1 Samuel
Inleiding 1 Samuel moet David gaan zalven 2-3 Samuel heeft bezwaren 4 Samuel komt in Bethlehem 5-10 De zonen van Isaï 11-13 David gezalfd 14-17 Een boze geest van God bij Saul 18 Een knecht beschrijft David 19-23 David bij Saul
Inleiding

Hier begint de geschiedenis David, een man, die met zijn zwaard en zijn pen de eer van God en de belangen van Israël heeft gediend. Het is de man die al eerder beschreven is als ‘de man naar Gods hart’ (1Sm 13:1414maar nu zal uw koningschap geen stand houden. De HEERE heeft een man naar Zijn hart voor Zich uitgezocht, en de HEERE heeft hem de opdracht gegeven een vorst te zijn over Zijn volk, omdat u niet in acht genomen hebt wat de HEERE u geboden had.; Hd 13:2222En na hem te hebben afgezet verwekte Hij hun David tot koning, van wie Hij ook aldus getuigenis gaf: ‘Ik heb David gevonden, de [zoon] van Isaï, een man naar Mijn hart, die Mijn hele wil zal doen’.) en die als naaste van Saul “beter is” dan hij (1Sm 15:2828Toen zei Samuel tegen hem: De HEERE heeft vandaag het koningschap van Israël van u afgescheurd en het aan uw naaste gegeven, die beter is dan u.). David betekent ‘beminde’, ‘geliefde’. Dat is hij niet voor zijn broers, maar hij is het van de HEERE. De HEERE, dat is de Heer Jezus, is de wortel van David (Op 22:1616Ik, Jezus, heb Mijn engel gezonden om u deze dingen te betuigen voor de gemeenten. Ik ben de Wortel en het Geslacht van David, de blinkende Morgenster.; 5:55En een van de oudsten zei tegen mij: Ween niet, zie, de Leeuw uit de stam van Juda, de Wortel van David, heeft overwonnen om het boek en zijn zeven zegels te openen.). David wortelt in Hem en komt uit Hem voort. David is voortgekomen uit het hart van God.

Er zijn enkele uitspraken die Gods keus van David op bijzondere wijze laten uitkomen. Zo is hij “de man” die door de HEERE is “uitgezocht” (1Sm 13:1414maar nu zal uw koningschap geen stand houden. De HEERE heeft een man naar Zijn hart voor Zich uitgezocht, en de HEERE heeft hem de opdracht gegeven een vorst te zijn over Zijn volk, omdat u niet in acht genomen hebt wat de HEERE u geboden had.). Hij is door de HEERE “gevonden” als “Mijn dienaar” (Ps 89:2121Ik heb David, Mijn dienaar, gevonden;
met Mijn heilige olie heb Ik hem gezalfd.
)
, hij is door de HEERE “gezien als “koning” (1Sm 16:11Toen zei de HEERE tegen Samuel: Hoelang rouwt u om Saul, die Ík immers verworpen heb, zodat hij geen koning over Israël [meer] zal zijn? Vul uw hoorn met olie, en ga [op weg]; Ik zend u naar Isaï, de Bethlehemiet, want Ik heb een koning voor Mij gezien onder zijn zonen.) en “heeft hem de opdracht gegeven een vorst te zijn over Zijn volk” (1Sm 13:1414maar nu zal uw koningschap geen stand houden. De HEERE heeft een man naar Zijn hart voor Zich uitgezocht, en de HEERE heeft hem de opdracht gegeven een vorst te zijn over Zijn volk, omdat u niet in acht genomen hebt wat de HEERE u geboden had.). David is in veel opzichten een schitterend type van de Heer Jezus. Keer op keer zullen we in zijn geschiedenis aan Hem worden herinnerd.

David is de derde hoofdpersoon van dit bijbelboek. Van de twee andere hoofdpersonen, Samuel en Saul, is ons al veel bekend geworden. Samuel en Saul zijn beiden van de HEERE gebeden, er is om hen gevraagd. Om Samuel is aan de HEERE gevraagd door een Godvrezende moeder (1Sm 1:11,2011Zij legde een gelofte af; zij zei: HEERE van de legermachten, wanneer U werkelijk de ellende van Uw dienares aanziet, aan mij denkt en Uw dienares niet vergeet, maar aan Uw dienares een mannelijke nakomeling geeft, dan zal ik die voor al de dagen van zijn leven aan de HEERE geven, en er zal geen scheermes op zijn hoofd komen.20Het gebeurde na verloop van dagen dat Hanna zwanger werd. Zij baarde een zoon en gaf hem de naam Samuel, want, [zei ze,] ik heb hem van de HEERE gebeden.). Om Saul is ook gevraagd en wel door een heel volk, hoewel een van God afwijkend volk (1Sm 8:55Zij zeiden tegen hem: Zie, u bent oud geworden en uw zonen gaan niet in uw wegen. Stel daarom een koning over ons aan om ons leiding te geven, zoals alle volken.). De naam Saul betekent ‘gevraagd’ of ‘begeerd’.

Saul is de man naar het hart van het volk. Door hem te geven heeft God het volk gegeven waar het om heeft gevraagd. De wens om een koning te hebben was niet verkeerd, want God had het in Zijn hart hun een koning te geven. Ze vragen echter niet naar Gods tijd en motieven en ook niet naar Gods man. Ze willen een koning omdat ze willen zijn als de volken. God gebruikt hun vraag echter om het contrast te laten zien tussen hun smaak en Zijn smaak. Hij komt eerst tegemoet aan hun verlangens om daarna te laten zien wie er aan Zijn verlangens beantwoordt. We zien hier het beginsel: “Niet het geestelijke is eerst, maar het natuurlijke; daarna het geestelijke” (1Ko 15:4646Maar niet het geestelijke is eerst, maar het natuurlijke; daarna het geestelijke.).

