1 Kronieken
Inleiding 1-2 Jeruzalem na de ballingschap 3-9 Familiehoofden 10-13 Priesters 14-34 Levieten, poortwachters en zangers 35-44 Het geslachtsregister van de Gibeonieten
Inleiding

In dit hoofdstuk hebben we wel enkele geslachtsregisters, maar de nadruk ligt toch meer op de inwoners van Jeruzalem, de stad die God als Zijn stad uitgekozen heeft, zoals deze is na de ballingschap. De hoogtepunten zijn de koningsstam Juda, de priesterstam Levi en de koningsstad Jeruzalem.

Hoe moeilijk het is geweest om Jeruzalem weer bewoond te krijgen, bewijst Nehemia 11, waar we veel namen uit dit hoofdstuk terugvinden. Na de terugkeer moest er weer orde komen in Israël en in het bijzonder in Jeruzalem. Deze orde is in zekere mate hersteld. De geslachtsregisters hebben daarbij een belangrijke rol gespeeld. Voor hen die er zijn gaan wonen, betekende het, dat zij in de directe tegenwoordigheid van de Koning en van de tempel woonden.


Jeruzalem na de ballingschap

1Heel Israël werd in geslachtsregisters ingeschreven, en zie, zij zijn geschreven in het boek van de koningen van Israël. De Judeeërs werden vanwege hun trouwbreuk in ballingschap gevoerd naar Babel. 2De eerste inwoners die [zich] in hun bezit, in hun steden, [vestigden,] waren Israëlieten, de priesters, de Levieten en de tempeldienaren.

We kunnen vers 11Heel Israël werd in geslachtsregisters ingeschreven, en zie, zij zijn geschreven in het boek van de koningen van Israël. De Judeeërs werden vanwege hun trouwbreuk in ballingschap gevoerd naar Babel. wel als een soort conclusie van de voorgaande hoofdstukken opvatten. We lezen in het eerste deel van het vers over de inschrijving van het hele volk in geslachtsregisters. Het belang ervan wordt in het tweede deel van het vers gegeven, want daar wordt deze inschrijving verbonden aan de wegvoering in ballingschap naar Babel.

In vers 11Heel Israël werd in geslachtsregisters ingeschreven, en zie, zij zijn geschreven in het boek van de koningen van Israël. De Judeeërs werden vanwege hun trouwbreuk in ballingschap gevoerd naar Babel. is sprake van “heel Israël” hoewel slechts een overblijfsel, dat ook nog eens voor het merendeel tot de twee stammen behoort, naar Jeruzalem is teruggekeerd. Het laat zien dat God altijd het hele volk op het oog heeft.

“De eerste inwoners” worden onderverdeeld in vier groepen: gewone burgers, priesters, Levieten en tempeldienaren (vers 22De eerste inwoners die [zich] in hun bezit, in hun steden, [vestigden,] waren Israëlieten, de priesters, de Levieten en de tempeldienaren.).


Familiehoofden

3In Jeruzalem woonden van de nakomelingen van Juda, van de nakomelingen van Benjamin en van de nakomelingen van Efraïm en Manasse: 4Uthai, de zoon van Ammihud, de zoon van Omri, de zoon van Imri, de zoon van Bani, van de nakomelingen van Perez, de zoon van Juda. 5Van de Silonieten: Asaja, de eerstgeborene en zijn zonen. 6Van de zonen van Zerah: Jeuël, en van zijn broeders: zeshonderdnegentig [man]. 7Van de nakomelingen van Benjamin: Sallu, de zoon van Mesullam, de zoon van Hodavja, de zoon van Hassenua; 8Jibnea, de zoon van Jeroham; Ela, de zoon van Uzzi, de zoon van Michri; Mesullam, de zoon van Sefatja, de zoon van Reuël, de zoon van Jibnia. 9Verder hun broeders, [ingedeeld] naar hun afstamming, negenhonderdzesenvijftig. Al deze mannen waren familiehoofden van hun families.

In vers 33In Jeruzalem woonden van de nakomelingen van Juda, van de nakomelingen van Benjamin en van de nakomelingen van Efraïm en Manasse: worden de twee en de tien stammen genoemd. Er is sprake van Juda en Benjamin, de twee stammen, en van Efraïm en Manasse, die staan voor de tien stammen. We zien het hele volk van God. Ook wij zijn gehouden te leven naar de orde die geldt voor het hele volk van God, dat is Gods koninkrijk zoals het nu op aarde is. Dat moet gebeuren naar de aanwijzingen van de Heer van dat rijk die Hij in Zijn Woord geeft.


