1 Samuel
1-2 De ark in Kirjath-Jearim 3-4 De Israëlieten dienen de HEERE alleen 5-9 Samuel bidt voor het volk 10-14 Israël verslaat de Filistijnen 15-17 Samuel geeft leiding aan Israël
De ark in Kirjath-Jearim

1Toen kwamen de mannen van Kirjath-Jearim, haalden de ark van de HEERE en brachten die in het huis van Abinadab, op de heuvel; en zij heiligden zijn zoon Eleazar om voor de ark van de HEERE zorg te dragen. 2En het gebeurde vanaf de dag dat de ark in Kirjath-Jearim bleef, dat er veel dagen verliepen – het werden twintig jaren – en het hele huis van Israël wendde zich klagend tot de HEERE.

Angst voor de ark is niet nodig zolang men maar niet in de ark kijkt. De waarheid van de Heer Jezus is niet om te analyseren, maar om te aanbidden. Hoewel het volk als geheel er niet aan toe is om naar de ark te vragen, kan de ark terecht bij enkelen die hem waarderen.

Waarom heeft Samuel de ark niet opgehaald? Hij ziet hoe het er met het volk voor staat. Hij begrijpt dat hij in een overgangstijd leeft. Hij weet dat God op Zijn tijd de ark zal brengen naar de plaats die Hij uitgekozen heeft. Samuel wacht op Gods tijd, op David. David is, veertig jaar later, de eerste die naar de ark op zoek gaat en hem ook vindt (Ps 132:66Zie, wij hebben [van de ark] gehoord in Efratha,
hem gevonden in de velden van Jaär.
)
.

God heeft Zelf de ark bevrijd uit de macht en het land van de Filistijnen. Zijn volk kan Hij pas uit de macht van de Filistijnen bevrijden, als zij hun ware plaats voor Hem hebben ingenomen. Voor het zover is, verstrijken er twintig jaren. Na twintig jaar gaat het volk tot de HEERE, niet om zich te beklagen, maar om hun toestand te belijden. De afwezigheid van God doet vaak de waarde gevoelen van Hem Wiens tegenwoordigheid men niet gewaardeerd heeft. Al deze tijd heeft Samuel ook gewacht. Hij heeft gewacht op de tijd dat de Geest van God onder het volk kan werken.

Het eerste wat de Geest doet, is het volk ontdekken aan zichzelf. Wachttijd is geen verloren tijd. Dit werk van Gods Geest zal het gevolg zijn van de voortdurende voorbede van Samuel. Samuel blijft in de schaduw in de jaren van zijn leven die naar zijn leeftijd gezien voor anderen, ook vandaag, de meest ambitieuze zijn.

Het volk vraagt niet naar de ark als een symbool, maar naar de HEERE Zelf. Daarmee zijn ze de massa van de moderne christenheid met hun hang naar en vertrouwen op heiligenbeelden en andere dwaasheden ver vooruit.


De Israëlieten dienen de HEERE alleen

3Toen sprak Samuel tot het hele huis van Israël: Als u zich met uw hele hart tot de HEERE bekeert, doe dan de vreemde goden uit uw midden weg, ook de Astartes, richt uw hart op de HEERE en dien Hem alleen. Dan zal Hij u uit de hand van de Filistijnen redden. 4Daarop deden de Israëlieten de Baäls en de Astartes weg, en zij dienden de HEERE alleen.

Als het werk van Gods Geest zich openbaart, komt Samuel. Nu is het tijd voor actie. Samuel spreekt het woord van de profeet. Hij wijst op de verkeerde dingen, die er de oorzaak van zijn dat de Filistijnen over hen heersen. De Filistijnen zijn een tuchtroede in de hand van God voor Zijn volk.

In wat Samuel tot het volk zegt, zien we dat bekering drie kenmerken heeft:

1. het wegdoen van de vreemde goden, dat is afzondering van het kwaad,
2. het hart richten op de HEERE om door Hem onderwezen te worden over de oorzaak van het kwaad en om te komen tot de juiste gezindheid van een verbroken hart en een verslagen geest en
3. Hem alleen dienen, dat wil zeggen zich volledig aan Hem toewijden.

