2 Koningen
Inleiding 1-7 Azaria koning van Juda 8-12 Zacharia koning over Israël 13-16 Sallum koning over Israël 17-22 Menahem koning over Israël 23-26 Pekahia koning over Israël 27-31 Pekah koning over Israël 32-38 Jotham koning van Juda
Inleiding

De schrijver laat in dit hoofdstuk in snel tempo de geschiedenis van zeven koningen aan ons voorbijtrekken: aan het begin en aan het eind een koning van Juda – Azaria aan het begin, verzen 1-71In het zevenentwintigste jaar van Jerobeam, de koning van Israël, werd Azaria koning, de zoon van Amazia, de koning van Juda.2Hij was zestien jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde tweeënvijftig jaar, in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Jecholia, uit Jeruzalem.3Hij deed wat juist was in de ogen van de HEERE, overeenkomstig alles wat zijn vader Amazia gedaan had.4Alleen werden de [offer]hoogten niet weggenomen: het volk bracht nog [steeds] slachtoffers en reukoffers op de [offer]hoogten.5En de HEERE trof de koning, zodat hij melaats werd tot de dag van zijn dood. Hij woonde in een apart staand huis. Maar Jotham, de zoon van de koning, [had de leiding] over het huis en gaf leiding aan de bevolking van het land.6Het overige nu van de geschiedenis van Azaria, en alles wat hij gedaan heeft, is dat niet beschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda?7Azaria ging te ruste bij zijn vaderen en zij begroeven hem bij zijn vaderen, in de stad van David, en zijn zoon Jotham werd koning in zijn plaats., en Jotham aan het eind, verzen 32-3832In het tweede jaar van Pekah, de zoon van Remalia, de koning van Israël, werd Jotham koning, de zoon van Uzzia, de koning van Juda.33Hij was vijfentwintig jaar oud toen hij koning werd en hij regeerde zestien jaar in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Jerusa, de dochter van Zadok.34Hij deed wat juist was in de ogen van de HEERE: overeenkomstig alles wat zijn vader Uzzia gedaan had, deed hij.35Alleen werden de [offer]hoogten niet weggenomen: het volk bracht nog [steeds] slachtoffers en reukoffers op de [offer]hoogten. Hij was het die de Bovenpoort van het huis van de HEERE bouwde.36Het overige van de geschiedenis van Jotham, en alles wat hij gedaan heeft, is dat niet beschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda?37In die dagen begon de HEERE Rezin, de koning van Syrië, en Pekah, de zoon van Remalia, op Juda af te sturen.38Jotham ging te ruste bij zijn vaderen en werd begraven bij zijn vaderen in de stad van zijn vader David, en zijn zoon Achaz werd koning in zijn plaats. – en daartussen vijf koningen van Israël (verzen 8-318In het achtendertigste jaar van Azaria, de koning van Juda, regeerde Zacharia, de zoon van Jerobeam, over Israël in Samaria, zes maanden.9Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE, zoals zijn vaderen gedaan hadden: hij week niet af van de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël deed zondigen.10Sallum, de zoon van Jabes, spande tegen hem samen. Hij sloeg hem neer in aanwezigheid van het volk en doodde hem; en hij werd koning in zijn plaats.11Het overige nu van de geschiedenis van Zacharia, zie, dat is beschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël.12Dit was het woord van de HEERE dat Hij tot Jehu gesproken had: Er zullen zonen van u tot het vierde geslacht op de troon van Israël zitten. En zo is het gebeurd.13Sallum, de zoon van Jabes, werd koning in het negenendertigste jaar van Uzzia, de koning van Juda, en hij regeerde een volle maand in Samaria.14Menahem, de zoon van Gadi, trok op uit Tirza, kwam in Samaria en versloeg Sallum, de zoon van Jabes, in Samaria; hij doodde hem en werd koning in zijn plaats.15Het overige nu van de geschiedenis van Sallum, en de samenzwering die hij smeedde, zie, dat is beschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël.16Toen versloeg Menahem Tifsah met al zijn inwoners, en [ook] het bijbehorende gebied, van Tirza af; omdat men [de poort] niet [voor hem] had opengedaan, versloeg hij [hen]. Bij al de zwangere vrouwen daar reet hij [de buik] open.17In het negenendertigste jaar van Azaria, de koning van Juda, werd Menahem, de zoon van Gadi, koning over Israël [en hij regeerde] tien jaar in Samaria.18Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE: hij week al zijn dagen niet af van de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël deed zondigen.19[Toen] kwam Pul, de koning van Assyrië, tegen het land op; en Menahem gaf Pul duizend talent zilver, zodat deze op zijn hand zou zijn om het koninkrijk vast te doen zijn in zijn hand.20Menahem bracht dit geld op van alle vermogende Israëlieten om [het] aan de koning van Assyrië te geven: vijftig sikkel zilver voor elke man. Toen keerde de koning van Assyrië terug en bleef daar niet in het land.21Het overige nu van de geschiedenis van Menahem, en alles wat hij gedaan heeft, is dat niet beschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël?22Daarna ging Menahem te ruste bij zijn vaderen, en zijn zoon Pekahia werd koning in zijn plaats.23In het vijftigste jaar van Azaria, de koning van Juda, werd Pekahia, de zoon van Menahem, koning over Israël [en hij regeerde] twee jaar in Samaria.24Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE: hij week niet af van de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël deed zondigen.25En Pekah, de zoon van Remalia, zijn officier, spande tegen hem [samen] en sloeg hem neer in Samaria, in de burcht van het huis van de koning, samen met Argob en met Arje, en met hem vijftig man van de nakomelingen van de Gileadieten. Zo doodde hij hem en werd koning in zijn plaats.26Het overige nu van de geschiedenis van Pekahia, en alles wat hij gedaan heeft, zie, dat is beschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël.27In het tweeënvijftigste jaar van Azaria, de koning van Juda, werd Pekah, de zoon van Remalia, koning over Israël [en hij regeerde] twintig jaar, in Samaria.28Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE: hij week niet af van de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël deed zondigen.29In de dagen van Pekah, de koning van Israël, kwam Tiglath-Pileser, de koning van Assyrië, en nam Ijon in, en [ook] Abel-Beth-Maächa, Janoah, Kedes, Hazor, Gilead, Galilea en het hele land van Naftali; [en] hij voerde [de inwoners] weg naar Assyrië.30En Hosea, de zoon van Ela, smeedde een samenzwering tegen Pekah, de zoon van Remalia; hij sloeg hem neer, doodde hem en werd koning in zijn plaats in het twintigste jaar van Jotham, de zoon van Uzzia.31Het overige nu van de geschiedenis van Pekah, en alles wat hij gedaan heeft, zie, dat is beschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël.).


