2 Samuel
1-6 Een rijke, een arme en een reiziger 7-9 David geconfronteerd met zijn zonden 10-13 Gods oordeel over Davids zonden 14-23 De dood van het kind 24-25 Geboorte van Salomo 26-31 De stad Rabba ingenomen
Een rijke, een arme en een reiziger

1En de HEERE zond Nathan naar David. Toen die bij hem kwam, zei hij tegen hem: Er waren twee mannen in een stad, de één rijk en de ander arm. 2De rijke had heel veel schapen en runderen. 3Maar de arme had helemaal niets dan alleen één enkel klein ooilam, dat hij gekocht had. Hij hield het in leven en het werd groot, samen met hem en met zijn kinderen. Het at [mee] van zijn stuk [brood], dronk uit zijn beker en sliep in zijn schoot. Het was als een dochter voor hem. 4Toen er een reiziger bij de rijke man kwam, kon hij er niet toe komen [een] van zijn [eigen] schapen en runderen te nemen, om [een maaltijd] te bereiden voor de reiziger die bij hem gekomen was. Daarom nam hij het ooilam van de arme man en bereidde het voor de man die bij hem gekomen was. 5Toen ontstak David in grote woede tegen die man, en hij zei tegen Nathan: [Zo waar] de HEERE leeft, voorzeker, de man die dat gedaan heeft, is een kind des doods! 6En dat ooilam moet hij viervoudig vergoeden, omdat hij dit gedaan heeft en geen medelijden had.

Als het kind geboren is, wordt Nathan door de HEERE naar David gezonden. Waarom heeft de HEERE zolang gewacht? Is dat misschien omdat Hij in Zijn grote geduld heeft gewacht op de belijdenis van David? Die belijdenis komt echter niet. Daarom moet Hij nu Zelf komen.

Zonder enige inleiding begint Nathan, als hij bij David is gekomen, hem een verhaal te vertellen. Hij is al een keer eerder bij David gekomen. Toen kwam hij met een prachtig woord van de HEERE over het bouwen van het huis van David (2Sm 7:4-174Maar in die nacht gebeurde het dat het woord van de HEERE tot Nathan kwam:5Ga en zeg tegen Mijn dienaar, tegen David: Zo zegt de HEERE: Zou ú voor Mij een huis bouwen, voor Mij om in te wonen?6Ik heb immers niet in een huis gewoond, van de dag af dat Ik de Israëlieten uit Egypte deed optrekken tot deze dag toe, maar Ik ben in een tent, in een tabernakel rondgetrokken.7Heb Ik [ooit], overal waar Ik met al de Israëlieten rondtrok, een woord gesproken tot een van de stammen van Israël, die Ik bevolen had Mijn volk Israël te weiden: Waarom bouwt u voor Mij geen huis van ceder[hout]?8Nu dan, dit moet u tegen Mijn dienaar zeggen, tegen David: Zo zegt de HEERE van de legermachten: Ik heb u van de schaapskooi vandaan gehaald, van achter het kleinvee, om een leider over Mijn volk te zijn, over Israël.9Ik was met u overal waar u heen ging, en heb al uw vijanden voor uw [ogen] uitgeroeid. Ik heb een grote naam voor u gemaakt, zoals de naam van de groten die op aarde zijn.10Ik heb aan Mijn volk, aan Israël, een plaats toegewezen en het [daar] geplant, zodat het in zijn eigen [gebied] woont en niet meer heen en weer gedreven wordt. En onrechtvaardige mensen zullen het niet meer verdrukken zoals vroeger,11en sinds de dag waarop Ik richters aangesteld heb over Mijn volk Israël. Maar Ik heb u rust gegeven van al uw vijanden. Ook maakt de HEERE u bekend dat de HEERE voor ú een huis zal maken.12Wanneer uw dagen voorbij zijn en u met uw vaderen ontslapen bent, zal Ik uw nakomeling na u, die uit uw lichaam voortkomt, doen opstaan en Ik zal zijn koningschap bevestigen.13Die zal voor Mijn Naam een huis bouwen, en Ik zal de troon van zijn koningschap voor eeuwig bevestigen.14Ík zal hem tot een Vader zijn, en híj zal Mij tot een zoon zijn, wat [wil zeggen]: als hij zich misdraagt, zal Ik hem terechtwijzen met een stok [als] van mensen en met slagen [als] van mensenkinderen.15Maar Mijn goedertierenheid zal van hem niet wijken, zoals Ik die deed wijken van Saul, die Ik voor uw [ogen] weggenomen heb.16Uw huis en uw koningschap zullen voor uw [ogen] voor eeuwig vaststaan, uw troon zal voor eeuwig zeker zijn.17Overeenkomstig al deze woorden en heel dit visioen, zo sprak Nathan tot David.). Nu komt hij met een boodschap van oordeel. Hij doet dat in de vorm van een verhaal om David aan zichzelf te ontdekken.