Priesters

10Van de priesters: Jedaja, Jojarib, Jachin; 11Azarja, de zoon van Hilkia, de zoon van Mesullam, de zoon van Zadok, de zoon van Merajoth, de zoon van Ahitub, de verantwoordelijke voor het huis van God; 12Adaja, de zoon van Jeroham, de zoon van Pashur, de zoon van Malchia; Masai, de zoon van Adiël, de zoon van Jahzera, de zoon van Mesullam, de zoon van Mesillemith, de zoon van Immer, 13met hun broeders, hoofden van hun families, duizendzevenhonderdzestig strijdbare helden voor het dienstwerk in het huis van God.

Er is sprake van “de verantwoordelijke voor het huis van God” (vers 1111Azarja, de zoon van Hilkia, de zoon van Mesullam, de zoon van Zadok, de zoon van Merajoth, de zoon van Ahitub, de verantwoordelijke voor het huis van God;). De priesters worden strijdbare helden voor het dienstwerk in het huis van God” genoemd (vers 1313met hun broeders, hoofden van hun families, duizendzevenhonderdzestig strijdbare helden voor het dienstwerk in het huis van God.). Dit laat zien dat dezelfde kracht die nodig is voor de strijd buiten het terrein van Gods huis, nodig is voor de dienst in het huis van God.


Levieten, poortwachters en zangers

14Van de Levieten: Semaja, de zoon van Hassub, de zoon van Azrikam, de zoon van Hasabja, van de nakomelingen van Merari; 15Bakbakkar, Heres, Galal en Mattanja, de zoon van Micha, de zoon van Zichri, de zoon van Asaf; 16Obadja, de zoon van Semaja, de zoon van Galal, de zoon van Jeduthun; Berechja, de zoon van Asa, de zoon van Elkana, die in de dorpen van de Netofathieten woonde. 17De poortwachters waren Sallum, Akkub, Talmon, Ahiman en hun broeders. Sallum was het hoofd, 18en tot nu toe [staan zij op wacht] bij de koningspoort aan de oostkant. Zij waren poortwachters bij de legerkampen van de Levieten. 19Sallum, de zoon van Kore, de zoon van Ebjasaf, de zoon van Korach, en zijn broeders uit zijn familie, de Korachieten, gingen over het dienstwerk [als] deurwachters bij de tabernakel, zoals hun vaderen in het kamp van de HEERE wachters bij de ingang geweest waren. 20Pinehas, de zoon van Eleazar, was vroeger de verantwoordelijke [leider] van hen; de HEERE was met hem. 21Zacharja, de zoon van Meselemja, was poortwachter bij de ingang van de tent van ontmoeting. 22Het totaal van hen die tot poortwachters bij de deuren waren gekozen, was tweehonderdtwaalf. Zij waren in hun dorpen in het geslachtsregister ingeschreven. David en Samuel, de ziener, hadden hen in hun ambt bevestigd. 23Zij en hun zonen [hielden de wacht] bij de poorten van het huis van de HEERE, bij de tentwoning, overeenkomstig hun taken. 24Naar de vier wind[streken] waren die poortwachters [opgesteld]: naar het oosten, naar het westen, naar het noorden en naar het zuiden. 25En hun broeders [verbleven] in hun dorpen om van tijd tot tijd zeven dagen [dienst] met hen te komen [doen]. 26Want in dat ambt waren zij de vier voornaamste poortwachters. Zij waren Levieten. Zij gingen over de [voorraad]kamers en over de schatkamers van het huis van God. 27Zij overnachtten rondom het huis van God, want [deze] taak rustte op hen; ook gingen zij over het openen [van de poorten], en dat iedere morgen. 28[Enkelen] van hen gingen over de voorwerpen voor de dienst, want per aantal brachten zij die naar binnen en per aantal brachten zij die naar buiten; 29en [anderen] van hen waren aangesteld over de voorwerpen, namelijk over al de heilige voorwerpen, over de meelbloem, over de wijn, de olie, de wierook en de specerijen. 30[Enkelen] van de zonen van de priesters waren bereiders van het mengsel van specerijen. 31Mattithja, uit de Levieten, die de eerstgeborene was van Sallum, de Korachiet, had het ambt van [toezichthouder] over het bakwerk. 32[Enkelen] van de nakomelingen van de Kahathieten, van hun broeders, gingen over het uitgestalde brood, om dat sabbat [na] sabbat klaar te maken. 33Dit waren ook de zangers, familiehoofden onder de Levieten, vrijgesteld van dienst in de [voorraad]kamers; [de verantwoordelijkheid] voor [hun eigen] werk rustte immers dag en nacht op hen. 34Dit zijn de familiehoofden van de Levieten, [ingedeeld] naar hun afstamming. Dezen woonden in Jeruzalem.