Azaria koning van Juda

1In het zevenentwintigste jaar van Jerobeam, de koning van Israël, werd Azaria koning, de zoon van Amazia, de koning van Juda. 2Hij was zestien jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde tweeënvijftig jaar, in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Jecholia, uit Jeruzalem. 3Hij deed wat juist was in de ogen van de HEERE, overeenkomstig alles wat zijn vader Amazia gedaan had. 4Alleen werden de [offer]hoogten niet weggenomen: het volk bracht nog [steeds] slachtoffers en reukoffers op de [offer]hoogten. 5En de HEERE trof de koning, zodat hij melaats werd tot de dag van zijn dood. Hij woonde in een apart staand huis. Maar Jotham, de zoon van de koning, [had de leiding] over het huis en gaf leiding aan de bevolking van het land. 6Het overige nu van de geschiedenis van Azaria, en alles wat hij gedaan heeft, is dat niet beschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda? 7Azaria ging te ruste bij zijn vaderen en zij begroeven hem bij zijn vaderen, in de stad van David, en zijn zoon Jotham werd koning in zijn plaats.

De beschrijving van de regering van Azaria gebeurt in de gebruikelijke bewoordingen, met uitzondering van vers 55En de HEERE trof de koning, zodat hij melaats werd tot de dag van zijn dood. Hij woonde in een apart staand huis. Maar Jotham, de zoon van de koning, [had de leiding] over het huis en gaf leiding aan de bevolking van het land.. Azaria heeft lang geregeerd. Dat duidt op een zekere stabiliteit in Juda. Daarmee staat de in Israël heersende wanorde in schril contrast. De vijf koningen die hierna worden genoemd volgen elkaar tijdens zijn regering op.