David vormt een groot contrast met zowel Samuel als Saul. Om David is namelijk door niemand gevraagd. Hij wordt zelfs vergeten. Niemand denkt aan hem (vgl. Pr 9:14-1514Er was een kleine stad met weinig mensen erin. Een groot koning trok ertegen op en omsingelde die. Hij bouwde er grote bolwerken tegen aan.15Daar trof men een arme, wijze man aan. Hij redde de stad door zijn wijsheid, maar geen mens dacht aan die arme man.
)
. Alleen God denkt aan hem (1Sm 13:1414maar nu zal uw koningschap geen stand houden. De HEERE heeft een man naar Zijn hart voor Zich uitgezocht, en de HEERE heeft hem de opdracht gegeven een vorst te zijn over Zijn volk, omdat u niet in acht genomen hebt wat de HEERE u geboden had.). Hij is dan ook Gods soevereine gave naar de wensen van Zijn hart. De HEERE zegt dat Hij David heeft uitgekozen (1Sm 16:11Toen zei de HEERE tegen Samuel: Hoelang rouwt u om Saul, die Ík immers verworpen heb, zodat hij geen koning over Israël [meer] zal zijn? Vul uw hoorn met olie, en ga [op weg]; Ik zend u naar Isaï, de Bethlehemiet, want Ik heb een koning voor Mij gezien onder zijn zonen.), David is Zijn keus. Dat staat tegenover de wijze waarop Saul koning is geworden. Hij is de keus van het volk. Saul beantwoordt aan hun zoeken naar eigen eer. David zal beantwoorden aan de eer van God.


Samuel moet David gaan zalven

1Toen zei de HEERE tegen Samuel: Hoelang rouwt u om Saul, die Ík immers verworpen heb, zodat hij geen koning over Israël [meer] zal zijn? Vul uw hoorn met olie, en ga [op weg]; Ik zend u naar Isaï, de Bethlehemiet, want Ik heb een koning voor Mij gezien onder zijn zonen.

Samuel heeft het er moeilijk mee om afscheid van Saul te nemen. Hij kent Gods gedachten over Saul. Dat maakt hem echter niet blij, maar verdrietig. Zijn verdriet is niet vluchtig. Gods verwerping van Saul maakt diepe indruk op hem en hij rouwt daarover. Hij is zich bewust hoezeer Saul is afgeweken. Hoe moet het met het volk? God ziet zijn rouwen. Hij zegt niet tegen hem dat hij niet mag treuren, maar berispt hem omdat hij lang genoeg heeft getreurd.

God zegt Samuel waarom hij kan ophouden met treuren. Het raadsbesluit is uitgegaan en al zijn gebeden en tranen kunnen God niet bewegen dat te herroepen (vgl. 2Sm 12:22-2322Hij zei: Toen het kind nog leefde, heb ik gevast en gehuild, want ik zei: Wie weet, is de HEERE mij genadig, zodat het kind in leven blijft.23Maar nu is het dood; waarom zou ik nu vasten? Zal ik hem nog terug kunnen halen? Ik zal wel naar hem toe gaan, maar hij zal niet bij mij terugkomen.). Dat God Saul heeft moeten verwerpen, heeft te maken met Zijn handelen met hem op grond van zijn gedrag. God kon met hem niet verder gaan. Hij moest hem verwerpen en kon hem niet als koning over Zijn volk handhaven. Nu wil God dat David als plaatsvervanger van Saul wordt gezalfd. Dat moet in het geheim gebeuren en ook stilgehouden worden. Het is niet Gods bedoeling om van David een opstandeling te maken die na zijn zalving Saul met geweld verjaagt en diens plaats inneemt.

God deelt Zijn gedachten mee, opdat we de dingen zullen zien zoals Hij ze ziet en ze zullen voelen zoals Hij ze voelt. Als verdriet de overhand houdt, kan God niet verder gaan. Als Hij zegt dat het genoeg is, biedt Hij tegelijk een nieuw perspectief. Samuel krijgt de opdracht zijn hoorn met olie te vullen. Hij moet iemand gaan zalven.

De hoorn spreekt van kracht (vgl. Lk 1:6969en heeft een hoorn van behoudenis voor ons opgericht in [het] huis van Zijn knecht David). Voor wat Samuel moet gaan doen, is geestelijke kracht nodig. De hoorn komt van een offerdier. Het doet eraan denken dat het koningschap van David is gebaseerd op het offer van de Heer Jezus, waarnaar elk offer in het Oude Testament verwijst. De hele grondslag van de zalving van David is een heel andere dan die van Saul. Saul is gezalfd uit een kruik (1Sm 10:11Toen nam Samuel een oliekruik, goot die leeg op zijn hoofd, kuste hem en zei: Is het niet zo, dat de HEERE u tot een vorst over Zijn eigendom gezalfd heeft?), dat breekbaarheid vertegenwoordigt.

Voor de zalving moet Samuel naar Bethlehem gaan. Hij moet zich melden bij Isaï, want een van diens zonen is door God uitgezocht om koning te zijn. De naam van David wordt niet door God genoemd. “Isaï” betekent ‘Jahweh bestaat’. In Bethlehem is de grondslag van het geslacht gelegd. Daar heeft Boaz gewoond (Ru 2:44En zie, Boaz kwam uit Bethlehem, en zei tegen de maaiers: De HEERE zij met u! En zij zeiden tegen hem: De HEERE zegene u!). Isaï is de zoon van Obed en Obed is de zoon van Boaz en Ruth (Ru 4:21). David is de achterkleinzoon van Boaz en Ruth.