De poortwachters (vers 1717De poortwachters waren Sallum, Akkub, Talmon, Ahiman en hun broeders. Sallum was het hoofd,) moeten ervoor zorgen dat niets Gods huis binnenkomt wat er niet hoort. Het is de opdracht van iedere gelovige met betrekking tot de huidige tempel, de gemeente van God om daarvoor te waken (vgl. Mk 13:3434zoals een mens die buitenslands gaat, zijn huis verlaat en aan zijn slaven macht geeft, aan ieder zijn werk, en de deurwachter gebiedt te waken.). Het houdt bijvoorbeeld in dat we opletten wat wordt geleerd, welk evangelie wordt gebracht, hoe wordt aangebeden. De norm van beoordeling is, dat “alles … tot opbouwing” gebeurt (1Ko 14:26b26Hoe is het dan, broeders? Wanneer u samenkomt, heeft ieder een psalm, heeft een leer, heeft een openbaring, heeft een taal, heeft een uitlegging; laat alles gebeuren tot opbouwing.).

Hoewel alle gelovigen de taak hebben erop toe te zien dat wat in de gemeente gebeurt in overeenstemming met Gods wil is, rust deze taak speciaal op de schouders van oudsten of opzieners. Behalve dat de functie van poortwachter van belang is voor de gemeente, is de waakzaamheid van de poortwachter ook van belang voor ons lichaam, dat ook een tempel van de Heilige Geest is (1Ko 6:1919Of weet u niet, dat uw lichaam [de] tempel is van [de] Heilige Geest Die in u is, Die u van God hebt, en dat u niet van uzelf bent?). Wij moeten erop letten wat via onze ogen en oren ons hart binnenkomt.

“De koningspoort” (vers 1818en tot nu toe [staan zij op wacht] bij de koningspoort aan de oostkant. Zij waren poortwachters bij de legerkampen van de Levieten.; 2Kn 16:1818Ook verwijderde hij de sabbatsgalerij, die zij in het huis gebouwd hadden, en de buitenste ingang voor de koning in het huis van de HEERE, omwille van de koning van Assyrië.) is de poort waardoor de koning van zijn paleis naar de tempel gaat. Deze poort zal altijd gesloten zijn geweest en alleen zijn opengegaan als de koning erdoor naar de tempel gaat en vanuit de tempel weer naar zijn paleis gaat (Ez 44:2-32En de HEERE zei tegen mij: Deze poort moet gesloten blijven. Hij mag niet geopend worden en niemand mag erdoor binnenkomen, want de HEERE, de God van Israël, is erdoor binnengekomen. Daarom moet hij gesloten blijven.3Wat de vorst betreft, de vorst, [alleen] hij mag erin zitten om brood te eten voor het aangezicht van de HEERE. Via de voorhal van de poort mag hij binnenkomen en via dezelfde weg naar buiten gaan.). Hoewel er geen koning in Israël is als het overblijfsel is teruggekeerd in Israël, wordt deze poort toch in ere gehouden, waarschijnlijk in de hoop dat de scepter vroeg of laat weer naar het huis van David terugkeert.

