1 Samuel
Inleiding 1-3 David weet dat Saul hem wil doden 4-8 David stelt een test voor 9-15 Hoe Jonathan David zal informeren 16-17 Het verbond 18-23 Het teken met een boodschap 24-34 Saul tracht Jonathan te doden 35-40 De boodschap via het teken 41-43 Afscheid
Inleiding

De geschiedenis van David wordt in deze hoofdstukken tot in detail beschreven. Dat is omdat de Heilige Geest hem liefheeft. Wij hebben hem ook lief en hebben belangstelling voor alles wat hij meemaakt. Het wordt levendig beschreven. In veel details vinden we wat de Heer Jezus heeft meegemaakt. Aanvankelijk is David nog geen vluchteling, maar dat wordt hij in de volgende hoofdstukken. Hij wordt een vluchteling omdat hij weigert op Gods tijd vooruit te lopen en het recht in eigen hand te nemen. Saul blijft voor hem “de gezalfde van de HEERE”, tegen wie hij, zolang dat zo blijft, de wapens niet zal opnemen.

We zien in dit hoofdstuk in David een kind van God die op zoek is naar de wil van God. Daarom is het hoofdstuk zo lang. Het beschrijft hoe David zich ertegen verzet een vluchteling te worden. Dat is niet omdat hij niet wil, hoewel het hem niet aantrekt, maar uit plichtsbesef als dienaar van Saul. Hij heeft niet het recht om weg te gaan, om te vluchten. Hij wil tot het uiterste bij Saul blijven om hem te dienen en is bereid daarvoor alles te ondergaan, om maar geen ontrouwe slaaf te zijn. Daarvan beschuldigt Nabal hem later (1Sm 25:1010antwoordde Nabal de dienaren van David: Wie is David, en wie is de zoon van Isaï? Er zijn [vandaag] de dag zoveel slaven die losbreken, ieder bij zijn heer vandaan.). David vlucht echter pas als hem geen andere mogelijkheid overblijft.

Dit hoofdstuk is ook een afscheid dat twee vrienden die elkaar innig liefhebben van elkaar nemen. Dat maakt het vertrek voor David ook zo smartelijk en onaantrekkelijk.


David weet dat Saul hem wil doden

1Toen vluchtte David uit Najoth bij Rama. Hij kwam bij Jonathan en zei: Wat heb ik gedaan, wat is mijn misdaad, en wat is mijn zonde tegenover je vader, dat hij mij naar het leven staat? 2Hij zei echter tegen hem: Geen sprake van! Je zult niet sterven. Zie, mijn vader doet niet iets groots of iets kleins zonder het voor mijn oor te onthullen. Waarom zou mijn vader deze zaak dan voor mij verbergen? Zo is het niet. 3Toen bezwoer David [hem] nog eens en zei: Je vader weet heel goed dat ik genade in jouw ogen gevonden heb. Daarom heeft hij gezegd: Laat Jonathan dit niet weten, zodat hij niet bedroefd is. Maar zeker, [zo waar] de HEERE leeft en jij zelf leeft, er is maar één stap tussen mij en de dood!

David vlucht naar zijn vriend Jonathan en stort voor hem zijn hart uit. Hij vraagt zich vertwijfeld af wat hij toch gedaan heeft dat zijn vader hem zo najaagt. Jonathan wil David geruststellen. Hij gelooft niet dat zijn vader dat doet. Anders zou hij het wel weten. David is er niet gerust op. Hij weet heel goed dat Saul niet alles aan zijn zoon zal vertellen, omdat Saul weet dat zijn zoon een vriend van David is. David kan niet anders zien dan dat Saul erop uit is hem uit de weg te ruimen. Dat heeft hij meerdere keren ervaren. Hij is al enkele keren aan de moordzucht van Saul ontkomen, maar hoelang zal het nog duren voordat hij toch in de handen van Saul valt? Zijn leven hangt aan een zijden draadje.