In het verhaal dat Nathan vertelt, is David de rijke man en Uria de arme man. David is de man met “heel veel schapen en runderen”, dat ziet op de vele vrouwen die hij heeft, wat overigens zeer tegen de gedachten van God is. De arme is de man met het ene schaap, de eenvoudige soldaat Uria, die één vrouw heeft, wat overigens zeer in overeenstemming met de gedachten van God is. In de reiziger zien we het beeld van de begeerte die zich zomaar kan aandienen. De vraag is wat iemand met deze reiziger doet als hij bij hem aankomt. Men kan hem wegsturen of in zijn huis opnemen. Wie hem in huis, dat is in zijn hart, opneemt en voedsel geeft, raakt in de macht van de reiziger.

Als David het verhaal heeft gehoord, ontsteekt hij “in grote woede”. Hij velt een scherp en tweevoudig oordeel. Wat hem betreft, is de rijke “een kind des doods”. Tevens eist hij dat de rijke de arme schadeloos zal stellen met een grote vergoeding daarbij: “Dat ooilam moet hij viervoudig vergoeden.” Dat laatste is naar de wet en is ook bij David gebeurd. Hij heeft vier kinderen verloren: het kind dat hij in ontrouw verwekt heeft, Amnon, Absalom en Adonia.

Zijn oordeel dat de rijke man een “kind des doods” is, gaat boven de wet uit. Het is ondenkbaar dat David geen gewetensoefeningen heeft gehad. Een mens kan die oefeningen echter onderdrukken. Toch zijn ze er en ze komen hier tevoorschijn in een woord over anderen. Als hij zelf niet in de zonde had geleefd, dan had hij niet zo’n oordeel uitgesproken. Hij spreekt dit oordeel over zichzelf uit.

Hoe goed kunnen wij toch over anderen oordelen, terwijl we zelf misschien wel in de zonde leven (vgl. Rm 2:11Daarom bent u niet te verontschuldigen, mens, wie u ook bent die oordeelt; want waarin u de ander oordeelt, veroordeelt u zichzelf; want u die oordeelt, bedrijft dezelfde dingen.)! Als we ons dat diep realiseren, zullen we bidden: ‘Heer, geef dat ik, van wat ik bij anderen opmerk, mag leren wie ik zelf ben. Geef, dat ik ter harte neem wat U vertelt over de balk en de splinter (Mt 7:3-53En wat ziet u de splinter in het oog van uw broeder, maar de balk in uw eigen oog merkt u niet?4Of hoe zult u tot uw broeder zeggen: Laat mij de splinter uit uw oog wegdoen, en zie, de balk is in uw oog?5Huichelaar, doe eerst de balk uit uw oog weg, en dan zult u helder zien om de splinter uit het oog van uw broeder weg te doen.). Ik wil wel aan mijzelf ontdekt worden, maar sta ik er wel voor open? Als U mij iets bij anderen laat zien wat niet goed is, geef dan dat het eerste wat ik doe, is dat ik mijzelf in Uw licht plaats, zodat U mij kunt laten zien wie ik zelf ben. Laat mij in die houding naar anderen gaan om te dienen (Gl 6:11Broeders, zelfs als iemand door een overtreding overvallen wordt, brengt u die geestelijk bent zo iemand terecht in een geest van zachtmoedigheid, ziende op uzelf, opdat ook u niet in verzoeking komt.).’


