1 Kronieken
Inleiding 1-28 De nakomelingen van Benjamin 29-40 Het geslacht van Saul
Inleiding

Dit hoofdstuk is helemaal gewijd aan de nakomelingen van Benjamin. Aan deze nakomelingen is al in het vorige hoofdstuk aandacht besteed door de kroniekschrijver (1Kr 7:6-126[De zonen] van Benjamin waren Bela, Becher en Jediaël: drie [zonen].7De zonen van Bela waren Ezbon, Uzzi, Uzziël, Jerimoth en Iri; vijf familiehoofden, strijdbare helden, in de geslachtsregisters ingeschreven, tweeëntwintigduizend vierendertig [man].8De zonen van Becher waren Zemira, Joas, Eliëzer, Eljoënai, Omri, Jeremoth, Abia, Anathoth en Alemeth. Deze allen waren zonen van Becher.9In geslachtsregisters ingeschreven overeenkomstig hun afstamming [en] hun familiehoofden, [telden] dezen twintigduizend tweehonderd [man], strijdbare helden.10De zoon van Jediaël was Bilhan. De zonen van Bilhan waren Jeüs, Benjamin, Ehud, Kenaäna, Zethan, Tarsis en Ahisahar.11Deze allen waren zonen van Jediaël, familiehoofden, dappere helden. [Hun families telden] zeventienduizend tweehonderd [man], die met het leger uittrokken tot de strijd.12Suppim en Huppim waren zonen van Ir, [en] Husim was zoon van Aher.). Hier doet hij dat uitvoeriger, omdat hij toewerkt naar een speciale nakomeling, Saul, de voorloper van David. Het voorgeslacht en ook het nageslacht van Saul worden opgesomd.


De nakomelingen van Benjamin

1Benjamin verwekte Bela, zijn eerstgeborene, Asbel, de tweede, Ahrah, de derde, 2Naho, de vierde, Rafa, de vijfde. 3Bela had deze zonen: Addar, Gera, Abihud, 4Abisua, Naäman, Ahoah, 5Gera, Sefufan en Huram. 6Dit zijn de zonen van Ehud. Zij waren de familiehoofden van de inwoners van Geba, en hij voerde hen weg naar Manahath, 7met Naäman, Ahia en Gera. Deze heeft hen weggevoerd; ook verwekte hij Uzza en Ahihud. 8En Saharaïm verwekte kinderen in het land van Moab (nadat hij hen weggestuurd had) bij Husim en Baära, zijn vrouwen. 9Bij zijn vrouw Hodes verwekte hij Jobab, Zibja, Mesa, Malcam, 10Jeüz, Sochja en Mirma. Dit zijn zijn zonen, familiehoofden. 11En bij Husim verwekte hij Abitub en Elpaäl. 12De zonen van Elpaäl waren Eber, Misam, Semed (hij heeft Ono gebouwd en Lod met de bijbehorende [plaatsen]), 13Beria en Sema (zij waren familiehoofden van de inwoners van Ajalon; zij hebben de inwoners van Gath verdreven). 14Ahio, Sasak, Jeremoth, 15Zebadja, Arad, Eder, 16Michaël, Jispa en Joha waren zonen van Beria. 17Zebadja, Mesullam, Hizki, Heber, 18Jismerai, Jizlia en Jobab waren zonen van Elpaäl. 19Jakim, Zichri, Zabdi, 20Eljoënai, Zillethai, Eliël, 21Adaja, Beraja en Simrath waren zonen van Simeï. 22Jispan, Eber, Eliël, 23Abdon, Zichri, Hanan, 24Hananja, Elam, Antothia, 25Jifdeja en Pnuël waren zonen van Sasak. 26Samserai, Seharja, Athalja, 27Jaäresja, Elia en Zichri waren zonen van Jeroham. 28Dezen waren familiehoofden, hoofden over hun afstammelingen. Zij woonden in Jeruzalem.