David stelt een test voor

4Jonathan zei tegen David: Wat verlang je? Dan zal ik [dat] voor je doen. 5David zei tegen Jonathan: Zie, morgen is het nieuwe maan; dan moet ik beslist met de koning aan [tafel] zitten om te eten. Laat mij dus gaan, dan verberg ik mij in het veld tot aan de avond van de derde [dag]. 6Wanneer je vader mij echt mist, moet je zeggen: David heeft mij dringend gevraagd snel naar zijn stad Bethlehem te mogen gaan, want daar is een jaarlijks offer voor het hele geslacht. 7Als hij dan zegt: Het is goed, dan heeft je dienaar vrede, maar als hij zeer [in woede] ontsteekt, dan weet je dat het kwaad bij hem vastbesloten is. 8Bewijs je dienaar dan goedertierenheid, want je hebt je dienaar met je in een verbond van de HEERE gebracht. Maar als er een misdaad in mij is, dood jij me dan. Waarom zou je mij toch naar je vader brengen?

Jonathan is een echte vriend. Hij wil David helpen. Hij vraagt wat hij voor hem kan doen en belooft tevens dat hij zal doen wat David vraagt. Daarbij stelt hij geen voorwaarden, want hij weet dat wat David zal verlangen, alleen maar goed is. Dit is de uiting van een hart dat de ander liefheeft. Het is de vraag en de gezindheid van de gelovige die de Heer Jezus liefheeft.

David wil slechts weten wat Saul met hem van plan is. Daarom oppert hij een plan om de gezindheid van Saul te testen. Door dat plan zal ook voor Jonathan duidelijk worden wat zijn vader wil. Daar is het hem misschien nog meer om te doen dan om zelf zekerheid te krijgen.

Is dit plan misleidend, een leugen? Het is vergelijkbaar met wat Mozes tegen de farao zegt als hij hem voorstelt om Israël drie dagreizen ver de woestijn in te laten gaan om daar voor de HEERE een feest te vieren. Dat het uiteindelijke doel is om het volk te bevrijden en het in Kanaän te doen wonen, vertelt Mozes er niet bij. De vraag die Mozes stelt is de vraag van een knecht om een kort verlof, waardoor de gezindheid van de farao op de proef wordt gesteld. Het gaat niet om onoprechtheid, maar om een test. Zo is het ook bij David.

Allen die in een plaats van onderworpenheid zijn, kunnen van David leren. Hij neemt tegenover Jonathan de plaats van dienaar in en noemt zich ook zo. Jonathan is de zoon van zijn heer. Hij geeft hem ook het recht hem te doden als er zonde in hem zou zijn, zoals Saul beweert.


Hoe Jonathan David zal informeren

9Toen zei Jonathan: Daar is voor jou geen sprake van! Wanneer ik ook maar merk dat het bij mijn vader vastbesloten is dat dit kwaad je overkomt, zou ik je dat dan niet vertellen? 10David zei tegen Jonathan: Wie zal het mij vertellen als je vader je [met] harde [woorden] antwoordt? 11Toen zei Jonathan tegen David: Kom, laten we naar buiten gaan, het veld in. En zij gingen beiden naar buiten, het veld in. 12Jonathan zei tegen David: De HEERE, de God van Israël, [is mijn Getuige] dat ik mijn vader morgen of overmorgen omstreeks deze tijd uit zal horen; en zie, als [het er] dan goed voor David [voorstaat], en ik stuur je geen [bericht] om [het] voor je oor te onthullen, 13dan mag de HEERE zó en nog veel erger met Jonathan doen! Als het echter mijn vader goeddunkt het kwaad over je [te brengen], dan zal ik het [ook] voor je oor onthullen. Ik zal je laten gaan, zodat je in vrede [kunt] vertrekken. Moge de HEERE met je zijn, zoals Hij met mijn vader geweest is. 14Zul je niet, als ik dan nog leef, mij de goedertierenheid van de HEERE bewijzen, zodat ik niet hoef te sterven? 15Je zult toch ook mijn huis tot in eeuwigheid je goedertierenheid niet onthouden, ook niet wanneer de HEERE eenieder van de vijanden van David van de aardbodem uitgeroeid zal hebben!

Jonathan wijst de gedachte van David om hem te doden resoluut af, want hij veronderstelt geen kwaad in David. Verder zal hij zeker zijn vriendschap laten gelden en hem informeren als hij merkt dat zijn vader kwaad over hem wil brengen. David vraagt van wie hij de ware gezindheid van Saul te horen zal krijgen.