Kan, wat van Pinehas wordt gezegd, ook van ons worden gezegd? “De HEERE was met hem” (vers 2020Pinehas, de zoon van Eleazar, was vroeger de verantwoordelijke [leider] van hen; de HEERE was met hem.). Dat kan van hem worden gezegd omdat hij voor de eer van de HEERE heeft gewaakt en daarvoor is opgekomen op het moment dat Zijn eer in het geding was (Nm 25:6-156En zie, een man uit de Israëlieten kwam en bracht een Midianitische [vrouw] bij zijn broeders, voor de ogen van Mozes en voor de ogen van heel de gemeenschap van de Israëlieten, terwijl zij huilden [bij] de ingang van de tent van ontmoeting.7Toen Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van de priester Aäron, [dat] zag, stond hij op uit het midden van de gemeenschap, nam een speer in zijn hand,8ging achter de Israëlitische man aan het slaapvertrek in, en doorstak hen beiden, zowel de Israëlitische man als de vrouw, door hun buik. Toen werd de plaag over de Israëlieten tot stilstand gebracht.9[Het aantal van] hen die aan de plaag stierven, was vierentwintigduizend.10Toen sprak de HEERE tot Mozes:11Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van de priester Aäron, heeft Mijn grimmigheid over de Israëlieten afgewend, doordat hij zich in hun midden met ijver voor Mij heeft ingezet, zodat Ik de Israëlieten niet in Mijn na-ijver vernietigd heb.12Zeg daarom: Zie, Ik geef hem Mijn verbond van vrede:13hij, en zijn nageslacht na hem, zullen het verbond van het eeuwige priesterschap hebben, omdat hij zich voor zijn God heeft ingezet en verzoening voor de Israëlieten heeft gedaan.14De naam nu van de gedode Israëlitische man, die samen met de Midianitische [vrouw] gedood was, was Zimri, de zoon van Salu, een leider van een familie van de Simeonieten.15En de naam van de gedode Midianitische vrouw was Kozbi, dochter van Zur; hij was stamhoofd van een familie in Midian.).

Er wordt hier iets van Samuel gezegd wat we nergens anders van hem lezen (vers 2222Het totaal van hen die tot poortwachters bij de deuren waren gekozen, was tweehonderdtwaalf. Zij waren in hun dorpen in het geslachtsregister ingeschreven. David en Samuel, de ziener, hadden hen in hun ambt bevestigd.). Hier blijkt dat hij niet alleen als profeet het Woord van God tot het geweten van het volk heeft gesproken, maar ook zijn bijdrage heeft geleverd aan de dienst in het huis van God. Hij is tenslotte ook in de directe omgeving van de tabernakel opgegroeid en daardoor volkomen vertrouwd geraakt met de dienst daarin. Het is geen vergeten aspect van zijn dienst, maar de Heilige Geest heeft het goed gedacht dat pas hier te vermelden. Het doet ons eraan denken dat de dienst in het huis van God volledig in overeenstemming moet zijn met het Woord van God.

Zij die in het huis van God dienen, brengen daar ook vlakbij de nacht door (vers 2727Zij overnachtten rondom het huis van God, want [deze] taak rustte op hen; ook gingen zij over het openen [van de poorten], en dat iedere morgen.). Daardoor kunnen zij, zodra ze wakker zijn, direct beginnen met hun dienst. Het is goed voor dienaren dicht bij hun werk, bij het huis van God, te zijn om zich daar volledig aan toe te wijden. Voor ons betekent het dat wij ons voortdurend bewust zijn dat we ons in Gods huis bevinden en dat ons hele dagelijkse leven zich daar afspeelt, terwijl het nacht is in de wereld om ons heen.

Er is verscheidenheid en eenheid in de dienst van de Levieten (verzen 28-3228[Enkelen] van hen gingen over de voorwerpen voor de dienst, want per aantal brachten zij die naar binnen en per aantal brachten zij die naar buiten;29en [anderen] van hen waren aangesteld over de voorwerpen, namelijk over al de heilige voorwerpen, over de meelbloem, over de wijn, de olie, de wierook en de specerijen.30[Enkelen] van de zonen van de priesters waren bereiders van het mengsel van specerijen.31Mattithja, uit de Levieten, die de eerstgeborene was van Sallum, de Korachiet, had het ambt van [toezichthouder] over het bakwerk.32[Enkelen] van de nakomelingen van de Kahathieten, van hun broeders, gingen over het uitgestalde brood, om dat sabbat [na] sabbat klaar te maken.). We kunnen daaruit leren dat ook in de gemeente ieder een eigen taak te verrichten heeft en dat die taak tegelijk in eenheid met anderen gebeurt.