Bethlehem ligt in het gebied van de stam Juda. Daaruit komt naar de profetie van Jakob de Messias voort (Gn 49:1010De scepter zal van Juda niet wijken
en evenmin de heersersstaf van tussen zijn voeten,
totdat Silo komt,
en Hem zullen de volken gehoorzamen.
; Mi 5:1a1En u, Bethlehem-Efratha,
[al] bent u klein om te zijn onder de duizenden van Juda,
uit u zal Mij voortkomen
Die een Heerser zal zijn in Israël.
Zijn oorsprongen zijn van oudsher,
van eeuwige dagen af.
)
. Bethlehem betekent ‘broodhuis’. Dat is de plaats waar zegen vandaan komt. De Heer Jezus is “het levende brood” (Jh 6:5151Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald; als iemand van dit brood eet, zal hij leven tot in eeuwigheid. En het brood dat Ik zal geven, is Mijn vlees <dat Ik zal geven> voor het leven van de wereld.). Het huis van de Vader is het ware ‘broodhuis’. De Heer Jezus is op aarde gekomen om de voorraadkamers daarvan te openen en de geestelijke honger op aarde te beantwoorden met de overvloed van de Vader.


Samuel heeft bezwaren

2Maar Samuel zei: Hoe kan ik [daarheen] gaan? Saul zal het horen en mij doden. Toen zei de HEERE: Neem een kalf van de runderen met u mee en zeg: Ik ben gekomen om de HEERE een offer te brengen. 3Dan moet u Isaï voor het offer uitnodigen en zal Ik u te kennen geven wat u doen moet: u moet voor Mij zalven die Ik u zeggen zal.

Samuel heeft tegenwerpingen. Hij heeft verdriet en zielenpijn vanwege de verwerping van Saul en tegelijk is hij ook bang voor Saul. Voor Saul is hij een vijand geworden, maar Saul is voor hem geen vijand geworden. Bij Samuel zijn geen gevoelens van vijandschap tegenover Saul.

Bij eerdere ontmoetingen met Saul heeft Samuel niet de minste vrees getoond. Hij heeft Saul onverschrokken meegedeeld dat God het koningschap van hem afneemt en aan zijn naaste geeft. Misschien heeft Samuel al met een woedeaanval van Saul te maken gehad, zoals we die verderop in dit hoofdstuk zien. Als zou uitkomen dat hij een andere koning heeft gezalfd, is Sauls razernij voorspelbaar.

De HEERE maakt Samuel geen verwijt over zijn bangheid, maar komt eraan tegemoet. Hij geeft hem een bescherming: een offerdier dat als dank- of vredeoffer moet dienen. Het offerdier dat Samuel moet meenemen, is niet alleen voor zichzelf. Het dient er ook toe om er een offermaaltijd mee te houden, waarvoor hij Isaï moet uitnodigen. Tijdens die maaltijd zal God zeggen wie Samuel moet zalven. Met Zijn aanwijzingen over het offerdier brengt God – in beeld – Zijn Zoon tot Samuel en Isaï en zijn familie om daarmee te laten zien wat de grondslag is waarop Hij met hem en hen handelt.


Samuel komt in Bethlehem

4En Samuel deed wat de HEERE gesproken had en kwam in Bethlehem. Toen kwamen de oudsten van de stad hem bevend tegemoet en zeiden: Is uw komst [met] vrede?

Samuel volgt het bevel van de HEERE op en gaat naar Bethlehem. Als hij daar zo onverwachts verschijnt, worden de oudsten bang. Dat geeft aan dat het volk niet op zijn komst heeft zitten wachten (vgl. Mt 2:33Toen nu koning Herodes dit hoorde, werd hij ontsteld en heel Jeruzalem met hem;). Hun reactie lijkt duidelijk te maken dat er dingen niet in orde zijn. Waarom moeten ze anders zo bevreesd zijn bij de komst van de man Gods?

Van nature hebben we de regering van het vlees – waarvan Saul het type is – lief, want die geeft ons een bedrieglijke rust. Zodra er iets van Gods Geest komt, wordt het onrustig en worden we bang. Het is ermee als met de verschijning van Paulus in Korinthe, door middel van zijn brief. Zijn brief brengt ook aan het licht dat er veel niet deugt. Hij dreigt er zelfs mee dat hij met de roede zal komen (1Ko 4:2121Wat wilt u? Moet ik met [de] roede naar u toe komen, of in liefde en een geest van zachtmoedigheid?).


De zonen van Isaï

5Hij zei: [Met] vrede; ik ben gekomen om voor de HEERE een offer te brengen; heilig u en kom met mij naar het offer. Hij heiligde Isaï en zijn zonen en nodigde hen uit voor het offer. 6En het gebeurde, toen zij kwamen, dat hij Eliab zag en dacht: [Deze] is [vast en] zeker voor de HEERE Zijn gezalfde. 7Maar de HEERE zei tegen Samuel: Kijk niet naar zijn uiterlijk en ook niet naar de hoogte van zijn gestalte, want Ik heb hem verworpen. Het is namelijk niet wat de mens ziet, want de mens ziet aan wat voor ogen is, maar de HEERE ziet het hart aan. 8Toen riep Isaï Abinadab en hij deed hem voorbij Samuel gaan, maar hij zei: De HEERE heeft ook deze niet uitgekozen. 9Daarna liet Isaï Samma voorbijgaan, maar hij zei: De HEERE heeft ook deze niet uitgekozen. 10Zo liet Isaï zijn zeven zonen voorbij Samuel gaan, maar Samuel zei tegen Isaï: De HEERE heeft dezen niet uitgekozen.