Jonathan antwoordt niet direct, maar stelt voor om naar buiten te gaan om daar verder te spreken. Hij neemt initiatief en David volgt. David stelt zich koninklijk op door onderworpen te zijn aan het heersende gezag. Hij staat niet op zijn rechten als de gezalfde koning. Hij weet wat hij zal zijn, maar grijpt niet op de toekomst vooruit door zich iets aan te matigen wat de HEERE hem nog niet gegeven heeft. Hij moet eerst als dienaar leren gehoorzamen, voordat hij als koning kan heersen.

Jonathan belooft plechtig bij de HEERE dat hij David zeker zal laten weten hoe zijn vader reageert. Ook zal hij ervoor zorgen dat David niets zal gebeuren. Hij weet dat David de gezalfde is. Hij wenst hem de tegenwoordigheid van de HEERE toe, zoals ook zijn vader die heeft ervaren. Hij onderwerpt zich aan de toekomstige koning, nadat hij als kroonprins hem heeft laten gaan.

Tot slot vraagt hij David om diens gunst voor zichzelf en zijn familie. Hij heeft hier een profetische blik op de toekomst. Voor zichzelf vraagt hij om te mogen blijven leven als David koning geworden is. Hij zal daarin de goedertierenheid van de HEERE erkennen. Voor zijn huis vraagt hij om de goedertierenheid van David. Wat David betreft weet hij dat de HEERE al zijn vijanden zal uitroeien.


Het verbond

16Zo sloot Jonathan [een verbond] met het huis van David [en zei]: Laat de HEERE [rekenschap] eisen van de vijanden van David! 17En Jonathan liet David opnieuw zweren, omdat hij hem liefhad, want hij had hem lief met de liefde van zijn ziel.

Hun liefde wordt opnieuw benadrukt. Jonathan sluit niet alleen een verbond met David, maar ook met het huis van David. Hij verwacht van het nageslacht van David dezelfde goedertierenheid als van David zelf. David handelt hier later ook naar (2Sm 9:3,6-73De koning zei: Is er soms nog iemand van het huis van Saul, zodat ik de goedertierenheid van God aan hem kan bewijzen? Toen zei Ziba tegen de koning: Er is nog een zoon van Jonathan, die aan beide voeten verlamd is.6Toen Mefiboseth, de zoon van Jonathan, de zoon van Saul, bij David binnenkwam, wierp hij zich met zijn gezicht [ter aarde] en boog zich neer. David zei: Mefiboseth! En hij zei: Zie, [hier] is uw dienaar.7David zei tegen hem: Wees niet bevreesd, want ik zal u zeker goedertierenheid bewijzen omwille van uw vader Jonathan. Ik zal u alle akkers van uw vader Saul teruggeven, en ú zult voortdurend aan mijn tafel de maaltijd gebruiken.). De vijanden van David, die eventueel ook zijn kinderen kwaad zouden kunnen doen, geeft hij over aan het handelen van de HEERE.

De reden waarom Jonathan er zo naar verlangt dat hun vriendschap overgaat op zijn nageslacht, heeft te maken met zijn liefde voor David. Hij heeft David lief met de liefde van zijn ziel en hij verlangt ernaar dat David die liefde beantwoordt met een eed dat hij Jonathan liefheeft.


Het teken met een boodschap

18Daarna zei Jonathan tegen hem: Morgen is het nieuwe maan; dan zul je gemist worden, want je zetel zal leeg zijn. 19En als je drie dagen weggebleven zult zijn, kom dan meteen. Ga naar de plaats waar je je verborgen had op de dag dat je dit gedaan hebt, en blijf bij de steen Ezel. 20Dan zal ik daar drie pijlen langs schieten, alsof ik op een doel schoot. 21En zie, ik zal de jongen sturen [en zeggen]: Ga de pijlen zoeken. Wanneer ik nadrukkelijk tegen de jongen zeg: Zie, de pijlen zijn dichter bij je, raap ze op, dan kun je komen, want het is vrede voor je, en er is niets [aan de hand, zo waar] de HEERE leeft. 22Maar als ik dit tegen de jongen zeg: Zie, de pijlen zijn verder van je weg, ga dan weg, want de HEERE zendt je weg. 23En wat betreft de zaak waarover ik en jij gesproken hebben, zie, de HEERE is tussen mij en jou, tot in eeuwigheid!