In de verzen 1-281Benjamin verwekte Bela, zijn eerstgeborene, Asbel, de tweede, Ahrah, de derde,2Naho, de vierde, Rafa, de vijfde.3Bela had deze zonen: Addar, Gera, Abihud,4Abisua, Naäman, Ahoah,5Gera, Sefufan en Huram.6Dit zijn de zonen van Ehud. Zij waren de familiehoofden van de inwoners van Geba, en hij voerde hen weg naar Manahath,7met Naäman, Ahia en Gera. Deze heeft hen weggevoerd; ook verwekte hij Uzza en Ahihud.8En Saharaïm verwekte kinderen in het land van Moab (nadat hij hen weggestuurd had) bij Husim en Baära, zijn vrouwen.9Bij zijn vrouw Hodes verwekte hij Jobab, Zibja, Mesa, Malcam,10Jeüz, Sochja en Mirma. Dit zijn zijn zonen, familiehoofden.11En bij Husim verwekte hij Abitub en Elpaäl.12De zonen van Elpaäl waren Eber, Misam, Semed (hij heeft Ono gebouwd en Lod met de bijbehorende [plaatsen]),13Beria en Sema (zij waren familiehoofden van de inwoners van Ajalon; zij hebben de inwoners van Gath verdreven).14Ahio, Sasak, Jeremoth,15Zebadja, Arad, Eder,16Michaël, Jispa en Joha waren zonen van Beria.17Zebadja, Mesullam, Hizki, Heber,18Jismerai, Jizlia en Jobab waren zonen van Elpaäl.19Jakim, Zichri, Zabdi,20Eljoënai, Zillethai, Eliël,21Adaja, Beraja en Simrath waren zonen van Simeï.22Jispan, Eber, Eliël,23Abdon, Zichri, Hanan,24Hananja, Elam, Antothia,25Jifdeja en Pnuël waren zonen van Sasak.26Samserai, Seharja, Athalja,27Jaäresja, Elia en Zichri waren zonen van Jeroham.28Dezen waren familiehoofden, hoofden over hun afstammelingen. Zij woonden in Jeruzalem. gaat het om de familiehoofden en wel in verbinding met Jeruzalem (vers 2828Dezen waren familiehoofden, hoofden over hun afstammelingen. Zij woonden in Jeruzalem.; vgl. vers 3232En Mikloth verwekte Simea. Ook zij woonden bij hun broeders in Jeruzalem, met hun [overige] broeders.). De stam Benjamin is de stam die het dichtst bij Jeruzalem woont. De nakomelingen omgeven de stad aan drie kanten.