De komst van Samuel is vrede, want hij komt met een vredeoffer, en zijn doel is David te zalven. Het offer is voor de HEERE en de maaltijd is voor Isaï en zijn zonen. Om er aan te kunnen deelnemen is heiligheid noodzakelijk. Ze moeten hun kleren en zichzelf reinigen. Dat beveelt Samuel dan ook. Hij neemt die heiliging zelf ter hand. Door deze handeling stelt hij hen apart van alle andere mensen van Bethlehem om met hen de offermaaltijd te houden.

Isaï laat zijn zonen een voor een binnenkomen. Hij begint met de oudste en grootste. Als Samuel hem ziet, is hij duidelijk onder de indruk van deze verschijning (vgl. 1Sm 10:2424Toen zei Samuel tegen heel het volk: Ziet u wie de HEERE uitgekozen heeft? Want zoals hij is er niemand onder het hele volk. Toen juichte het hele volk, en zij zeiden: Leve de koning!). We zien hier dat zelfs profeten die onder Goddelijke leiding spreken, even onderhevig zijn aan vergissingen als andere mensen. We zien dat bijvoorbeeld ook bij Nathan (2Sm 7:2-52dat de koning tegen de profeet Nathan zei: Zie toch, ik verblijf in een huis van ceder[hout], terwijl de ark van God te midden van tentdoek verblijft.3Nathan zei tegen de koning: Ga [uw gang], doe al wat in uw hart is, want de HEERE is met u.4Maar in die nacht gebeurde het dat het woord van de HEERE tot Nathan kwam:5Ga en zeg tegen Mijn dienaar, tegen David: Zo zegt de HEERE: Zou ú voor Mij een huis bouwen, voor Mij om in te wonen?). Hier zien we dat Samuel in feite op zoek is naar een tweede Saul.

De rijzige gestalte van Eliab doet denken aan Saul. Onze natuurlijke harten komen snel onder de indruk van wat we zien. We moeten leren dat God nooit de eerstgeborene naar het vlees heeft uitgekozen. Integendeel, juist zij liggen onder het oordeel van de dood. Niet Kaïn, maar Abel heeft Hij uitgekozen; niet Ismaël, maar Izak; niet Ezau, maar Jakob.

God deelt Samuel mee hoe Hij naar de mensen kijkt. Het gaat niet om het uiterlijk, maar om het innerlijk. Deze les is moeilijk voor ons om te leren, maar hij is wel noodzakelijk. De Heer ziet het hart aan, dat Hij ook volkomen kent (Jr 17:1010Ik, de HEERE, doorgrond het hart,
beproef de nieren,
en dat om ieder te geven overeenkomstig zijn wegen,
overeenkomstig de vrucht van zijn daden.
;
1Kr 28:99En jij, mijn zoon Salomo, ken de God van je vader, en dien Hem met een volkomen hart en met een bereidwillige ziel, want de HEERE doorzoekt alle harten, en Hij heeft inzicht in alle gedachtevorming. Als je Hem zoekt, zal Hij door jou gevonden worden, maar als je Hem verlaat, zal Hij je voor eeuwig verstoten.; Ps 7:1010Laat er toch een einde komen aan de slechtheid van de goddelozen,
maar doe de rechtvaardige standhouden,
o rechtvaardige God, Die harten en nieren beproeft.
; Jr 11:2020Maar, HEERE van de legermachten, rechtvaardige Rechter,
U Die de nieren en het hart beproeft,
laat mij Uw wraak aan hen zien,
want aan U heb ik mijn rechtszaak bekendgemaakt.
; 20:1212HEERE van de legermachten, Die de rechtvaardige beproeft,
Die de nieren en het hart ziet,
laat mij Uw wraak op hen zien,
want ik heb mijn rechtszaak aan U bekendgemaakt.
)
.

Na het onderwijs over hoe God naar mensen kijkt, gaan ook de volgende zonen van Isaï aan Samuel voorbij. Telkens zegt de HEERE dat hij die niet heeft uitgekozen. Samuel kan gelukkig de stem van de HEERE van zijn eigen voorkeur onderscheiden. De eerste Saul heeft gefaald. Elke volgende Saul zal ook falen. We moeten een man hebben naar een heel ander model. Dat moet zelfs Samuel nog leren. God ziet het hart aan. Hij kent het hart van David, dat een hart is als dat van Hemzelf.

Zo gaan er zeven zonen voorbij. In het getal zeven zien we hoe de volkomen heerlijkheid van wat de mens is, voorbijgaat om plaats te maken voor de achtste. Het getal acht spreekt van een nieuw begin. [Hier lezen we dat Isaï acht zonen heeft, hoewel er in het geslachtsregister in 1 Kronieken 2 slechts zeven worden genoemd (1Kr 2:13-1513Isaï verwekte Eliab, zijn eerstgeborene, Abinadab, de tweede, en Simea, de derde,14Nethaneël, de vierde, Raddai, de vijfde,15Ozem, de zesde, [en] David, de zevende.).]


David gezalfd

11Toen zei Samuel tegen Isaï: Zijn dit al de jongens? En hij zei: De jongste is nog achtergebleven; zie, hij weidt de schapen. Samuel zei tegen Isaï: Stuur [een bode] en [laat] hem halen, want wij zullen niet rond [de tafel] gaan [zitten], totdat hij hier gekomen is. 12Toen stuurde hij [een bode] en bracht hem. Hij was rossig, had mooie ogen en was knap om te zien. De HEERE zei: Sta op, zalf hem, want deze is het. 13Toen nam Samuel de oliehoorn en zalfde hem te midden van zijn broers. En de Geest van de HEERE werd vaardig over David vanaf die dag en voortaan. Daarna stond Samuel op en ging naar Rama.