Het geestelijk niveau van Azaria is als dat van zijn vader en niet als dat van David. Ook tijdens zijn leven blijven de offerhoogten bestaan en brengt het volk daar hun offers. Pas als Hizkia regeert, worden deze hoogten weggedaan.

Ook Azaria is na een goed begin ontrouw geworden. Hoe moeilijk is het toch om trouw te blijven bij veel macht en goede daden. Als hij machtig geworden is, wordt hij hoogmoedig (2Kr 26:17-2117Maar de priester Azaria ging hem achterna, en met hem de priesters van de HEERE, tachtig dappere mannen.18Zij gingen voor koning Uzzia staan en zeiden tegen hem: U komt het niet toe, Uzzia, om voor de HEERE [reukwerk] in rook te laten opgaan, maar het is aan de priesters, de nakomelingen van Aäron, die geheiligd zijn om [reukwerk] in rook te laten opgaan. Ga het heiligdom uit, want u bent ontrouw geweest, en het zal voor u niet tot eer zijn van de HEERE God.19Toen werd Uzzia woedend; het wierookvat was in zijn hand om [reukwerk] in rook te laten opgaan. En terwijl hij woedend was op de priesters, verscheen de melaatsheid op zijn voorhoofd, voor [de ogen van] de priesters, in het huis van de HEERE, bij het reukofferaltaar.20Toen keerde de hoofdpriester Azaria zich naar hem toe, en al de priesters, en zie, hij was melaats aan zijn voorhoofd. En zij verdreven hem haastig daarvandaan, ja, ook hijzelf haastte zich om naar buiten te gaan, omdat de HEERE hem getroffen had.21Koning Uzzia was melaats tot aan de dag van zijn dood. Hij woonde, [omdat] hij melaats was, in een apart staand huis, want hij was van het huis van de HEERE afgesneden. Jotham, zijn zoon, was [aangesteld] over het huis van de koning, en gaf leiding aan de bevolking van het land.). Hij vergeet dat hij zijn macht aan de HEERE te danken heeft. Hij matigt zich een positie aan die de HEERE hem niet heeft gegeven. Hij wil gaan offeren, iets wat hij niet mag doen. Als hij daarover vermaand wordt, wordt hij boos. Dan breekt de melaatsheid uit. Azaria moet apart gaan wonen van het volk. Dat is tot de dag van zijn dood zijn lot. Over het koninklijk huis krijgt zijn zoon de leiding.

Melaatsheid is een beeld van de zonde die naar buiten uitbreekt. We zien dat ook bij Mirjam (Nm 12:1010De wolk week van boven de tent, en zie, Mirjam was melaats, [wit] als sneeuw. Toen keerde Aäron zich om naar Mirjam, en zie, zij was melaats.) en Gehazi (2Kn 5:2727Daarom zal de melaatsheid van Naäman zich voor eeuwig aan jou en aan jouw nageslacht hechten. Toen ging hij bij hem weg, melaats, [wit] als de sneeuw.). Plotseling zien anderen dat in een gelovige een zonde zich openbaart. Hoogmoed is de oerzonde, de zonde van de satan (1Tm 3:6b6geen pasbekeerde, opdat hij niet, hoogmoedig geworden, in [hetzelfde] oordeel als de duivel valt.) en van Adam, die beiden als God wilden zijn. Deze zonde steekt in het hart van ieder van ons. We moeten bedenken dat wij er niet te goed voor zijn dat wij ook zondigen (vgl. Gl 6:11Broeders, zelfs als iemand door een overtreding overvallen wordt, brengt u die geestelijk bent zo iemand terecht in een geest van zachtmoedigheid, ziende op uzelf, opdat ook u niet in verzoeking komt.). Wij mogen ons wel afvragen hoe wij reageren als iemand ons iets zegt.