Als deze kenmerken aanwezig zijn, mogen we rekenen op bevrijding van het juk van de vijanden.

Wat hier onder de laatste richter gebeurt, is in de hele tijd van de richters niet gebeurd. In de christenheid is wel eens iets weggedaan wat verkeerd is, maar lang niet alles. Dat gebeurt alleen bij een zo volledig zelfoordeel als bij Israël hier. Het volk geeft zijn verkeerde verbindingen op, verbreekt die en wordt daardoor vrij om het werk van de HEERE te gaan doen, of beter, dit werk eerst bij zichzelf te laten gebeuren. Een dergelijke gezindheid zien we ook in het begin van de gemeente.


Samuel bidt voor het volk

5Verder zei Samuel: Roep heel Israël in Mizpa bijeen, dan zal ik voor u tot de HEERE bidden. 6Zij kwamen in Mizpa bijeen, schepten water en goten het uit voor het aangezicht van de HEERE. Zij vastten op die dag en zeiden daar: Wij hebben tegen de HEERE gezondigd. Zo gaf Samuel leiding aan de Israëlieten in Mizpa. 7Toen de Filistijnen hoorden dat de Israëlieten in Mizpa bijeengekomen waren, trokken de stadsvorsten van de Filistijnen tegen Israël op. Toen de Israëlieten [dat] hoorden, werden zij bevreesd voor de Filistijnen. 8En de Israëlieten zeiden tegen Samuel: Laat toch niet na voor ons te roepen tot de HEERE, onze God, opdat Hij ons zal verlossen uit de hand van de Filistijnen. 9Toen nam Samuel een melklammetje en offerde het in zijn geheel als brandoffer voor de HEERE. Samuel riep tot de HEERE voor Israël en de HEERE verhoorde hem.

Nu komt de volgende stap. Het volk wordt naar “Mizpa” geroepen, niet naar Silo. Hier begint iets nieuws. Mizpa betekent ‘wachttoren’. Het volk wordt gericht op het nieuwe, wat in de toekomst ligt, maar waarvan ze nog niet weten wat het inhoudt. Het nieuwe begint met gebed. Zo is het altijd bij een opwekking. De oorsprong ligt altijd in vurig gebed. Mozes en Samuel zijn de grote voorbidders voor Gods volk in het Oude Testament (Ps 99:66Mozes en Aäron waren onder Zijn priesters,
Samuel onder wie Zijn Naam aanriepen;
zij riepen tot de HEERE
en Híj verhoorde hen.
; Jr 15:1a1De HEERE zei tegen mij: Al stond Mozes of Samuel voor Mijn aangezicht, dan [nog] zou Mijn ziel niet met dit volk van doen willen hebben. Stuur [hen] van voor Mijn aangezicht weg, laten zij weggaan!)
.

De man die namens God tot het volk spreekt, is ook de man die namens het volk tot God gaat. De man in wie het Woord van God woont en die het trouw gebruikt, weet ook hoe hij het voorrecht van priesterlijke voorbede kan gebruiken. Wat hij eerst persoonlijk en in het verborgene heeft gedaan, wil hij nu in het openbaar met het geheel doen. Algemene nood, algemeen gevaar en vooral een algemeen zich keren tot God brengt het volk samen. Alle andere samenkomsten zijn in dit geval nutteloos.

Het scheppen en uitgieten van water is ook iets wat nog niet eerder is gebeurd. Dat betekent niet dat het verkeerd is. Het is geen zondoffer, maar de geest van het zondoffer is in deze handeling aanwezig. Dat moeten we kunnen beoordelen, niet of iets wel past bij ons idee van wat juist is. Gods Geest is vrijmachtig in Zijn werk (vgl. Jh 3:88De wind waait waarheen hij wil, en u hoort zijn geluid, maar u weet niet waar hij vandaan komt en waar hij heengaat; zo is ieder die uit de Geest geboren is.) en we moeten Hem daarbij niet onze inzichten willen opleggen.

