1 Samuel
1-4 Het volk is bang voor Nahas 5-11 Saul verslaat Ammon 12-13 De overwinning is van de HEERE 14-15 Samuel vernieuwt het koningschap
Het volk is bang voor Nahas

1Toen trok Nahas, de Ammoniet, [ten strijde] en belegerde Jabes in Gilead. En al de mannen van Jabes zeiden tegen Nahas: Sluit een verbond met ons, dan zullen wij u dienen. 2Maar Nahas, de Ammoniet, zei tegen hen: Op deze [voorwaarde] zal ik [een verbond] met u sluiten, dat ik bij u allen het rechteroog uitsteek. Zo zal ik schande over heel Israël brengen. 3Toen zeiden de oudsten van Jabes tegen hem: Laat ons zeven dagen met rust, zodat wij boden kunnen sturen naar al de gebieden van Israël. Als er dan niemand is die ons verlost, zullen wij naar buiten komen, naar u toe. 4Toen de boden in Gibea kwamen, [waar] Saul [woonde], en deze woorden ten aanhoren van het volk spraken, begon heel het volk luid te huilen.

De eerste vijand met wie Saul te maken krijgt, zijn niet de Filistijnen, maar is de Ammoniet Nahas. Nahas betekent ‘slang’. David zal met de zoon van Nahas te maken krijgen (1Kr 19:1-41Het gebeurde daarna dat Nahas, de koning van de Ammonieten, stierf, en zijn zoon werd koning in zijn plaats.2Toen zei David: Ik zal goedertierenheid bewijzen aan Hanun, de zoon van Nahas, want zijn vader heeft mij goedertierenheid bewezen. En David stuurde boden om hem te troosten vanwege zijn vader. Toen de dienaren van David [echter] in het land van de Ammonieten aankwamen om hem te troosten,3zeiden de vorsten van de Ammonieten tegen Hanun: Eert David uw vader in uw ogen door mannen naar u toe te sturen om u te troosten? Zijn zijn dienaren niet naar u toe gekomen om het land te onderzoeken, het ondersteboven te keren en het te verkennen?4Daarop nam Hanun de dienaren van David, schoor hen en sneed hun kleren halverwege af, tot aan de heupen, en liet hen gaan.). De dreiging die Nahas heeft laten horen, is een van de redenen waarom het volk een koning heeft gewild (1Sm 12:1212Toen u zag dat Nahas, de koning van de Ammonieten, op u afkwam, zei u tegen mij: Nee, maar een koning moet over ons regeren – terwijl toch de HEERE, uw God, uw Koning is.).

Nahas belegert Gilead. Gilead ligt niet in het beloofde land, maar in het Overjordaanse. Dat is het gebied dat als eerste bedreigd wordt als vijandige machten het land willen binnenvallen. De mannen van Jabes stellen de vijand voor om een verbond met elkaar te sluiten. Als tegenprestatie moeten zij zich aan de vijand onderwerpen. Aan een roepen tot God wordt niet gedacht. Zozeer zijn de inwoners van de stad van God vervreemd.

Nahas wil wel op dit voorstel ingaan, maar hij komt op een idee. Hij stelt een voorwaarde, waardoor het volk nog dieper zal worden vernederd. Zijn voorwaarde om het rechteroog uit te steken zal het volk uitschakelen, want dan kunnen ze niet meer met de boog schieten. Nahas spreekt echter niet slechts over een smaad voor Jabes alleen, maar over de schande die daardoor over “heel Israël” komt.

‘De slang’ heeft meer besef van de eenheid van Gods volk dan de inwoners van Jabes. In Richteren 21 wilde Jabes neutraal zijn (Ri 21:8-98Toen zeiden zij: Is er iemand van de stammen van Israël die niet in Mizpa naar de HEERE is opgekomen? En zie, uit Jabes in Gilead was er niemand naar het kamp, naar de gemeente, gekomen.9Daarop werd het volk geteld, en zie, er was niemand van de inwoners van Jabes in Gilead.). Zolang het anderen betreft, bekommert men zich er niet om en wil men neutraal blijven. Met deze smaad op Jabes zal het hele volk getroffen zijn, er zal een smaad op heel Israël worden gelegd. Dit antwoord van Nahas is misschien wel bedoeld als wraak op Israël voor de schande van de nederlaag die Jefta de Ammonieten heeft toegebracht (Ri 11:32-3332Zo trok Jefta op naar de Ammonieten om tegen hen te strijden, en de HEERE gaf hen in zijn hand.33En hij versloeg hen vanaf Aroër tot waar u bij Minnith komt: twintig steden; en tot bij Abel-Keramim, met een zeer grote slag. Zo werden de Ammonieten vernederd van voor [de ogen van] de Israëlieten.).