Zacharia koning over Israël

8In het achtendertigste jaar van Azaria, de koning van Juda, regeerde Zacharia, de zoon van Jerobeam, over Israël in Samaria, zes maanden. 9Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE, zoals zijn vaderen gedaan hadden: hij week niet af van de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël deed zondigen. 10Sallum, de zoon van Jabes, spande tegen hem samen. Hij sloeg hem neer in aanwezigheid van het volk en doodde hem; en hij werd koning in zijn plaats. 11Het overige nu van de geschiedenis van Zacharia, zie, dat is beschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël. 12Dit was het woord van de HEERE dat Hij tot Jehu gesproken had: Er zullen zonen van u tot het vierde geslacht op de troon van Israël zitten. En zo is het gebeurd.

Na de dood van Jerobeam II wordt zijn zoon Zacharia koning over Israël. Het is de laatste koning van het huis van Jehu. Dan is het met het huis van Jehu afgelopen. De laatste koning regeert slechts zes maanden. Toch is het lang genoeg om zich te openbaren als een koning die niet is afgeweken van de zonden van de eerste koning van Israël.

Zijn regering duurt maar zo kort omdat hij al na zes maanden wordt vermoord. Hierna volgen de koningen elkaar weer regelmatig op omdat de regerende koning door zijn opvolger wordt vermoord. De profeet Hosea spreekt erover. Hosea begint met profeteren in de dagen van Jerobeam II (Hs 1:11Het woord van de HEERE dat gekomen is tot Hosea, de zoon van Beëri, in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz, Hizkia, de koningen van Juda, en in de dagen van Jerobeam, de zoon van Joas, de koning van Israël.). In het eerste hoofdstuk van zijn profetie spreekt de HEERE over het vergelden van de bloedschulden van Jehu (Hs 1:44Toen zei de HEERE tegen hem: Geef hem de naam Jizreël, want nog even en Ik zal de bloedschulden van Jizreël vergelden aan het huis van Jehu, en Ik zal het koningschap van het huis van Israël wegdoen.). Die tijd is aangebroken.

Dat de koningen elkaar opvolgen door het vermoorden van de heersende koning, zegt Hosea scherp: “Bloedbad volgt op bloedbad” (Hs 4:22Vloeken, liegen,
moorden, stelen en overspel plegen
zijn wijdverbreid;
bloedbad volgt op bloedbad.
)
. Dit lijkt erop te wijzen dat hij vanaf Hosea 4 de situatie beschrijft zoals die met Sallum begint. De uitspraak “zíj hebben koningen aangesteld, maar buiten Mij om; zij hebben vorsten aangesteld, maar zonder Mij erin te kennen” (Hs 8:4a4Zíj hebben koningen aangesteld, maar buiten Mij om;
zij hebben vorsten aangesteld, maar zonder Mij erin te kennen.
Van hun zilver en hun goud hebben zij voor zichzelf afgods[beelden] gemaakt,
zodat zij uitgeroeid zullen worden.
)
lijkt dat te bevestigen. Ze hebben koningen gemaakt, maar niet vanuit de HEERE.

Dat Sallum door de moord op Zacharia het woord van de HEERE vervult (2Kn 10:3030De HEERE zei tegen Jehu: Omdat u goed gehandeld hebt, door te doen wat juist is in Mijn ogen, en met het huis van Achab gedaan hebt overeenkomstig alles wat in Mijn hart was, zullen uw zonen tot het vierde geslacht op de troon van Israël zitten.; Am 7:99Verwoest zullen worden de [offer]hoogten van Izak,
de heiligdommen van Israël zullen worden verwoest,
en tegen het huis van Jerobeam zal Ik opstaan met het zwaard.
)
, doet niets af van zijn eigen verantwoordelijkheid. Hier zien we weer de twee zijden: de zijde van de verantwoordelijkheid van de mens en de zijde van de raad van God. Sallum zou met een vroom beroep op wat God had gezegd, hebben kunnen zeggen dat hij de wil van God had gedaan. Maar zo is het niet. Hij heeft eigenwillig gehandeld en moet de straf voor zijn zonde dragen.