In 2 Samuel 14 blijkt de betekenis: Wij zullen immers zeker sterven en als water zijn dat op de aarde wordt uitgegoten [en] dat niet [meer] verzameld kan worden” (2Sm 14:14a14Wij zullen immers zeker sterven en als water zijn dat op de aarde wordt uitgegoten [en] dat niet [meer] verzameld kan worden. God neemt het leven echter niet weg, maar denkt plannen uit zodat de verstotene niet van Hem verstoten blijft.; vgl. 1Sm 1:1515Maar Hanna antwoordde en zei: Nee, mijn heer, ik ben een diepbedroefde vrouw; ik heb geen wijn of sterkedrank gedronken, maar ik heb mijn ziel uitgestort voor het aangezicht van de HEERE.; Ps 62:9a9Vertrouw op Hem te allen tijde, volk;
stort uw hart uit voor Zijn aangezicht.
God is voor ons een toevlucht. /Sela/
; Kl 2:1919Sta op, weeklaag in de nacht, /koph/
vanaf de eerste [nacht]wake!
Stort uw hart uit als water
voor het aangezicht van de Heere!
Hef tot Hem uw handen op,
vanwege het leven van uw kleine kinderen,
die van honger versmachten
op de hoek[en] van alle straten.
)
. Het uitgegoten water stelt voor wat de mens van nature in zijn zwakheid is. Als water is uitgegoten, kan het niet meer worden verzameld. In Psalm 22:14 wordt het op de Heer Jezus toegepast als Hij Zijn leven uitgiet in de dood. Het lijkt dan voorbij te zijn met Hem. Maar God heeft dit water verzameld en Hem uit de doden opgewekt. Daardoor kunnen wij nu “met vreugde water scheppen uit de bronnen van het heil” (Js 12:33U zult met vreugde water scheppen
uit de bronnen van het heil.
)
.

De belijdenis “wij hebben tegen de HEERE gezondigd”, is een algemene belijdenis en daardoor vaag. Onder die algemene belijdenis kunnen vormen van specifiek kwaad verborgen zijn die nog niet in het licht zijn gebracht en nog moeten worden geoordeeld volgens Gods heilig Woord. Dit is wat Samuel vervolgens doet als hij hun leiding geeft. Leiding geven doet hij door hun Gods Woord te verklaren. De bidder Samuel is ook de leraar. Zijn onderwijs wordt ondersteund door zijn gebed.

De Filistijnen beoordelen volkomen verkeerd wat er in Israël gebeurt. Zij menen dat het volk zich verzamelt om tegen hen te strijden. Maar Israël is bang voor de Filistijnen. Hoewel de vijand het verkeerd beoordeelt en ook niet anders kan, hebben ze toch ook gelijk. Verootmoediging voor God is in werkelijkheid ook een oorlogsverklaring aan de vijand. Nederigheid maakt indruk op de vijand, daarop heeft hij geen vat. Nederigheid is niet te overwinnen, want daarin is de Heer aan de zijde van Zijn volk.

De vijand wordt actief als het volk van God zich met God verbindt. De vijand duldt geen enkele handeling die het volk van God in een positie plaatst die door God erkend wordt. In hun nood doen de Israëlieten een beroep op de profeet van God en de voorbidder bij God, opdat hij voor hen zal bidden. Ze hebben een sterk vertrouwen in de voorbede van Samuel omdat ze weten dat hij een heilige man Gods is. Ze doen een beroep op een voorbidder omdat ze begrijpen dat voorbede hun meer nut zal brengen dan het grootste leger.

Samuel heeft al gebeden, maar het volk wil dat hij daarmee doorgaat. Ze kennen en erkennen de kracht van het “gebed van een rechtvaardige”, want dat “vermag veel” (Jk 5:16b16Belijd dus elkaar de zonden en bidt voor elkaar, opdat u gezond wordt. Een krachtig gebed van een rechtvaardige vermag veel.). Zij weten dat hun redding van de HEERE moet komen, dat Hij alleen hen kan verlossen en dat Hij daarvoor gezocht moet worden. Ze erkennen de verbinding van Samuel met de HEERE.