Ehud (vers 66Dit zijn de zonen van Ehud. Zij waren de familiehoofden van de inwoners van Geba, en hij voerde hen weg naar Manahath,) is de man die Eglon, de koning van de Moabieten, heeft gedood en het volk van de Moabieten heeft bevrijd (Ri 3:12-3012Maar de Israëlieten deden opnieuw wat slecht was in de ogen van de HEERE. Toen maakte de HEERE Eglon, de koning van Moab, sterk tegen Israël, omdat zij deden wat slecht was in de ogen van de HEERE.13En hij verzamelde de Ammonieten en de Amalekieten bij zich en ging [op weg]. Hij versloeg Israël en zij namen de Palmstad in bezit.14En de Israëlieten dienden Eglon, de koning van Moab, achttien jaar.15Toen riepen de Israëlieten tot de HEERE, en de HEERE deed voor hen een verlosser opstaan: Ehud, de zoon van Gera, een Benjaminiet, een man die linkshandig was. De Israëlieten stuurden door zijn dienst schatting aan Eglon, de koning van Moab.16Ehud maakte voor zichzelf een zwaard dat twee scherpe kanten had, met de lengte van een el, en hij gordde het aan onder zijn kleren, aan zijn rechterheup.17Hij bood Eglon, de koning van Moab, de schatting aan. Nu was Eglon een zeer zwaarlijvig man.18En het gebeurde, toen hij gereed was met het aanbieden van de schatting, dat hij de mensen die de schatting gedragen hadden, wegstuurde.19Zelf keerde hij echter vanaf de [afgods]beelden die in Gilgal waren terug en zei: Ik heb een geheime zaak voor u, koning. Deze zei: Stilte! En allen die om hem heen stonden, gingen bij hem weg.20En Ehud kwam naar hem toe, terwijl hij in het koele bovenvertrek zat, dat hij voor zich alleen had. Toen zei Ehud: Ik heb een woord van God voor u. En hij stond op van de troon.21Toen strekte Ehud zijn linkerhand uit, nam het zwaard van zijn rechterheup en stak het in zijn buik,22zodat zelfs het heft achter het lemmet erin ging. Het vet sloot zich om het lemmet (hij trok het zwaard namelijk niet uit zijn buik) en de darminhoud kwam eruit.23Toen ging Ehud naar buiten de galerij op. De deuren van het bovenvertrek sloot hij achter zich en deed [ze] op slot.24Toen hij naar buiten gegaan was, kwamen zijn dienaren kijken, maar zie, de deuren van het bovenvertrek zaten op slot. Toen zeiden zij: Hij doet zeker zijn behoefte in het koele vertrek.25En zij bleven tot schamens toe wachten, maar zie, hij opende de deuren van het bovenvertrek niet. Toen namen zij de sleutel en deden open. En zie, hun heer lag dood op de grond.26Maar Ehud ontkwam, terwijl zij wachtten. Hij kwam langs de [afgods]beelden en ontkwam naar Sehira.27En het gebeurde, toen hij [daar] aankwam, dat hij op de bazuin blies in het bergland van Efraïm. En de Israëlieten daalden met hem af uit het bergland, en hijzelf [ging] vóór hen uit.28En hij zei tegen hen: Volg mij, want de HEERE heeft uw vijanden, de Moabieten, in uw hand gegeven. En zij daalden af, achter hem aan, namen de doorwaadbare plaatsen van de Jordaan naar Moab in en lieten niemand oversteken.29En in die tijd versloegen zij de Moabieten, ongeveer tienduizend man, allemaal welgedane en strijdbare mannen, zodat niet één man ontkwam.30Zo werd Moab op die dag onder de hand van Israël vernederd. En het land had tachtig jaar rust.).

In vers 1313Beria en Sema (zij waren familiehoofden van de inwoners van Ajalon; zij hebben de inwoners van Gath verdreven). lezen we over familiehoofden die de inwoners van Gath hebben verdreven. Het krachtige optreden van deze familiehoofden staat in contrast met de nakomelingen van Efraïm die door de mannen van Gath zijn gedood (1Kr 7:2121diens zoon Zabad, diens zonen Sutelah, Ezer en Elad. De mannen van Gath, die in het land geboren waren, doodden hen, want zij waren gekomen om hun vee weg te nemen.).


Het geslacht van Saul

29Te Gibeon woonde de vader van Gibeon, en de naam van zijn vrouw was Maächa. 30Zijn eerstgeboren zoon was Abdon, daarna Zur, Kis, Baäl, Nadab, 31Gedor, Ahio en Zecher. 32En Mikloth verwekte Simea. Ook zij woonden bij hun broeders in Jeruzalem, met hun [overige] broeders. 33Ner verwekte Kis, Kis verwekte Saul, Saul verwekte Jonathan, Malchi-Sua, Abinadab en Esbaäl. 34De zoon van Jonathan was Merib-Baäl, en Merib-Baäl verwekte Micha. 35De zonen van Micha waren Pithon, Melech, Taärea en Achaz. 36En Achaz verwekte Jehoadda, en Jehoadda verwekte Alemeth, Azmaveth en Zimri. Zimri verwekte Moza, 37Moza verwekte Bina; diens zoon was Rafa, diens zoon was Elasa, diens zoon was Azel. 38Azel had zes zonen, en dit zijn hun namen: Azrikam, Bochru, Ismaël, Searja, Obadja en Hanan. Deze allen waren zonen van Azel. 39De zonen van Esek, zijn broer, waren Ulam, zijn eerstgeborene, Jeüs, de tweede, en Elifelet, de derde. 40De zonen van Ulam waren mannen, strijdbare helden, die de boog spanden. Zij hadden veel zonen en kleinzonen, honderdvijftig. Deze allen hoorden bij de nakomelingen van Benjamin.