Tegelijk heeft God door dit handelen Zijn raad vervuld. Het laatste zinsdeel van vers 1212Dit was het woord van de HEERE dat Hij tot Jehu gesproken had: Er zullen zonen van u tot het vierde geslacht op de troon van Israël zitten. En zo is het gebeurd. benadrukt dat: “En zo is het gebeurd.” Het is precies gebeurd zoals de HEERE heeft gezegd en niet anders. In het Hebreeuws zijn het dezelfde woorden als die in Genesis 1 voorkomen, steeds nadat God heeft gesproken, en daar vertaald zijn met “en het was zo” (Gn 1:7,9,11,15,24,317En God maakte dat gewelf en maakte scheiding tussen het water dat onder het gewelf is, en het water dat boven het gewelf is. En het was zo.9En God zei: Laat het water dat onder de hemel is, in één plaats samenvloeien en laat het droge zichtbaar worden! En het was zo.11En God zei: Laat de aarde groen doen opkomen, zaaddragend gewas, vruchtbomen, die naar hun soort vrucht dragen, waarin hun zaad is op de aarde! En het was zo.15En laten zij tot lichten zijn aan het hemelgewelf om licht te geven op de aarde! En het was zo.24En God zei: Laat de aarde levende wezens naar hun soort voortbrengen: vee, kruipende dieren en wilde dieren van de aarde, naar zijn soort! En het was zo.31En God zag al wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de zesde dag.).


Sallum koning over Israël

13Sallum, de zoon van Jabes, werd koning in het negenendertigste jaar van Uzzia, de koning van Juda, en hij regeerde een volle maand in Samaria. 14Menahem, de zoon van Gadi, trok op uit Tirza, kwam in Samaria en versloeg Sallum, de zoon van Jabes, in Samaria; hij doodde hem en werd koning in zijn plaats. 15Het overige nu van de geschiedenis van Sallum, en de samenzwering die hij smeedde, zie, dat is beschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël. 16Toen versloeg Menahem Tifsah met al zijn inwoners, en [ook] het bijbehorende gebied, van Tirza af; omdat men [de poort] niet [voor hem] had opengedaan, versloeg hij [hen]. Bij al de zwangere vrouwen daar reet hij [de buik] open.

Sallum is niet lang aan de macht geweest, slechts één maand. Het wordt benadrukt dat het “een volle maand” is. Zijn regeringsperiode is zó kort, dat hij geen leiding aan het volk heeft kunnen geven. Als enige koning van de vijf die hier genoemd worden, staat bij zijn naam niet het refrein dat hij niet afweek van de zonden van Jerobeam. Als hij een volle maand heeft geregeerd, wordt hij door Menahem vermoord, waarna Menahem zelf plaatsneemt op de troon.

Wat een antigetuigenis geeft het volk hier van de HEERE. Als volk zouden ze hebben moeten getuigen van de grote goedheid van de HEERE. In plaats daarvan slachten ze elkaar af. Het is een waarschuwing voor ons dat we ervoor moeten oppassen niet in onmin te gaan leven met andere leden van Gods volk, waar ze zich ook bevinden.

Van Menahem wordt nog een bijzondere gruweldaad vermeld. Omdat men de poort niet voor hem heeft opengedaan, is hij zwaar beledigd in zijn trots. Hij is immers de koning! Hoe wagen ze het dan hem buiten te sluiten in plaats van hem te ontvangen als koning met alle eer die een koning waard is. Deze belediging zet hij hun betaald met een buitengewone wreedheid. Hij snijdt bij al de zwangere vrouwen de buik open. Bij Menahem ontbreekt elke eerbied voor het leven. Deze gruweldaad wordt hier begaan door iemand die tot Gods volk behoort (2Kn 8:1212Toen zei Hazaël: Waarom huilt mijn heer? Hij zei: Omdat ik weet wat voor kwaad u de Israëlieten zult aandoen: u zult hun vestingen in brand steken, hun jongemannen met het zwaard doden, hun kleine kinderen verpletteren en hun zwangere vrouwen opensnijden.; Hs 14:11Samaria zal schuldig staan,
omdat het ongehoorzaam geweest is aan zijn God.
Door het zwaard zullen zij vallen,
hun kleine kinderen zullen verpletterd worden
en hun zwangere vrouwen opengereten.
; Am 1:1313Zo zegt de HEERE:
Vanwege drie overtredingen van de Ammonieten,
ja, vanwege vier, zal Ik er niet op terugkomen,
omdat zij de zwangere [vrouwen] van Gilead opengereten hebben
om [zo] hun gebied te verruimen.
)
.

