1 Samuel
1-2 David in de grot van Adullam 3-4 David brengt zijn ouders in Moab 5 David moet naar Juda 6-8 Saul noemt David zijn belager 9-15 Achimelech ter verantwoording 16-19 Het vonnis en de voltrekking 20-23 Abjathar vlucht naar David
David in de grot van Adullam

1Toen ging David daarvandaan en hij ontkwam naar de grot van Adullam. Zijn broers en het hele huis van zijn vader hoorden dit en zij kwamen daar bij hem. 2Ook voegde zich bij hem ieder die in nood verkeerde, ieder die een schuldeiser had en ieder die verbitterd van gemoed was; en hij werd hun leider, zodat er ongeveer vierhonderd mannen bij hem waren.

David is door Achis teruggejaagd naar zijn land. Hij is weer in het land waar hij door Saul zal worden nagejaagd. Hij ontkomt aan al zijn vervolgers door zich te verbergen in de grot van Adullam. In de lijst met geloofshelden en geloofsdaden, worden de weg die David gaat en de plaats waar hij verblijft, genoteerd als bewijzen van geloof (Hb 11:3838de wereld was hen niet waard –, zij dwaalden rond in woestijnen, bergen, spelonken en de holen van de aarde.). Ook nu is hij, terwijl hij weet dat hij door de HEERE bestemd en ook al gezalfd is om koning te zijn, niet van plan om de troon met geweld te bestijgen. Het lijkt alsof hij volledig is uitgeschakeld. Hij kan niets doen en nergens heen.

Het is ermee als met de apostel Paulus. Als hij gevangenzit, lijkt zijn dienst voorbij. Maar juist in de gevangenis schrijft hij enkele bijzondere brieven die wij nu in de Bijbel hebben: de brief aan de Efeziërs, de brief aan de Kolossenzen en de brief aan de Filippenzen. David heeft in de grot enkele psalmen gedicht die wij in de Bijbel hebben (Ps 57; 142). Daarin vernemen wij zijn gemoedsgesteldheid “toen hij in de grot was” (Ps 142:11Een onderwijzing van David, een gebed, toen hij in de grot was.). Aan het eind van Psalm 142 zegt hij: “De rechtvaardigen zullen mij omringen” (Ps 142:88Leid mijn ziel uit de gevangenis
om Uw Naam te loven;
de rechtvaardigen zullen mij omringen,
want U bent goed voor mij.
)
. Dat zien we hier gebeuren.

Als hij alleen in de grot is en zijn ziel voor de HEERE uitstort over zijn eenzaamheid (Ps 142:55Ik keek aan mijn rechterhand en zie,
er was niemand die naar mij omzag;
voor mij was [de mogelijkheid tot] ontvluchten verloren,
niemand zorgde voor mijn ziel.
)
, zien we hier hoe er harten en benen in beweging komen voor hem. Er komen mensen naar hem toe. Zij worden later de helden van David die hem aan zijn koninkrijk helpen en delen in zijn heerlijkheid. Maar hier zijn ze het nog niet. David is hier een beeld van de Heer Jezus tot Wie allen komen die ook geen deel op aarde hebben.

Eerst komen zijn broers en zijn hele familie tot hem. Zij lopen ook gevaar door Saul vervolgd te worden. Vervolgens komt ook ieder die in nood is, ieder die een schuldeiser heeft en ieder die bitter van gemoed is. Ze hebben óf een persoonlijke nood, een probleem waar ze zelf niet uitkomen, óf iemand die hen op de hielen zit om hen tot slaaf te maken, óf ze zijn zo verbitterd door geleden onrecht of onbegrip, dat ze geen andere keus hebben dan tot David te gaan. Ze doen dat omdat ze niets te verliezen hebben. Zo krijgt hij gezelschap van ongeveer vierhonderd mannen.

Zo komen ook vandaag mensen tot de Heer die in Hem hun laatste kans zien om te overleven (vgl. Mk 5:25-2825En een vrouw die twaalf jaar een bloedvloeiing had gehad26en veel had geleden van vele artsen, en alles wat van haar was, besteed en geen enkele baat gevonden had maar veeleer achteruit was gegaan,27had over Jezus gehoord en kwam in de menigte van achteren en raakte Zijn kleed aan;28want zij zei: Als ik maar Zijn kleren aanraak, zal ik behouden worden.). Zij ontwikkelen zich tot helden. Die ontwikkeling vindt plaats in de school van God, daar wordt men gevormd. David is hun overste, het is ook zíjn school. Bij David zijn betekent niet alleen geloof in zijn zaak, maar geloof in hemzelf. Het betekent ook dat je nergens anders meer bij hoort.

