1 Samuel
1-2 De Filistijnen verslaan Israël 3-5 De ark wordt in het legerkamp gehaald 6-11 De ark buitgemaakt door de Filistijnen 12-18 Bericht van de verliezen 19-22 Ikabod
De Filistijnen verslaan Israël

1Het woord van Samuel kwam tot heel Israël. En Israël trok ten strijde, de Filistijnen tegemoet. Zij sloegen hun kamp op bij Eben-Haëzer, terwijl de Filistijnen hun kamp opsloegen bij Afek. 2De Filistijnen stelden zich op tegenover Israël. Toen de strijd zich uitbreidde, werd Israël door de Filistijnen verslagen; want zij doodden in de gelederen in het [open] veld ongeveer vierduizend man.

Het eerste deel van vers 11Het woord van Samuel kwam tot heel Israël. En Israël trok ten strijde, de Filistijnen tegemoet. Zij sloegen hun kamp op bij Eben-Haëzer, terwijl de Filistijnen hun kamp opsloegen bij Afek. hoort nog bij het laatste vers van 1 Samuel 3. De HEERE openbaart Zich aan Samuel door Zijn woord. Dit woord geeft Samuel aan Israël door. Toch wordt het hier “het woord van Samuel” genoemd. Het volk hoort hem spreken, maar hij geeft alleen door wat de HEERE tot hem heeft gesproken.

Als Leviet onderwijst hij het volk de wet (Dt 33:1010Zij zullen Jakob Uw bepalingen leren
en Israël Uw wet,
zij zullen reukwerk voor Uw neus leggen,
en een offer dat geheel verteerd wordt op Uw altaar.
; 2Kr 17:99Zij gaven onderricht in Juda, en het wetboek van de HEERE was bij hen. Zij gingen alle steden van Juda rond, en gaven onderricht aan het volk.; 30:2222Hizkia sprak naar het hart van alle Levieten die goed inzicht hadden in de dienst van de HEERE. En zij aten zeven dagen [lang de offers] van de feestdag, terwijl zij dankoffers brachten en de HEERE, de God van hun vaderen, loofden.)
. Zijn dienst betreft het hele volk dat hij als rondtrekkende Leviet van plaats tot plaats onderwijst en vermaant om gehoorzaam te zijn aan Gods wet.

Als Samuel in zijn dienst is bevestigd, krijgen we de geschiedenis van het afbreken van de oude staat van zaken. Deze geschiedenis zien we gebeuren in het ‘in gevangenschap’ gaan van de ark. God laat in Zijn voorzienigheid toe dat de ark door de vijanden van Zijn volk wordt buitgemaakt, wat anders nooit zou zijn gebeurd, maar het volk is ervoor verantwoordelijk. De vijanden die in deze geschiedenis de hoofdrol spelen, zijn de Filistijnen. In het boek Richteren zijn ze steeds duidelijker naar voren gekomen. In het boek Samuel is het de eerste vermelding van de Filistijnen sinds de gevangenneming en dood van Simson, ongeveer twintig jaar geleden.

Het is van belang er nog eens aan te herinneren wat deze vijanden ook al weer voorstellen. Het meest opmerkelijke is wel dat zij in hetzelfde land wonen als de Israëlieten, een land dat door God aan Israël is beloofd en nu toebehoort. Er is echter een groot verschil tussen de weg waarlangs beide volken daar zijn terechtgekomen. Er is een korte weg van Egypte naar Kanaän en dat is “de weg door het land van de Filistijnen” (Ex 13:1717Toen de farao het volk had laten gaan, is het gebeurd dat God hen niet leidde [langs] de weg door het land van de Filistijnen, hoewel dat korter was. Want God zei: Anders zal het het volk berouwen bij het zien van oorlog en wil het naar Egypte terugkeren.). Langs die weg kan men de Rode Zee en de woestijn vermijden, evenals de Jordaan, terwijl Israël juist via de Rode Zee, de woestijn en de Jordaan in het beloofde land is gekomen.