Onder deze dreiging ziet Jabes, nu het henzelf betreft, wel de eenheid van Gods volk en zoekt daarin ook zijn steun. De oudsten van Jabes vragen uitstel en geven de reden ervan aan. Ze willen een roep om hulp laten uitgaan naar Israël. Toen anderen de hulp van Jabes nodig hadden, gaf Jabes niet thuis. Nu ze zelf in nood zijn, willen ze dat anderen hen helpen.

Nahas, overtuigd van zijn eigen kracht en de zwakheid van Israël, geeft Jabes gelegenheid anderen te hulp te roepen. Israël moet wel heel zwak zijn geweest, dat Nahas zo zelfverzekerd kan handelen. Het lijkt er ook op dat Israël in die tijd geen centraal gezag heeft. Ook kunnen we concluderen dat noch Nahas noch de Jabesieten hebben gehoord van de verkiezing van Saul tot koning. Dat wordt nog duidelijker als de boodschappers in vers 44Toen de boden in Gibea kwamen, [waar] Saul [woonde], en deze woorden ten aanhoren van het volk spraken, begon heel het volk luid te huilen. in het Gibea van Saul komen en hun zaak aan het volk voorleggen, zonder direct een beroep op Saul te doen.

In hun missie om steun te verwerven in hun verweer tegen Nahas komen de boodschappers ook in Gibea waaraan hier de naam van Saul wordt verbonden. Als Gibea van hun situatie hoort, huilen zij erover. Hun huilen is geen huilen van droefheid, waardoor ze zich tot God wenden, maar van lafheid, omdat ze bang zijn voor de vijand. Het lijkt erop dat ook zij niets afweten van de tot koning gezalfde Saul. Ze vragen tenminste niet of Saul wil komen.


Saul verslaat Ammon

5En zie, Saul kwam van achter de runderen van de akker, en Saul zei: Wat is er met het volk, dat zij huilen? Toen maakten zij hem de woorden van de mannen van Jabes bekend. 6De Geest van God werd vaardig over Saul toen hij deze woorden hoorde, en hij ontstak in hevige woede. 7Hij nam een span runderen, hakte ze in stukken, en stuurde ze naar alle gebieden van Israël door de hand van de boden, die zeiden: Wie niet uittrekt achter Saul en achter Samuel aan, met diens runderen zal net zo gedaan worden. Toen viel grote vrees voor de HEERE op het volk, en zij trokken als één man uit. 8Hij telde hen in Bezek. Van de Israëlieten waren er driehonderdduizend en van de mannen van Juda dertigduizend. 9Toen zeiden zij tegen de boden die gekomen waren: Dit moet u tegen de mannen in Jabes in Gilead zeggen: Morgen, als de zon heet wordt, zal er verlossing voor u komen. Toen de boden kwamen en dat aan de mannen in Jabes vertelden, waren die verheugd. 10De mannen van Jabes zeiden [tegen Nahas]: Morgen zullen wij naar buiten komen, naar u toe, en dan kunt u met ons doen overeenkomstig alles wat goed is in uw ogen. 11En het gebeurde de volgende dag dat Saul het volk in drie groepen verdeelde. Die kwamen bij het aanbreken van de dag in het midden van het legerkamp en sloegen op Ammon in tot de dag heet werd. En het gebeurde dat zij die overbleven, zo verspreid werden, dat er van hen geen twee bij elkaar bleven.

Saul is nog gewoon de boerenzoon. Hij komt van het veld als hij van de vernedering en bedreiging hoort. Zijn reactie hoort bij het begin van zijn leven als gezalfde koning dat we als het beste deel van zijn koningschap kunnen beschouwen. De Geest van God legt beslag op hem. Zijn verontwaardiging is groot, maar ook menselijke woede lijkt een rol te spelen, misschien uit boosheid over de lafheid van Jabes.