David geconfronteerd met zijn zonden

7Toen zei Nathan tegen David: U bent die man! Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Ík heb u tot koning gezalfd over Israël en Ík heb u uit Sauls hand gered. 8Ik heb u het huis van uw heer gegeven, en [bovendien] de vrouwen van uw heer in uw schoot. Ja, Ik heb u het huis van Israël en Juda gegeven. En als dat te weinig was geweest, zou Ik u nog wel meer gegeven hebben. 9Waarom hebt u [dan] het woord van de HEERE veracht, door te doen wat slecht is in Zijn ogen? U hebt Uria, de Hethiet, met het zwaard gedood. Zijn vrouw hebt u tot vrouw genomen en hem hebt u door het zwaard van de Ammonieten gedood.

De woorden “u bent die man!” treffen David tot in het diepst van zijn geweten. Ze zijn genoeg om hem volkomen te verbreken en tot een volkomen belijdenis te brengen. Dat is het bewijs dat hij werkelijk een gelovige is. Het juiste woord op de juiste tijd kan een dwalende gelovige tot belijdenis brengen.

Nathan zegt tegen David wat hij allemaal heeft gekregen toen de HEERE hem koning maakte in de plaats van Saul. Hij heeft ook alles gekregen wat Saul heeft toebehoord. David wordt eraan herinnerd met hoeveel zegeningen God hem heeft gezegend. En als dat te weinig was, had God nog wel meer willen geven (vers 8b8Ik heb u het huis van uw heer gegeven, en [bovendien] de vrouwen van uw heer in uw schoot. Ja, Ik heb u het huis van Israël en Juda gegeven. En als dat te weinig was geweest, zou Ik u nog wel meer gegeven hebben.), als hij het slechts aan Hem had gevraagd en niet eigenmachtig te werk was gegaan. Door zijn handelen heeft David “het woord van de HEERE veracht”. Wij mogen onszelf wel de vraag stellen of wij tevreden zijn met wat God ons heeft gegeven en of wij Hem daar dankbaar voor zijn. Als wij meer willen, moeten we dat aan Hem vragen.

Doordat David het woord van de HEERE heeft veracht, is hij tot een tweevoudige zonde gekomen. Hij heeft in de eerste plaats de vrouw van zijn naaste genomen. In de tweede plaats heeft hij zijn naaste gedood.


Gods oordeel over Davids zonden

10Welnu dan, het zwaard zal voor eeuwig niet van uw huis wijken, omdat u Mij veracht hebt en de vrouw van Uria, de Hethiet, genomen hebt om u tot vrouw te zijn. 11Zo zegt de HEERE: Zie, Ik breng onheil over u uit uw [eigen] huis, en zal uw vrouwen voor uw ogen nemen en hen aan uw naaste geven; die zal op klaarlichte dag met uw vrouwen slapen. 12Voorzeker, ú hebt in het geheim gehandeld, maar Ík zal dit doen ten aanschouwen van heel Israël en in het volle licht. 13Toen zei David tegen Nathan: Ik heb gezondigd tegen de HEERE. En Nathan zei tegen David: De HEERE heeft ook uw zonde weggenomen; u zult niet sterven.

David heeft de HEERE Zelf veracht. Zonde is een verachting van Gods Woord (vers 99Waarom hebt u [dan] het woord van de HEERE veracht, door te doen wat slecht is in Zijn ogen? U hebt Uria, de Hethiet, met het zwaard gedood. Zijn vrouw hebt u tot vrouw genomen en hem hebt u door het zwaard van de Ammonieten gedood.) en van God Zelf. De zonde kan vergeven worden en vergeven zijn. Die verzekering geeft God Zelf in Zijn Woord (1Jh 1:99Als wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid.). Dat betekent echter niet dat daarmee ook altijd de gevolgen worden weggenomen. Als onze kinderen hebben gezondigd, krijgen ze straf. Belijdenis is niet om daardoor aan een verdiende straf te ontkomen, maar om daardoor de door de zonde verbroken relatie te herstellen. De gevolgen moeten we dragen.

Voor David betekent het dat het zwaard dat hij heeft gebruikt, niet van zijn huis zal wijken. Hij zal het meemaken dat zijn ene geliefde kind zijn andere geliefde kind doodt. Is dat niet vreselijk? Het betekent ook dat de zonde van hoererij die hij heeft begaan, wordt gestraft met wat er met zijn vrouwen zal gebeuren. Zijn naaste zal met zijn vrouwen overspel bedrijven. Die naaste zal nota bene zijn zoon Absalom blijken te zijn (2Sm 16:2222Toen spanden zij voor Absalom een tent op het dak; en Absalom ging naar de bijvrouwen van zijn vader, voor de ogen van heel Israël.). Wat David in het verborgene heeft gedaan, zal met zijn vrouwen in het volle daglicht gebeuren. De straf is zwaar omdat de zonde zwaar is.