In de geestelijke toepassing kunnen we daar veel van leren. De Filistijnen stellen de naamchristenen voor. Dat zijn personen die wel belijden bij Gods volk te horen, maar die het niet nodig vinden te geloven dat Christus voor hen is gestorven en opgestaan en dat zij met Hem zijn gestorven en opgestaan (in beeld de Rode Zee en de Jordaan). Ook hebben zij niet de ervaringen van de woestijn leren kennen. Zij zijn in het land gekomen zonder die waarheden in hun hart te hebben verwerkelijkt en te hebben ervaren in de praktijk. Naar hun belijdenis horen ze niet meer bij de wereld (Egypte). In naam horen ze bij Gods volk, maar ze zijn niet wedergeboren.

De Filistijnen horen niet thuis in het land van God. Gods volk heeft echter gefaald de Filistijnen uit het land te verjagen en in hun handen raakt de ark, zoals we in de volgende verzen zullen zien. De ark is in het Oude Testament een van de mooiste beelden van de Heer Jezus. Het goud van de ark spreekt van Zijn Godheid en het hout van Zijn Mensheid, die in één Persoon verenigd zijn (de ark). In het verzoendeksel van de ark zien we een beeld van Zijn verzoeningswerk en in de cherubs van Zijn regering. De ark staat in het allerheiligste in de onmiddellijke tegenwoordigheid van God. Het is ook de troon van God. In Christus “woont de hele volheid van de Godheid lichamelijk” (Ko 2:99Want in Hem woont de hele volheid van de Godheid lichamelijk,).

Het lijkt erop dat Israël het initiatief tot de strijd neemt, omdat zij het eerst worden genoemd. Ze trekken ten strijde zonder dat er van een bevel van God sprake is of een dreiging van de kant van de Filistijnen. Er is geen priester die hen komt bemoedigen (vgl. Dt 20:1-41Wanneer u ten strijde trekt tegen uw vijanden, en u ziet paarden en strijdwagens, een volk dat groter is dan u, wees dan niet bevreesd voor hen. Want de HEERE, uw God, Die u uit het land Egypte heeft geleid, is met u.2En als u zich vlak voor de strijd bevindt, moet het [zó] zijn dat een priester naar voren komt om tot het volk te spreken.3Hij moet tegen hen zeggen: Luister, Israël, heden bevindt u zich vlak voor de strijd tegen uw vijanden; laat uw hart niet week worden, wees niet bevreesd, beef niet en schrik niet voor hen terug,4want het is de HEERE, uw God, Die met u meegaat, om voor u tegen uw vijanden te strijden om u te verlossen.). Ook is er geen aanwijzing dat ze Samuel voor deze strijd hebben geraadpleegd. Het lijkt een plotselinge uitbarsting van geweld te zijn, mogelijk een opstand vanwege ondergane vernederingen.

Ze legeren zich bij “Eben-Haëzer”, dat betekent ‘steen van de hulp’. Deze naam wordt hier al genoemd, hoewel de plaats deze naam pas twintig jaar later van Samuel zal krijgen na een overwinning op de Filistijnen (1Sm 7:1212Toen nam Samuel een steen en plaatste die tussen Mizpa en Sen; hij gaf hem de naam Eben-Haëzer en zei: Tot hiertoe heeft de HEERE ons geholpen.). Het is alsof hiermee al wordt aangegeven dat de plaats waar de nederlaag wordt geleden, zal worden tot de plaats waar de HEERE de eer krijgt.

De eerste slag wordt door de Filistijnen gewonnen, omdat God hier niet met Israël is. Net als Simson zijn ze machteloos, omdat ze niet voor God afgezonderd zijn gebleven. Ook lezen we niet van enig optreden van Samuel in gebed ten gunste van hen. Ze vertrouwen uitsluitend op eigen kracht en dat terwijl hun hart van God is afgeweken (Jr 17:55Zo zegt de HEERE:
Vervloekt is de man die vertrouwt op een mens,
en [die] een schepsel tot zijn arm stelt,
terwijl zijn hart van de HEERE afwijkt.
)
. Als het volk van God dat doet, faalt het altijd. God wijkt van hen die van Hem wijken (Hs 9:1212Ook al brengen zij hun kinderen groot,
Ik zal hen van kinderen beroven, geen mens zal er [meer] zijn!
Ja ook, wee hun, wanneer Ik van hen wijk!
)
. Zo is de HEERE ook van Simson geweken (Ri 16:2020En zij zei: De Filistijnen over je, Simson! Hij ontwaakte uit zijn slaap en zei: Ik zal net als de andere keren vrijkomen en [hen] van mij afschudden. Hij wist namelijk niet dat de HEERE van hem geweken was.), omdat Simson eerst van Hem geweken is.