Dit is een heel wat betere houding dan toen ze in hun hoogmoed hebben gemeend de strijd te kunnen aangaan en de ark daarvoor te kunnen gebruiken (1Sm 4:1-31Het woord van Samuel kwam tot heel Israël. En Israël trok ten strijde, de Filistijnen tegemoet. Zij sloegen hun kamp op bij Eben-Haëzer, terwijl de Filistijnen hun kamp opsloegen bij Afek.2De Filistijnen stelden zich op tegenover Israël. Toen de strijd zich uitbreidde, werd Israël door de Filistijnen verslagen; want zij doodden in de gelederen in het [open] veld ongeveer vierduizend man.3Toen het volk in het kamp [terug]gekomen was, zeiden de oudsten van Israël: Waarom heeft de HEERE ons vandaag vóór de Filistijnen verslagen? Laten wij vanuit Silo de ark van het verbond van de HEERE bij ons nemen, en laat die in ons midden komen, opdat die ons zal verlossen uit de hand van onze vijanden.). Nu zien ze hun eigen onmacht en nemen ze hun toevlucht tot gebed. Zo zijn ook een biddende Josafat, omgeven door vrouwen en kinderen (2Kr 20:3-5,133Josafat werd bevreesd en zette er zijn zinnen op om de HEERE te zoeken. Hij riep een vasten uit in heel Juda.4En Juda werd bijeengeroepen om bij de HEERE [hulp] te zoeken. Zij kwamen zelfs uit alle steden van Juda om de HEERE te raadplegen.5Toen ging Josafat tussen de gemeente van Juda en Jeruzalem staan, in het huis van de HEERE, vóór de nieuwe voorhof,13Heel Juda stond voor het aangezicht van de HEERE, ook hun kleine kinderen, hun vrouwen en hun zonen.) en een biddende Hizkia, gekleed in rouwgewaad (Js 37:11Zodra koning Hizkia [dat] hoorde, gebeurde het dat hij zijn kleren scheurde, zich in een rouwgewaad hulde en het huis van de HEERE binnenging.) gevaarlijker voor de vijand dan wanneer ze zijn omgeven door soldaten gekleed in oorlogstenue.

Samuel brengt een brandoffer. Het is een melklammetje, dat is een pasgeboren lam dat nog bij de moeder drinkt, een beeld van uiterste zwakheid. De enige andere plaats waar het nog wordt gevonden (Js 65:25a25Een wolf en een lammetje zullen gezamenlijk weiden,
een leeuw zal stro eten als een rund,
een slang – zijn voedsel zal stof zijn.
Zij zullen geen kwaad doen en geen verderf aanrichten
op heel Mijn heilige berg, zegt de HEERE.
)
, is in een tafereel dat het vrederijk beschrijft. Op grond van dit melklammetje nadert Samuel tot God om voorbede voor het volk te doen. Het lammetje wordt ook geofferd om het volk te herstellen en het weer terug te brengen in de gunst van God.

De Heer Jezus is “in zwakheid gekruisigd” (2Ko 13:44Hij is immers in zwakheid gekruisigd, maar leeft door Gods kracht; en wij zijn immers zwak in Hem, maar zullen met Hem leven door Gods kracht jegens u);). Wij hadden Iemand van zo grote geringheid nodig, omdat wij zelf zo gering waren. God veracht de zwakheid van het geloof niet, maar daalt in genade af tot ons niveau van zwakheid. De Heer Jezus heeft in volkomen afhankelijkheid van God geleefd, volkomen Hem toegewijd, en is als Baby afhankelijk geweest van de zorg van Zijn moeder. Dit is de weg waarlangs God behoudenis voor de mens heeft bereid.