Het enige woord dat David spreekt nadat Nathan hem met zijn zonde heeft geconfronteerd, is: “Ik heb gezondigd tegen de HEERE” (vers 1313Toen zei David tegen Nathan: Ik heb gezondigd tegen de HEERE. En Nathan zei tegen David: De HEERE heeft ook uw zonde weggenomen; u zult niet sterven.). Nathan doorziet de diepte en oprechtheid van deze uitspraak. David hoeft geen betoog te houden. Waar echte verootmoediging en belijdenis zijn, zullen die worden erkend, hoe weinig woorden er ook maar gebruikt zijn. Nathan spreekt dan ook zonder aarzeling direct de vergeving uit.


De dood van het kind

14Omdat u echter door deze zaak de vijanden van de HEERE zeer hebt doen lasteren, zal wel de zoon die u geboren is, zeker sterven. 15Toen ging Nathan naar zijn huis. En de HEERE trof het kind dat de vrouw van Uria David gebaard had, zodat het ongeneeslijk ziek werd. 16David zocht God voor het jongetje; David vastte streng en toen hij naar binnen ging om te overnachten, ging hij op de grond liggen. 17Toen stonden de oudsten van zijn huis op [en kwamen] bij hem om hem van de grond te doen opstaan; hij wilde echter niet, en at geen brood met hen. 18Het gebeurde op de zevende dag dat het kind stierf. De dienaren van David waren bevreesd tegen hem te zeggen dat het kind dood was, want zij zeiden: Zie, toen het kind nog levend was, spraken wij tot hem, maar hij wilde niet naar onze stem luisteren. Hoe kunnen wij dan tegen hem zeggen: Het kind is dood? Dat zou kwaad doen! 19Maar David zag dat zijn dienaren mompelden; daardoor merkte David dat het kind dood was. Dus zei David tegen zijn dienaren: Is het kind dood? Zij zeiden daarop: [Ja,] het is dood. 20Toen stond David op van de grond, waste en zalfde zich en wisselde van kleding. Hij ging het huis van de HEERE binnen en boog zich neer. Daarna kwam hij in zijn huis en vroeg om [eten]; zij zetten hem voedsel voor en hij at. 21Toen zeiden zijn dienaren tegen hem: Wat betekent dit wat u gedaan hebt? Om het levende kind hebt u gevast en gehuild, maar nadat het kind gestorven is, bent u opgestaan en hebt u de maaltijd gebruikt. 22Hij zei: Toen het kind nog leefde, heb ik gevast en gehuild, want ik zei: Wie weet, is de HEERE mij genadig, zodat het kind in leven blijft. 23Maar nu is het dood; waarom zou ik nu vasten? Zal ik hem nog terug kunnen halen? Ik zal wel naar hem toe gaan, maar hij zal niet bij mij terugkomen.

Er komt ook een directe straf op de zonde, na de belijdenis, vanwege de lastering door de vijanden van de HEERE die David door zijn daad heeft veroorzaakt. Die directe straf is de dood van het kind dat uit het overspel is geboren. De HEERE had het kind direct kunnen doden, maar Hij maakt hem eerst een week doodziek door een ongeneeslijke ziekte. Bathseba wordt nog “de vrouw van Uria” (vers 1515Toen ging Nathan naar zijn huis. En de HEERE trof het kind dat de vrouw van Uria David gebaard had, zodat het ongeneeslijk ziek werd.) genoemd. Het benadrukt dat het kind is verbonden aan de zonde die David heeft gedaan.

Dat het kind sterft, is ook nog genade van God. Het voorkomt dat David moet leven met deze zoon die hem voortdurend aan de zonde van overspel zou hebben herinnerd. Deze genade wordt niet iedereen gegeven die zich in een dergelijke situatie bevindt. Dat betekent niet dat er voor zo iemand geen genade is. Als er waarachtig berouw over de zonde is, heeft God voor die situatie een andere vorm van genade. Waar de zonde ingang heeft gekregen, is er ook altijd genade bij God die verder gaat dan de zonde als op Hem een beroep wordt gedaan.

