1 Kronieken
Inleiding 1-23 Meer nakomelingen van Juda 24-43 De nakomelingen van Simeon
Inleiding

In dit hoofdstuk worden de namen gegeven van nog andere nakomelingen van Juda dan de nakomelingen die in 1 Kronieken 2 genoemd worden. Daarna volgen nog de nakomelingen van Simeon. Het gebied van Simeon ligt midden in dat van Juda.


Meer nakomelingen van Juda

1De zonen van Juda waren Perez, Hezron, Charmi, Hur en Sobal. 2Reaja, de zoon van Sobal, verwekte Jahath, en Jahath verwekte Ahumai en Lahad. Dit zijn de geslachten van de Zorathieten. 3Dit waren [de zonen van Hur], de vader van Etam: Jizreël, Jisma en Jidbas. De naam van hun zuster was Hazelelponi. 4Pnuël was de vader van Gedor, en Ezer de vader van Husah. Dit zijn de zonen van Hur, de eerstgeborene van Efratha, de vader van Bethlehem. 5Assjur, de vader van Tekoa, had twee vrouwen: Hela en Naära. 6Naära baarde hem Ahuzzam, Hefer, Temeni en Haähastari. Dit zijn de zonen van Naära. 7De zonen van Hela waren Zereth, Jezohar en Ethnan. 8Koz verwekte Anub en Hazobeba, en de geslachten van Aharhel, de zoon van Harum. 9Jabez was van groter aanzien dan zijn broers. Zijn moeder had hem Jabez genoemd, want, zei ze, ik heb hem met smart gebaard. 10Jabez riep de God van Israël aan: Als U mij rijk zegent en mijn gebied uitbreidt, Uw hand met mij is en U het kwaad van mij wegdoet, zodat het mij geen droefheid brengt. En God liet komen wat hij gevraagd had. 11Chelub, de broer van Suha, verwekte Mechir. Hij is de vader van Eston. 12Eston verwekte Bethrafa, Paseah en Tehinna, de vader van Ir-Nahas. Dit zijn de mannen van Recha. 13De zonen van Kenaz waren Othniël en Seraja; de zoon van Othniël was Hathath. 14Meonothai verwekte Ofra, Seraja verwekte Joab, de vader van de Vallei van de handwerkers; want zij waren handwerkslieden. 15De zonen van Kaleb, de zoon van Jefunne, waren Iru, Ela en Naäm; en de zoon van Ela: Kenaz. 16De zonen van Jehallelel waren Zif, Zifa, Tirea en Asareël. 17De zonen van Ezra waren Jether, Mered, Efer en Jalon. Zij baarde Mirjam, Sammai en Jisbah, de vader van Estemoa. 18Zijn Joodse vrouw baarde Jered, de vader van Gedor en Heber, de vader van Socho, en Jekuthiël, de vader van Zanoah. Dat zijn zonen van Bitja, de dochter van de farao, die Mered genomen had. 19De zonen van de vrouw van Hodia, de zuster van Naham, waren Abi-Kehila, de Garmiet, en Estemoa, de Maächatiet. 20De zonen van Simon waren Amnon en Rinna, Ben-Hanan en Tilon. De zonen van Jiseï waren Zoheth en Ben-Zoheth. 21De zonen van Sela, de zoon van Juda, waren Er, de vader van Lecha, en Lada, de vader van Maresa, en de geslachten van het huis van de linnenwevers in het huis van Asbea. 22Verder Jokim, en de mannen van Chozeba, en Joas en Saraf (die over de Moabieten geheerst hebben) en Jasubi-Lehem. Dit [alles] is echter lang geleden. 23Zij waren pottenbakkers en woonden in Netaïm en Gedera. Zij verbleven daar bij de koning, in zijn dienst.

In dit gedeelte valt de naam van de verder volkomen onbekende Jabez op (verzen 9-109Jabez was van groter aanzien dan zijn broers. Zijn moeder had hem Jabez genoemd, want, zei ze, ik heb hem met smart gebaard.10Jabez riep de God van Israël aan: Als U mij rijk zegent en mijn gebied uitbreidt, Uw hand met mij is en U het kwaad van mij wegdoet, zodat het mij geen droefheid brengt. En God liet komen wat hij gevraagd had.). Voor God is hij echter niet onbekend. Hij wordt vermeld vanwege zijn persoonlijke geloof in God. God heeft te midden van Zijn volk iedere persoon individueel gezegend die op Hem vertrouwt.