De barbaarse wreedheid die hij begaat en het ontbreken van eerbied voor het leven die hij aan de dag legt, worden vandaag in gecultiveerde vorm gevonden in de abortusklinieken.


Menahem koning over Israël

17In het negenendertigste jaar van Azaria, de koning van Juda, werd Menahem, de zoon van Gadi, koning over Israël [en hij regeerde] tien jaar in Samaria. 18Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE: hij week al zijn dagen niet af van de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël deed zondigen. 19[Toen] kwam Pul, de koning van Assyrië, tegen het land op; en Menahem gaf Pul duizend talent zilver, zodat deze op zijn hand zou zijn om het koninkrijk vast te doen zijn in zijn hand. 20Menahem bracht dit geld op van alle vermogende Israëlieten om [het] aan de koning van Assyrië te geven: vijftig sikkel zilver voor elke man. Toen keerde de koning van Assyrië terug en bleef daar niet in het land. 21Het overige nu van de geschiedenis van Menahem, en alles wat hij gedaan heeft, is dat niet beschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël? 22Daarna ging Menahem te ruste bij zijn vaderen, en zijn zoon Pekahia werd koning in zijn plaats.

Menahem, door moord aan de macht gekomen, is voor een periode van tien jaar koning van Israël. Tijdens zijn regering trekt “Pul, de koning van Assyrië” tegen hem op. Hier horen we voor de eerste keer in de Bijbel van de koning van Assyrië. Menahem voorkomt een confrontatie door een grote som geld te betalen. Dat geld haalt hij weg bij een aantal vermogende mensen. Het is niet ondenkbaar dat deze mensen zo vermogend zijn geworden in de tijd van economische voorspoed onder Jerobeam II. Hier worden ze echter verplicht een aanzienlijk deel van hun vermogen aan Menahem af te staan.

We zien hier hoe betrekkelijk rijkdom is. Vandaag worden we daar ook aan herinnerd als we zien hoe banken (kunnen) ‘omvallen’ en niet meer aan hun verplichtingen kunnen voldoen. Dan zijn alle spaarcentjes ineens verdwenen.

Maar Menahem koopt met dit geld niet alleen een aanval door Pul af. Hij heeft zoveel geld gegeven, dat hij er een extra voordeel bij kan bedingen. Dat extra voordeel is, dat Pul nu op zijn hand is. De koning van Assyrië is tot een bondgenoot gekocht, iemand die hem zal steunen als er vijanden komen. Hij zoekt steun bij iemand die eerst zijn ondergang heeft gezocht en dat in wezen nog steeds doet. Hoe kan iemand zo blind zijn voor de ware aard van een gezworen vijand? Dat kan alleen als er geen vertrouwen op de HEERE is.

Opmerkelijk genoeg sterft Menahem een natuurlijke dood. Hij wordt niet vermoord door de volgende die koning wil zijn, maar wordt opgevolgd door zijn zoon Pekahia. Pekahia wordt wel weer vermoord.


Pekahia koning over Israël

23In het vijftigste jaar van Azaria, de koning van Juda, werd Pekahia, de zoon van Menahem, koning over Israël [en hij regeerde] twee jaar in Samaria. 24Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE: hij week niet af van de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël deed zondigen. 25En Pekah, de zoon van Remalia, zijn officier, spande tegen hem [samen] en sloeg hem neer in Samaria, in de burcht van het huis van de koning, samen met Argob en met Arje, en met hem vijftig man van de nakomelingen van de Gileadieten. Zo doodde hij hem en werd koning in zijn plaats. 26Het overige nu van de geschiedenis van Pekahia, en alles wat hij gedaan heeft, zie, dat is beschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël.