De ark wordt in het legerkamp gehaald

3Toen het volk in het kamp [terug]gekomen was, zeiden de oudsten van Israël: Waarom heeft de HEERE ons vandaag vóór de Filistijnen verslagen? Laten wij vanuit Silo de ark van het verbond van de HEERE bij ons nemen, en laat die in ons midden komen, opdat die ons zal verlossen uit de hand van onze vijanden. 4Toen zond het volk [boden] naar Silo, en men bracht vandaar de verbondsark van de HEERE van de legermachten, Die tussen de cherubs troont; en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, waren daar met de ark van het verbond van God. 5En het gebeurde, toen de ark van het verbond van de HEERE in het kamp kwam, dat heel Israël zo’n uitbundig gejuich aanhief dat de aarde dreunde.

Als het volk in de legerplaats teruggekomen is, vragen de oudsten zich af waarom de HEERE hen de nederlaag heeft doen lijden. De vraag is een vrome uiting, maar zonder enige werking van het geweten. Ze wachten ook niet op antwoord, maar geven zelf het antwoord. Daarom is dit antwoord niet van de HEERE, maar komt het vanuit hun eigen hart. Ze aanvaarden dat de nederlaag van de HEERE is, mogelijk omdat ze beseffen dat Hij niet met hen mee is gegaan. Een terechte conclusie, maar gevolgd door een verkeerde reactie.

De uitwerking van de nederlaag had algemene verootmoediging moeten zijn (vgl. Jz 7:6-86Toen scheurde Jozua zijn kleren en hij wierp zich met het gezicht ter aarde, voor de ark van de HEERE, tot de avond, hij en de oudsten van Israël; en zij wierpen stof op hun hoofd.7En Jozua zei: Ach, Heere HEERE, waarom hebt U dit volk de Jordaan [toch] laten oversteken, om ons in de hand van de Amorieten te geven, om ons te vernietigen? Hadden wij maar besloten aan de overzijde van de Jordaan te blijven!8O, Heere, wat zal ik zeggen, nu Israël voor zijn vijanden heeft moeten vluchten?). Dan zouden ze geweten hebben dat het door hun zonde is, hun ontrouw tegenover de HEERE. Ze nemen echter hun toevlucht tot een dwaze daad. Ze willen de HEERE nu dan maar dwingen met hen mee te gaan. Ze willen de ark meenemen, opdat die hen zal verlossen.

De leiders hebben enige kennis. Een beetje kennis is echter levensgevaarlijk, als je je verbeeldt dat je alles wel weet. Ze herinneren zich dat de ark eens bij hen was en hun toen de overwinning heeft gegeven. Dat was toen ze bij Jericho waren en de muren vielen (Jz 6). Alleen vergeten ze dat de muren van Jericho “door geloof” gevallen zijn (Hb 11:3030Door [het] geloof vielen de muren van Jericho, nadat men er zeven dagen omheen getrokken was.). Hier ontbreekt het geloof. Hier wordt gehandeld uit bijgeloof dat de ark als mascotte wil gebruiken. God heeft geen enkel bevel daartoe gegeven. Wat ze willen, grenst aan toverij.

Hetzelfde gebeurt in de christenheid met inzettingen als doop en avondmaal. Aan deze symbolen wordt, als ze los van het geloof worden gebruikt, in het loutere gebruik ervan een magische uitwerking toegedicht. Zodra uiterlijke gebruiken los komen te staan van een levende verbinding met God en Christus, worden ze afgoderij. Op die manier wordt het kruis een teken van overwinning, terwijl het smaad betekent.

