1 Samuel
Inleiding 1 Uitingen van vreugde 2 Niemand is met de HEERE te vergelijken 3 De HEERE is alwetend 4-5 De rollen worden omgedraaid 6-9 De almacht van de HEERE 10 De Koning en Gezalfde van de HEERE 11-17 Samuel en de zonen van Eli 18 Samuel dient de HEERE 19-21 Groei 22-25 Eli vermaant zijn zonen 26 Samuel groeit in aanzien 27-29 Een man Gods komt naar Eli 30-34 Het oordeel over het huis van Eli 35 God voorziet in een trouwe priester 36 Het overblijfsel van het huis van Eli
Inleiding

Na het gebed van Hanna als smeekbede in het vorige hoofdstuk, horen we nu een gebed van haar als aanbidding en profetie. Het gaat daarin niet zozeer over de kleine Samuel, maar over Christus (vers 1010Zij die de HEERE ter verantwoording roepen, zullen verpletterd worden;
Hij zal in de hemel over hen donderen.
De HEERE zal rechtspreken over de einden der aarde;
Hij zal Zijn Koning kracht geven,
en de hoorn van Zijn Gezalfde opheffen.
)
. Zo moet het gebed voor ieder van onze kinderen zijn. Het gaat niet om hun maatschappelijke voorspoed, maar of Christus in hen gezien zal worden.

Zoals al eerder is opgemerkt, lijkt het gebed van Hanna op de lofzang van Maria (Lk 1:46-5546En Maria zei: Mijn ziel maakt de Heer groot,47en mijn geest verheugt zich over God, mijn Heiland,48omdat Hij de geringheid van Zijn slavin heeft aangezien. Want zie, van nu aan zullen alle geslachten mij gelukkig prijzen,49omdat de Machtige grote dingen aan mij heeft gedaan; en heilig is Zijn Naam,50en Zijn barmhartigheid is van geslacht tot geslacht voor hen die Hem vrezen.51Hij heeft een krachtig werk gedaan door Zijn arm; Hij heeft hoogmoedigen in [de] overlegging van hun hart verstrooid;52Hij heeft machtigen van tronen gestoten en nederigen verhoogd;53hongerigen heeft Hij met goede dingen vervuld en rijken leeg weggezonden;54Hij heeft Zich Zijn knecht Israël aangetrokken om te gedenken aan [de] barmhartigheid55(zoals Hij heeft gesproken tot onze vaderen) jegens Abraham en zijn nageslacht tot in eeuwigheid.). Zowel Hanna als Maria is een voorbeeld van een getrouw overblijfsel in hun tijd. Beiden voelen ze de vervallen toestand van Gods volk diep aan. Beiden begrijpen ze dat geen mens, maar alleen God hierin verandering kan aanbrengen. Het zijn allebei profetische liederen en een grote bemoediging aan het begin van een geschiedenis die door donkere wolken wordt gekenmerkt. Het is als de boog van de hoop in de wolken van het dreigende oordeel.

Het gebed heeft vier delen:

1. In de verzen 1-31Toen bad Hanna en zei:
Mijn hart springt op van vreugde in de HEERE,
mijn hoorn is opgeheven in de HEERE;
mijn mond is wijd open tegen mijn vijanden,
want ik verheug mij in Uw heil.2Er is niemand zo heilig als de HEERE,
want er is niemand buiten U,
en er is geen rotssteen als onze God.3Spreek toch niet steeds zo bijzonder hoogmoedig,
en laat niets hooghartigs uit uw mond gaan;
want de HEERE is een [al]wetend God,
en Zijn daden zijn recht.
bezingt Hanna de God van haar heil of behoudenis als de trouwe, almachtige, alwetende God. Ze spreekt over “onze” God (vers 22Er is niemand zo heilig als de HEERE,
want er is niemand buiten U,
en er is geen rotssteen als onze God.
)
.
2. In de verzen 4-54De boog van de sterken is gebroken,
maar zij die struikelden, zijn met kracht omgord.
5Zij die verzadigd waren, hebben zich om brood verhuurd,
maar zij die hongerig waren, zijn het niet meer.
Zelfs de onvruchtbare heeft er zeven gebaard,
maar zij die veel kinderen had, is verkommerd.
spreekt Hanna over de redding die zij heeft ervaren en de vernedering van de tegenstander.
3. In de verzen 6-8a6De HEERE doodt en maakt levend,
Hij doet in het graf neerdalen en Hij doet [daaruit] opkomen.
7De HEERE maakt arm en maakt rijk,
Hij vernedert, ook verhoogt Hij.
8Hij verheft de geringe uit het stof;
uit het vuil verhoogt Hij de arme
om [hen] bij edelen te doen zitten,
om hen een erezetel te laten verkrijgen.
Want de grondvesten van de aarde zijn van de HEERE
en Hij heeft de wereld daarop geplaatst.
zien we dat de weg waarop redding wordt ervaren, die van dood en opstanding is.
4. In de verzen 8b-108Hij verheft de geringe uit het stof;
uit het vuil verhoogt Hij de arme
om [hen] bij edelen te doen zitten,
om hen een erezetel te laten verkrijgen.
Want de grondvesten van de aarde zijn van de HEERE
en Hij heeft de wereld daarop geplaatst.
9Hij zal de voeten van Zijn gunstelingen bewaren,
maar de goddelozen zullen zwijgen in de duisternis,
want een man is niet sterk door eigen kracht.10Zij die de HEERE ter verantwoording roepen, zullen verpletterd worden;
Hij zal in de hemel over hen donderen.
De HEERE zal rechtspreken over de einden der aarde;
Hij zal Zijn Koning kracht geven,
en de hoorn van Zijn Gezalfde opheffen.
voert God alles tot Zijn doel en wordt de strijd tussen goed en kwaad voor eeuwig beslecht. Christus regeert over de herschapen aarde.

Het gebed van Hanna, waarin zij de gevoelens van haar hart uitstort, nadat zij haar zoon aan de HEERE heeft gewijd, is een lofzang met een profetisch en Messiaans karakter. Het is een psalm als de rijpe vrucht van de Geest van God. Hanna is bekend met de bestemming van Israël om een koninkrijk te zijn. Ze weet van de beloften die God aan de vaderen heeft gedaan. Ze is vervuld van het verlangen naar de vervulling van de beloften. In de geest ziet ze de Koning Die de HEERE aan Zijn volk zal geven en door Wie Hij Zijn volk de heerschappij over de aarde zal geven.


Uitingen van vreugde

1Toen bad Hanna en zei:
Mijn hart springt op van vreugde in de HEERE,
mijn hoorn is opgeheven in de HEERE;
mijn mond is wijd open tegen mijn vijanden,
want ik verheug mij in Uw heil.