Pekahia regeert twee jaar. Die betrekkelijk korte periode is lang genoeg om over het totaal van zijn regering het refrein te laten klinken dat hij niet afweek van de zonden van Jerobeam. Hij wordt opgevolgd door de man die door hem te vermoorden een einde maakt aan zijn regering. Die man is zijn officier Pekah.

Pekah wordt bij zijn de moord op Pekahia onder andere geholpen door de Gileadieten, mensen die in het Overjordaanse wonen. Dit kan een aanwijzing zijn dat bij deze koningsmoord – zoals misschien ook wel bij andere koningsmoorden – politieke belangen een rol spelen. We zien die politieke belangen ook in het steun zoeken bij buurvolken, nu eens bij Assyrië en dan weer bij Egypte.

In elk geval is partijvorming ook binnen het tegenwoordige volk van God, de gemeente, helaas geen vreemd verschijnsel (1Ko 1:11-1211Want mij is over u bekendgemaakt, mijn broeders, door de [huisgenoten] van Chloë, dat er twisten onder u zijn.12Ik bedoel dit, dat ieder van u zegt: Ik ben van Paulus, ik van Apollos, ik van Kefas, en ik van Christus.). Partijvorming brengt altijd verdeeldheid en onvrede. “Partijzucht” is een werk van het vlees (Gl 5:19-2219Nu is het duidelijk wat de werken van het vlees zijn: hoererij, onreinheid, losbandigheid,20afgodendienst, toverij, vijandschappen, twist, jaloersheid, toorn, partijzucht, tweedracht, sekten,21afgunst, <moorden,> dronkenschappen, zwelgpartijen en dergelijke; waarvan ik u tevoren zeg, zoals ik ook tevoren heb gezegd, dat wie zulke dingen bedrijven, Gods koninkrijk niet zullen beërven.22Maar de vrucht van de Geest is: liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing.).


Pekah koning over Israël

27In het tweeënvijftigste jaar van Azaria, de koning van Juda, werd Pekah, de zoon van Remalia, koning over Israël [en hij regeerde] twintig jaar, in Samaria. 28Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE: hij week niet af van de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël deed zondigen. 29In de dagen van Pekah, de koning van Israël, kwam Tiglath-Pileser, de koning van Assyrië, en nam Ijon in, en [ook] Abel-Beth-Maächa, Janoah, Kedes, Hazor, Gilead, Galilea en het hele land van Naftali; [en] hij voerde [de inwoners] weg naar Assyrië. 30En Hosea, de zoon van Ela, smeedde een samenzwering tegen Pekah, de zoon van Remalia; hij sloeg hem neer, doodde hem en werd koning in zijn plaats in het twintigste jaar van Jotham, de zoon van Uzzia. 31Het overige nu van de geschiedenis van Pekah, en alles wat hij gedaan heeft, zie, dat is beschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël.

Pekah is voor langere periode aan de macht. Hij regeert twintig jaar over Israël en doet daarbij, net als alle andere koningen van Israël, wat slecht is in de ogen van de HEERE. In zijn dagen trekt Tiglath-Pileser, de koning van Assyrië, tegen Israël op en verovert een aantal steden en gebieden. De inwoners ervan voert hij weg naar Assyrië. Zo breekt hij hun macht. Hij voert “Gilead” weg, dat is een deel van het Overjordaanse, het gebied van de tweeënhalve stam, en hij voert “Galilea en het hele land van Naftali” weg, dat is het hele noorden van Israël; er blijft niets van over.

Pekah verliest behalve veel gebied en onderdanen ook zijn leven. Hij wordt vermoord door Hosea, die koning wordt in zijn plaats. Hosea is een pro-Assyrische koning. Er is voor hem als koning trouwens niet veel overgebleven om over te regeren. Pas in 2 Koningen 17 horen we meer over koning Hosea.