Ook bidden en bijbellezen kunnen levenloze gewoonten worden, evenals het bezoeken van een samenkomst. Dat gebeurt als deze dingen plaatsvinden vanuit een gedachte dat God daar wel blij mee zal zijn en niet vanuit een innerlijk verlangen om gemeenschap met Hem te hebben. Gemeenschap met Hem kan er alleen zijn als het hele leven onderworpen is aan Zijn wil. Anders is het een halen van de ark van het verbond, terwijl het hart niet recht is voor de God van het verbond.

Gods tegenwoordigheid is alleen daar, waar gehoorzaamheid aan Zijn Woord is. Daarom heeft Mozes op Gods tegenwoordigheid kunnen rekenen toen hij de ark voorop liet gaan (Nm 10:35-3635En het was bij het opbreken van de ark dat Mozes zei:
Sta op, HEERE,
laat Uw vijanden [overal] verspreid worden
en hen die U haten, van Uw aangezicht vluchten!
36En als hij rustte, zei hij:
Keer terug, HEERE,
[tot] de tienduizenden van de duizenden van Israël!
; vgl. Jz 3:10-1110Vervolgens zei Jozua: Hierdoor zult u weten dat de levende God in uw midden is en dat Hij de Kanaänieten, de Hethieten, de Hevieten, de Ferezieten, de Girgasieten, de Amorieten en de Jebusieten geheel en al van voor uw [ogen] zal verdrijven.11Zie, de ark van het verbond van de Heere van de hele aarde gaat voor u uit de Jordaan in.)
. Misschien hebben Hofni en Pinehas aan die gebeurtenis gedacht toen zij de ark lieten komen.

Het is gemakkelijk voor het verdorven hart van de mens om een beroep te doen op voorbeelden uit de Schrift om verkeerde praktijken te rechtvaardigen. Daarvoor worden deze voorbeelden dan wel uit hun verband gehaald. Als de ark in het land is aangekomen, is er geen enkel gezag om de ark van zijn rustplaats weg te halen. Altijd moet het volk tot de ark gaan als de plaats van Gods tegenwoordigheid (Dt 12). Nooit mogen zij de ark ophalen om tot hen te komen.

Het is gebruikelijk bij alle volken van de aarde om hun goden en gewijde emblemen met zich mee te nemen in de oorlog. Dat doen bijvoorbeeld de Perzen, Romeinen en Grieken. In onze moderne tijd vinden we overblijfselen van dit oude bijgeloof in het wijden en zegenen van kruisen en het heiligen van nationale kleuren en vlaggen.

De ark wordt gehaald om in de strijd te worden ingezet. Op dat moment geeft de Heilige Geest een uitvoerige omschrijving van de ark. De ark is de ark van het verbond. Dat duidt op de verbinding tussen God en Zijn volk. Het is ook de ark van “de HEERE van de legermachten” (vgl. 1Sm 1:33Deze man ging van jaar tot jaar zijn stad uit om zich in Silo voor de HEERE van de legermachten neer te buigen en offers te brengen. Daar waren de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, priesters van de HEERE.). Dat is Zijn Naam als de Vorst van Zijn legers. Ten slotte wordt vermeld dat Hij “tussen de cherubs troont”, wat erop wijst dat Hij in gerechtigheid regeert.

Dit is naar Gods gedachten allemaal verbonden met de ark. Voor het geloof is de ark de heerlijkheid en eer van Israël (vers 2222En zij zei: De eer is weggevoerd uit Israël, want de ark van God is [als buit] meegenomen.), maar er is geen geloof bij het volk en nog minder bij de twee zonen van Eli die bij de ark zijn. De verbinding van de ark met de beide goddeloze zonen van Eli is een verbinding die God niet kan aanvaarden.

Niet de priesters laten de ark halen, maar het volk stuurt om de ark. Het volk regeert en doet wat goed is in eigen ogen. Het hele volk juicht, maar het is een hol, ijdel gejuich zonder enige echte aanleiding. Zozeer zijn ze misleid. Hun gejuich bewijst hun godsdienstige dwaling. Het zien van een symbool brengt hen in vervoering, terwijl ze de waarheid ervan verloochenen. Juichen is altijd gemakkelijker dan strijden. Het is gemakkelijker in massabijeenkomsten enthousiast te worden onder invloed van de massa, dan in het dagelijks leven toegewijd aan de Heer te leven. Een hoge graad van godsdienstige opwinding is geen garantie van Gods gunst en zegen.