Het grote profetische perspectief van dit gebed begint met persoonlijke uitingen van de zielenoefeningen van een vrouw. Ze spreekt over “mijn hart”, “mijn hoorn”, “mijn mond”. Vanuit deze persoonlijke beleving gaat ze in de loop van haar lofzang tot de einden van de aarde (vers 1010Zij die de HEERE ter verantwoording roepen, zullen verpletterd worden;
Hij zal in de hemel over hen donderen.
De HEERE zal rechtspreken over de einden der aarde;
Hij zal Zijn Koning kracht geven,
en de hoorn van Zijn Gezalfde opheffen.
)
.

Haar eerste gebed heeft ze in stilte gebeden – alleen haar lippen bewogen (1Sm 1:1313Want Hanna sprak in haar hart; alleen haar lippen bewogen, maar haar stem werd niet gehoord. Daarom hield Eli haar voor dronken.) – tot God Die ook luistert naar wat in het geheim wordt gezegd. Nu opent ze haar mond wijd om de heerlijke dingen te vertellen die de HEERE heeft gedaan. Ze spreekt uit de overvloed van haar hart. Haar hart verheugt zich niet zozeer in de gave, Samuel, maar in de HEERE als de Gever. “Mijn hoorn” ziet op de kracht waarop zij steunt, als voorloper van de hoorn van de Gezalfde (vers 1010Zij die de HEERE ter verantwoording roepen, zullen verpletterd worden;
Hij zal in de hemel over hen donderen.
De HEERE zal rechtspreken over de einden der aarde;
Hij zal Zijn Koning kracht geven,
en de hoorn van Zijn Gezalfde opheffen.
)
.

Het eerste deel van het vers (“hart”) en het derde deel (“mond”) horen bij elkaar. De mond geeft uiting aan wat er in het hart leeft (Rm 10:1010Want met [het] hart gelooft men tot gerechtigheid en met [de] mond belijdt men tot behoudenis.). Ook het tweede deel (“hoorn”) en het vierde deel (“hulp”) horen bij elkaar. De hoorn is een beeld van kracht. Haar hulp ligt in de kracht van de HEERE.


Niemand is met de HEERE te vergelijken

2Er is niemand zo heilig als de HEERE,
want er is niemand buiten U,
en er is geen rotssteen als onze God.

Nadat ze haar eigen vreugde heeft geuit over wat zij in de HEERE heeft gevonden, gaat ze verder met alleen over Hem te spreken. Ze stijgt uit boven haar eigen zegeningen en wordt als het ware helemaal in beslag genomen door Wie Hij is.

Het eerste kenmerk dat ze bezingt, is Zijn heiligheid. Heiligheid is een bijzonder kenmerk van de God van Israël. Geen afgod maakt daar aanspraak op.

Buiten Hem is er ook geen God. Alleen Hij is de ongeschapen, eeuwige God. Alles wat buiten Hem is, komt uit Hem voort. Hij is de oorsprong ervan. Niets buiten Hem heeft een bestaan los van Hem. “Want in Hem zijn alle dingen geschapen in de hemelen en op de aarde, de zichtbare en de onzichtbare, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten: alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen” (Ko 1:1616want in Hem zijn alle dingen geschapen in de hemelen en op de aarde, de zichtbare en de onzichtbare, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten: alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen.).

Buiten Hem is er ook geen steun te vinden, is er geen bron van redding. Elke zekere en vaste hulp is alleen in Hem aanwezig. Hij is de enige rots.


De HEERE is alwetend

3Spreek toch niet steeds zo bijzonder hoogmoedig,
en laat niets hooghartigs uit uw mond gaan;
want de HEERE is een [al]wetend God,
en Zijn daden zijn recht.

Het tweede kenmerk is Zijn alwetendheid (Ps 139:1-41Een psalm van David, voor de koorleider.
HEERE, U doorgrondt en kent mij.
2Ú kent mijn zitten en mijn opstaan,
U begrijpt van verre mijn gedachten.
3U onderzoekt mijn gaan en mijn liggen,
U bent met al mijn wegen vertrouwd.
4Al is er [nog] geen woord op mijn tong,
zie, HEERE, U weet het alles.
)
. Hij ziet niet alleen de daden, maar ook de gedachten en motieven: “En geen schepsel is voor Hem onzichtbaar, maar alle dingen zijn naakt en geopend voor de ogen van Hem met Wie wij te doen hebben” (Hb 4:1313En geen schepsel is voor Hem onzichtbaar, maar alle dingen zijn naakt en geopend voor de ogen van Hem met Wie wij te doen hebben.). Hij toetst alle daden.

Dit is voor Hanna een troost en voor Peninna een waarschuwing haar toon te matigen en te letten op wat ze zegt. Over het hoofd van Peninna heen spreekt Hanna tot de vijanden van Israël en van God. Ze geeft het oordeel over aan de HEERE, Die volkomen recht zal doen waar nu nog onrecht heerst.


De rollen worden omgedraaid

4De boog van de sterken is gebroken,
maar zij die struikelden, zijn met kracht omgord.
5Zij die verzadigd waren, hebben zich om brood verhuurd,
maar zij die hongerig waren, zijn het niet meer.
Zelfs de onvruchtbare heeft er zeven gebaard,
maar zij die veel kinderen had, is verkommerd.

Alle handelingen worden door God bestuurd. Hij zorgt voor een omkering van de rollen. Hij staat achter de ontwikkeling van de dingen. Alleen door Zijn raad kunnen we een werk met succes beginnen, voortzetten en voltooien. Alles wat Hij Zich voorneemt en uitvoert of laat uitvoeren, elke handeling, elke gedachte, alles is overwogen en gewogen, volmaakt harmonieus en doeltreffend. Niets is tevergeefs of nutteloos. Elk resultaat zal dit bevestigen.

Hanna ziet in het geloof het resultaat van het handelen van de HEERE. Door Zijn ingrijpen wordt de held krachteloos en wordt de krachteloze met kracht omgord. Zo gaat het ook met hen die verzadigd zijn en met hen die hongerig zijn; met hen die onvruchtbaar zijn en met hen die rijk aan kinderen zijn (Ps 113:99Die de onvruchtbare doet wonen in [haar] gezin:
een blijde moeder van kinderen.
Halleluja!
; Js 54:1-61Zing vrolijk, onvruchtbare, u die niet gebaard hebt,
breek uit in gejuich en jubel het uit, u die geen weeën gekend hebt,
want de kinderen van de eenzame zijn talrijker
dan de kinderen van de getrouwde, zegt de HEERE.
2Vergroot de plaats voor uw tent,
laat men uw tentkleden wijd uitspannen,
wees niet terughoudend,
verleng uw touwen,
sla uw pinnen vast.
3Want u zult zich rechts en links uitbreiden,
uw nageslacht zal de heidenvolken in bezit nemen
en de verlaten steden bevolken.4Wees niet bevreesd, want u zult niet beschaamd worden;
word niet rood van schaamte, want u zult niet te schande worden.
Ja, u zult de schande van uw jeugd vergeten,
en niet meer denken aan de smaad van uw weduwschap.
5Want uw Maker is uw Man,
HEERE van de legermachten is Zijn Naam,
en uw Verlosser is de Heilige van Israël,
de God van heel de aarde zal Hij genoemd worden.
6Want als een verlaten vrouw,
een bedroefde van geest, roept de HEERE u,
de vrouw van de jeugd, die afgewezen was,
zegt uw God.
)
.