David kan en wil niet aannemen wat tegen hem is gezegd over zijn zoon. Wat hij hoort, brengt hem tot een intens zoeken van God voor het kind. Hij is volkomen gericht op deze nood. David weet ervan dat Gods hart te bewegen is. We leren van David wat bidden is. David neemt de boodschap niet aan als een noodlot. Hij kent God als een God Die op een besluit kan terugkomen. Dat is niet omdat het besluit niet goed zou zijn, maar omdat Hij ervoor gebeden wil worden. Onze gebeden hebben een plaats in Gods plan. Onze omgang met God bepaalt ons smeken.

Zoals gezegd neemt de HEERE niet direct het leven van het kind. Het duurt zeven dagen voordat hij sterft. In die zeven dagen zoekt David God en vast. De nacht brengt hij liggend op de grond door. Dat houdt ook in dat na de belijdenis van vers 1313Toen zei David tegen Nathan: Ik heb gezondigd tegen de HEERE. En Nathan zei tegen David: De HEERE heeft ook uw zonde weggenomen; u zult niet sterven. er nog een periode volgt van bewustwording van wat er werkelijk is gebeurd. Dat is ook in ons leven nodig. Na falen en belijden kunnen we niet direct verdergaan. Herstel heeft tijd nodig.

David eet niet met de oudsten, dat wil zeggen dat hij geen contact met hen heeft. God gebruikt die zeven dagen (een volle periode) om David tot het bewustzijn te brengen van wat hij heeft gedaan. David zal ongetwijfeld zijn zonde in al zijn afschuwelijkheid voor God hebben gezien. Het kind is daarvan het resultaat. Tegelijk hoopt hij op genade van God om zijn zoon te laten leven. God doet dat niet. Dat is niet omdat Hij niet anders zou kunnen. Al vaker heeft God Zich laten verbidden. God doet het nu niet, omdat Hij geen herinnering aan de zonde wil laten bestaan.

Als het kind op de zevende dag gestorven is, durven zijn dienaren dat niet tegen David te zeggen. Hoewel zij dicht bij hem leven, kennen ze hem toch niet goed. Zij bekijken de zaak uit menselijk oogpunt. Het gebedsleven is echter niet op natuurlijke wijze te bekijken. Als David hoort dat het kind is gestorven, neemt hij dat aan uit de hand van God. Dat is vertrouwen. Het vurig gebed moet samengaan met een volkomen vertrouwen op God. Zo bad de Heer Jezus in Gethsémané. Nadat Hij daar van Zijn gebed was opgestaan, kon Hij Zijn weg in vrede voortzetten.

Als het kind gestorven is, verandert Davids houding (vers 2020Toen stond David op van de grond, waste en zalfde zich en wisselde van kleding. Hij ging het huis van de HEERE binnen en boog zich neer. Daarna kwam hij in zijn huis en vroeg om [eten]; zij zetten hem voedsel voor en hij at.). Hij staat op, wast en zalft zich, verkleedt zich en gaat naar de plaats waar de ark is. Daar buigt hij zich in aanbidding neer. De bidder is ook een aanbidder. Daarna eet hij weer. De dienaren vragen hem hoe dit kan. Hun vraag getuigt ervan dat er een goede relatie is tussen de dienaren en hun koning.

David vertelt hun van zijn diepe oefeningen in de tegenwoordigheid van de HEERE. Het resultaat is niet dat het kind is genezen, maar wel dat zijn vertrouwen in de HEERE is gesterkt. Hij spreekt niet over de dood van het kind als een onvermijdelijke gebeurtenis, maar als een zaak die hij uit de hand van de HEERE aanneemt. Hij berust in de wil van de HEERE, niet omdat hij niet anders kan, maar omdat de HEERE weet wat het beste is.

Daarbij sluit hij zijn ogen niet voor de feitelijke situatie. Het kind is dood. Verder vasten heeft geen zin. Geen mens kan een dode tot leven roepen. Wat God genomen heeft, kan een mens niet terughalen, ook David niet. Er is wel iets anders mogelijk. In het geloof spreekt David erover dat hij naar het kind zal gaan. Zulke uitspraken zijn zeldzaam in het Oude Testament. Het is hem duidelijk dat het kind in de heerlijkheid is. Dat mogen we weten van alle jong gestorven kinderen.