Na de bevestiging van hun liefde voor elkaar praten de vrienden verder over de actuele situatie om voor David de wil van de HEERE te leren kennen. Moet hij terug naar Saul of moet hij een vluchteling worden? De duidelijkheid daarover zal worden verkregen door Davids afwezigheid op een nieuwemaansdag. Als overste van het leger van Saul moet David zeker op die dag aanwezig zijn. Als hij drie dagen weg is, zal Saul zeker laten weten wat hij daarvan vindt.

De afspraak wordt gemaakt dat Jonathan na drie dagen de uitslag bekend zal maken. Dat zal gebeuren door het afschieten van pijlen in de richting van de plaats waar David zich schuilhoudt. Mogelijk maken ze deze afspraak omdat het niet zeker is dat Jonathan het persoonlijk tegen David zal kunnen zeggen. Door het teken van de afgeschoten pijlen zal Jonathan David duidelijk maken wat de gevoelens van Saul tegenover hem zijn.

Uit dit teken wordt de wil van de HEERE opgemaakt. Jonathan spreekt er alleen over dat de HEERE David wegzendt. Het lijkt alsof hij geen rekening houdt met de mogelijkheid dat de HEERE het zo bestuurt dat David terug kan gaan naar het hof van Saul. Hij wijst op de HEERE als Degene Die hem en David aan elkaar verbindt. Daar kan geen Saul scheiding tussen brengen.


Saul tracht Jonathan te doden

24David verborg zich in het veld. Toen het nieuwe maan was, zat de koning aan de maaltijd om te eten. 25De koning was op zijn zitplaats gaan zitten, zoals de andere keren, op de plaats bij de wand. Jonathan stond op, Abner zat naast Saul, maar de plaats van David bleef leeg. 26Saul zei er die dag niets van, want hij dacht: Er is hem iets overkomen, zodat hij niet rein is, ja, hij zal [wel] onrein zijn. 27Maar de volgende dag, de tweede van de nieuwe maan, gebeurde het dat de plaats van David [weer] leeg bleef. Toen zei Saul tegen zijn zoon Jonathan: Waarom is de zoon van Isaï gisteren en vandaag niet naar de maaltijd gekomen? 28Jonathan antwoordde Saul: David vroeg mij dringend naar Bethlehem te mogen gaan. 29Hij zei: Laat mij toch gaan, want ons geslacht heeft een offer in de stad, en mijn broer heeft mij zelf ontboden. Als ik nu genade in je ogen gevonden heb, laat mij dan toch gaan, zodat ik mijn broers zie. Daarom is hij niet aan de tafel van de koning gekomen. 30Toen ontstak Saul in woede tegen Jonathan, en hij zei tegen hem: Jij zoon van een ontaarde [en] opstandige [vrouw], wist ik het niet dat jij voor de zoon van Isaï gekozen hebt, tot je eigen schande en tot schande van de naaktheid van je moeder? 31Want alle dagen dat de zoon van Isaï op de aardbodem leeft, worden jij en je koningschap niet bevestigd. Nu dan, stuur [een bode] en breng hem bij mij, want hij is een kind des doods. 32Toen antwoordde Jonathan Saul, zijn vader, en zei tegen hem: Waarom moet hij gedood worden? Wat heeft hij gedaan? 33Toen wierp Saul de speer naar hem om hem te doden. Zo merkte Jonathan dat zijn vader vastbesloten was David te doden. 34Daarom stond Jonathan op van de tafel, heet van woede. Hij at op de tweede dag van de nieuwe maan geen brood, want hij was bedroefd om David, omdat zijn vader hem schandelijk bejegend had.

David verbergt zich op het veld, in afwachting van de boodschap die Jonathan zal brengen. Als het nieuwe maan is, gaat Saul op zijn gebruikelijke plaats zitten, bij de wand. Dit is een tactische plaats, want zo kan hij niet in de rug aangevallen worden. Misschien zegt het iets van zijn wantrouwen in hen die hem omringen. Iemand die jaloers is, vertrouwt niemand.