De ark buitgemaakt door de Filistijnen

6Toen de Filistijnen het geluid van het gejuich hoorden, zeiden zij: Wat betekent het geluid van dit uitbundige gejuich in het kamp van de Hebreeën? Toen zij vernamen dat de ark van de HEERE in het kamp gekomen was, 7werden de Filistijnen bevreesd, want zij zeiden: God is in het leger gekomen. En zij zeiden: Wee ons, want iets dergelijks is er sinds jaar en dag niet gebeurd. 8Wee ons, wie zal ons redden uit de hand van deze machtige goden? Dit zijn dezelfde goden die de Egyptenaren met alle plagen getroffen hebben, bij de woestijn. 9Filistijnen, vat moed en wees mannen, anders zult u de Hebreeën moeten dienen zoals zij u gediend hebben. Wees mannen, en strijd! 10Toen streden de Filistijnen, en Israël werd verslagen, en zij vluchtten, ieder naar zijn tent. De nederlaag was zeer groot, er viel van Israël dertigduizend [man] voetvolk. 11En de ark van God werd meegenomen, en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, stierven.

Bij de Filistijnen ontbreekt het ook aan inzicht, dat is begrijpelijk. Voor hen is de ark ook een mascotte, niets meer. Evenals het ongelovige Israël verwisselen zij het symbool met de ware God. Het juichen van de een en de vrees van de ander zijn allebei het gevolg van ongeloof en onwetendheid.

De Filistijnen spreken over “de Hebreeën”, niet over ‘de Israëlieten’. De Israëlieten waren bij de vreemde volken bekend als ‘Hebreeën’ (Ex 1:1515Bovendien zei de koning van Egypte tegen de vroedvrouwen van de Hebreeuwse vrouwen, van wie de naam van de een Sifra was en de naam van de ander Pua,; 2:66Toen zij het opendeed, zag zij hem, het kind. En zie, het jongetje huilde. Zij kreeg medelijden met hem en zei: Dit is een van de Hebreeuwse kinderen.). Wat de Filistijnen verder zeggen, laat zien dat ze bekend zijn met de geschiedenis van de ark en Gods volk. Ze weten wat er ongeveer driehonderd jaar geleden is gebeurd. Toch zijn ze niet nauwkeurig op de hoogte. Ze verbinden de plagen waarmee God het land Egypte teisterde met de woestijn en niet met het land Egypte.

Ze zijn in elk geval danig onder de indruk van de macht van God, Die ze overigens met hun afgodische zienswijze bezien als meerdere machtige goden. Het enige wat zij dan ook als mensen van de wereld tegen elkaar kunnen zeggen om elkaar te bemoedigen, is: “Wees mannen.” De man van geloof spreekt anders. Hij vertrouwt niet op eigen menselijke kracht, maar op de Heer.

De Filistijnen strijden met inzet van al hun krachten, terwijl het lijkt alsof er van de kant van Israël geen strijd is. Mogelijk zijn ze overrompeld omdat ze op hun mascotte vertrouwen en in hun dwaasheid hebben gemeend dat God wel voor hen zou strijden vanwege de ark. In werkelijkheid verliezen ze omdat de HEERE niet met hen is en hen in de hand van de Filistijnen geeft. Bijgeloof maakt een mens blind voor het werkelijke gevaar en krachteloos tegen de vijand. Het gaat Israël als de zonen van een zekere Sceva die ook uit puur eigen belang de naam van Jezus noemen om daardoor succes te hebben (Hd 19:13-1713Ook sommigen van de rondtrekkende Joodse bezweerders echter waagden het de Naam van de Heer Jezus te noemen over hen die boze geesten hadden, door te zeggen: Ik bezweer jullie bij Jezus Die Paulus predikt.14Het waren nu zeven zonen van een zekere Sceva, een Joodse overpriester, die dit deden.15De boze geest echter antwoordde en zei tot hen: Jezus ken ik <wel> en van Paulus weet ik; maar u, wie bent u?16En de mens in wie de boze geest was, sprong op hen af en overmeesterde hen beiden en overweldigde hen, zodat zij naakt en gewond uit dat huis wegvluchtten.17Dit nu werd bekend aan allen die in Efeze woonden, zowel Joden als Grieken; en vrees overviel hen allen, en de Naam van de Heer Jezus werd groot gemaakt.).