Israël verslaat de Filistijnen

10En het gebeurde, toen Samuel dat brandoffer bracht, dat de Filistijnen de strijd aanbonden met Israël. Maar de HEERE deed op die dag een machtige donder rollen over de Filistijnen. Hij bracht hen in verwarring, zodat zij door Israël verslagen werden. 11En de mannen van Israël trokken uit Mizpa, achtervolgden de Filistijnen en versloegen hen tot onder Beth-Kar. 12Toen nam Samuel een steen en plaatste die tussen Mizpa en Sen; hij gaf hem de naam Eben-Haëzer en zei: Tot hiertoe heeft de HEERE ons geholpen. 13Zo werden de Filistijnen vernederd, en zij kwamen niet meer in het gebied van Israël, want al de dagen van Samuel was de hand van de HEERE tegen de Filistijnen. 14De steden die de Filistijnen van Israël afgenomen hadden, kwamen weer in bezit van Israël, van Ekron tot Gath; ook ontrukte Israël het bijbehorende gebied aan de macht van de Filistijnen. Ook was er vrede tussen Israël en de Amorieten.

De vijand valt aan als het offer wordt gebracht. Tegelijk juist daarom grijpt God in en treedt op ten gunste van Zijn volk, dat zelf niets hoeft te doen. De vijand kent de gedachten van God over Zijn Zoon niet. God verschijnt in majesteit als, in beeld, de heerlijkheid van de Heer Jezus aan Hem wordt voorgesteld en Hij Zijn volk in Zijn Zoon ziet.

Het volk mag stil zijn en de behoudenis van de HEERE zien, net als bij de doortocht door de Schelfzee (Ex 14:1414De HEERE zal voor u strijden, en ú moet stil zijn.). De HEERE treedt met een machtige donder voor Zijn volk op, een optreden waarvan Hanna heeft geprofeteerd (1Sm 2:1010Zij die de HEERE ter verantwoording roepen, zullen verpletterd worden;
Hij zal in de hemel over hen donderen.
De HEERE zal rechtspreken over de einden der aarde;
Hij zal Zijn Koning kracht geven,
en de hoorn van Zijn Gezalfde opheffen.
)
. Zijn stem brengt de vijand in verwarring. De overwinning is die van de HEERE. Hem komt daarvoor de eer toe en niet het volk.

Het volk mag de resultaten ontvangen van het werk dat God voor hen heeft gedaan. “Beth-Kar” betekent ‘huis van het lam’. Tot die plaats wordt de vijand verslagen. Het laat in beeld zien dat de overwinning zover strekt als de kracht van het offer van het lam gaat. In praktisch opzicht betekent dit, dat de vijand steeds meer op afstand zal worden gehouden als we Christus, van Wie dit lam spreekt, steeds beter leren kennen. Daar wordt de rust van het huis gevonden waarvoor door het lam de basis is gelegd. Van dat huis is het lam de grondslag en in dat huis staat het lam centraal.

“Eben-Haëzer” betekent ‘steen van de hulp’. Met deze naam geeft Samuel aan dat zij bij elke stap die zij hebben gezet op Gods weg, Gods hulp hebben ervaren. Deze steen wordt tot een gedachtenis van de hulp van de HEERE. Het oprichten van de steen is als het getuigenis dat Paulus voor Agrippa geeft: “Daar ik nu hulp van God gekregen heb, sta ik tot op deze dag” (Hd 26:2222Daar ik nu hulp van God heb verkregen, sta ik tot op deze dag en getuig voor klein en groot, zonder iets te zeggen buiten wat de profeten en Mozes hebben gesproken dat zou gebeuren:). Dat mag ook telkens ons getuigenis zijn, als we beseffen dat we weer door Gods hulp op de weg van het geloof moeilijkheden hebben overwonnen.

De plaats waar eerst de ark door de Filistijnen is buitgemaakt en zij Israël hebben verslagen (1Sm 5:11De Filistijnen hadden de ark van God [als buit] meegenomen en hem van Eben-Haëzer naar Asdod gebracht.), wordt nu de plaats van getuigenis voor de HEERE omdat Hij voor hen de Filistijnen heeft verslagen. De Filistijnen zouden kunnen denken dat een man in gebed hetzelfde is als een volk dat bijgelovig de ark in het leger brengt. Maar Samuel is geen Hofni en Pinehas. Het geloof van de man van God in het offer stelt het volk aan God voor in de waarde van dat offer. Het is geen uiterlijk teken, maar innerlijk geloof. Hiermee verbindt God Zich en op grond daarvan bevrijdt Hij Zijn volk van hun vijanden.