De zangers zijn nooit vrij (vers 3333Dit waren ook de zangers, familiehoofden onder de Levieten, vrijgesteld van dienst in de [voorraad]kamers; [de verantwoordelijkheid] voor [hun eigen] werk rustte immers dag en nacht op hen.). Zij zijn niet bij, maar in de vertrekken en prijzen voortdurend God (“dag en nacht”), zoals Hem, Die altijd goed doet, toekomt. Hier is de tempel een beeld van de hemel, van wat daar gebeurt (Op 4:88En de vier levende wezens hadden elk afzonderlijk zes vleugels, rondom en van binnen waren zij vol ogen en zij hebben geen rust, dag en nacht, en zeggen: Heilig, heilig, heilig, Heer, God de Almachtige, Die was en Die is en Die komt.). “Welzalig zijn zij die in Uw huis wonen, zij loven U voortdurend” (Ps 84:55Welzalig zijn zij die in Uw huis wonen,
zij loven U voortdurend. /Sela/
; Hb 13:1515Laten wij <dan> door Hem voortdurend een lofoffer brengen aan God, dat is [de] vrucht van [de] lippen die Zijn Naam belijden.)
.


Het geslachtsregister van de Gibeonieten

35Te Gibeon woonden de vader van Gibeon, Jeïel, en de naam van zijn vrouw was Maächa. 36Zijn eerstgeboren zoon was Abdon, daarna Zur, Kis, Baäl, Ner, Nadab, 37Gedor, Ahio, Zacharja en Mikloth. 38En Mikloth verwekte Simeam. Ook zij woonden bij hun broeders in Jeruzalem, met hun overige broeders. 39Ner verwekte Kis, Kis verwekte Saul, Saul verwekte Jonathan, Malchi-Sua, Abinadab en Esbaäl. 40De zoon van Jonathan was Merib-Baäl en Merib-Baäl verwekte Micha. 41De zonen van Micha waren Pithon, Melech en Taërea. 42En Achaz verwekte Jaëra, en Jaëra verwekte Alemeth, Azmaveth en Zimri. Zimri verwekte Moza, 43Moza verwekte Bina; diens zoon was Refaja, diens zoon was Elasa, diens zoon was Azel. 44Azel had zes zonen, en dit zijn hun namen: Azrikam, Bochru, Ismaël, Searja, Obadja en Hanan. Dit waren de zonen van Azel.

In vers 3535Te Gibeon woonden de vader van Gibeon, Jeïel, en de naam van zijn vrouw was Maächa. begint het historische gedeelte van het boek en wel met nog een keer het geslachtsregister van Saul te geven (vgl. 1Kr 8:29-4029Te Gibeon woonde de vader van Gibeon, en de naam van zijn vrouw was Maächa.30Zijn eerstgeboren zoon was Abdon, daarna Zur, Kis, Baäl, Nadab,31Gedor, Ahio en Zecher.32En Mikloth verwekte Simea. Ook zij woonden bij hun broeders in Jeruzalem, met hun [overige] broeders.33Ner verwekte Kis, Kis verwekte Saul, Saul verwekte Jonathan, Malchi-Sua, Abinadab en Esbaäl.34De zoon van Jonathan was Merib-Baäl, en Merib-Baäl verwekte Micha.35De zonen van Micha waren Pithon, Melech, Taärea en Achaz.36En Achaz verwekte Jehoadda, en Jehoadda verwekte Alemeth, Azmaveth en Zimri. Zimri verwekte Moza,37Moza verwekte Bina; diens zoon was Rafa, diens zoon was Elasa, diens zoon was Azel.38Azel had zes zonen, en dit zijn hun namen: Azrikam, Bochru, Ismaël, Searja, Obadja en Hanan. Deze allen waren zonen van Azel.39De zonen van Esek, zijn broer, waren Ulam, zijn eerstgeborene, Jeüs, de tweede, en Elifelet, de derde.40De zonen van Ulam waren mannen, strijdbare helden, die de boog spanden. Zij hadden veel zonen en kleinzonen, honderdvijftig. Deze allen hoorden bij de nakomelingen van Benjamin.). Dat gebeurt om het contrast aan te geven met David. Dit is weer een illustratie van het beginsel dat het natuurlijke eerst komt en daarna het geestelijke (1Ko 15:4646Maar niet het geestelijke is eerst, maar het natuurlijke; daarna het geestelijke.). Dit vinden we door de hele Bijbel heen. Zo lezen we ook dat God het eerste wegneemt om het tweede daarvoor in de plaats te stellen (Hb 10:9b9zei Hij daarna: ‘Zie, Ik kom om Uw wil te doen’. Hij neemt het eerste weg om het tweede te stellen.).