Deze volkomen omkering van de rollen zal plaatsvinden door de oordelen die aan het vrederijk voorafgaan en de vestiging van het vrederijk: “Daar het rechtvaardig is bij God, aan hen die u verdrukken, verdrukking te vergelden, en aan u die verdrukt wordt, rust met ons bij de openbaring van de Heer Jezus van [de] hemel met [de] engelen van Zijn kracht, in vlammend vuur” (2Th 1:6-76daar het rechtvaardig is bij God, aan hen die u verdrukken, verdrukking te vergelden,7en aan u die verdrukt wordt, rust met ons bij de openbaring van de Heer Jezus van [de] hemel met [de] engelen van Zijn kracht, in vlammend vuur,). Voorbeelden daarvan zien we in het boek Esther, waar de HEERE Haman vernedert en Mordechai verhoogt. We zien het ook in dit boek in Zijn vernederen van Saul en Zijn verhogen van David.


De almacht van de HEERE

6De HEERE doodt en maakt levend,
Hij doet in het graf neerdalen en Hij doet [daaruit] opkomen.
7De HEERE maakt arm en maakt rijk,
Hij vernedert, ook verhoogt Hij.
8Hij verheft de geringe uit het stof;
uit het vuil verhoogt Hij de arme
om [hen] bij edelen te doen zitten,
om hen een erezetel te laten verkrijgen.
Want de grondvesten van de aarde zijn van de HEERE
en Hij heeft de wereld daarop geplaatst.
9Hij zal de voeten van Zijn gunstelingen bewaren,
maar de goddelozen zullen zwijgen in de duisternis,
want een man is niet sterk door eigen kracht.

Hier gaat alles over de HEERE, wat Hij doet. Hanna kijkt over de dood en het graf heen en wijst op het leven en de opstanding. Dit is bijzonder in het Oude Testament (Dt 32:39a39Zie nu [in] dat Ik, Ik Die ben,
er is geen God naast Mij.
Ík dood en Ik maak levend,
Ik verwond en Ík genees
en er is niemand die uit Mijn hand redt!
)
. Alle zegen van de HEERE is gebaseerd op de dood en opstanding van Christus. Allen die weten dat zij van zichzelf dood zijn, krijgen leven in Hem. Zij mogen weten dat ze met Hem gestorven en opgestaan zijn. In de opstanding worden alle beloften van God vervuld. Dat heeft ook Abraham geleerd en geloofd: “Hij heeft overwogen, dat God machtig was hem zelfs uit [de] doden op te wekken” (Hb 11:18b18van wie gesproken was: ‘In Izaäk zal uw nageslacht genoemd worden’. Hij heeft overwogen, dat God machtig was hem zelfs uit [de] doden op te wekken,).

De HEERE heeft rijken en armen gemaakt, opdat mensen van elkaar afhankelijk zullen zijn (Sp 22:22Rijken en armen ontmoeten elkaar,
de HEERE heeft hen allen gemaakt.
)
. Dit geldt ook in geestelijk opzicht. Zij die rijk zijn, dat wil zeggen die hun geestelijke rijkdommen kennen, hebben dat aan God te danken. Zij die arm zijn, zien op tot God. Dit onderscheid uit de hand van God te aanvaarden maakt dankbaar en tevreden (vgl. Jk 1:9-10a9Laat de geringe broeder echter roemen in zijn hoogheid,10en de rijke in zijn geringheid, omdat hij als een bloem van [het] gras zal vergaan.). Dat bewaart de rijke voor hoogmoed en de arme voor ontmoediging. Rijken en armen hebben elkaar nodig. Het onderscheid in de positie die we innemen, is ook door God aangebracht.

In het vrederijk zal God de grote eindresultaten van Zijn handelen laten zien. Zij die nu gering en arm zijn, zullen dan een ereplaats krijgen. Voorbeelden daarvan zien we in Jozef die van slaaf en gevangene een regeerder wordt (Gn 41:14,38-4414Toen stuurde de farao [boden] en [liet] Jozef roepen. Zij haalden hem snel uit de kerker; men schoor hem, verwisselde zijn kleren, en hij kwam bij de farao.38Daarom zei de farao tegen zijn dienaren: Zouden wij [ooit] iemand kunnen vinden als deze [man], in wie de Geest van God is?39Daarop zei de farao tegen Jozef: Aangezien God u dit alles heeft bekendgemaakt, is er niemand zo verstandig en wijs als u.40U zult zelf over mijn huis gaan en heel mijn volk zal uw bevel eerbiedigen; alleen wat de troon betreft, zal ik meer aanzien hebben dan u.41Verder zei de farao tegen Jozef: Zie, ik stel u [hierbij] aan over heel het land Egypte.42Toen nam de farao zijn ring van zijn hand en deed hem aan Jozefs hand; hij liet hem kleren van fijn linnen aantrekken en hing een gouden keten om zijn hals.43Hij liet hem rijden op de tweede wagen die hij had, en ze riepen voor hem uit: Kniel! Zo stelde hij hem aan over heel het land Egypte.44De farao zei tegen Jozef: Ik ben de farao, maar zonder uw [goedvinden] zal in heel het land Egypte niemand zijn hand of zijn voet optillen.) en in Lazarus die op aarde een bedelaar is, maar in de hemel een plaats krijgt in de schoot van Abraham (Lk 16:20-2220Nu lag er ook een arme, genaamd Lazarus, aan zijn voorpoort, vol zweren,21begerig zich te verzadigen met wat van de tafel van de rijke viel; maar zelfs de honden kwamen zijn zweren likken.22Het gebeurde nu dat de arme stierf en door de engelen werd gedragen in de schoot van Abraham.).

Hanna bezingt Hem als de Almachtige. Dat zien we in de wijze waarop de HEERE de aarde heeft gegrondvest. De grondvesten of zuilen waarop Hij de aarde heeft gesteld, is Zijn Woord, want Hij draagt het heelal “door het woord van Zijn kracht” (Hb 1:33Deze, Die [de] uitstraling is van Zijn heerlijkheid en [de] afdruk van Zijn wezen en Die alle dingen draagt door het woord van Zijn kracht, is, nadat Hij <door Zichzelf> [de] reiniging van de zonden tot stand heeft gebracht, gaan zitten aan [de] rechterhand van de Majesteit in [de] hoge,). De aarde rust op grondvesten die de aarde dragen door de kracht die Hij eraan verleent. Als de grondvesten van de aarde van Hem zijn, heeft de rechtvaardige niets te vrezen.