Hier hebben we het geslachtsregister van Saul. Het is de overbrugging naar de geschiedenis van David.

Er wordt weer opgemerkt dat de hier genoemde nakomelingen van Benjamin, dat is hier het voorgeslacht van Saul, in Jeruzalem wonen en wel “bij hun broeders” (vers 3232En Mikloth verwekte Simea. Ook zij woonden bij hun broeders in Jeruzalem, met hun [overige] broeders.; vgl. vers 2828Dezen waren familiehoofden, hoofden over hun afstammelingen. Zij woonden in Jeruzalem.). Jeruzalem wordt hier als hun woonplaats vermeld om de uit de Babylonische ballingschap teruggekeerden te motiveren om weer in Jeruzalem te gaan wonen. Helaas blijkt dat weinigen daartoe bereid waren. Er moet door middel van het lot bepaald worden wie er moeten gaan wonen (vgl. Ne 11:1-41De vorsten van het volk woonden in Jeruzalem, maar de rest van het volk wierp [het] lot om één op de tien [van het volk naar voren] te brengen om in Jeruzalem, de heilige stad, te gaan wonen, en negen op de tien in de [andere] steden.2Het volk zegende alle mannen die zich vrijwillig aanboden om in Jeruzalem te wonen.3Dit zijn de hoofden van het gewest die in Jeruzalem woonden (in de steden van Juda woonden, ieder in zijn bezit, in hun steden: Israël, de priesters, de Levieten, de tempeldienaren en de nakomelingen van de slaven van Salomo).4In Jeruzalem woonden [sommigen] van de nakomelingen van Juda en van de nakomelingen van Benjamin. Van de nakomelingen van Juda: Ataja, de zoon van Uzzia, de zoon van Zacharja, de zoon van Amarja, de zoon van Sefatja, de zoon van Mahalaleël, van de nakomelingen van Perez;).

Merib-Baäl (vers 3434De zoon van Jonathan was Merib-Baäl, en Merib-Baäl verwekte Micha.) is Mefiboseth. ‘Baäl’ in de naam Merib-Baäl betekent ‘heer’. ‘Boseth’ in de naam Mefiboseth betekent ‘schande’.

Ook bij het geslacht van Saul is sprake van “strijdbare helden” (vers 4040De zonen van Ulam waren mannen, strijdbare helden, die de boog spanden. Zij hadden veel zonen en kleinzonen, honderdvijftig. Deze allen hoorden bij de nakomelingen van Benjamin.; 1Kr 7:7,9,117De zonen van Bela waren Ezbon, Uzzi, Uzziël, Jerimoth en Iri; vijf familiehoofden, strijdbare helden, in de geslachtsregisters ingeschreven, tweeëntwintigduizend vierendertig [man].9In geslachtsregisters ingeschreven overeenkomstig hun afstamming [en] hun familiehoofden, [telden] dezen twintigduizend tweehonderd [man], strijdbare helden.11Deze allen waren zonen van Jediaël, familiehoofden, dappere helden. [Hun families telden] zeventienduizend tweehonderd [man], die met het leger uittrokken tot de strijd.). De stam Benjamin wordt gekenmerkt door strijdbaarheid, zoals dat doorklinkt in wat Jakob in zijn profetische toespraak tot zijn zonen over Benjamin heeft opgemerkt (Gn 49:2727Benjamin is een verscheurende wolf;
's morgens verslindt hij [zijn] prooi,
en 's avonds deelt hij buit uit.
)
.


Lees verder