God laat Zich niet dwingen tot een strijd voor ons als ons hart niet met Hem is. Het gebruik van heilige woorden, het aanhalen van eerbiedwaardige voorgangers, het vertrouwen op geheiligde emblemen is allemaal waardeloos. Het gaat om reinheid van hart en handen. Geen uiterlijke voorrechten, geen vroegere ervaringen van Gods tegenwoordigheid, geen juistheid van positie of leer kan de plaats innemen van waarheid in het hart voor God. God “vindt vreugde in waarheid in het binnenste” (Ps 51:88Zie, U vindt vreugde in waarheid in het binnenste,
in het verborgene maakt U mij wijsheid bekend.
)
.

De slachting is groot. Rond de ark moeten de lijken opgestapeld hebben gelegen omdat ze wanhopig de ark hebben willen beschermen als het symbool van hun geloof. De nederlaag is smadelijk en omvangrijk. God gebruikt deze oorlog om de ark te bevrijden van goddeloze mensen. De zonen van Eli zijn voor altijd van het toneel verdwenen. De ark gaat in gevangenschap, maar tegelijk op triomftocht.


Bericht van de verliezen

12Toen snelde er een Benjaminiet uit de gevechtslinie, en [deze] kwam diezelfde dag [nog] in Silo; en zijn kleren waren gescheurd en er was aarde op zijn hoofd. 13Toen hij aankwam, zie, Eli zat op de stoel aan de kant van de weg op de uitkijk, want zijn hart sidderde vanwege de ark van God. Toen die man kwam om het in de stad te vertellen, schreeuwde heel de stad het uit. 14Eli hoorde het geluid van het schreeuwen, en hij zei: Wat betekent het geluid van dit rumoer? Daarop haastte de man zich en kwam het Eli vertellen. 15Eli nu was een man van achtennegentig jaar, en zijn ogen waren star geworden, zodat hij niet [meer] zien kon. 16En die man zei tegen Eli: Ik kom uit de gevechtslinie; vandaag [nog] ben ik uit de gevechtslinie gevlucht. Hij zei: Wat is er gebeurd, mijn zoon? 17Toen antwoordde de boodschapper en zei: Israël is voor de Filistijnen uit gevlucht, en ook is er een grote slachting onder het volk geweest. Bovendien zijn uw twee zonen, Hofni en Pinehas, gestorven en is de ark van God [als buit] meegenomen. 18En het gebeurde, toen hij van de ark van God melding maakte, dat Eli achterover van de stoel viel, aan de kant van de poort, zijn nek brak en stierf; want de man was oud en zwaar. En hij had veertig jaar leiding gegeven aan Israël.

Een Benjaminiet weet te ontkomen. Met grote snelheid bereikt hij Silo. Daar zit Eli in de poort. De boodschapper snelt Eli voorbij. Dat is niet de man aan wie hij als eerste denkt om zijn droevige boodschap te brengen. Blijkbaar wordt Eli niet betrokken in wat zich in het leven van het volk afspeelt. De Benjaminiet brengt zijn boodschap in de stad. Zijn gescheurde kleren zijn een teken van het verscheurde en verdeelde en verstrooide volk. De aarde op zijn hoofd wijst op de vernedering van het volk. Zijn uiterlijk geeft aan dat hij een boodschapper met een slechte tijding is.

Na het bericht komt er gejammer in de hele stad. Alle inwoners zullen wel familie of vrienden in het leger hebben over wie zij in zorg zijn. Vooral het bericht over de ark zal hard zijn aangekomen. In elk geval is dat voor Eli de grootste zorg, groter dan de zorg voor zijn zonen. Wat met zijn zonen zou gebeuren, is hem aangezegd (1Sm 2:3434Dit zal voor u het teken zijn dat over uw beide zonen, over Hofni en Pinehas, komen zal: op één dag zullen zij beiden sterven.).