Geboorte van Salomo

24Daarna troostte David zijn vrouw Bathseba. Hij ging naar haar toe en sliep met haar. Zij baarde een zoon, die hij de naam Salomo gaf. De HEERE had hem lief, 25en zond een [boodschap] door de dienst van de profeet Nathan en noemde zijn naam Jedid-Jah, omwille van de HEERE.

Als David is hersteld, is hij in staat Bathseba te troosten. Nu pas spreekt Gods Woord erover dat Bathseba de vrouw van David is. Ze krijgen een zoon. David noemt hem “Salomo” dat betekent ‘vreedzaam’ of ‘man van rust’. Hij wordt de eerstgeborene, de opvolger van David. In 1 Kronieken wordt hem deze zoon aangekondigd en wordt tegen hem gezegd hoe zijn naam zal zijn (1Kr 22:9-109Zie, een zoon zal u geboren worden; díe zal een man van rust zijn, want Ik zal hem rust geven van al zijn vijanden van rondom. Ja, Salomo zal zijn naam zijn, want Ik zal in zijn dagen vrede en stilte over Israël geven.10Hij is het die voor Mijn Naam een huis zal bouwen, en hij is het die Mij tot een zoon zal zijn, en Ik hem tot een Vader. En Ik zal de troon van zijn koninkrijk tot in eeuwigheid over Israël bevestigen.). Dat past bij dat boek, want daarin schrijft God de geschiedenis vanuit het gezichtspunt van Zijn raad en niet vanuit het gezichtspunt van de verantwoordelijkheid van de mens zoals hier. God zal deze zoon tot Vader zijn en Salomo zal Hem tot zoon zijn. Daarmee is Salomo een beeld van de Heer Jezus. Vandaar ook dat we hier lezen: “De HEERE had hem lief.”

Weer stuurt de HEERE Zijn profeet Nathan met een boodschap naar David. Dit keer bevat de boodschap weer een bemoediging. Nathan moet David vertellen welke naam Salomo van de HEERE krijgt. Zijn naam moet “Jedid-Jah” zijn, wat betekent ‘geliefde van de HEERE’. Dit is een kleine ster die schittert in het tafereel van overspel en moord. Het is het licht in de duisternis van de zonde. In hem vinden we de geschiedenis van het huis van David als het ware samengebald.


De stad Rabba ingenomen

26Joab nu streed tegen Rabba van de Ammonieten, en hij zou de koningsstad innemen. 27Toen stuurde Joab boden naar David, en zei: Ik heb gestreden tegen Rabba, ook heb ik de waterstad ingenomen. 28Verzamel dan nu de rest van het volk, beleger de stad en neem haar in, anders neem ík de stad in en wordt míjn naam over haar uitgeroepen. 29Toen verzamelde David al dat volk en trok naar Rabba; hij streed ertegen en nam het in. 30En hij nam de kroon van hun koning van diens hoofd, waarvan het gewicht, mét het edelgesteente, een talent goud was, en die werd op Davids hoofd [gezet]. Ook haalde hij een zeer grote buit uit de stad. 31Het volk dat daarin was, liet hij eruit halen en zette het bij zagen, bij ijzeren houwelen en bij ijzeren bijlen, en liet hen overbrengen naar de steenovens. Zo deed hij met alle steden van de Ammonieten. Daarna keerde David met heel het volk terug naar Jeruzalem.

Na de geboorte van Salomo wordt de definitieve overwinning over de Ammonieten beschreven. Toch zien we hier tevens dat David met zijn herstel niet ook zijn geestelijke kracht en inzicht helemaal terug heeft. Joab moet hem aanzetten tot activiteit. Ook zien we dat zijn optreden tegen Rabba iets wreeds heeft, wat we niet van David gewoon zijn. Mogelijk is dit optreden ook een gevolg van zijn leven in de zonde. Zijn gemeenschap met God is door zijn belijdenis hersteld, maar het langdurig verlies van gemeenschap met God kan wel een verzwakking van het kennen van Gods wil tot gevolg hebben.


Lees verder