ook hier weer blind is voor de werkelijke motieven waardoor Ziba gedreven wordt. Als hij naar Mefiboseth vraagt, geeft Ziba hem een leugenachtig antwoord. Als David er even over had nagedacht, had hij ogenblikkelijk die leugen doorzien. Hoe zou het kunnen dat de lamme Mefiboseth iets zou kunnen uitrichten tegen een man als Absalom? De knapste man in Israël heeft zich tot koning laten uitroepen en heel Israël loopt achter hem aan en nu doet Ziba alsof de kreupele Mefiboseth naar de macht grijpt.

David is zo dom om het verhaal van Ziba over Mefiboseth te geloven. Later zal blijken hoe het echt met Mefiboseth gesteld is (2Sm 19:24-3024Ook Mefiboseth, de [klein]zoon van Saul, kwam de koning tegemoet. Hij had zijn voeten niet schoongemaakt, zijn baard en snor niet geschoren en zijn kleren niet gewassen, van de dag af waarop de koning was weggegaan tot de dag toe waarop hij in vrede terugkeerde.25En het gebeurde, toen hij in Jeruzalem de koning tegemoetkwam, dat de koning tegen hem zei: Waarom bent u niet met mij meegegaan, Mefiboseth?26En hij zei: Mijn heer koning, mijn dienaar heeft mij bedrogen, want uw dienaar zei: Ik zal een ezel voor mij zadelen, en daarop rijden en naar de koning trekken; uw dienaar is immers kreupel.27Bovendien heeft hij uw dienaar bij mijn heer de koning belasterd. Mijn heer de koning is echter als een engel van God; doe maar wat goed is in uw ogen.28Heel het huis van mijn vader was immers bij mijn heer de koning ten dode opgeschreven; toch hebt u uw dienaar geplaatst bij hen die aan uw tafel eten. Wat voor recht heb ik [dan] nog, en [hoe kan ik dan] nog een beroep doen op de koning?29Toen zei de koning tegen hem: Waarom spreekt u nog langer over uw zaken? Ik zeg: U en Ziba, u moet het land delen.30En Mefiboseth zei tegen de koning: Hij mag ook alles [wel] nemen, omdat mijn heer de koning in vrede in zijn huis is gekomen.). Intussen heeft David zich laten beïnvloeden door de vrijgevigheid van Ziba. Dat brengt hem tot de verkeerde beslissing om alle bezittingen van Mefiboseth aan Ziba te geven. Ziba vindt het allemaal prachtig en vleit David om zijn edelmoedigheid. Het hele optreden van Ziba is omgeven met vleierij en David trapt erin.

Het is belangrijk dat we oog hebben voor vleierij. We moeten het zelf ten koste van alles vermijden. En als men ons vleit, moeten wij ten koste van alles voorkomen dat het onze kijk op de werkelijkheid vertroebelt. Laten we vleierij ver van ons houden, zowel het vleien van anderen als het gevleid worden door anderen.


Simeï vervloekt David

5Toen koning David bij Bahurim kwam, zie, daar kwam een man [de stad] uit, uit het geslacht van het huis van Saul, van wie de naam Simeï was, de zoon van Gera. Al vervloekend kwam hij dichterbij. 6Hij gooide stenen naar David en naar alle dienaren van koning David, hoewel al het volk en al de helden aan diens rechter- en aan diens linkerhand waren. 7Dit zei Simeï terwijl hij [hem] vervloekte: Ga weg, ga weg, man van bloed[vergieten], verdorven man. 8De HEERE heeft op u al het bloed van het huis van Saul, in wiens plaats u geregeerd hebt, doen terugkomen. Nu heeft de HEERE het koninkrijk gegeven in de hand van Absalom, uw zoon. En zie u [daar nu] in uw ellende, omdat u een man van bloed[vergieten] bent.

Na de ontmoeting met Ziba heeft David een andere ontmoeting. In die ontmoeting zien we David weer op een geestelijk hoogtepunt. Simeï komt op David af. De man is vol haat tegenover David. Hij is uit het geslacht van Saul en ziet David als de oorzaak van de ellende. Uit de mond en uit de handen van Simeï komen de bewijzen van zijn verachting van David. Hij laat zijn afkeer duidelijk horen door de vervloekingen die hij over David uitspreekt. Zijn hatelijke woorden zet hij kracht bij door met stenen naar hem te gooien.

Simeï rechtvaardigt zijn gedrag door ernaar te verwijzen dat David onder het oordeel van de HEERE ligt. Volgens Simeï is David in deze ellende omdat de HEERE Zich wreekt over wat David Saul heeft aangedaan. Daarom ook is het koninkrijk door de HEERE aan Absalom gegeven. Hoezeer deze beschuldigingen ongegrond zijn, weten we uit de geschiedenissen in 1 Samuel. We lezen enkele keren dat David Saul heeft gespaard. Ook weten we van zijn diepe verdriet over de dood van Saul en Jonathan.