Met de almacht die in de bewaring van Zijn schepping openbaar wordt, bewaart de HEERE ook de voet van Zijn gunstgenoten. Hoe zou de macht van de mens het ooit kunnen opnemen tegen de almacht van die grote God? Hij bewaart de voeten van Zijn gunstgenoten op weg naar het erfdeel dat Hij hun heeft beloofd, zodat ze niet struikelen en vallen (Ps 116:88Ja, U, [HEERE,] hebt mijn ziel immers gered van de dood,
mijn ogen van tranen, mijn voet van struikelen.
; 121:33Hij zal uw voet niet laten wankelen,
uw Bewaarder zal niet sluimeren.
)
. Hij bewaart het erfdeel voor Zijn gunstgenoten en bewaart Zijn gunstgenoten voor het erfdeel (1Pt 1:4-5a4tot een onvergankelijke, onbevlekte en onverwelkelijke erfenis, in [de] hemelen weggelegd voor u,5die in [de] kracht van God door [het] geloof bewaard wordt tot [de] behoudenis, die gereed is om in [de] laatste tijd geopenbaard te worden.). Maar van de goddelozen, die de rechtvaardige verdrukken en vervolgen, zal God het licht van Zijn genade wegnemen, zodat zij in duisternis omkomen. De kracht van de goddeloze vermag niets tegen de almacht van God.


De Koning en Gezalfde van de HEERE

10Zij die de HEERE ter verantwoording roepen, zullen verpletterd worden;
Hij zal in de hemel over hen donderen.
De HEERE zal rechtspreken over de einden der aarde;
Hij zal Zijn Koning kracht geven,
en de hoorn van Zijn Gezalfde opheffen.

Alle opstand tegen de HEERE zal worden gebroken. Hij zal Zijn donder in de hemel laten horen over al Zijn tegenstanders. Donder is de aankondiging dat de HEERE eraan komt om te oordelen. Als het dondert, voelt de mens op een alarmerende wijze de tegenwoordigheid van de almachtige God. Zo maakt de HEERE door oordeel de weg vrij om het vrederijk te gronden.

Dit rijk beslaat de hele aarde, tot de einden ervan. Dan geeft de HEERE het bestuur van dit rijk aan “Zijn Koning”. Hanna besluit haar gebed met “Zijn Gezalfde”. Dat zegt als het ware dat de Gezalfde van God Gods laatste woord aan de mens is. “Zijn Koning” en “Zijn Gezalfde” is niemand anders dan de Heer Jezus. Om Hem gaat het in dit boek (vers 3535Ik zal voor Mij een trouwe priester doen opstaan; die zal doen zoals het in Mijn hart en Mijn ziel is. Voor hem zal Ik een blijvend huis bouwen, en hij zal alle dagen voor [de ogen van] Mijn gezalfde wandelen.). Net als de naam “HEERE van de legermachten” voor het eerst gebruikt wordt door Hanna (1Sm 1:1111Zij legde een gelofte af; zij zei: HEERE van de legermachten, wanneer U werkelijk de ellende van Uw dienares aanziet, aan mij denkt en Uw dienares niet vergeet, maar aan Uw dienares een mannelijke nakomeling geeft, dan zal ik die voor al de dagen van zijn leven aan de HEERE geven, en er zal geen scheermes op zijn hoofd komen.), daar als onvruchtbare en bedroefde vrouw, is dat ook het geval met de naam “Gezalfde”, maar nu door een vruchtbare en blijde vrouw.


Samuel en de zonen van Eli

11Daarna ging Elkana naar Rama, naar zijn huis, terwijl de jongen de HEERE bleef dienen onder toezicht van de priester Eli. 12De zonen van Eli echter waren verdorven mannen; zij kenden de HEERE niet. 13Want de handelwijze van deze priesters met het volk was [aldus: wanneer] iemand een offer bracht, kwam de knecht van de priester, terwijl het vlees kookte, met een drietandige vork in zijn hand, 14stak die in de kookpot, in de ketel, in de pan of in de pot, [en] alles wat de vork [dan] optrok, nam de priester voor zichzelf. Zo deden zij met al de Israëlieten die daar in Silo kwamen. 15Ook vóór zij het vet in rook lieten opgaan, kwam de knecht van de priester en zei tegen de man die het offer bracht: Geef dat vlees om te braden aan de priester, want hij wil geen gekookt vlees van u aannemen, maar rauw. 16En wanneer die man tegen hem zei: Zij moeten dat vet beslist eerst in rook laten opgaan; neem daarna [maar] voor uzelf zoals uw ziel verlangt, [dan] zei hij tegen hem: Nee, u moet het nú geven, en zo niet, dan neem ik het met geweld. 17Zo was de zonde van deze jongemannen voor het aangezicht van de HEERE erg groot, want de mensen verwierpen [hierdoor] het offer van de HEERE.

Samuel wordt steeds “jongen” genoemd. Dat geeft de tegenstelling aan tot de volwassenen om hem heen. Het geeft ook aan dat God iets nieuws begint met wat in de wereld niet geacht wordt. Hij verbergt Zijn plannen “voor wijzen en verstandigen” en openbaart “ze aan kleine kinderen” (Mt 11:2525In die tijd antwoordde Jezus en zei: Ik prijs U, Vader, Heer van de hemel en van de aarde, dat U deze dingen voor wijzen en verstandigen hebt verborgen en ze aan kleine kinderen hebt geopenbaard.).

De Geest toont de ontwikkeling van het kind Samuel tot een volwassen man en dienaar in een godsdienstige en tegelijk goddeloze omgeving. Dat kan alleen Gods werk zijn. Samuel wordt in het verborgene gevormd. Hij dient niet Eli voor het aangezicht van de HEERE, maar hij dient de HEERE onder toezicht van Eli. Mogelijk is hij in zijn heel jonge jaren zelfs ook nog afhankelijk van de zorg van de vrouwen bij wie de zonen van Eli slapen.

De zonen van Eli zijn “verdorven mannen” of “kinderen Belials” (Statenvertaling), dat wil zeggen dat ze niets met Christus gemeen hebben (2Ko 6:15a15En welke overeenstemming heeft Christus met Belial? En welk deel heeft een gelovige met een ongelovige?). In deze twee priesters zien we hoe uiterlijke tegenwoordigheid bij God, zonder Hem te kennen, het ergste afwijken van Hem tot gevolg heeft. Een heiligheid die alleen uiterlijk is, is de ergste onheiligheid. De zonen van Eli handelen alsof er geen God is. Hun handelwijze heeft tot gevolg dat het volk het offer gering gaat achten en zich niets meer van Gods voorschriften aantrekt.