Saul is de koning naar de smaak van het volk, David is de koning naar het hart van God. We zien al een groot verschil in de bezigheden van beide personen op het moment van hun roeping. Saul is op zoek naar ezelinnen als hem het koningschap wordt toegezegd (1Sm 9:3,19-203De ezelinnen van Kis, de vader van Saul, waren zoekgeraakt. Daarom zei Kis tegen zijn zoon Saul: Neem toch een van de knechten met je mee en sta op, ga de ezelinnen zoeken.19Samuel antwoordde Saul en zei: Ik ben de ziener; ga voor mij uit naar de hoogte, en eet vandaag met mij. Dan zal ik u morgenvroeg laten gaan en u alles vertellen wat er in uw hart leeft.20Wat de ezelinnen betreft, die vandaag al drie dagen zoek zijn, laat dat u niet aan het hart gaan, want ze zijn gevonden. En van wie zal alles zijn wat begerenswaardig is in Israël? Is het niet van u, en van uw hele familie?; 1Sm 10:11Toen nam Samuel een oliekruik, goot die leeg op zijn hoofd, kuste hem en zei: Is het niet zo, dat de HEERE u tot een vorst over Zijn eigendom gezalfd heeft?), David is vanachter de schapen gehaald om tot koning gezalfd te worden (1Sm 16:10-1310Zo liet Isaï zijn zeven zonen voorbij Samuel gaan, maar Samuel zei tegen Isaï: De HEERE heeft dezen niet uitgekozen.11Toen zei Samuel tegen Isaï: Zijn dit al de jongens? En hij zei: De jongste is nog achtergebleven; zie, hij weidt de schapen. Samuel zei tegen Isaï: Stuur [een bode] en [laat] hem halen, want wij zullen niet rond [de tafel] gaan [zitten], totdat hij hier gekomen is.12Toen stuurde hij [een bode] en bracht hem. Hij was rossig, had mooie ogen en was knap om te zien. De HEERE zei: Sta op, zalf hem, want deze is het.13Toen nam Samuel de oliehoorn en zalfde hem te midden van zijn broers. En de Geest van de HEERE werd vaardig over David vanaf die dag en voortaan. Daarna stond Samuel op en ging naar Rama.). God is boos op Zijn volk als Hij Saul geeft en nog bozer als Hij hem wegneemt (Hs 13:1111In Mijn toorn gaf Ik u een koning,
Ik nam [hem] weg in Mijn verbolgenheid.
)
.

Het koningschap op zichzelf is naar Gods gedachten (Dt 17:14-2014Wanneer u in het land komt dat de HEERE, uw God, u geeft, en u dat in bezit neemt en erin woont, en u [dan] zegt: Ik wil een koning over mij aanstellen, zoals al de volken die rondom mij zijn,15dan moet u voorzeker hem tot koning over u aanstellen die de HEERE, uw God, verkiezen zal. Uit het midden van uw broeders moet u een koning over u aanstellen; u mag geen buitenlander over u zetten, die uw broeder niet is.16Maar hij mag voor zichzelf niet veel paarden aanschaffen en het volk niet laten terugkeren naar Egypte om veel paarden aan te schaffen, omdat de HEERE tegen u gezegd heeft: U mag nooit meer langs deze weg terugkeren.17Ook mag hij voor zichzelf niet veel vrouwen nemen, anders zal zijn hart afwijken. Hij mag voor zichzelf ook niet al te veel zilver en goud nemen.18Verder moet het [zó] zijn, als hij op de troon van zijn koninkrijk zit, dat hij voor zichzelf op een boekrol een afschrift van deze wet schrijft, vanuit [de rol] die onder het toezicht van de Levitische priesters is.19Dat moet bij hem zijn en hij moet er alle dagen van zijn leven in lezen om de HEERE, zijn God, te leren vrezen [en] om alle woorden van deze wet en deze verordeningen in acht te nemen door [ze] te houden,20opdat zijn hart zich niet verheft boven zijn broeders, opdat hij niet afwijkt van het gebod, naar rechts of naar links en opdat hij [zijn] dagen verlengt in zijn koninkrijk, hij en zijn zonen, te midden van Israël.), maar dat is dan wel een koningschap naar de wensen van Zijn eigen hart. God is de Koning van Zijn volk. Hij wil het in een mens gestalte geven. Die mens is de Mens van Zijn welbehagen, Zijn eniggeboren Zoon, Die Mens is geworden. Het is het koninkrijk van God, maar de regering erover is gelegd in de handen van een Mens.


Lees verder