Eli is wel blind, maar niet doof. De gescheurde kleren en de aarde op het hoofd van de boodschapper kan hij niet zien, maar hij hoort wel de uitwerking van de boodschap. Hoewel hij wel een idee heeft, wil hij de juiste reden van het gejammer weten. Dan komt de boodschapper ook naar Eli en vertelt hem wat er is gebeurd. Het verslag dat Eli krijgt, krijgt hij niet uit de tweede hand, maar van een ooggetuige. Het is ook geen verslag van een ver in het verleden liggende gebeurtenis, maar van iets waar nog geen nacht overheen is gegaan.

Eli nodigt hem op een vriendelijke manier uit verslag te doen. Hij gebruikt het vaderlijke “mijn zoon”, opdat de boodschapper vrij en open, zonder iets achterwege te laten, hem alles zal vertellen wat er is gebeurd (vgl. 1Sm 3:16-1816Toen riep Eli Samuel en zei: Mijn zoon Samuel! Hij zei: Zie, hier ben ik.17En hij zei: Wat is het woord dat Hij tot je gesproken heeft? Houd het toch niet voor mij verborgen. God mag zó en nog veel erger met je doen als je ook maar [één] woord voor mij verborgen houdt van al de woorden die Hij tot je gesproken heeft!18Toen maakte Samuel hem al die woorden bekend en hield [ze] niet voor hem verborgen. En [Eli] zei: Hij is de HEERE; laat Hij doen wat goed is in Zijn ogen.).

In zijn verslag vermeldt de boodschapper kort en krachtig vier zaken, waarbij elke volgende zaak ernstiger is dan de vorige:
1. Israël is voor zijn vijanden gevlucht. Dat Israël zijn vijanden de rug heeft moeten toekeren, bewijst de aanwezigheid van een groot kwaad. Het wijst op een ernstig afwijken van de HEERE, Die het omgekeerde heeft beloofd als het volk trouw zou zijn.
2. Er is een grote slachting onder het volk aangericht. Ze hadden ook verslagen kunnen zijn zonder veel verliezen. Van de strijdbare mannen zijn er echter niet veel over.
3. Zijn twee zonen zijn dood. Als vader zal hem dat nog meer gedaan hebben dan de dertigduizend andere doden. Te meer daar er weinig hoop is dat ze gestorven zijn in de vrede van God.
4. De ark van God is buitgemaakt. Dit is het meest gevreesde en vreselijkste bericht van alle. Nu heeft God Israël verlaten en is er voor Israël geen hoop meer op herstel.

Pas als er melding gemaakt wordt van het buitmaken van de ark, valt Eli van zijn stoel en sterft. Hoe zwak hij ook is geweest in het handhaven van de rechten van de HEERE, toch was er bij hem oprechte zorg voor het symbool van Gods tegenwoordigheid.


Ikabod

19En zijn schoondochter, de vrouw van Pinehas, was zwanger en zou baren. Toen zij het bericht hoorde dat de ark van God [als buit] meegenomen was en dat haar schoonvader en haar man gestorven waren, kromde zij zich en baarde, want haar weeën overvielen haar. 20En omstreeks de tijd van haar sterven spraken de vrouwen die bij haar stonden: Wees niet bevreesd, want u hebt een zoon gebaard. Maar zij antwoordde niet en nam het niet ter harte. 21En zij noemde het jongetje Ikabod, en zei: De eer is weggevoerd uit Israël. [Dit zei ze], omdat de ark van God [als buit] meegenomen was, en vanwege haar schoonvader en haar man. 22En zij zei: De eer is weggevoerd uit Israël, want de ark van God is [als buit] meegenomen.