Er is waarschijnlijk geen overwinning door Israël behaald die zo bijzonder is als deze. De HEERE had hen vernederd, bijna verdelgd. Alle vertrouwen op eigen kracht was weg. En nu, door een wonderbare voorspraak van Samuel, verheft Hij hen totaal en vernedert de trotse verdrukkers in het stof. God laat volken en personen tot de uiterste vernedering komen om hun Zijn genade en barmhartigheid te tonen. Dat doet Hij door een plotselinge bevrijding van hun verwoesting, als alle menselijke hulp duidelijk heeft gefaald.

Zolang Samuel aan de macht is, is de hand van de HEERE tegen de vijand. In beeld laat dat ons zien dat zolang wij ons onderwerpen aan Gods Woord, de Heer voor ons tegen de vijand zal strijden, waardoor deze geen kans zal krijgen ons te schaden. En dat niet alleen. We krijgen ook bepaalde geestelijke zegeningen terug die we door onze ontrouw zijn kwijtgeraakt. Dat zien we hier bij Israël. Israël krijgt gebied dat verloren is gegaan, weer terug.

Dat ze vrede sluiten met de Amorieten is echter geen zaak van geloof. Ze zijn wel teruggekeerd tot God, maar hun werken zijn helaas niet volkomen. Een excuus als zouden de tijden veranderd zijn, gaat niet op als God van een zaak heeft vastgesteld dat die verkeerd is (Dt 7:1-21Wanneer de HEERE, uw God, u gebracht heeft in het land waar u naartoe gaat om het in bezit te nemen, en Hij vele volken van voor uw [ogen] verdreven heeft, de Hethieten, de Girgasieten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Ferezieten, de Hevieten en de Jebusieten, zeven volken, die groter en machtiger zijn dan u,2en [wanneer] de HEERE, uw God, hen aan u overgegeven heeft en u ze verslaat, dan moet u hen volledig met de ban slaan; u mag geen verbond met hen sluiten en hun niet genadig zijn.).


Samuel geeft leiding aan Israël

15Samuel gaf leiding aan Israël al de dagen van zijn leven. 16Hij ging van jaar tot jaar [het land] rond, langs Bethel, Gilgal en Mizpa, en hij gaf leiding aan Israël in al die plaatsen. 17Daarna keerde hij terug naar Rama, want daar was zijn huis en daar gaf hij leiding aan Israël, en hij bouwde daar een altaar voor de HEERE.

Samuel wordt er niet door gekenmerkt dat hij op een stoel zit, zoals we lezen van Eli (1Sm 4:1313Toen hij aankwam, zie, Eli zat op de stoel aan de kant van de weg op de uitkijk, want zijn hart sidderde vanwege de ark van God. Toen die man kwam om het in de stad te vertellen, schreeuwde heel de stad het uit.). Hij werkt ijverig en heeft geen tijd om dik te worden zoals Eli. Als een vader voor zijn volk bezoekt hij telkens zijn kinderen op verschillende plaatsen. Hij onderwijst hen met het oog op het welzijn van hun zielen.

De vier steden die hier worden genoemd, zijn als het ware de vier stations in het leven van het volk van God. Ook ons leven speelt zich tussen deze ‘stations’ af.