Als alle zonen aan het oog van Samuel voorbij zijn getrokken, moet hij zeggen dat de HEERE geen van hen heeft uitgekozen. Dan vraagt hij aan Isaï of deze wel al zijn zonen heeft laten zien. Isaï antwoordt dat er nog een zoon is, de jongste. Hij heeft niet aan hem gedacht. Ook niemand van de zeven broers heeft aan hem gedacht. Ze zijn hem allemaal vergeten. Isaï noemt niet eens de naam van zijn zoon, David, maar spreekt over hem als “de jongste”. Het is duidelijk dat David niet de keus van mensen is. Zo is men ook aan de Heer Jezus voorbijgegaan, men vergat Hem, lette niet op Hem. “Ook Zijn broers geloofden niet in Hem” (Jh 7:55Want ook Zijn broers geloofden niet in Hem.).

Isaï zegt wel wat David op dat moment aan het doen is: “Zie, hij weidt de schapen.” Hij verzorgt in trouw de enkele schapen van zijn vader. Samuel geeft opdracht David te halen. De wijze waarop de eerste ontmoeting van Samuel met David tot stand komt, is heel anders dan de eerste ontmoeting van Samuel met Saul. David is bij de schapen, terwijl Saul op zoek was naar verloren ezelinnen die hij nog niet vond ook. David wordt letterlijk van achter de schapen genomen om koning te worden (Ps 78:7070Hij verkoos Zijn dienaar David
en haalde hem bij de schaapskooien vandaan.
)
.

Isaï gehoorzaamt en laat David halen. Dat moet ook wel, want zonder David zal er geen maaltijd zijn. Hij is de hoofdpersoon. Als hij binnenkomt, komt hij als het ware uit het niets. Zijn naam wordt niet eens genoemd. Wel wordt zijn schoonheid beschreven. De schoonheid van David is anders dan die van Saul. Hij lijkt op de Heer Jezus (Hl 5:10a10Mijn Liefste is blank en rood,
Hij steekt als een vaandel boven tienduizend uit.
)
. Hij is rossig, roodachtig, iets wat in Israël bijzonder is. Ook heeft hij mooie ogen en een mooi voorkomen. Daarin komen zijn morele kenmerken tot uitdrukking. Zijn ogen wijzen op zijn inzicht dat door zijn omgang met God gevormd is. Zijn voorkomen ziet op zijn gedrag, zijn handelen, waarin hij zich ook door God laat leiden. Hem moet Samuel zalven.

David wordt in het midden van zijn broeders gezalfd. Saul wordt gezalfd als hij alleen is. David wordt hierna nog twee keer gezalfd: te midden van zijn stam, Juda (2Sm 2:44Toen kwamen de mannen van Juda en zalfden David daar tot koning over het huis van Juda. Men vertelde David: Het zijn de mannen van Jabes in Gilead die Saul begraven hebben.), en over heel Israël (2Sm 5:33Zo kwamen alle oudsten van Israël bij de koning in Hebron. En koning David sloot met hen in Hebron een verbond voor het aangezicht van de HEERE, en zij zalfden David tot koning over Israël.). Hier neemt hij, zoals de Heer Jezus bij Zijn doop gezalfd wordt, zijn plaats in te midden van het overblijfsel. In Psalm 89 zien we de verbinding tussen uitverkiezing en zalving in bewoordingen die in hun volheid op de Heer Jezus van toepassing zijn (Ps 89:20-2120Eens hebt U in een visioen gesproken over Uw heilige, en gezegd:
Ik heb een held van hulp voorzien,
Ik heb een verkorene uit het volk verheven.
21Ik heb David, Mijn dienaar, gevonden;
met Mijn heilige olie heb Ik hem gezalfd.
; vgl. Js 61:11De Geest van de Heere HEERE is op Mij,
omdat de HEERE Mij gezalfd heeft
om een blijde boodschap te brengen aan de zachtmoedigen.
Hij heeft Mij gezonden om te verbinden de gebrokenen van hart,
om voor de gevangenen vrijlating uit te roepen
en voor wie gebonden zaten, opening van de gevangenis;
; Lk 4:18-2118‘[De] Geest van [de] Heer is op Mij, doordat Hij Mij heeft gezalfd om aan armen het evangelie te verkondigen;19Hij heeft Mij gezonden om aan gevangenen loslating te prediken en aan blinden [het] gezicht, om verbrokenen heen te zenden in vrijlating, om te prediken [het] aangename jaar van [de] Heer’.20En nadat Hij het boek had opgerold en aan de dienaar teruggegeven, ging Hij zitten,21en de ogen van allen in de synagoge waren op Hem gericht. Hij nu begon tot hen te zeggen: Heden is dit Schriftwoord in uw oren vervuld.; Ps 45:7-87Uw troon, o God, bestaat eeuwig en altijd;
de scepter van Uw Koninkrijk is een scepter van rechtvaardigheid.
8U hebt gerechtigheid lief en haat goddeloosheid;
daarom heeft Uw God U gezalfd, o God,
met vreugdeolie, boven Uw metgezellen.
; Hb 1:8-98maar van de Zoon: ‘Uw troon, O God, is tot in alle eeuwigheid en de scepter van de rechtmatigheid is [de] scepter van Uw koningschap.9U hebt gerechtigheid liefgehad en wetteloosheid gehaat; daarom heeft God, Uw God, U gezalfd met vreugdeolie boven Uw metgezellen’.)