God heeft er in de wet in voorzien dat de priesters hun deel krijgen van het dank- of vredeoffer (Lv 7:3434Want het borststuk van het beweegoffer en de achterbout van het hefoffer heb Ik van de Israëlieten uit hun dankoffers genomen, en Ik geef die van de kant van de Israëlieten aan de priester Aäron en aan zijn zonen, als een eeuwige verordening.). Daarmee zijn de zonen van Eli echter niet tevreden. Zij hebben daar lak aan. Ze nemen niet alleen veel meer dan waarop ze recht hebben, ze nemen het zelfs ook voordat God Zijn deel heeft gekregen. Het is machtsvertoon en een uiting van ongerechtigheid en aanmatiging van de grofste soort.

Vandaag zien we dat gebeuren als de kerk van de mensen van Gods volk afneemt waar God recht op heeft. We zien het in kerkleiders die zichzelf verrijken ten koste van het kerkvolk. In zo’n situatie zijn mensen nodig die God weer Zijn deel geven als eerste Rechthebbende. Nemen wij het beste voor onszelf en moet God genoegen nemen met de restjes?

Het volk dat komt offeren, kent de wet en ze spreken deze verdorven priesters daarop aan. Ze wijzen erop dat eerst het vet moet worden geofferd (Lv 3:3-5,163Daarna moet hij van het dankoffer het vet dat de ingewanden bedekt en al het vet dat aan de ingewanden vastzit, als vuuroffer aan de HEERE aanbieden,4en [ook] de beide nieren met het vet dat eraan vastzit, tegen de lendenen aan, en de kwab aan de lever, die hij [tegelijk] met de nieren verwijderen moet.5De zonen van Aäron moeten dat dan op het altaar in rook laten opgaan, op het brandoffer dat op het hout op het vuur ligt. Het is een vuuroffer, een aangename geur voor de HEERE.16De priester moet die vervolgens op het altaar in rook laten opgaan. Het is voedsel, een vuuroffer met een aangename geur. Al het vet moet voor de HEERE zijn.). De knecht van de priester heeft daar geen boodschap aan. Hij heeft zijn opdracht van de priester gekregen en daar houdt hij zich nauwgezet aan. Dat levert hem ook het meeste voordeel op. Hij dreigt zelfs met geweld als de offeraars niet geven wat de priester eist.

Dit optreden geeft een beeld van de dienst aan God die als een erg grote zonde wordt aangemerkt. De vertegenwoordigers van God stellen Hem voor als een gewelddadige, inhalige God. Het resultaat is dat de mensen het met het offer ook niet meer zo nauw nemen. Wij kunnen hier de les leren dat een verkeerde voorstelling van Wie God is, zal voeren tot een kleineren van de Heer Jezus en Zijn werk.


Samuel dient de HEERE

18Maar Samuel diende voor het aangezicht van de HEERE. Hij was een jongen, gekleed in een linnen priesterhemd.

Na de beschrijving van de goddeloosheid van de priesterzonen, zien we hier weer de ware dienaar. Hoewel Samuel niet tot de priesterlijke familie behoort, is hij wel de ware priester. Zijn reinheid in de onreine omgeving komt sterk naar voren. Het gedrag van Samuel staat in schril contrast met het gedrag van de zonen van Eli.

De linnen efod is een gewaad van linnen dat de priesters dragen (1Sm 22:1818Toen zei de koning tegen Doëg: Treedt u dan toe en steekt u de priesters dood. Toen trad Doëg, de Edomiet, toe en híj stak de priesters dood. Hij doodde op die dag vijfentachtig mannen die het linnen priesterhemd droegen met de scherpte van het zwaard.). David draagt het ook een keer, als hij de ark naar Sion brengt (2Sm 6:1414David huppelde uit alle macht voor het aangezicht van de HEERE; en David was gekleed in een linnen priesterhemd.). David is een koning-priester. Reinheid en priesterlijke gezindheid horen bij elkaar. Samuel is niet van de familie van Aäron, maar hij leeft wel in Gods tegenwoordigheid en kan als profeet Gods gedachten doorgeven.


Groei

19Zijn moeder maakte van jaar tot jaar een klein bovenkleed voor hem en bracht hem dat, wanneer zij met haar man kwam om het jaarlijkse offer te brengen. 20Dan zegende Eli Elkana en zijn vrouw, en zei: Moge de HEERE u nageslacht geven uit deze vrouw, vanwege dat wat zij de HEERE gebeden heeft. Vervolgens gingen zij [weer terug] naar zijn [woon]plaats. 21En inderdaad zag de HEERE naar Hanna om. Zij werd zwanger en baarde drie zonen en twee dochters, en de jonge Samuel werd groot bij de HEERE.

Als Elkana en Hanna het jaarlijkse offer gaan brengen, neemt Hanna telkens een klein bovenkleed voor Samuel mee. Dat betekent dat zijn moeder bezig is met zijn groei. Elk jaar neemt ze de juiste maat mee. Zij kent zijn groei. Kennen wij de geestelijke groei van onze kinderen? Voor elke geestelijke leeftijd moeten ouders iets hebben.

Hanna is steeds bezig met de kleding van Samuel. Zo is een moeder steeds bezig met de vorming van het karakter van haar kinderen, vooral door haar voorbeeld. De kinderen zien hoe zij zich gedraagt, wat ze zegt en hoe ze iets zegt, en ook hoe haar omgang met de Heer is. Zo zullen kinderen vriendelijk of ruw worden, zullen ze belangstelling hebben voor de dingen van de Heer of er onverschillig voor zijn in overeenstemming met het voorbeeld dat ze hebben gezien in het leven van hun ouders.

Eli heeft inmiddels wel begrepen dat Elkana en Hanna mensen zijn die voor de HEERE speciaal zijn, omdat de HEERE speciaal voor hen is. Hij spreekt zijn zegen over hen uit. Hij zal dat nu met meer inzicht hebben gedaan dan eerder (1Sm 1:1717Toen antwoordde Eli en zei: Ga in vrede, en de God van Israël zal u geven wat u van Hem gebeden hebt.). Het gezin van Elkana groeit. Hanna krijgt in totaal zes kinderen, een rijke zegen. Ze krijgt meer dan waar ze om heeft gebeden. Zo handelt God vaak.

Intussen groeit Samuel op bij de HEERE, dat wil zeggen dicht bij Hem in het heiligdom en onder Zijn bescherming en zegen. Als het hart op de Heer is gericht, zoals dat bij Samuel het geval is, zullen we in geestelijk opzicht opgroeien “in [de] genade en kennis van onze Heer en Heiland Jezus Christus” (2Pt 3:18a18maar groeit op in [de] genade en kennis van onze Heer en Heiland Jezus Christus. Hem zij de heerlijkheid, zowel nu als tot [de] dag van [de] eeuwigheid. <Amen.>), al is de omgeving nog zo goddeloos.