Jotham koning van Juda

32In het tweede jaar van Pekah, de zoon van Remalia, de koning van Israël, werd Jotham koning, de zoon van Uzzia, de koning van Juda. 33Hij was vijfentwintig jaar oud toen hij koning werd en hij regeerde zestien jaar in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Jerusa, de dochter van Zadok. 34Hij deed wat juist was in de ogen van de HEERE: overeenkomstig alles wat zijn vader Uzzia gedaan had, deed hij. 35Alleen werden de [offer]hoogten niet weggenomen: het volk bracht nog [steeds] slachtoffers en reukoffers op de [offer]hoogten. Hij was het die de Bovenpoort van het huis van de HEERE bouwde. 36Het overige van de geschiedenis van Jotham, en alles wat hij gedaan heeft, is dat niet beschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda? 37In die dagen begon de HEERE Rezin, de koning van Syrië, en Pekah, de zoon van Remalia, op Juda af te sturen. 38Jotham ging te ruste bij zijn vaderen en werd begraven bij zijn vaderen in de stad van zijn vader David, en zijn zoon Achaz werd koning in zijn plaats.

Met het aantreden van Jotham, de zoon van Uzzia of Azaria, als koning van Juda zijn we terug bij het tweestammenrijk. Van hem wordt gezegd, net als van acht andere koningen die na Salomo hebben geregeerd, dat hij doet wat juist is in de ogen van de HEERE. Van die acht is Jotham de enige van wie niet wordt gezegd dat hij op latere leeftijd ontrouw is geworden. Hij volgt zijn vader in het goede na. Het kwade dat zijn vader heeft gedaan, volgt hij niet na. Het volk waarover hij regeert, gaat echter door met zijn verderfelijke praktijken (2Kr 27:1-21Jotham was vijfentwintig jaar oud toen hij koning werd en hij regeerde zestien jaar in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Jerusa, de dochter van Zadok.2Hij deed wat juist was in de ogen van de HEERE: overeenkomstig alles wat zijn vader Uzzia gedaan had. Alleen ging hij de tempel van de HEERE niet binnen. Maar het volk [ging] nog [door met] zijn verderfelijke praktijken.).

In zijn dagen begint Micha te profeteren (Mi 1:11Het woord van de HEERE dat kwam tot Micha uit Moreset, in de dagen van Jotham, Achaz [en] Jehizkia, de koningen van Juda, [en] dat hij gezien heeft over Samaria en Jeruzalem.). De profeet Jesaja is zijn dienst begonnen in de laatste jaren van zijn vader Uzzia (Js 1:11Het visioen van Jesaja, de zoon van Amoz, dat hij gezien heeft over Juda en Jeruzalem, in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz [en] Hizkia, koningen van Juda.). Het verdorven handelen wordt door Jesaja uitvoerig in zijn boek beschreven. Koningen kunnen door de HEERE worden gebruikt voor een opwekking. Opwekkingen hebben echter weinig echt en blijvend resultaat omdat onder de oppervlakte bij het volk de hang naar afgoderij in welke vorm ook steeds aanwezig is.

In de geschiedenis van Israël en Juda gaat het steeds verder bergafwaarts. In Israël is de laatste koning, Hosea, aan de regering. In Juda zal het nog even duren, maar dan valt ook voor dat rijk het doek vanwege hun halsstarrige afwijken van de HEERE. Het is de eindtijd van Gods volk, zoals ook wij daarin leven. Waar wordt werkelijk liefde voor en trouw aan de Heer gevonden? Kerkgeschiedenis wordt vaak door de grote mannen gemaakt en geschreven, maar hoe zag het er werkelijk uit onder het volk? De massa gaat vaak mee in de breedte, terwijl slechts enkelen in de diepte gaan.

De belangstelling van Hosea gaat ook uit naar de tempel. Dat blijkt uit de enige daad die van hem wordt vermeld. Van hem wordt genoteerd dat hij “de Bovenpoort van het huis van de HEERE bouwde”.

Vanwege de gedurige ontrouw van het volk moet de HEERE vijanden op Juda afsturen. De nieuwe vijand is ”Rezin, de koning van Syrië, en Pekah, de zoon van Remalia.” Pekah is de koning van Israël die hier in een ongoddelijk verbond met Rezin, de ongoddelijke koning van Syrië, optrekt tegen zijn broeders. Dat de HEERE dit bewerkt, doet niets af van de verantwoordelijkheid van Pekah om dit boze werk te doen.


Lees verder