Om Israël actiebereid te maken stelt hij een schrikwekkend voorbeeld. De woorden die hij hierbij spreekt, zijn kenmerkend. Hij spreekt niet over een uittrekken achter de HEERE, maar alleen over een optrekken achter hem en Samuel. Opmerkelijk is ook dat hij zichzelf eerst noemt en dus de eerste plaats inneemt. Hij vraagt niet of Samuel het ermee eens is. Samuel zelf heeft nooit een plaats opgeëist naast de koning. Ondanks al deze negatieve kenmerken, gebruikt God het toch. Hij laat Zijn schrik op het volk vallen.

De opkomst is enorm. Als God handelt, kan er iets geweldigs gebeuren. Geen man zal thuisgebleven zijn. Hoewel Israël nog een geheel is, wordt hier door de Geest toch al gewezen op een onderscheid tussen Israël en Juda. Na de bemoedigende opkomst wordt de boodschappers van Jabes de verlossing in het vooruitzicht gesteld. Als ze met dit bericht thuiskomen, is er vreugde in Jabes, maar naar Nahas toe volharden zij in hun huichelarij.

De tocht vanuit Bezek is waarschijnlijk de nacht ervoor begonnen. Als ze tegen het aanbreken van de morgen bij Jabes zijn aangekomen, verdeelt Saul het volk in drie legers. Dit is bij Gideon een beproefde strategie gebleken (Ri 7:16,20-2216Toen verdeelde hij de driehonderd man in drie groepen en gaf iedereen een bazuin en lege kruiken in de hand, met fakkels binnenin de kruiken.20Zo bliezen de drie groepen op de bazuinen en braken de kruiken. Met hun linkerhand hielden zij de fakkels vast en met hun rechterhand de bazuinen om [daarop] te blazen. En zij riepen: Het zwaard van de HEERE en van Gideon!21En zij stonden rondom het kamp, ieder op zijn plaats. Toen ging heel het kamp op de loop. Ze schreeuwden [het uit] en vluchtten weg.22Toen de driehonderd op de bazuinen bliezen, richtte de HEERE het zwaard van de een tegen de ander, en [dat] in heel het kamp. En het leger vluchtte naar Beth-Sitta in de richting van Zerera, tot aan de oever van Abel-Mehola, boven Tabbath.). Saul en zijn mannen behalen een geweldige overwinning omdat de HEERE hier handelt. Er blijven geen twee vijanden samen, wat betekent dat de vijand volledig krachteloos geworden is. Het is het bewijs voor Saul dat de HEERE met hem is.

De overwinning van de koning naar het vlees op het vlees is te vergelijken met de orthodoxe leer die de dwaalleer buiten de deur houdt. Of ook met bepaalde vormen van wetticisme die wereldse invloeden buiten de deur houden, terwijl er geen leven uit God is. 1 Samuel 15 laat dan ook zien dat Saul uit deze overwinning niets heeft geleerd.


De overwinning is van de HEERE

12Toen zei het volk tegen Samuel: Wie is hij die zei: Zou Saul over ons regeren? Geef hier die mannen, dan zullen wij hen doden. 13Maar Saul zei: Er zal op deze dag niemand gedood worden, want de HEERE heeft Israël vandaag verlossing geschonken.

In de roes van de overwinning wil het volk ook onder het eigen volk nog een slachting aanrichten, zo enthousiast zijn ze door de overwinning onder leiding van Saul. Ze richten zich tot Samuel, waarmee ze hem nog als hun leider erkennen.

In de oprechtheid die ook een natuurlijk mens eigen kan zijn, houdt Saul het volk van hun voornemen af. Het siert hem dat hij de HEERE de eer van de overwinning geeft. Tot al deze dingen kan een natuurlijk mens komen, terwijl zijn hart toch ver van God is.


