1 Kronieken
Inleiding 1-10 De nakomelingen van Ruben 11-22 De nakomelingen van Gad 23-26 Nakomelingen halve stam Manasse
Inleiding

De drie stammen, van wie in dit hoofdstuk de nakomelingen worden genoemd, Ruben, Gad en de halve stam Manasse, wonen in het Overjordaanse.


De nakomelingen van Ruben

1De zonen van Ruben, de eerstgeborene van Israël – hij was namelijk de eerstgeborene, maar omdat hij het bed van zijn vader geschonden had, is zijn eerstgeboorterecht aan de zonen van Jozef, de zoon van Israël, gegeven, maar niet [zo], dat deze in het geslachtsregister als eerstgeborene werd ingeschreven, 2want Juda werd machtig onder zijn broers, en een uit hem werd tot vorst, maar het eerstgeboorterecht was van Jozef – 3de zonen van Ruben, de eerstgeborene van Israël, zijn Hanoch, Pallu, Hezron en Charmi. 4De zonen van Joël: zijn zoon Semaja, diens zoon Gog, diens zoon Simeï, 5diens zoon Micha, diens zoon Reaja, diens zoon Baäl, 6diens zoon Beëra, die Tillegath-Pilneser, de koning van Assyrië, in ballingschap gevoerd had. Hij was vorst van de Rubenieten. 7Zijn broers, [ingedeeld] naar hun geslachten, toen zij volgens hun afstamming in de geslachtsregisters werden ingeschreven, waren Jeïel, het hoofd, Zecharja, 8Bela, de zoon van Azaz, de zoon van Sema, de zoon van Joël, die in Aroër woonde en tot aan Nebo en Baäl-Meon. 9Hij woonde in het oosten tot aan het begin van de woestijn, vanaf de rivier de Eufraat, want hun vee was talrijk geworden in het land Gilead. 10In de dagen van Saul voerden zij oorlog tegen de Hagrieten, en dezen vielen door hun hand. Zij woonden in hun tenten aan de hele oostzijde van Gilead.

Ruben heeft door een daad van hoererij zijn eerstgeboorterecht verspeeld (verzen 1-21De zonen van Ruben, de eerstgeborene van Israël – hij was namelijk de eerstgeborene, maar omdat hij het bed van zijn vader geschonden had, is zijn eerstgeboorterecht aan de zonen van Jozef, de zoon van Israël, gegeven, maar niet [zo], dat deze in het geslachtsregister als eerstgeborene werd ingeschreven,2want Juda werd machtig onder zijn broers, en een uit hem werd tot vorst, maar het eerstgeboorterecht was van Jozef –; Gn 35:2222En het gebeurde, toen Israël in dat land woonde, dat Ruben ging en met Bilha sliep, de bijvrouw van zijn vader; en Israël kwam dat te weten. Jakob had twaalf zonen.; 49:3-43Ruben, jij bent mijn eerstgeborene,
mijn kracht en de eerste [vrucht] van mijn mannelijkheid,
de voortreffelijkste in hoogheid
en de voortreffelijkste in sterkte.
4Onstuimig als het water [als je bent],
zul je niet de voortreffelijkste zijn,
want je bent het bed van je vader ingeklommen,
[en] toen heb je [het] geschonden.
Hij is mijn sponde ingeklommen!
)
. Dat eerstgeboorterecht is naar Jozef gegaan. De keus van God gaat het natuurlijke te boven. Maar Juda krijgt de belangrijkste plaats omdat via hem de koninklijke lijn loopt en uit zijn nageslacht de Vorst, de Heer Jezus, geboren zal worden.