De beschuldigingen van Simeï zijn enigszins te vergelijken met de beschuldigingen van de drie vrienden van Job aan het adres van Job, van wie zij zeggen dat hij in de ellende is door zijn eigen schuld. [Er is wel dit verschil dat Simeï gedreven wordt door haat en afkeer, terwijl de drie vrienden spreken vanuit een verkeerde kijk op Jobs lijden.] Wie op de een of andere manier onder de tucht van God is, moet er rekening mee houden dat mensen het lijden nog groter maken door op te merken dat ze het er zelf naar hebben gemaakt.

Simeï stoort zich ook niet aan de helden die David omgeven. Wie door een geest van verachting van Gods gezalfde koning is bevangen, laat zich door niets onder de indruk brengen. Hij is zelfs zo vermetel om David te beschuldigen van de dood van Saul en de Naam van de HEERE te noemen als Degene Die het koningschap aan Absalom heeft gegeven. Dit is een dwaze en lasterende uitspraak.


David buigt zich onder de vervloeking

9Toen zei Abisaï, de zoon van Zeruja, tegen de koning: Waarom zou deze dode hond mijn heer de koning vervloeken? Laat mij toch oversteken en hem de kop afslaan. 10Maar de koning zei: Wat heb ik met u te maken, zonen van Zeruja? Ja, laat hem vervloeken, want de HEERE heeft tegen hem gezegd: Vervloek David, [en] wie zou dan zeggen: Waarom hebt u dat gedaan? 11Verder zei David tegen Abisaï en tegen al zijn dienaren: Zie, mijn zoon, die uit mijn lichaam is voortgekomen, staat mij naar het leven; hoeveel te meer dan nu deze Benjaminiet! Laat hem begaan en [mij] vervloeken, want de HEERE heeft het hem gezegd. 12Misschien zal de HEERE mijn ellende aanzien, en zal de HEERE mij het goede [weer] teruggeven, in plaats van zijn vervloeking van deze dag. 13Zo ging David met zijn mannen [zijns] weegs, terwijl Simeï al vervloekend meeliep langs de flank van de berg aan de overkant van hem, en vanaf de overkant van hem met stenen gooide en stof opwierp. 14De koning, met al het volk dat bij hem was, kwam vermoeid aan. Daar kwam hij [weer] op adem.

Abisaï komt in verzet tegen de vervloekingen die over zijn koning worden uitgegoten en de stenen die naar hem worden gegooid. Het kan toch niet zo zijn dat “deze dode hond” ongestraft zijn koning zo smadelijk kan behandelen? De verontwaardiging van Abisaï is begrijpelijk. Hij wil David wreken, want de vervloeking is afschuwelijk.

David reageert hier in een geestelijke gezindheid. Hij onderwerpt zich volledig aan de wil van de HEERE, zonder zich te wreken op wat hem wordt aangedaan. Op de aansporing van Abisaï gaat hij niet in. Hij neemt alles aan uit de hand van de HEERE, als het gevolg van zijn eigen falen. Wel blijft hij hopen op de goedheid van de Heer: “Misschien zal de HEERE mijn ellende aanzien, en zal de HEERE mij het goede [weer] teruggeven, in plaats van zijn vervloeking van deze dag” (vers 1212Misschien zal de HEERE mijn ellende aanzien, en zal de HEERE mij het goede [weer] teruggeven, in plaats van zijn vervloeking van deze dag.). Na deze geestelijke berusting komt David, met allen die bij hem zijn, vermoeid aan op een plek waar hij rust vindt en op adem komt (vgl. Mk 6:30-3130En de apostelen kwamen samen bij Jezus en berichtten Hem alles wat zij gedaan en wat zij geleerd hadden.31En Hij zei tot hen: Komt uzelf [met Mij] afzonderlijk naar een woeste plaats en rust wat. Want er waren velen die kwamen en gingen, en zij hadden zelfs geen gelegenheid om te eten.).