1. “Bethel” betekent ‘huis van God’. Daarin herkennen we “[het] huis van God, dat is [de] gemeente van de levende God” (1Tm 3:1515Maar als ik uitblijf, [schrijf ik] opdat je weet hoe men zich moet gedragen in [het] huis van God, dat is [de] gemeente van [de] levende God, [de] pilaar en grondslag van de waarheid.), waarin wij ons bevinden. Het is het huis waar God woont en waar wij bij Hem mogen wonen (Ef 2:1919Dus bent u geen vreemdelingen en bijwoners meer, maar u bent medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God,). Het besef van Zijn tegenwoordigheid zal ons leven heiligen. Zijn huis wordt gekenmerkt door heiligheid. In Bethel heeft Jakob God ontmoet (Gn 28:10-1910Jakob nu vertrok uit Berseba en ging naar Haran.11Hij bereikte de plaats waar hij overnachtte, want de zon was ondergegaan. Hij nam [een] van de stenen van die plaats, maakte [daar] zijn hoofdkussen [van], en legde zich op die plaats te slapen.12Toen droomde hij, en zie, op de aarde stond een ladder, waarvan de top de hemel raakte, en zie, de engelen van God klommen daarlangs omhoog en omlaag.13En zie, de HEERE stond boven aan die [ladder] en zei: Ik ben de HEERE, de God van uw vader Abraham en de God van Izak; dit land waarop u ligt te slapen, zal Ik u en uw nageslacht geven.14Uw nageslacht zal [talrijk] zijn als het stof van de aarde en u zult zich uitbreiden naar het westen, het oosten, het noorden en het zuiden. In u en uw nageslacht zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden.15En zie, Ik ben met u, Ik zal u beschermen overal waar u heen zult gaan en Ik zal u terugbrengen in dít land, want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik gedaan heb wat Ik tot u gesproken heb!16Toen Jakob uit zijn slaap ontwaakte, zei hij: De HEERE is werkelijk op deze plaats, en ik heb het niet geweten.17Daarom was hij bevreesd en zei hij: Hoe ontzagwekkend is deze plaats! Dit is niets anders dan het huis van God en de poort van de hemel.18Daarna stond Jakob 's morgens vroeg op. Hij nam de steen waar hij zijn hoofdkussen [van] gemaakt had, zette die overeind als een gedenkteken en goot er olie op.19Hij gaf die plaats de naam Bethel, hoewel de naam van de stad eerst Luz was.; 35:1-151Daarna zei God tegen Jakob: Sta op, ga naar Bethel en ga daar wonen en maak daar een altaar voor de God Die aan u verschenen is, toen u vluchtte voor uw broer Ezau.2Toen zei Jakob tegen zijn huis[gezin] en tegen allen die bij hem waren: Doe de vreemde goden die in uw midden zijn, van u weg. Reinig u en verwissel uw kleren.3Laten wij opstaan en naar Bethel gaan. Ik zal daar een altaar maken voor de God Die mij antwoordde op de dag toen ik in nood was, en Die met mij geweest is op de weg die ik gegaan ben.4Toen gaven zij Jakob al de vreemde goden die ze bij zich hadden, en de ringen die ze in de oren droegen. En Jakob verborg ze onder de eik die bij Sichem staat.5Daarop braken zij op. Gods verschrikking lag over de steden die hen omringden, zodat zij de zonen van Jakob niet achtervolgden.6Zo kwam Jakob in Luz, dat in het land Kanaän ligt – het [tegenwoordige] Bethel – hij en al het volk dat bij hem was.7Hij bouwde daar een altaar en noemde die plaats El Bethel, want God had Zich daar aan hem geopenbaard, toen hij voor zijn broer vluchtte.8Toen stierf Debora, de voedster van Rebekka, en zij werd begraven ten zuiden van Bethel, onder die eik, die hij de naam Eik van geween gaf.9En God verscheen opnieuw aan Jakob, nadat hij uit Paddan-Aram gekomen was, en Hij zegende hem.10God zei toen tegen hem: Uw naam is Jakob, [maar] uw naam zal voortaan niet meer Jakob luiden, maar Israël zal uw naam zijn; en Hij gaf hem de naam Israël.11Verder zei God tegen hem: Ik ben God, de Almachtige. Wees vruchtbaar en word talrijk. Een volk, ja, een menigte van volken zal uit u ontstaan; koningen zullen uit uw lichaam voortkomen.12Dit land, dat Ik Abraham en Izak gegeven heb, dat zal Ik aan u geven; en aan uw nageslacht na u zal Ik dit land geven.13Toen voer God op, bij hem vandaan, van de plaats waar Hij met hem gesproken had.14Jakob richtte op de plaats waar [God] met hem gesproken had een gedenkteken op, een stenen gedenkteken. Hij goot er een plengoffer over uit en goot er olie over.15En Jakob gaf de plaats waar God met hem gesproken had, de naam Bethel.). Kennen we deze waarheid en staat die ons ook steeds voor ogen? Het is een waarheid die alle gelovigen, alle heiligen, betreft.