Eli vermaant zijn zonen

22Eli nu was heel oud en hoorde alles wat zijn zonen heel Israël aandeden, en [ook] dat zij sliepen met de vrouwen die bij de ingang van de tent van ontmoeting dienst deden. 23Hij zei tegen hen: Waarom doen jullie zulke dingen, zodat ik deze wandaden van jullie te horen krijg van dit hele volk? 24[Dit kan] niet, mijn zonen! Nee, dit is geen goed bericht dat ik hoor; jullie laten het volk van de HEERE overtredingen begaan. 25Wanneer een mens tegen een mens zondigt, zullen de goden hem oordelen; maar wanneer een mens tegen de HEERE zondigt, wie zal [dan] voor hem bidden? Maar zij luisterden niet naar de stem van hun vader, want de HEERE wilde hen doden.

De zonen van Eli zijn er alleen op uit hun lusten te bevredigen. Ze zoeken de bevrediging van hun buik (vgl. Fp 3:19a19hun einde is [het] verderf, hun God is de buik en hun heerlijkheid is in hun schande; zij bedenken de aardse dingen.). De stap van lichamelijke bevrediging naar bevrediging van hun seksuele lusten is dan zo gemaakt. Wie zich niet kan beheersen met eten, kan zich vaak ook niet beheersen in seksualiteit. De zonen van Eli kunnen het oordeel niet meer ontlopen nadat ze zich zo hebben misdragen.

Eli vermaant zijn zonen over hun gedrag, maar zijn vermaning komt te laat. Mede door zijn slappe optreden hebben zij hun hart verhard. Nu is de tijd van bekering voorbij. Eli kent de gedachten van God niet en blijft daarom op zijn slappe manier handelen. Hij loopt achter de feiten aan.

De HEERE heeft het besluit moeten nemen hen te doden. Dat besluit is onherroepelijk omdat zij onherroepelijk vasthouden aan het kwaad en elke vermaning minachten. Het gaat bij de zonen van Eli net als bij de farao, die ook eerst zijn eigen hart heeft verhard (Ex 7:13,14,2213Het hart van de farao verhardde zich echter, zodat hij niet naar hen luisterde, zoals de HEERE gesproken had.14Toen zei de HEERE tegen Mozes: Het hart van de farao is onvermurwbaar. Hij weigert het volk te laten gaan.22Maar de Egyptische magiërs deden met hun bezweringen hetzelfde, zodat het hart van de farao zich verhardde. Hij luisterde niet naar hen, zoals de HEERE gesproken had.; 8:15,19,3215Toen nu de farao zag dat er verlichting was gekomen, maakte hij zijn hart onvermurwbaar, zodat hij niet naar hen luisterde, zoals de HEERE gesproken had.19Toen zeiden de magiërs tegen de farao: Dit is de vinger van God! Maar het hart van de farao verhardde zich, zodat hij niet naar hen luisterde, zoals de HEERE gesproken had.32Maar de farao maakte ook deze keer zijn hart onvermurwbaar: hij liet het volk niet gaan.; 9:7,347De farao stuurde er [dienaren] heen, en zie, van het vee van Israël was zelfs niet één [beest] gestorven. Maar het hart van de farao bleef onvermurwbaar en hij liet het volk niet gaan.34Toen de farao zag dat de regen, de hagel en de donder opgehouden waren, ging hij door met zondigen en maakte hij zijn hart onvermurwbaar, hij en zijn dienaren.; 13:1515Want toen de farao zich verhardde [en weigerde] ons te laten gaan, gebeurde het dat de HEERE alle eerstgeborenen in het land Egypte doodde, van de eerstgeborene van de mens tot de eerstgeborene van het vee toe. Daarom offer ik aan de HEERE de mannetjes van alles wat de baarmoeder opent, maar alle eerstgeborenen van mijn zonen koop ik vrij.) en wiens hart daarna door God is verhard (Ex 9:1212Maar de HEERE verhardde het hart van de farao, zodat hij naar hen niet luisterde, zoals de HEERE tot Mozes gesproken had.; 10:1,20,271Daarna zei de HEERE tegen Mozes: Ga naar de farao toe, want Ík heb zijn hart en het hart van zijn dienaren onvermurwbaar gemaakt, zodat Ik deze tekenen van Mij in zijn midden kan verrichten,20Maar de HEERE verhardde het hart van de farao, zodat hij de Israëlieten niet liet gaan.27Maar de HEERE verhardde het hart van de farao, en hij wilde hen niet laten gaan.; 11:1010Mozes en Aäron hebben al deze wonderen gedaan voor de farao, maar de HEERE verhardde het hart van de farao, zodat hij de Israëlieten niet uit zijn land liet gaan.; 14:4,8,174En Ik zal het hart van de farao verharden, zodat hij hen achtervolgt. Dan zal Ik ten koste van de farao en ten koste van heel zijn leger geëerd worden, zodat de Egyptenaren zullen weten dat Ik de HEERE ben. En zo deden zij.8Want de HEERE verhardde het hart van de farao, de koning van Egypte, zodat hij de Israëlieten achtervolgde. Maar de Israëlieten waren door een opgeheven hand geleid.17En Ik, zie, [Ik] zal het hart van de Egyptenaren verharden, zodat zij achter hen aan gaan. Ik zal geëerd worden ten koste van de farao en ten koste van heel zijn leger, ten koste van zijn strijdwagens en ten koste van zijn ruiters.).


Samuel groeit in aanzien

26En de jonge Samuel kreeg gaandeweg meer aanzien en gunst, zowel bij de HEERE als ook bij de mensen.

Als de geestelijke duisternis groter wordt, schijnt ook het licht van God steeds helderder. Samuel groeit tegen de verdrukking in. De HEERE en de mensen verheugen zich steeds meer, naarmate ze meer van de Godvrezendheid van Samuel zien (vgl. Lk 2:5252En Jezus nam toe in <de> wijsheid en grootte en gunst bij God en mensen.). Zijn leven is een weldaad voor allen die met hem in aanraking komen. Het valt op hoezeer hij anders is dan de goddeloze zonen van Eli.


Een man Gods komt naar Eli

27Een man Gods kwam naar Eli, en zei tegen hem: Zo zegt de HEERE: Heb Ik Mij niet duidelijk geopenbaard aan het huis van uw vader, toen zij in Egypte waren, in het huis van de farao? 28Ik heb hem uit al de stammen van Israël voor Mij tot priester uitgekozen om op Mijn altaar te offeren, het reukwerk in rook te laten opgaan en de efod voor Mijn aangezicht te dragen; en Ik heb aan het huis van uw vader al de vuuroffers van de Israëlieten gegeven. 29Waarom schopt u dan tegen Mijn slachtoffer en tegen Mijn graanoffer, dat Ik [in Mijn] woning geboden heb, en eert u uw zonen meer dan Mij, door u vet te mesten met het beste van alle graanoffers van Mijn volk Israël?