In het huis van Eli is een Godvrezende vrouw, de vrouw van de goddeloze Pinehas. Ook voor haar is de ark het belangrijkst. De vrouwen om haar heen begrijpen haar niet, net zomin als Hanna begrepen werd. Ze begrijpen niet wat er ten aanzien van de eer van Gods volk in haar omgaat. Haar Godvrezende hart weet wat de ark voor Israël betekent. Voor haar stelt de ark de tegenwoordigheid van God voor en die is nu weg (Ps 78:60-6160Daarom verliet Hij de tabernakel te Silo,
de tent [waarin] Hij woonde onder de mensen.
61Hij gaf Zijn macht over in gevangenschap,
Zijn luister in de hand van de tegenstander.
)
.

Wat hier gebeurt, is definitief. De ark is in gevangenschap gegaan en zal nooit weer terugkeren naar de tabernakel in Silo. Silo is verwoest en ook de tent heeft niet meer als onderkomen voor de ark gediend. De ark krijgt zijn plaats pas weer in de tempel.

Er zijn vier gevangenschappen van Israël, dat wil zeggen dat zij niet in hun land zijn. Driemaal is dat letterlijk het geval en eenmaal symbolisch en dat is hier.

1. De eerste gevangenschap is die in Egypte. Tijdens deze gevangenschap is het volk van God afgeweken. Mozes, door God verwekt, voert het volk uit de gevangenschap en brengt hen tot aan het beloofde land. Dat zal in de toekomst weer met het volk gebeuren.

2. In 1 Samuel zien we het tweede geval. Het volk wordt vanwege de ontrouw in gevangenschap gegeven, ditmaal in de ark die in Filistijnse handen komt. In de ark wordt het volk zinnebeeldig in gevangenschap gebracht. God verlaat Zijn volk. De geschiedenis wordt dan voortgezet in wat er met de ark in het land van de Filistijnen gebeurt. Al de tijd dat de ark weg is, schijnt niemand zich om de ark te hebben bekommerd. Pas als David zich er om bekommert, wordt de ark uit gevangenschap teruggebracht en gebracht naar Sion.

3. De derde gevangenschap is de Babylonische, als oordeel over het verval onder de koningen. De heerlijkheid van de HEERE wijkt uit Jeruzalem (Ez 9-10). Het herstel gebeurt onder Jozua en Zerubbabel, die samen een beeld van de Heer Jezus zijn (Ezra).

4. De vierde gevangenschap is het gevolg van de verwerping van de Heer Jezus en duurt nog steeds voort. Daaraan zal een einde worden gemaakt door de komst van de Heer Jezus Zelf (Openbaring). Dan komt het vrederijk en niet een nieuwe gevangenschap.

Het is niet alleen een profetische geschiedenis voor Israël. De profetische betekenis is ook van belang voor ons. Filistijnen zijn een beeld van de naamchristenen. Het is wat we vooral in de gemeente van Sardis zien (Op 3:1-61En schrijf aan de engel van de gemeente in Sardis: Dit zegt Hij Die de zeven Geesten van God en de zeven sterren heeft: Ik weet uw werken, dat u [de] naam hebt dat u leeft, en u bent dood.2Word waakzaam en versterk het overige dat dreigde te sterven; want Ik heb uw werken niet volkomen bevonden voor Mijn God.3Bedenk dan hoe u het ontvangen en gehoord hebt en bekeer u. Als u dan niet waakt, zal Ik komen als een dief, en u zult geenszins weten op wat voor uur Ik tot u zal komen.4Maar u hebt enkele namen in Sardis die hun kleren niet bevlekt hebben, en zij zullen met Mij wandelen in witte [kleren], omdat zij het waard zijn.5Wie overwint, die zal bekleed worden met witte kleren en Ik zal zijn naam geenszins uitwissen uit het boek van het leven, en Ik zal zijn naam belijden voor Mijn Vader en voor Zijn engelen.6Wie een oor heeft, laat hij horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt.). Daarin wordt het protestantisme voorgesteld, zoals het zich sinds de reformatie heeft ontwikkeld. We zien als nooit tevoren dat de ark in de vuile handen van de Filistijnen is terechtgekomen. Het is de tijd van de bijbelkritiek en de dwaalleringen ten aanzien van de Heer Jezus. In het protestantisme zijn die dwalingen groter dan in het rooms-katholicisme.


Lees verder