Zo is het met de gelovige die zijn toevlucht tot de Heer Jezus heeft genomen. Dat doet hij alleen als zijn nood zo groot is, dat hij geen andere uitweg ziet als hij een schuldenaar is met een schuld die hij niet kan voldoen of zo verbitterd is dat het leven geen enkele zin meer voor hem heeft.


David brengt zijn ouders in Moab

3David ging vandaar naar Mizpe in Moab. En hij zei tegen de koning van Moab: Laat mijn vader en mijn moeder toch naar u uitwijken, totdat ik weet wat God met mij doen zal. 4Toen bracht hij hen bij de koning van Moab. En zij bleven bij hem al de dagen dat David in de vesting was.

David zoekt voor zijn ouders een toevlucht in Moab. Moab staat niet direct bekend als een vriend van Israël. De koning van Moab heeft, toen Israël na de woestijnreis in zijn velden gelegerd was, geprobeerd door middel van Bileam het volk te vervloeken (Nm 22). Maar er is ook een andere zijde aan Moab. Moab zal een land zijn waarheen het overblijfsel vlucht in de tijd van de grote verdrukking en daar door God gezuiverd zal worden. Daarom staat er: “Moab is Mijn waskom” (Ps 60:1010Moab is mijn waskom,
op Edom zal ik mijn schoen werpen.
Juich over mij, Filistea!
)
.


David moet naar Juda

5De profeet Gad zei echter tegen David: Blijf niet in de vesting, [maar] ga [daarvandaan] en ga naar het land Juda. Toen ging David weg, en hij kwam in het woud Chereth.

David is ook in Moab, maar hij mag daar niet blijven. Dat zegt de profeet Gad hem namens God. God wil David in het vuur van de beproeving brengen en dat is in Zijn land, geregeerd door Saul. Gad wordt de ziener van David en is bij hem gebleven. Door Gad leert David de wil van God kennen. Hij gehoorzaamt de profeet en keert naar Juda terug.


Saul noemt David zijn belager

6Saul hoorde dat [de verblijfplaats van] David en de mannen die bij hem waren, bekend was geworden. Saul zat op een heuvel onder het geboomte in Rama en had zijn speer in zijn hand, terwijl al zijn dienaren bij hem stonden. 7Toen zei Saul tegen zijn dienaren die bij hem stonden: Luister toch, Benjaminieten, zal de zoon van Isaï jullie allen soms ook akkers en wijngaarden geven? Zal hij jullie allen tot bevelhebbers over duizend en bevelhebbers over honderd aanstellen? 8Want jullie spannen allen tegen mij samen, en niemand onthult [voor] mijn oor dat mijn zoon een verbond gesloten heeft met de zoon van Isaï. En er is niemand onder jullie die zich om mij bekommert en het voor mijn oor onthult dat mijn zoon mijn dienaar tegen mij heeft doen opstaan als iemand die mij belaagt zoals op deze dag.

Onze aandacht wordt weer gericht op Saul die weer onder een boom zit en weer de speer in zijn hand heeft. In wat hij zegt, horen we wat er in zijn hart leeft. Hij spreekt tot zijn stamgenoten, de Benjaminieten. Ze zijn wel aan hem verwant, maar hij heeft hen ook aan zich verplicht door hen te kopen met geschenken. Saul is een man geworden die zichzelf beklaagt, die medelijden heeft met zichzelf en zichzelf ziet als slachtoffer van de omstandigheden. We horen geen reactie van zijn dienaren. Ze zwijgen.

Saul noemt de naam van David niet. Het is voor hem een gehate naam. Hij spreekt verachtelijk over hem als “de zoon van Isaï”. Hoewel hij probeert zijn dienaren naar aanleiding van de beloning voor zich te winnen, ziet hij hen als samenzweerders die tegen hem zijn. Omdat ze niet zo spreken als hij, ziet hij hen als vijanden. Hij beschuldigt zelfs zijn zoon Jonathan ervan dat deze David tot opstand tegen hem heeft aangezet. Een jaloers mens komt tot de meest dwaze complottheorieën. Hij zet de zaak ook helemaal op zijn kop door David zijn belager te noemen. Niet David belaagt hem, maar hij belaagt David.