Ook wij zijn gezalfd met de Heilige Geest (2Ko 1:2121Hij nu Die ons met u bevestigt in Christus en ons heeft gezalfd, is God,; 1Jh 2:2020En u hebt [de] zalving vanwege de Heilige en u weet alles.) We hebben op grond van geloof niet alleen de Heilige Geest in ons ontvangen, maar er is ook sprake van de Heilige Geest Die op ons is. Dat is met name het geval als het gaat om het verrichten van een dienst voor God. Er is een direct verband tussen zalving en dienst. In dit verband spreekt de Heer Jezus over het worden “bekleed met kracht uit [de] hoogte” (Lk 24:4949En <zie>, Ik zend de belofte van Mijn Vader op u; u echter, blijft in de stad totdat u wordt bekleed met kracht uit [de] hoogte.).

Bij de zalving van Saul heeft Samuel enkele woorden gesproken (1Sm 10:11Toen nam Samuel een oliekruik, goot die leeg op zijn hoofd, kuste hem en zei: Is het niet zo, dat de HEERE u tot een vorst over Zijn eigendom gezalfd heeft?). Bij de zalving van David zegt hij niets, althans niet iets wat is opgetekend. Dat wil niet zeggen dat David de betekenis van zijn zalving niet heeft geweten. De nadruk ligt op het feit van de zalving.

De ware koning is nu gezalfd. Maar het behaagt God dat de wijze van het beklimmen van de troon net zo speciaal zal zijn als zijn uitverkiezing tot koning. Wie heeft ooit zo’n weg afgelegd naar de troon na gezalfd te zijn, behalve de Heer Jezus, van Wie David in zoveel opzichten een voorbeeld is? David wordt geschikt gemaakt voor de regering, terwijl tegelijk de mensen openbaar worden in hun boosheid. God gebruikt die boosheid om Zijn uitverkoren vat voor te bereiden op de troon. Hij leert David erdoor alleen op Hem te vertrouwen. David is hier waarschijnlijk rond de twintig jaar oud. Hij is dertig als Saul sterft. Hij heeft dus rond de tien jaar van Saul te lijden gehad.

Als Samuel David heeft gezalfd, gaat hij terug naar Rama. Hierna lezen we nog slechts twee keer van hem (1Sm 19:1818Zo vluchtte David en ontkwam. Hij kwam bij Samuel in Rama en vertelde hem alles wat Saul met hem gedaan had. Hij en Samuel gingen [op weg] en bleven in Najoth.; 25:11Samuel stierf; en heel Israël kwam bijeen, zij bedreven rouw over hem en begroeven hem bij zijn huis in Rama. David stond op en trok naar de woestijn Paran.). Hij trekt zich terug naar Rama om daar als het ware in vrede te sterven. Zijn ogen hebben om zo te zeggen in David de behoudenis gezien (vgl. Lk 2:27b-3027En hij kwam door de Geest in de tempel. En toen de ouders het Kind Jezus binnenbrachten om volgens de gewoonte van de wet met Hem te doen,28nam hij Het in zijn armen en hij loofde God29en zei: Nu laat U, Heer, Uw slaaf in vrede heengaan naar Uw woord,30want mijn ogen hebben Uw behoudenis gezien,), in wie de scepter in de stam van Juda is gekomen (Gn 49:1010De scepter zal van Juda niet wijken
en evenmin de heersersstaf van tussen zijn voeten,
totdat Silo komt,
en Hem zullen de volken gehoorzamen.
)
.


Een boze geest van God bij Saul

14De Geest van de HEERE was van Saul geweken, en een boze geest bij de HEERE vandaan joeg hem angst aan. 15Toen zeiden Sauls dienaren tegen hem: Zie toch, een boze geest van God jaagt u angst aan. 16Laat onze heer toch tegen uw dienaren, die bij u [in dienst zijn], zeggen dat zij een man moeten zoeken die op de harp kan spelen. En mocht het gebeuren dat de boze geest van God op u komt, dan zal hij erop tokkelen, zodat het beter met u gaat. 17Toen zei Saul tegen zijn dienaren: Kijk toch voor mij uit [naar] een man die goed [harp] kan spelen, en breng hem bij mij.

Terwijl de Geest vanaf de zalving op David rust, wijkt Hij van Saul. Als de Geest van de HEERE van Saul wijkt en een boze geest van de HEERE hem angst aanjaagt, wil dat niet zeggen dat Saul eerst een gelovige is en het daarna niet meer is. Saul is geen gelovige geweest. Het gaat ook niet om de inwoning van de Heilige Geest. Saul is de gezalfde koning en als zodanig is God met hem geweest. Omdat Saul God heeft verworpen, trekt God Zich van hem terug.

In de lege plaats komt een boze geest, want wat God niet vult, vult de duivel. In tegenstelling met Zijn geest zendt God een boze geest die, evenals alle boze geesten, ook slechts aan God onderworpen is en door Hem wordt gebruikt om Zijn doel te bereiken. De satan is altijd beperkt in zijn doen en laten en kan slechts handelen binnen de grenzen die God vaststelt (Jb 1:1212De HEERE zei tegen de satan: Zie, alles wat hij heeft, is in uw hand; alleen naar hemzelf mag u uw hand niet uitsteken. En de satan ging weg van het aangezicht van de HEERE.; 2:66En de HEERE zei tegen de satan: Zie, hij is in uw hand, maar spaar zijn leven.).

Het gaat met Saul net als eens met de farao. Saul heeft zo vaak God afgewezen, dat nu het ogenblik komt dat God hem niet verder helpen kan. Ongetwijfeld zal de boze geest hem het gevoel hebben gegeven dat hij door God verlaten is en niet langer Zijn goedkeuring heeft. Een boze geest bewerkt een geestelijk lijden en brengt uiteindelijk tot wanhoop en zelfmoord. Hij maakt een mens onbekwaam zijn gewone bezigheden te verrichten omdat hij hem alleen met zichzelf doet bezig zijn.