2. “Gilgal” betekent ‘afwenteling’ (Jz 5:99Verder zei de HEERE tegen Jozua: Vandaag heb Ik de smaad van Egypte van u afgewenteld. Daarom gaf men die plaats de naam Gilgal, tot op deze dag.). Elk jaar komt Samuel daar en predikt daar. Dat laat ons in beeld zien dat het volk wordt voorgehouden dat het voortdurend in zelfoordeel moet leven. We moeten ons bewust blijven dat er “in mij, dat is in mijn vlees, geen goed woont” (Rm 7:18a18Want ik weet dat in mij, dat is in mijn vlees, geen goed woont; want het willen is bij mij aanwezig, maar het doen van het goede niet.). We brengen de betekenis van ‘Gilgal’ in praktijk door het afwentelen van de smaad van de wereld, wat betekent dat we elke verbinding ermee opgeven. Het is het ons realiseren dat wij in het oordeel dat over Christus is gekomen geoordeeld zijn: “In Hem bent u ook besneden met een besnijdenis, niet met handen verricht, in het uittrekken van het lichaam van het vlees, in de besnijdenis van Christus” (Ko 2:1111In Hem bent u ook besneden met een besnijdenis, niet met handen verricht, in het uittrekken van het lichaam van het vlees, in de besnijdenis van Christus,). Daar is ook het oordeel over de wereld voltrokken. Dat behoort in de profetische dienst tot uiting te komen.

3. “Mizpa” betekent ‘wachttoren’ en stelt voor dat na elk verval God genadig is om een nieuw begin te maken. We moeten niet blijven staan bij wat is weggedaan, het vlees, anders glijden we toch weer terug in de macht ervan. Daarom volgt Mizpa op Gilgal. We moeten waakzaam en nuchter blijven, opdat de vijand ons toch niet weer onverhoeds te pakken neemt. God geeft uitzicht – de functie van een wachttoren is uitzien – op een nieuw begin, een heerlijke toekomst. Mizpa leert de gelovigen opnieuw te gaan uitkijken naar de komst van de Heer Jezus en hun leven daarnaar in te richten.

4. “Rama” betekent ‘hoogte’. Daar reist Samuel niet naartoe, maar daar woont hij. Het laat zien dat het erom gaat te leven op de geestelijke hoogten die we in de brief aan de Efeziërs hebben. In de praktijk betekent het dat we “de dingen die boven zijn” zoeken (Ko 3:11Als u nu met Christus opgewekt bent, zoekt dan de dingen die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan Gods rechterhand.). Tot deze woonplaats moeten we na onze reis langs de vorige plaatsen komen. Het brengt tot een afgezonderde hemelse wandel op aarde, “want ons burgerschap is in de hemelen” (Fp 3:2020Want ons burgerschap is in [de] hemelen, waaruit wij ook [de] Heer Jezus Christus als Heiland verwachten,).

In de plaats waar hij woont, bouwt hij een altaar. Samuel is ook een echte priester. Hij is niet zo druk met zijn dienst, dat hij zijn persoonlijke gemeenschap met God in de aanbidding en gebed en voorbede vergeet. Deze geest die werkt in het volk van God kan niet anders dan tot zegen zijn.

Dienst is belangrijk en noodzakelijk, maar is alleen vruchtbaar als ze voortkomt uit persoonlijke gemeenschap met God. Anders ontaardt dienst in de activiteit van het vlees. Bij succes volgt dan hoogmoed en bij het uitblijven ervan ontmoediging en opgeven. Het is te wensen dat iedere dienaar van Christus zijn ‘altaar’ heeft in verbinding met zijn arbeid voor God en Zijn volk.


Lees verder