Een anonieme man Gods wordt naar Eli gezonden. Als de man Gods spreekt over “het huis van uw vader”, bedoelt hij daarmee het huis van Aäron. Hij plaatst dit tegenover “het huis van de farao”, dat is het huis van slavernij, waar het volk de farao en zijn belangen hebben gediend. Hiermee herinnert hij Eli aan zijn oorsprong.

Vervolgens spreekt de man Gods over de verkiezende genade van God dat Hij Aäron en zijn huis tot het priesterschap heeft geroepen. Ook wijst hij op de genadige voorzieningen van God voor de priesters. Alles wat Hij heeft gegeven, maakt dat hun zonde om nog meer te willen hebben een verachting inhoudt van al die overvloedige gaven van God (vgl. 2Sm 12:8-98Ik heb u het huis van uw heer gegeven, en [bovendien] de vrouwen van uw heer in uw schoot. Ja, Ik heb u het huis van Israël en Juda gegeven. En als dat te weinig was geweest, zou Ik u nog wel meer gegeven hebben.9Waarom hebt u [dan] het woord van de HEERE veracht, door te doen wat slecht is in Zijn ogen? U hebt Uria, de Hethiet, met het zwaard gedood. Zijn vrouw hebt u tot vrouw genomen en hem hebt u door het zwaard van de Ammonieten gedood.).

De HEERE stelt Eli verantwoordelijk voor het verachten van “Mijn slachtoffer en … Mijn spijsoffer”, omdat hij niet is opgetreden tegen zijn zonen. In het verwijt dat Eli gemaakt wordt, wordt ook gezegd dat hij zich te goed heeft gedaan aan het beste deel van elk spijsoffer. Zozeer worden de handelingen van zijn zonen ook hem toegeschreven.

Ondanks dat hij zijn zonen heeft berispt, waardoor hij aangeeft dat hij inzicht heeft in hun foute handelwijze, heeft hij hun verkeerde praktijken geen halt toegeroepen. Het gebrek aan optreden van Eli heeft bijgedragen aan de verachting die het volk voor het offer en de dienst aan de HEERE heeft gekregen. Hij heeft zijn zonen meer eer gegeven dan de HEERE. Iedere vader heeft het gevaar in zich dat hij voor zijn zoon kiest als hij moet kiezen tussen zijn zoon en God. Laten vaders het voorbeeld van Abraham navolgen, die zijn huis niet vriendelijk verzocht, maar beval (Gn 18:1919Want Ik heb hem uitgekozen, opdat hij aan zijn kinderen en zijn huis na hem bevel zou geven om de weg van de HEERE in acht te nemen, door gerechtigheid en recht te doen, opdat de HEERE over Abraham zal brengen wat Hij over hem gesproken heeft.).


Het oordeel over het huis van Eli

30Daarom spreekt de HEERE, de God van Israël: Ik had duidelijk gezegd: Uw huis en uw familie zullen voor eeuwig voor Mijn aangezicht wandelen. Maar nu spreekt de HEERE: Er is bij Mij geen sprake van, want wie Mij eren, zal Ik eren, maar wie Mij verachten, zullen [zelf] veracht worden. 31Zie, de dagen komen dat Ik uw arm zal afhakken, en de arm van uw familie, zodat er geen oud man in uw huis zijn zal. 32U zult de nood van [Gods] woning aanzien, in plaats van al het goede dat Hij Israël gedaan zou hebben; en er zal geen oude man in uw huis zijn, alle dagen. 33Maar de man van uw [huis] die Ik niet van bij Mijn altaar zal uitroeien, zal er zijn om uw ogen te doen bezwijken en uw ziel te bedroeven; en het merendeel van uw huis zal sterven [als] mannen [in de kracht van hun leven]. 34Dit zal voor u het teken zijn dat over uw beide zonen, over Hofni en Pinehas, komen zal: op één dag zullen zij beiden sterven.

Het verachten van het offer (vers 2929Waarom schopt u dan tegen Mijn slachtoffer en tegen Mijn graanoffer, dat Ik [in Mijn] woning geboden heb, en eert u uw zonen meer dan Mij, door u vet te mesten met het beste van alle graanoffers van Mijn volk Israël?) is hetzelfde als het verachten van God. De consequenties daarvan zijn ernstig. God kan nu het beloofde niet geven (Jr 18:9-109Het [andere] ogenblik doe Ik de uitspraak over een volk en over een koninkrijk dat Ik het zal bouwen en planten.10Doet het echter wat kwaad is in Mijn ogen door niet te luisteren naar Mijn stem, dan zal Ik berouw hebben over het goede waarmee Ik zei het goed te doen.). Komt God nu op Zijn belofte terug en handelt Hij in tegenspraak met Zichzelf? Dat kan niet zo zijn en het is ook niet zo.

God heeft het huis van Aäron toegezegd dat het Hem altijd zal dienen. Aäron had vier zonen. Twee zijn gedood door de HEERE (Lv 10:1-21De zonen van Aäron, Nadab en Abihu, namen beiden hun wierookschaal, deden vuur daarin, legden reukwerk daarop en brachten vreemd vuur voor het aangezicht van de HEERE, wat Hij hun niet geboden had.2Toen ging een vuur uit van het aangezicht van de HEERE, en verteerde hen, zodat zij stierven voor het aangezicht van de HEERE.). Van de twee die overbleven zijn, Ithamar en Eleazar, volgt Eleazar Aäron op. Eleazar wordt opgevolgd door Pinehas. Dat is de lijn van het priesterschap in Israël geworden. Er is echter iets gebeurd – wat dat is, is niet uit de Schrift af te leiden –, waardoor de lijn van het priesterschap is overgegaan naar Ithamar. Eli stamt namelijk niet uit de lijn van Eleazar, maar uit die van Ithamar. Door zijn ontrouw aan de HEERE, wordt de belofte, gedaan aan Aäron, weggenomen van Ithamar.

De belofte van een betrouwbare priester zal worden vervuld in Zadok (Ez 44:1515Maar de Levitische priesters, de zonen van Zadok, die [hun] taak ten behoeve van Mijn heiligdom vervuld hebben toen de Israëlieten van Mij afdwaalden, díe mogen in Mijn nabijheid komen om Mij te dienen. Zij mogen voor Mijn aangezicht staan om aan Mij vet en bloed aan te bieden, spreekt de Heere HEERE.), die hogepriester wordt in de tijd van David. Zadok komt uit de lijn van Eleazar. God maakt Zijn beloften altijd waar en wel op een manier waaruit blijkt dat Hij het heeft gedaan.