Achimelech ter verantwoording

9Toen antwoordde Doëg, de Edomiet, die bij de dienaren van Saul stond en zei: Ik heb de zoon van Isaï in Nob bij Achimelech, de zoon van Ahitub, zien komen. 10Die raadpleegde vervolgens de HEERE voor hem en gaf hem proviand. Hij gaf hem ook het zwaard van Goliath, de Filistijn. 11Toen stuurde de koning [boden] eropuit en liet de priester Achimelech, de zoon van Ahitub, roepen, met het hele huis van zijn vader, de priesters die in Nob waren; en zij kwamen allen bij de koning. 12En Saul zei: Luister toch, zoon van Ahitub! En hij zei: Zie, [hier] ben ik, mijn heer. 13Toen zei Saul tegen hem: Waarom hebt u tegen mij samengespannen, u en de zoon van Isaï, door hem brood en een zwaard te geven, en God voor hem te raadplegen, zodat hij kan opstaan als iemand die mij belaagt, zoals op deze dag? 14Maar Achimelech antwoordde de koning en zei: Wie van al uw dienaren is zo trouw als David, de schoonzoon van de koning, die u voortdurend gehoorzaam is, en geëerd is in uw huis? 15Ben ik vandaag begonnen met God voor hem te raadplegen? Daar is bij mij geen sprake van! Laat de koning geen [beschuldiging] leggen op zijn dienaar [of] op het hele huis van mijn vader, want uw dienaar heeft van al deze dingen, klein of groot, niets geweten.

De dienaren mogen het zwijgen ertoe doen, er is iemand die niet zwijgt en dat is de Edomiet Doëg. Hij zal wel laten zien dat hij het goed met Saul meent. Doëg vertelt Saul waarvan hij ooggetuige is geweest. Naar aanleiding van wat Doëg heeft gezegd, laat Saul Achimelech naar zich toe komen. Saul verhoort hem, maar niet zoals het zou moeten. Het verhoor is een beschuldiging. De beschuldiging is dat Achimelech een opstandeling heeft geholpen aan brood en een zwaard en ook nog eens God voor hem heeft geraadpleegd. Dan ben je wel schuldig aan hoogverraad, je bent medeplichtig aan een staatsgreep. Het staat bij Saul al vast wat hij zal doen, hij heeft zijn oordeel al geveld.

Achimelech stelt zich in zijn verantwoording aan de kant van Saul. In zijn onnozelheid verdedigt hij David. Hij heeft niet veel met David op, maar hij wil zich neutraal opstellen. Hem kan door Saul niets ten laste worden gelegd, zo meent hij. Hij wist er immers niets van dat David voor Saul op de vlucht was? Alles wat hij over David heeft gehoord, is dat deze Saul trouw dient, met Saul in een nauwe familierelatie staat en dat hij gehoorzaam doet wat Saul van hem vraagt. Is David niet geëerd in het huis van Saul? Dan kan hij het toch niet anders dan als zijn plicht zien om David te helpen? Door zo over David te spreken geeft hij een goed getuigenis van hem. Maar dat is precies wat Saul zo haat. Het maakt zijn woede alleen maar groter.


Het vonnis en de voltrekking

16Maar de koning zei: Achimelech, u moet beslist sterven, u en het hele huis van uw vader! 17De koning zei tegen de lijfwachten, die bij hem stonden: Treed toe en dood de priesters van de HEERE, omdat ook zij op de hand van David zijn, en omdat zij wisten dat hij op de vlucht was, maar het niet voor mijn oor onthuld hebben. Maar de dienaren van de koning wilden hun hand niet uitsteken om de priesters van de HEERE dood te steken. 18Toen zei de koning tegen Doëg: Treedt u dan toe en steekt u de priesters dood. Toen trad Doëg, de Edomiet, toe en híj stak de priesters dood. Hij doodde op die dag vijfentachtig mannen die het linnen priesterhemd droegen met de scherpte van het zwaard. 19Hij sloeg ook [de inwoners van] Nob, de stad van deze priesters, met de scherpte van het zwaard, van de man tot de vrouw toe, van de kinderen tot de zuigelingen toe. Zelfs de runderen, de ezels en de schapen [sloeg hij] met de scherpte van het zwaard.