Samuel vernieuwt het koningschap

14En Samuel zei tegen het volk: Kom, laten wij naar Gilgal gaan en het koningschap daar vernieuwen. 15Toen ging heel het volk naar Gilgal en stelde Saul daar in Gilgal aan tot koning, voor het aangezicht van de HEERE; en zij brachten daar dankoffers voor het aangezicht van de HEERE. En Saul verheugde zich daar buitengewoon, met al de mannen van Israël.

Samuel maakt gebruik van de juichstemming onder het volk. Hij beoordeelt dat dit de tijd is om het koningschap te vernieuwen. Daarvoor wil hij naar Gilgal gaan, de plaats waar door de besnijdenis de “smaad van Egypte” door de HEERE van Zijn volk is “afgewenteld” (Jz 5:9a9Verder zei de HEERE tegen Jozua: Vandaag heb Ik de smaad van Egypte van u afgewenteld. Daarom gaf men die plaats de naam Gilgal, tot op deze dag.). “Gilgal” betekent ‘afwenteling’. “Daarom gaf men die plaats de naam Gilgal” (Jz 5:9b9Verder zei de HEERE tegen Jozua: Vandaag heb Ik de smaad van Egypte van u afgewenteld. Daarom gaf men die plaats de naam Gilgal, tot op deze dag.). Bij de inbezitneming van het land keerde het volk na elke strijd weer daarheen terug. Geestelijk stelt het de plaats voor waar het oordeel over het vlees is voltrokken (Ko 2:1111In Hem bent u ook besneden met een besnijdenis, niet met handen verricht, in het uittrekken van het lichaam van het vlees, in de besnijdenis van Christus,).

Na de besnijdenis in Gilgal heeft Jozua geleerd Wie de werkelijke Leider van het volk is (Jz 5:13-1513Het gebeurde toen Jozua bij Jericho was, dat hij zijn ogen opsloeg en zag, en zie, er stond een Man voor hem met een getrokken zwaard in Zijn hand. Jozua ging naar Hem toe en zei tegen Hem: Hoort U bij ons of bij onze tegenstanders?14Hij zei: Nee, maar Ik ben de Bevelhebber van het leger van de HEERE. Nu ben Ik gekomen. Toen wierp Jozua zich met het gezicht ter aarde, boog zich neer en zei tegen Hem: Wat [wil] mijn Heere tot Zijn dienaar spreken?15Toen zei de Bevelhebber van het leger van de HEERE tegen Jozua: Doe uw schoenen van uw voeten, want de plaats waarop u staat, is heilig. En Jozua deed dat.). Door te begrijpen wat er in Gilgal is gebeurd, zou ook Saul moeten leren dat God de werkelijke Koning is en dat hij, Saul, het is ten behoeve van God en niet in de plaats van God. Zeven keer wordt in deze twee verzen 14-1514En Samuel zei tegen het volk: Kom, laten wij naar Gilgal gaan en het koningschap daar vernieuwen.15Toen ging heel het volk naar Gilgal en stelde Saul daar in Gilgal aan tot koning, voor het aangezicht van de HEERE; en zij brachten daar dankoffers voor het aangezicht van de HEERE. En Saul verheugde zich daar buitengewoon, met al de mannen van Israël. op Gilgal gewezen, hetzij bij name, hetzij door de verwijzing “daar” waarmee Gilgal bedoeld wordt.

Het volk brengt een dank- of vredeoffer. Dit is de tweede keer dat Saul aan een dank- of vredeoffer deelneemt. Eerder heeft hij er met Samuel aan deelgenomen (1Sm 9:2424De slachter bracht een achterbout met wat eraan zat, en zette die Saul voor. [Samuel] zei: Zie, dit is wat overgebleven is; zet het voor u [en] eet, want het is voor u bewaard voor deze gelegenheid, toen ik zei: Ik heb het volk uitgenodigd. Zo at Saul op die dag met Samuel.). De vreugde is die in de HEERE voor de overwinning die Hij heeft gegeven. Saul zal ook de HEERE daarvoor oprecht hebben gedankt.

Mensen kunnen God danken, ook zonder dat er nieuw leven is. Het is in zekere zin het danken van de farizeeër. Als een mens nog niet heeft geleerd dat in hem, dat is in zijn vlees, niets goeds woont, kan hij zich oprecht in God verheugen, terwijl hij in de eeuwigheid zonder Hem zal zijn.


Lees verder