Sauls dienaren zien in dat het een boze geest is die van God komt. Zij hebben medelijden met hem en stellen een oplossing voor. Het middel dat zijn dienaren hem aanraden tot verlichting, is muziek. Het zou veel beter zijn geweest als zij hem hadden aangeraden om met oprecht berouw tot God te gaan. Ze hadden ook kunnen voorstellen om te vragen of Samuel wilde komen om voor hem te bidden en bij God voor hem te pleiten. Dan zou hij niet slechts voor het ogenblik verlichting hebben gehad, maar zou de goede geest van God tot hem zijn teruggekeerd.

Maar hun doel is hem vrolijk te maken en hem zo te genezen. Door dergelijke methoden worden velen, van wie het geweten van zonde overtuigd en opgeschrikt is, naar het verderf gevoerd. Hun voorstel een methode waarbij alle zorgen van de ziel worden gesmoord in de genietingen van de zinnen. De dienaren van Saul zouden er niet verkeerd aan hebben gedaan om muziek voor te stellen als een hulpmiddel om zijn geest op te vrolijken, als zij daarbij ook maar om de profeet hadden gezonden om Saul goede raad te geven.

Positief is het wel dat ze niet hebben voorgesteld om een tovenares of waarzegger te vragen om door bezweringen de boze geest uit te werpen. Een dergelijke goddeloze praktijk komen we wel tegen bij hen die zich tooien met de naam christen, maar in hun benauwdheid de duivel hebben geraadpleegd, waarmee zij hun toevlucht hebben genomen tot de hel. Het zal niets minder dan een wonder van Goddelijke genade zijn, als zij, die zich zo aan de satan overgeven, ooit weer uit zijn macht bevrijd worden.


Een knecht beschrijft David

18Toen antwoordde een van de knechten en zei: Zie, ik heb een zoon van Isaï, de Bethlehemiet, gezien die [harp] spelen kan; hij is een dappere held, een strijdbare man, ter zake kundig, iemand die [knap] is van gestalte, en de HEERE is met hem.

De knechten kennen David al langer. Ze kennen zijn muziek. Hij heeft gezongen en gespeeld over God. Muziek kan een rustgevende werking hebben (2Kn 3:1515Nu dan, breng een [harp]speler bij mij. En toen de [harp]speler ging spelen, gebeurde het dat de hand van de HEERE over hem kwam,). Ze brengt echter alleen een natuurlijke vrede. Er moet wel gespeeld worden door een man Gods, want het gaat om het verjagen van een boze geest. Het gaat niet om een therapie, maar om een geestelijke strijd. Daarom wordt er meer over David verteld dan alleen dat hij kan spelen en zingen. Behalve dat hij dat kan, is hij ook bekend als held en krijgsman. De knecht die Davids muzikale kwaliteiten kent, heeft David ook horen spreken en ook daarvan getuigt hij tegenover Saul (vgl. Jh 7:4646De dienaars antwoordden: Nooit heeft een mens zo gesproken <als deze Mens <spreekt>>.). Zoals de knecht voor Saul over David spreekt, kennen zijn broers hem niet, want zij hebben daar geen oog voor.

De knecht weet dit alles van David, zonder dat David in het leger is geweest. Het zijn allemaal kenmerken die pas opvallen als ze worden gebruikt. Bij Saul is het alleen het aanzien, zijn rijzige gestalte. Het aanzien van David is ook mooi, maar anders dan bij Saul. Hij is alleen mooi voor wie er oog voor heeft. Het is niet voor het natuurlijke oog, maar voor het geestelijke oog. Voor die schoonheid moeten we dieper kijken dan de oppervlakte, dieper dan het direct waarneembare.

Het laatste wat de knecht over David zegt, is dat de HEERE met hem is. De knecht heeft ook dat opgemerkt. Dit getuigenis wordt meerdere keren van Jozef gegeven (Gn 39:2-3,21,232De HEERE was met Jozef, zodat hij een voorspoedig man was; en hij bleef in het huis van zijn heer, de Egyptenaar.3En toen zijn heer zag dat de HEERE met hem was en dat de HEERE alles wat hij deed door zijn hand voorspoedig deed verlopen,21Maar de HEERE was met Jozef en bewees hem [Zijn] goedertierenheid; Hij gaf hem genade in de ogen van het hoofd van de gevangenis.23Het hoofd van de gevangenis zag naar geen enkel ding [meer] om [van wat] in zijn hand [was], omdat de HEERE met hem was. [Alles] wat hij deed, liet de HEERE voorspoedig verlopen.). Het wordt ook van de Heer Jezus gegeven (Hd 10:3838[met] Jezus van Nazareth, hoe God Hem heeft gezalfd met [de] Heilige Geest en met kracht. Hij is [het land] doorgegaan, terwijl Hij goeddeed en allen gezond maakte die door de duivel waren overweldigd, want God was met Hem.). Alles doet denken aan de Heer Jezus. Dat de knecht het opmerkt als bijzonderheid, zegt alles van het volk van God, want het is iets wat van het hele volk gezegd had moeten kunnen worden.