Saul is niet van zijn voornemen af te brengen om Achimelech te doden. Hij spreekt zelf het vonnis uit. Achimelech moet sterven, samen met zijn hele familie (Pr 3:1616Verder heb ik ook gezien onder de zon:
op de plaats van het recht,
daar was goddeloosheid,
en op de plaats van de gerechtigheid,
daar was onrecht.
)
.

Omdat de priester hem niet heeft verteld dat David bij hem is geweest, heeft hij dus met de vijand geheuld. Wie niet van dezelfde blinde haat tegen David is bezield, stelt zich per definitie achter David en moet worden gedood. Hij beveelt zijn soldaten het priestergeslacht te doden van wie hij ook nog zegt dat zij priesters van de HEERE zijn. Dat durven de soldaten niet te doen. Door een dergelijk bevel heeft Saul zijn gezag onder zijn ondergeschikten verloren.

Dan wendt hij zich tot Doëg met het bevel de priesters te doden. Die doodt zonder schroom vijfentachtig mannen en moordt daarna nog de hele priesterstad Nob uit. Doëg doet in opdracht van Saul wat Saul met Amalek had moeten doen en waarin Saul zelf heeft gespaard wat hij van waarde vond (1Sm 15:3-93Ga nu heen, en versla Amalek, en sla alles wat hij heeft met de ban. Spaar hem niet, maar dood hen van man tot vrouw, van kind tot zuigeling, van rund tot schaap, [en] van kameel tot ezel.4Saul riep het volk op en telde hen in Telaïm: tweehonderdduizend [man] voetvolk, en tienduizend mannen van Juda.5Toen Saul bij de stad van Amalek kwam, legde hij een hinderlaag in het dal,6en Saul liet tegen de Kenieten zeggen: Ga, ga weg, trek uit het midden van de Amalekieten, opdat ik u niet samen met hen wegvaag. Want u hebt goedertierenheid bewezen aan al de Israëlieten toen zij uit Egypte kwamen. Toen gingen de Kenieten weg uit het midden van de Amalekieten.7Saul versloeg de Amalekieten vanaf Havila tot in de richting van Sur, dat tegenover Egypte ligt.8Agag, de koning van de Amalekieten, greep hij levend, maar al het volk sloeg hij met de ban, met de scherpte van het zwaard.9Maar Saul en het volk spaarden Agag, de beste schapen en runderen, en wat bijna het beste was, de lammeren en alles wat goed was. Zij wilden die niet met de ban slaan. Maar elk gebruiksvoorwerp dat waardeloos en vergaan was, sloegen zij met de ban.). Door het hele geslacht van Achimelech te doden wordt het woord vervuld dat over het huis van Eli is gesproken (1Sm 3:1111De HEERE zei tegen Samuel: Zie, Ik ga iets doen in Israël waarvan bij ieder die het hoort, de beide oren zullen tuiten.), want Achimelech is uit het geslacht van Eli.


Abjathar vlucht naar David

20Maar een van de zonen van Achimelech, de zoon van Ahitub, ontkwam. Zijn naam was Abjathar en hij vluchtte David achterna. 21Abjathar vertelde David dat Saul de priesters van de HEERE gedood had. 22Toen zei David tegen Abjathar: Op de dag dat Doëg, de Edomiet, daar was, wist ik dat hij het zeker aan Saul zou vertellen. Ík ben er de oorzaak van dat iedereen uit het huis van uw vader [is omgebracht]. 23Blijf bij mij, wees niet bevreesd, want wie mij naar het leven staat, staat u naar het leven. Bij mij zult u echter veilig zijn.

Toch blijft het priesterschap behouden, want er ontkomt een zoon van Achimelech. Deze vlucht naar David en vertelt hem wat er is gebeurd (vgl. Mt 14:1212En zijn discipelen kwamen en namen het lichaam weg en begroeven het. En zij kwamen het Jezus berichten.). Als David het hoort, neemt hij de schuld op zich. Hij biedt Abjathar zijn bescherming aan en garandeert hem veiligheid. Hij stelt zich met zijn leven, waarop Saul jaagt, borg voor hem.

David dicht bij deze gelegenheid Psalm 52 (Ps 52:1-21Een onderwijzing van David, voor de koorleider;2toen Doëg, de Edomiet, gekomen was en aan Saul bekendgemaakt en tegen hem gezegd had: David is gekomen in het huis van Achimelech.).


Lees verder