Het afhakken van de arm stelt het wegnemen van de kracht en de invloed voor. Dat geldt zowel voor Eli als voor zijn hele familie. Zijn nakomelingen zullen jong sterven. Eli zal het nog in zijn tijd beleven dat de woning van de HEERE in benauwdheid zal zijn. Hij zal dat meemaken als de ark wordt buitgemaakt door de Filistijnen (1Sm 4:10-1110Toen streden de Filistijnen, en Israël werd verslagen, en zij vluchtten, ieder naar zijn tent. De nederlaag was zeer groot, er viel van Israël dertigduizend [man] voetvolk.11En de ark van God werd meegenomen, en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, stierven.; Ps 78:59-6159God hoorde [het] en werd verbolgen,
Hij verachtte Israël zeer.
60Daarom verliet Hij de tabernakel te Silo,
de tent [waarin] Hij woonde onder de mensen.
61Hij gaf Zijn macht over in gevangenschap,
Zijn luister in de hand van de tegenstander.
)
. Later wordt Silo verwoest en is de ark helemaal verdwenen, buitgemaakt door de vijanden (Jr 7:1212Want ga toch naar Mijn plaats die in Silo was, daar waar Ik vroeger Mijn Naam heb laten wonen, en zie wat Ik daarmee gedaan heb vanwege de slechtheid van Mijn volk Israël.; 26:66dan zal Ik dit huis maken als Silo, en deze stad zal Ik maken tot een vloek voor alle volken van de aarde.). De weinige jaren die Eli nog zal leven, zullen door wat hem hier wordt voorzegd, tot een kwelling worden. Altijd zal de gedachte aan dit oordeel hem bezighouden. Zijn laatste levensjaren zal hij geen vreugde kennen.

De man Gods voorzegt hem ook de dood van zijn beide zonen. Hier worden hun namen genoemd. Pinehas draagt dezelfde naam als een vroeger familielid. Dat familielid heeft zich echter volkomen trouw aan de HEERE gedragen als de zonde het volk is binnengedrongen (Nm 25:7-137Toen Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van de priester Aäron, [dat] zag, stond hij op uit het midden van de gemeenschap, nam een speer in zijn hand,8ging achter de Israëlitische man aan het slaapvertrek in, en doorstak hen beiden, zowel de Israëlitische man als de vrouw, door hun buik. Toen werd de plaag over de Israëlieten tot stilstand gebracht.9[Het aantal van] hen die aan de plaag stierven, was vierentwintigduizend.10Toen sprak de HEERE tot Mozes:11Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van de priester Aäron, heeft Mijn grimmigheid over de Israëlieten afgewend, doordat hij zich in hun midden met ijver voor Mij heeft ingezet, zodat Ik de Israëlieten niet in Mijn na-ijver vernietigd heb.12Zeg daarom: Zie, Ik geef hem Mijn verbond van vrede:13hij, en zijn nageslacht na hem, zullen het verbond van het eeuwige priesterschap hebben, omdat hij zich voor zijn God heeft ingezet en verzoening voor de Israëlieten heeft gedaan.). Die Pinehas was de zoon van Eleazar.


God voorziet in een trouwe priester

35Ik zal voor Mij een trouwe priester doen opstaan; die zal doen zoals het in Mijn hart en Mijn ziel is. Voor hem zal Ik een blijvend huis bouwen, en hij zal alle dagen voor [de ogen van] Mijn gezalfde wandelen.

Na deze oordeelsaankondigingen volgt een toezegging van de HEERE. Die is op niets anders gebaseerd dan op Zijn eigen soevereine voornemen. Hij zal Zelf een trouwe, betrouwbare priester aanstellen. ‘Trouw’ staat in sterk contrast met de ontrouw van Eli en zijn zonen.

In de eerste plaats kunnen we dat toepassen op Samuel. Vervolgens is het van toepassing op Zadok, die in plaats van Abjathar priester zal worden. Abjathar is de laatste afstammeling van het huis van Eli. Aan hem wordt door Salomo het priesterschap ontnomen (1Kn 2:26-2726En tegen de priester Abjathar zei de koning: Ga naar Anathoth, naar uw akkers, want u bent een man des doods. Op deze dag zal ik u echter niet ter dood brengen, omdat u de ark van de Heere HEERE voor mijn vader David uit gedragen hebt, en omdat u in alles waarin mijn vader onderdrukt werd, [ook] onderdrukt werd.27Zo verdreef Salomo Abjathar, zodat hij geen priester van de HEERE meer zou zijn, en [zo] liet hij het woord van de HEERE in vervulling gaan dat Hij over het huis van Eli in Silo gesproken had.). Van Abjathar wordt het afgenomen omdat hij in verbinding staat met Adonia die zichzelf tot koning heeft uitgeroepen (1Kn 1:77Hij voerde overleg met Joab, de zoon van Zeruja, en met de priester Abjathar. Die hielpen mee en volgden Adonia.), terwijl Zadok daar niet aan meedoet (1Kn 1:88Maar de priester Zadok, Benaja, de zoon van Jojada, de profeet Nathan, Simeï, Reï en de helden die bij David hoorden, waren niet met Adonia.). Het is bovenal van toepassing op de Heer Jezus als de Koning-Priester.

Het “blijvend huis” is het huis van David (1Sm 25:2828Vergeef toch uw dienares de overtreding, want de HEERE zal voor mijn heer zeker een blijvend [konings]huis maken, omdat mijn heer de oorlogen van de HEERE voert en er [al] uw [levens]dagen geen kwaad bij u gevonden is.). Met de “gezalfde” wordt vaak de priester bedoeld, maar hier is het de Koning naar Gods gedachten. De priester zal voor de gezalfde koning staan. Dat zien we in dit boek, waar de nadruk ligt op de koning naar Gods hart. Het priesterschap wordt uitgeoefend in tegenwoordigheid van het koningschap. De Heer Jezus is beide. Hij is zowel Koning als Priester. In Hem verenigen zich het koningschap en priesterschap op volkomen wijze. In Hem is het zoals God het heeft bedoeld.


Het overblijfsel van het huis van Eli

36En het zal gebeuren dat al wie van uw huis overgebleven is, zal komen om zich voor hem neer te buigen voor een weinig geld en een rond brood, en zal zeggen: Neem mij toch aan voor een van de priesterdiensten, zodat ik een stuk brood om te eten [zal hebben].

Wat dit vers zegt, zien we in Abjathar, die zich aan David ten dienste zal stellen (1Sm 22:2020Maar een van de zonen van Achimelech, de zoon van Ahitub, ontkwam. Zijn naam was Abjathar en hij vluchtte David achterna.; 23:99Toen David te weten kwam dat Saul dit kwaad tegen hem beraamde, zei hij tegen de priester Abjathar: Breng de efod hierheen.; 30:77En David zei tegen de priester Abjathar, de zoon van Achimelech: Breng mij toch de efod. En Abjathar bracht de efod bij David.). Hij vertegenwoordigt allen die aan het oordeel ontkomen. Zij zullen afhankelijk zijn van de genade van de nieuwe priester. Op die genade zullen ze een beroep doen.


Lees verder