Zoals David hier reageert, heeft hij dat steeds gedaan op alle moordpogingen en lasteringen van Saul. Daarin is hij een voorbeeld voor ons en een beeld van de Heer Jezus. Hij wil met een dergelijke uiting van vergelding niet verbonden zijn, want die is niet in zijn hart. Hij aanvaardt dit kwaad volledig uit Gods hand. De Heer vermaant ook Petrus het zwaard weer in de schede te steken als hij het heeft getrokken om zijn Heer te verdedigen (Jh 18:1111Jezus dan zei tot Petrus: Steek het zwaard in de schede; de drinkbeker die de Vader Mij heeft gegeven, zou Ik die soms niet drinken?). In de weg die de Vader wil dat Hij gaat, is geen plaats voor uitoefening van geweld, al zou dat nog zo rechtvaardig zijn. Het is eenvoudig de tijd er niet voor. De Heer Jezus scheldt zelfs niet terug als Hij wordt uitgescholden (1Pt 2:2323Die als Hij uitgescholden werd, niet terugschold, als Hij leed, niet dreigde, maar [Zich] overgaf aan Hem Die rechtvaardig oordeelt;).

Een ander voorval uit het leven van de Heer vertoont een duidelijke gelijkenis met wat hier gebeurt. Als de Heer Jezus in Samaria een verblijf zoekt en men Hem daar niet wil ontvangen, willen Jakobus en Johannes vuur van de hemel laten dalen op die mensen, omdat zij hun Heer zo met minachting behandelen. De Heer bestraft Zijn beide discipelen echter, zoals ook David Abisaï doet. Hij wil niet dat Zijn discipelen mensen uit de weg ruimen die Hem onheus behandelen en zegt tegen hen dat ze niet weten van welke geest ze zijn. Zij openbaren niet de geest van genade en liefde en nederigheid (Lk 9:52-5652En Hij zond boden voor Zich uit. En zij gingen heen en kwamen in een dorp van Samaritanen om voor Hem [een verblijf] in gereedheid te brengen.53En zij ontvingen Hem niet, omdat Hij op weg was naar Jeruzalem.54Toen nu Zijn discipelen Jakobus en Johannes dit zagen, zeiden zij: Heer, wilt U dat wij zeggen dat vuur van de hemel moet neerdalen en hen verteren <zoals ook Elia heeft gedaan>?55Hij echter keerde Zich om en bestrafte hen <en zei: U weet niet van welke geest u bent>.56<Want de Zoon des mensen is niet gekomen om zielen van mensen te verderven maar te behouden.> En zij gingen naar een ander dorp.). Tegenover de Heer zien we dat mensen reageren met haat, zoals Absalom tegenover David, maar ook met misplaatste ijver, zoals Abisaï tegenover David.


Husai meldt zich bij Absalom

15Absalom en al het volk, de mannen van Israël, waren in Jeruzalem aangekomen, en Achitofel met hem. 16En het gebeurde, toen Husai, de Archiet, de vriend van David, bij Absalom kwam, dat Husai tegen Absalom zei: Leve de koning, leve de koning! 17Maar Absalom zei tegen Husai: Is dit [nu] uw goedertierenheid tegenover uw vriend? Waarom bent u niet met uw vriend meegegaan? 18Husai zei tegen Absalom: Nee, maar van hem die de HEERE verkiest, alsook dit volk en alle mannen van Israël, van hem ben ik en bij hem zal ik blijven. 19En bovendien, wie zou ik dienen? Zou het niet zijn zoon zijn? Zoals ik uw vader gediend heb, zo zal ik u [dienen].

Zoals David hem gevraagd heeft (2Sm 15:32-3732En het gebeurde, toen David op de top van de berg kwam, waar men zich voor God neerbuigt, zie, toen kwam Husai, de Archiet, hem tegemoet, [met] zijn mantel gescheurd en aarde op zijn hoofd.33En David zei tegen hem: Als u met mij verdergaat, zult u mij tot last zijn,34maar als u naar de stad teruggaat en tegen Absalom zegt: Ik zal uw dienaar zijn, o koning; vroeger ben ik wel dienaar van uw vader geweest, maar nu zal ik uw dienaar zijn – dan kunt u de raad van Achitofel voor mij verijdelen.35Zijn Zadok en Abjathar, de priesters, daar niet bij u? Het zal gebeuren dat u alles wat u vanuit het huis van de koning hoort, aan de priesters Zadok en Abjathar zult vertellen.36Zie, beide zonen van hen zijn daar bij hen: Ahimaäz van Zadok, en Jonathan van Abjathar. Dan moet u alles wat u hoort door hun dienst naar mij toe sturen.37Zo kwam Husai, de vriend van David, de stad binnen toen Absalom in Jeruzalem aankwam.), is Husai naar Jeruzalem gegaan om daar de tegenspeler van Achitofel te zijn. Daar aangekomen meldt hij zich bij Absalom. Hij doorbreekt meteen alle eventuele argwaan door Absalom tot twee keer toe een “leve de koning” toe te roepen. Dat zal hij ongetwijfeld voor David bedoelen, maar het strooit Absalom zand in de ogen.