Het innemen van de plaatsen wordt levendig beschreven. Als Saul gaat zitten, staat Jonathan uit eerbied op. Abner, de legeroverste van Saul, zit naast Saul. Saul heeft alleen aandacht voor de plaats van David die leeg blijft. We horen wat hij daarvan denkt. Het typeert Saul. Hij kan niet anders dan in termen van rein en onrein denken. Hij is als de farizeeër die alleen op het uiterlijk let. Anderzijds zegt het ook iets van David. Saul kent hem als iemand die nauwgezet de wet in acht neemt en liever wegblijft van een heilig feest dan er in onreinheid aan deel te nemen. Bij christenen zien we vaak het omgekeerde. Ze blijven enerzijds gemakkelijk weg uit de eigen samenkomsten (Hb 10:2525en laten wij onze eigen bijeenkomst niet verzuimen, zoals sommigen gewoon zijn, maar [elkaar] vermanen en dat zoveel temeer naarmate u de dag ziet naderen.) en nemen anderzijds lichtvaardig deel aan het heilig avondmaal (1Ko 11:27-3027Daarom, wie op onwaardige wijze het brood eet of de drinkbeker van de Heer drinkt, zal schuldig zijn aan het lichaam en het bloed van de Heer.28Maar laat men zichzelf beproeven en zo eten van het brood en drinken van de drinkbeker.29Want wie eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelf een oordeel, als hij niet het lichaam <van de Heer> onderscheidt.30Daarom zijn er onder u vele zwakken en zieken en nogal velen zijn ontslapen.).

Op de tweede dag wil Saul weten waarom David niet gekomen is en vraagt ernaar. Hij stelt zijn vraag niet in het algemeen, maar doelgericht aan Davids vriend, zijn zoon Jonathan. Hij is ervan overtuigd dat Jonathan wel weet waar David is. Als Jonathan de afgesproken verklaring geeft, ontsteekt Saul in woede over Jonathan. Hij stort zijn hele gramschap over hem uit. Hierdoor ervaart Jonathan wat het betekent om een vriend van David te zijn. Het is niet mogelijk aan de kant van David te staan zonder de toorn van Saul over zich te krijgen. Zo vergaat het ook de christen die duidelijk voor Christus kiest.

Saul wijst Jonathan erop dat hij met zijn eigen positie speelt. Hij zal nooit koning kunnen zijn zolang David leeft. Dan geeft hij Jonathan de opdracht David te halen om hem te doden. Jonathan neemt het weer voor David op en vraagt zijn vader welke aanleiding er is om David te doden. Dan komt het duidelijke bewijs van de haat van zijn vader tegen David. Saul werpt zijn speer naar zijn eigen zoon om hem te doden.

Hier deelt Jonathan in het lot van David, die ook zo door Saul wordt gehaat, dat hij hem wil doden. De speer die meerdere keren naar David is geworpen, wordt nu naar diens vriend geworpen, al is het zijn eigen zoon. Op dezelfde wijze brengt een keus voor de Heer Jezus scheiding in families. Familieleden leveren een familielid over in handen van vijanden (Lk 21:16-1716En u zult overgeleverd worden zelfs door ouders, broers, bloedverwanten en vrienden, en zij zullen er van u doden.17En u zult door allen worden gehaat ter wille van Mijn Naam.).


De boodschap via het teken

35‘s Morgens gebeurde het dat Jonathan het veld in ging, op het tijdstip dat met David vastgesteld was, en er was een kleine jongen bij hem. 36Hij zei tegen zijn jongen: Loop snel, zoek toch de pijlen die ik schieten zal. De jongen liep snel weg; en hij schoot een pijl, die hij over hem heen liet vliegen. 37Toen de jongen tot aan de plek gekomen was van de pijl die Jonathan geschoten had, riep Jonathan de jongen achterna en zei: Ligt de pijl niet verder van je vandaan? 38Opnieuw riep Jonathan de jongen achterna: Vlug, haast je, sta niet stil! De jongen van Jonathan raapte de pijl op, en hij kwam naar zijn heer. 39De jongen wist van niets, alleen Jonathan en David wisten van de zaak. 40Toen gaf Jonathan zijn wapens die hij had, aan de jongen en zei tegen hem: Ga ze in de stad brengen.

Zoals is afgesproken, gaat Jonathan het veld in om David te berichten over de houding van zijn vader tegenover hem. Hij stuurt de jongen alvast in de richting waarheen hij de pijl zal schieten en spoort hem aan haast te maken. De jongen gehoorzaamt direct. Terwijl hij snel wegloopt, schiet Jonathan een pijl over hem heen en roept de jongen toe dat de pijl verder bij hem vandaan ligt. De boodschap is voor David duidelijk. De boodschap is niet alleen duidelijk, hij is ook dringend. Er is haast geboden. Daarom spoort Jonathan de jongen tot grotere spoed aan.