David bij Saul

19Saul stuurde boden naar Isaï en zei: Stuur uw zoon David, die bij de schapen is, naar mij toe. 20Toen nam Isaï een ezel met brood, een leren zak met wijn en een geitenbokje en stuurde ze door de hand van zijn zoon David naar Saul. 21Zo kwam David bij Saul, en hij stond in zijn dienst. En [Saul] had hem zeer lief, en [David] werd zijn wapendrager. 22Daarna stuurde Saul [een bode] naar Isaï om te zeggen: Laat David toch in mijn dienst staan, want hij heeft genade in mijn ogen gevonden. 23En telkens wanneer de [boze] geest van God over Saul kwam, gebeurde het dat David de harp nam en [erop] tokkelde. Voor Saul was dat dan een verademing: het ging beter met hem en de boze geest week van hem.

Saul luistert naar het voorstel van zijn knecht en laat David halen. Hij noemt de naam van David, zodat er geen twijfel over is wie hij bedoelt. Verder merkt hij als bijzonderheid op dat het gaat om hem “die bij de schapen is”. David is niet thuis, maar aan het werk bij de dieren die hij moet verzorgen en behoeden.

Isaï erkent de eer die hem hiermee door Saul wordt bewezen. Hij stuurt David naar Saul met een geschenk. Zo komt David bij Saul. Dat God Saul een boze geest stuurt, is aanleiding dat David bij Saul aan het hof komt. Zo komt David door de soevereiniteit van God aan het hof van Saul. Hij moet Saul leren kennen, en andersom. Door Gods voorzienigheid komt David bij Saul, zoals eerder Jozef en Mozes in de tegenwoordigheid van de machthebbers van hun dagen zijn gekomen.

Ook bij Saul aan het hof is David trouw in zijn dienst. Zijn dienst wordt door Saul zeer gewaardeerd, zozeer zelfs dat hij van David gaat houden. Saul is de eerste persoon van wie we lezen dat hij van David houdt. De haat van Saul die hij later toont, is niet op Davids persoon gericht, maar op wat deze doet en zal zijn. Hij haat hem niet vanwege zijn eigenschappen, maar vanwege zijn roeping. Hij ziet in David een concurrent voor de troon die hij niet wil afstaan.

Later zal hij hem tot zijn wapendrager maken, een speciale functie van vertrouwen in de directe omgeving van de koning. De Geest wijst er hier al op. Ook de vraag aan Isaï om David altijd bij zich te mogen hebben, is pas later gesteld. Saul heeft David in het begin alleen als speelman leren kennen tijdens zijn boze buien. Later leert hij hem beter kennen.

Het zal Isaï als vader goed hebben gedaan dat Saul een dergelijk getuigenis van zijn zoon geeft. David heeft zich als een goed onderdaan gedragen en voldaan aan de gestelde verwachtingen. Zo zouden werkgevers ook over onze kinderen als werknemers moeten kunnen spreken.

Saul profiteert van de dienst van David, maar het brengt geen verandering in zijn houding ten opzichte van de HEERE. Zoals door de muziek van David de boze geest van Saul wijkt, zo heeft ook de dienst van de Heer Jezus tijdens Zijn omwandeling op aarde verlichting gebracht voor velen die door boze geesten bezeten waren. Ook in de dagen van de Heer Jezus hebben velen geprofiteerd van de zegeningen die Hij verspreidde, maar ook zonder dat het een bekering tot God tot gevolg had.

Harpen worden wel gekoppeld aan profetendienst (1Sm 10:55Daarna zult u op de heuvel van God komen, waar garnizoenen van de Filistijnen liggen. En het zal gebeuren, als u daar in de stad komt, dat u een groep profeten tegen zult komen, die van de hoogte afkomt. Zij hebben luiten, tamboerijnen, fluiten en harpen bij zich, en zijn aan het profeteren.; 1Kr 25:1a1Verder zonderde David met de legerbevelhebbers [mensen] af voor het dienstwerk uit de nakomelingen van Asaf, Heman en Jeduthun. Zij profeteerden onder [het spel van] harpen, luiten en cimbalen. Dit is hun aantal, van de mannen werkzaam voor hun dienstwerk.). De toepassing is te maken dat het Woord van God dat in een samenkomst wordt gesproken een rustgevende uitwerking kan hebben. Het gaat bij de dienst van nieuwtestamentische profeten – een dienst die in de samenkomst van de gemeente openstaat voor iedere broeder (1Ko 14:25-3325het verborgene van zijn hart wordt openbaar, en dus zal hij op zijn aangezicht neervallen en God aanbidden en verkondigen dat God werkelijk onder u is.26Hoe is het dan, broeders? Wanneer u samenkomt, heeft ieder een psalm, heeft een leer, heeft een openbaring, heeft een taal, heeft een uitlegging; laat alles gebeuren tot opbouwing.27Als iemand in een taal spreekt, dan door twee of ten hoogste drie, en [ieder] op zijn beurt, en laat één het uitleggen.28Maar als er geen uitlegger is, laat hij zwijgen in [de] gemeente en laat hij tot zichzelf spreken en tot God.29En laten twee of drie profeten spreken en laten de anderen het beoordelen.30En als aan een ander die [daar] zit, [iets] geopenbaard wordt, laat de eerste zwijgen.31Want u kunt allen, een voor een, profeteren, opdat allen leren en allen vertroost worden.32En [de] geesten van [de] profeten zijn aan [de] profeten onderworpen.33Want God is niet [een God] van verwarring maar van vrede, zoals in alle gemeenten van de heiligen.) – om de opbouw van de gemeente. “Wie profeteert, spreekt voor mensen [tot] opbouwing, vermaning en vertroosting” (1Ko 14:33Maar wie profeteert, spreekt voor mensen [tot] opbouwing, vermaning en vertroosting.). Als er zulke woorden worden gesproken, zal dat een aangename ervaring zijn voor iedere aanwezige die iets van de Heer verwacht wat tot nut is voor zijn of haar geestelijk leven.


Lees verder