Absalom is er zeer verbaasd over dat Husai naar hem lijkt te zijn overgelopen. Toch is hij niet argwanend. Hij weet dat Husai een vriend van zijn vader David is en vraagt hem of dit nu zijn goedertierenheid tegenover zijn vriend is. Maakt het zijn overlopen niet veel erger dat hij zijn vriend, die zo goed voor hem is geweest, nu in de steek laat en partij kiest voor zijn tegenstander?

Het antwoord dat Husai daarop geeft, is net zo min een leugen als zijn roep ‘de koning leve’. Als hij spreekt over “hem die de HEERE verkiest”, is en blijft dat voor hem David. Heel handig verbindt Husai zijn liefde voor David met zijn overlopen naar diens zoon. Absalom is immers de zoon van zijn vriend? Wat ligt er dan meer voor de hand dan die zoon te dienen die de macht van zijn vader heeft overgenomen? Absalom heeft verder geen vragen meer over de komst van Husai. Hij voelt zich zeer gesterkt door het feit dat hij nu twee raadgevers heeft.


De raad van Achitofel

20Toen zei Absalom tegen Achitofel: Geeft u met elkaar raad, wat zullen wij doen? 21En Achitofel zei tegen Absalom: Ga naar de bijvrouwen van uw vader, die hij achtergelaten heeft om zorg te dragen voor het huis. Dan zal heel Israël horen dat u bij uw vader in een kwade reuk gekomen bent, en zullen allen die bij u zijn, moed grijpen. 22Toen spanden zij voor Absalom een tent op het dak; en Absalom ging naar de bijvrouwen van zijn vader, voor de ogen van heel Israël. 23In die tijd was de raad die Achitofel gaf, alsof men naar het woord van God vroeg. Zo was elke raad van Achitofel, zowel voor David als voor Absalom.

Op de vraag van Absalom wat er nu moet gebeuren, geeft Achitofel het advies dat hij gemeenschap moet hebben met de vrouwen die zijn vader in Jeruzalem heeft achtergelaten. Dat zal voor het hele volk het duidelijke bewijs van zijn machtsovername zijn. In die tijd toonde een koning zijn macht door de vrouwen van de verdreven koning te nemen. Dit weerzinwekkende advies wordt zonder aarzelen door Absalom opgevolgd. Hier gaat het woord van Nathan in vervulling dat hij als straf over David heeft uitgesproken (2Sm 12:11-1211Zo zegt de HEERE: Zie, Ik breng onheil over u uit uw [eigen] huis, en zal uw vrouwen voor uw ogen nemen en hen aan uw naaste geven; die zal op klaarlichte dag met uw vrouwen slapen.12Voorzeker, ú hebt in het geheim gehandeld, maar Ík zal dit doen ten aanschouwen van heel Israël en in het volle licht.).

Achitofel is een satanisch mens. De satan is de grote na-aper. Hij ziet eruit als het lam, maar spreekt als de draak (Op 13:1111En ik zag een ander beest opstijgen uit de aarde; en het had twee horens, aan die van een lam gelijk, en het sprak als [de] draak.). Het woord van de draak wordt als woord van God aangenomen. Dat gebeurt ook vandaag in de christenheid waar het Woord van God wordt vervangen door satanische leringen. De geest van Achitofel is onder ons. In Achitofel zien we een beeld van de bezieling, de geest van de antichrist, van wie Absalom een beeld is.

Het is wel merkwaardig dat ook voor David het vragen naar de raad van Achitofel lijkt op het vragen naar een woord van God. Achitofel moet een zeer indrukwekkende persoon zijn geweest, scherpzinnig en overtuigend. Het mag wel een waarschuwing voor ons zijn dat wij erop toezien dat niemand ons met mooie praatjes of een gloedvol betoog tot zijn prooi maakt (Ko 2:88Kijkt u uit, dat er niemand is die u tot prooi maakt door de wijsbegeerte en door ijdel bedrog volgens de overlevering van de mensen, volgens de elementen van de wereld, en niet volgens Christus.).

Hoe scherpzinnig en vol goede raad Achitofel ook geweest mag zijn, hij is tevens verduisterd in zijn verstand. Dat blijkt uit zijn keus voor de opstandeling tegen de door God gegeven koning. Mogelijk heeft hij zich, zoals wel is verondersteld, in die keus ook laten leiden door haatgevoelens voor David, vanwege de ontering door David van Bathseba. Bathseba is immers zijn kleindochter (2Sm 11:33David stuurde [een bode] en liet naar deze vrouw vragen; en men zei: Is dat niet Bathseba, de dochter van Eliam, de vrouw van Uria, de Hethiet?; 23:3434Elifelet, de zoon van Ahasbai, de zoon van een man uit Maächa; Eliam, de zoon van Achitofel, uit Gilo;).


Lees verder