Jonathan heeft de pijl heel ver weggeschoten als teken dat de haat van Saul heel ver gaat. David moet weten dat hij zijn leven niet meer zeker is. De pijl is een duidelijke boodschap. Hij komt in werkelijkheid uit de hand van de HEERE (vers 2222Maar als ik dit tegen de jongen zeg: Zie, de pijlen zijn verder van je weg, ga dan weg, want de HEERE zendt je weg.).

Als de jongen zijn opdracht heeft vervuld, geeft Jonathan hem zijn wapens en stuurt hem terug naar de stad. De jongen is verder niet meer nodig. Hij heeft, zonder het zich bewust te zijn, een belangrijke taak verricht. Door trouw de bevelen van Jonathan op te volgen heeft hij bijgedragen aan de bescherming van David. Zo zullen er vaker acties door mensen zijn verricht die trouw hebben gedaan wat zij moesten doen, zonder dat zij zich bewust zijn geweest dat ze hebben bijgedragen aan bescherming van Gods kinderen die in gevaar verkeerden.


Afscheid

41Toen de jongen weggegaan was, stond David op van de zuidzijde, en hij wierp zich met het gezicht ter aarde. Hij boog zich driemaal, zij kusten elkaar, en huilden met elkaar, totdat David zich vermande. 42Toen zei Jonathan tegen David: Ga in vrede! Moge dat wat wij beiden in de Naam van de HEERE gezworen hebben, tot in eeuwigheid gelden, [namelijk]: Moge de HEERE tussen mij en jou zijn, tussen mijn nageslacht en jouw nageslacht! 43Daarna stond [David] op en ging weg. En Jonathan kwam in de stad.

Als de jongen weg is, komt David tevoorschijn. Hij is nog steeds de dienaar tegenover de kroonprins, met wie hij ook een innige vriendschap heeft, en buigt zich diep voor hem neer. Het is een hartroerende ontmoeting, omdat ze weten dat het de laatste keer zal zijn dat ze elkaar zien. Dat ze elkaar toch nog een keer ontmoeten (1Sm 23:1616Toen stond Jonathan, de zoon van Saul, op en ging naar David in Choresa; en hij bemoedigde hem in God.), is geen herstel van de innige omgang die ze tot nu toe hebben gehad. Zo nemen ze afscheid van elkaar en gaan elk hun eigen weg.

Jonathan heeft alles aan David gegeven. Hij heeft het voor hem opgenomen bij zijn vader. Hij heeft hem gekust. Hij is hem echter niet gevolgd in de weg van zijn verwerping. Ze gaan uit elkaar en zullen elkaar pas weer in hun innige verbondenheid terugvinden aan de andere zijde van de dood. David gaat het lijden tegemoet en vandaar naar de troon. Jonathan gaat niet met hem in het lijden en wordt ook niet met hem verheerlijkt. Hij gaat terug naar de stad en zal met zijn vader vallen op het gebergte van Gilboa.

Hoe we ook over Jonathan denken, hij is niet met David de weg van verdrukking en smaad gegaan. Hij wordt niet vermeld onder de helden van David die hem gevolgd zijn in het lijden en met hem worden verheerlijkt in zijn regering.

Toch is het ook goed om, hoe we ook over Jonathan denken, te bedenken dat een vergelijking tussen de mannen die bij David zijn en Jonathan niet helemaal opgaat. Jonathan had een andere positie. Wie heeft trouwens een toewijding en liefde voor David aan de dag gelegd als hij? David heeft aan hem nooit gevraagd hem te volgen.

Mogelijk is hij in zeker opzicht te vergelijken met de man die demonen uitdrijft, van wie Johannes tegen de Heer zegt dat zij – hij en de andere discipelen – het hem hebben verboden omdat hij hen niet volgt. Maar de Heer spreekt recht van de man en berispt Zijn discipelen (Lk 9:49-5049Johannes nu antwoordde en zei: Meester, wij zagen iemand in Uw Naam demonen uitdrijven en wij hebben het hem verhinderd, omdat hij [U] niet met ons volgt.50Jezus echter zei tot hem: Verhindert het niet, want wie niet tegen u is, is voor u.). In elk geval zal Jonathan zijn vader zeker niet hebben meegeholpen in diens jacht op David.


Lees verder