Ruben heeft zijn gebied uitgebreid (verzen 9-109Hij woonde in het oosten tot aan het begin van de woestijn, vanaf de rivier de Eufraat, want hun vee was talrijk geworden in het land Gilead.10In de dagen van Saul voerden zij oorlog tegen de Hagrieten, en dezen vielen door hun hand. Zij woonden in hun tenten aan de hele oostzijde van Gilead.). Hij heeft toestemming gekregen aan de oostzijde van de Jordaan te blijven en hoefde niet in het land te gaan wonen (Nm 32:1-5,331Nu hadden de nakomelingen van Ruben veel vee; en de nakomelingen van Gad hadden geweldig veel [vee]. Zij bekeken het land Jaëzer en het land Gilead, en zie, die plaats was een [geschikte] plaats voor vee.2Daarom kwamen de nakomelingen van Gad en de nakomelingen van Ruben, en zeiden tegen Mozes en tegen de priester Eleazar en tegen de leiders van de gemeenschap,3Ataroth, Dibon, Jaëzer, Nimra, Hesbon, Eleale, Sebam, Nebo, en Behon:4Het land dat de HEERE voor de gemeenschap van Israël verslagen heeft, is een [geschikt] land voor vee; en uw dienaren hebben vee.5Verder zeiden zij: Indien wij genade in uw ogen gevonden hebben, laat dit land uw dienaren tot bezit gegeven worden; laat ons niet de Jordaan oversteken.33Toen gaf Mozes aan hen, aan de nakomelingen van Gad, aan de nakomelingen van Ruben en aan de halve stam Manasse, de zoon van Jozef, het koninkrijk van Sihon, de koning van de Amorieten, en het koninkrijk van Og, de koning van Basan, het land met de steden in hun gebieden, de steden van het land rondom.). Hij wilde in het Overjordaanse blijven vanwege zijn vele vee. Het is de kant die spreekt van de aardse zegeningen.

Wat Ruben doet, stelt ons de mens voor die graag meer wil bezitten van de aardse zegeningen. Voor de christen is het gevaarlijk zich in te zetten voor vermeerdering van aards bezit als een doel op zichzelf. Hij zal zichzelf daardoor met vele smarten doorboren (1Tm 6:9-10,17-199Maar wie rijk willen worden, vallen in verzoeking en in een strik en in vele onverstandige en schadelijke begeerten, die de mensen doen wegzinken in verderf en ondergang.10Want de geldzucht is een wortel van alle kwaad. Door daarnaar te streven zijn sommigen van het geloof afgedwaald en hebben zich met vele smarten doorboord.17Beveel de rijken in de tegenwoordige eeuw niet hoogmoedig te zijn en hun hoop niet gevestigd te hebben op [de] onzekerheid van [de] rijkdom, maar op God Die ons alles rijkelijk geeft om te genieten,18om goed te doen, rijk te zijn in goede werken, vrijgevig te zijn en mededeelzaam,19om voor zichzelf een goed fundament weg te leggen voor de toekomst, opdat zij het werkelijke leven grijpen.).


De nakomelingen van Gad

11De nakomelingen van Gad woonden tegenover hen in het land Basan, tot Salcha toe. 12Joël was het hoofd en Safam de tweede, maar Jaënai en Safat [bleven] in Basan. 13Hun broeders, [ingedeeld] naar hun families, waren Michaël, Mesullam, Seba, Jorai, Jachan, Zia en Heber: zeven [broeders]. 14Dit waren de nakomelingen van Abichaïl, de zoon van Huri, de zoon van Jaroah, de zoon van Gilead, de zoon van Michaël, de zoon van Jesisai, de zoon van Jahdo, de zoon van Buz. 15Ahi, de zoon van Abdiël, de zoon van Guni, was het hoofd van hun familie. 16Zij woonden in Gilead, in Basan en in de bijbehorende [plaatsen], en op alle weidegronden van Saron, tot aan hun uitlopers toe. 17Deze allen werden in de geslachtsregisters ingeschreven in de dagen van Jotham, de koning van Juda, en in de dagen van Jerobeam, de koning van Israël. 18Van de nakomelingen van Ruben, van de Gadieten en van de halve stam van Manasse, van de dapperen, mannen die schild en zwaard droegen, de boog spanden en geoefend waren voor de strijd, waren er vierenveertigduizend zevenhonderd zestig die met het leger uittrokken. 19Zij voerden oorlog tegen de Hagrieten en [tegen] Jetur, Nafis en Nodab. 20Maar zij werden [in de strijd] tegen hen geholpen: de Hagrieten, en allen die met hen waren, werden in hun hand gegeven. Want in de strijd riepen zij tot God en Hij liet Zich door hen verbidden, want zij vertrouwden op Hem. 21Daarop voerden zij hun vee als buit weg, van hun kamelen vijftigduizend, tweehonderd vijftigduizend schapen, tweeduizend ezels en [ook nog] honderdduizend mensen. 22Want er waren veel slachtoffers gevallen, omdat de strijd van God was; en zij gingen [daar] in hun plaats wonen, tot aan de ballingschap.

Gad is een stam waar het gebed een rol speelt (vers 2020Maar zij werden [in de strijd] tegen hen geholpen: de Hagrieten, en allen die met hen waren, werden in hun hand gegeven. Want in de strijd riepen zij tot God en Hij liet Zich door hen verbidden, want zij vertrouwden op Hem.). Evenals Jabez worden ook de Gadieten verhoord. In een gezamenlijke oorlog van de Overjordaanse stammen tegen de Hagrieten roepen zij tot God. Daardoor overwinnen zij en niet door hun weerbaarheid en geoefendheid in de strijd (vers 1818Van de nakomelingen van Ruben, van de Gadieten en van de halve stam van Manasse, van de dapperen, mannen die schild en zwaard droegen, de boog spanden en geoefend waren voor de strijd, waren er vierenveertigduizend zevenhonderd zestig die met het leger uittrokken.). Deze oorlog werd ook niet gevoerd tot eigen voordeel, maar voor God, het was een “strijd van God” (vers 2222Want er waren veel slachtoffers gevallen, omdat de strijd van God was; en zij gingen [daar] in hun plaats wonen, tot aan de ballingschap.). Hoewel dat zo was, moesten zij wel zelf strijden. Hun gebed wordt vermeld en laat zien dat God de momenten dat ook deze stammen zich van Hem afhankelijkheid toonden, in herinnering houdt.


Nakomelingen halve stam Manasse

23De leden van de halve stam van Manasse woonden in dat land. Zij werden talrijk, vanaf Basan tot aan Baäl-Hermon, Senir en de berg Hermon. 24Dit waren de hoofden van hun families: Efer, Jiseï, Eliël, Azriël, Jeremia, Hodavja en Jahdiël, strijdbare helden, mannen van naam, hoofden van hun families. 25Zij waren de God van hun vaderen echter ontrouw en pleegden overspel met de goden van de volken van het land, die God voor hun [ogen] had weggevaagd. 26Toen wekte de God van Israël de geest van Pul, de koning van Assyrië op, en de geest van Tillegath-Pilneser, de koning van Assyrië. Deze voerde hen in ballingschap, te weten de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam van Manasse. Hij bracht hen in Halah, Habor, Hara en aan de rivier Gozan, tot op deze dag.

De halve stam Manasse beantwoordt de zegen van God, die gebleken is door een talrijk nageslacht, met ontrouw tegenover Hem. Hun ontrouw heeft ook gevolgen voor de andere twee stammen – die zeker ook niet trouw gebleven zijn, maar dat wordt hier niet vermeld –, want zij worden samen met de halve stam Manasse weggevoerd door de koning van Assyrië. De wegvoering wordt in dit hoofdstuk enkele keren genoemd (verzen 6,22,266diens zoon Beëra, die Tillegath-Pilneser, de koning van Assyrië, in ballingschap gevoerd had. Hij was vorst van de Rubenieten.22Want er waren veel slachtoffers gevallen, omdat de strijd van God was; en zij gingen [daar] in hun plaats wonen, tot aan de ballingschap.26Toen wekte de God van Israël de geest van Pul, de koning van Assyrië op, en de geest van Tillegath-Pilneser, de koning van Assyrië. Deze voerde hen in ballingschap, te weten de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam van Manasse. Hij bracht hen in Halah, Habor, Hara en aan de rivier Gozan, tot op deze dag.).


Lees verder