De naam “Jabez” wordt hier in verband gebracht met een werkwoord dat ‘leed veroorzaken’ betekent. De moeder van Jabez erkent in de naam die zij haar zoon geeft, het oordeel dat God over de vrouw heeft uitgesproken (Gn 3:16a16Tegen de vrouw zei Hij:
Ik zal uw moeite in uw zwangerschap zeer groot maken;
met pijn zult u kinderen baren.
Naar uw man zal uw begeerte uitgaan,
maar hij zal over u heersen.
)
. Alle kinderen worden met smart gebaard. Dat geldt ook voor de nieuwe geboorte die iemand door bekering krijgt. Bekering en nieuw leven beginnen niet met vreugde, maar met tranen van berouw.

Uit het gebed dat Jabez uitspreekt, blijkt dat hij het eens is met de naam die zijn moeder hem heeft gegeven. Jabez is “van groter aanzien dan zijn broers” omdat hij weet wat smart is en omdat hij een man van gebed is. De erkenning van zijn natuurlijke staat maakt dat hij een beroep doet op God. Dat doet hij niet tevergeefs. De aanleiding van het gebed wordt niet genoemd. Het is een gebed van kinderlijk geloof, waarin hij zich richt tot “de God van Israël”, de enige God.

Zijn gebed omvat vier punten. Rondom deze vier punten zal zijn hele gebedsleven zich hebben afgespeeld.

1. “Als U mij rijk zegent” Het eerste wat Jabez vraagt, is de zegen van God. Voor ons betekent het dat wij de Heer vragen dat wij onze hemelse zegeningen mogen leren kennen. Daarvoor bidt Paulus in het eerste gebed dat hij voor de Efeziërs doet (Ef 1:15-2315Daarom ook, daar ik gehoord heb van het geloof in de Heer Jezus dat onder u is, en van de liefde die [u hebt] tot alle heiligen,16houd ik niet op voor u te danken, terwijl ik u gedenk in mijn gebeden,17opdat de God van onze Heer Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u [de] geest van wijsheid en openbaring geeft in [de] kennis van Hem,18verlichte ogen van <uw> hart, opdat u weet wat de hoop van Zijn roeping is, wat de rijkdom is van de heerlijkheid van Zijn erfenis in de heiligen,19en wat de uitnemende grootte van Zijn kracht is jegens ons die geloven, naar de werking van de macht van Zijn sterkte,20die Hij heeft gewerkt in Christus door Hem uit [de] doden op te wekken en Hem aan Zijn rechterhand te zetten in de hemelse [gewesten],21boven alle overheid, gezag, kracht en heerschappij en elke naam die genoemd wordt, niet alleen in deze, maar ook in de toekomstige eeuw.22En Hij heeft alles aan Zijn voeten onderworpen en Hem als Hoofd over alles gegeven aan de gemeente,23die Zijn lichaam is, de volheid van Hem Die alles in allen vervult.).

2. “en mijn gebied uitbreidt,” Vervolgens vraagt Jabez om uitbreiding van zijn gebied. Voor ons betekent het de vraag om dieper te worden ingevoerd in onze hemelse zegeningen in Christus, dat wij er meer van mogen leren kennen. Daarvoor bidt Paulus in het tweede gebed dat hij voor de Efeziërs doet (Ef 3:14-2114Om deze oorzaak buig ik mijn knieën voor de Vader <van onze Heer Jezus Christus>,15naar Wie elke familie in hemelen en op aarde wordt genoemd,16opdat Hij naar de rijkdom van Zijn heerlijkheid u geeft door Zijn Geest met kracht gesterkt te worden naar de innerlijke mens,17zodat Christus door het geloof in uw harten woont, terwijl u in [de] liefde geworteld en gegrond bent;18opdat u ten volle in staat bent te begrijpen met alle heiligen, wat de breedte, lengte, hoogte en diepte is,19en te kennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat u vervuld wordt tot de hele volheid van God.20Hem nu, Die in staat is zeer overvloedig te doen boven alles wat wij bidden of denken, naar de kracht die in ons werkt,21Hem zij de heerlijkheid in de gemeente en in Christus Jezus, tot in alle geslachten van alle eeuwigheid! Amen.)). Het gaat om de inbezitneming van “het erfdeel van de heiligen in het licht” en ervan onder de indruk komen wat dit erfdeel allemaal inhoudt (Ko 1:9-239Daarom houden ook wij, van de dag af dat wij ervan gehoord hebben, niet op voor u te bidden en te vragen, dat u vervuld mag worden met de kennis van Zijn wil, in alle wijsheid en geestelijk inzicht,10om de Heer waardig te wandelen tot al [Zijn] welbehagen, terwijl u in alle goed werk vrucht draagt en opgroeit door de kennis van God,11met alle kracht bekrachtigd, naar de sterkte van Zijn heerlijkheid, tot alle volharding en lankmoedigheid, met blijdschap,12terwijl u de Vader dankt, Die u bekwaam heeft gemaakt om deel te hebben aan het erfdeel van de heiligen in het licht;13Die ons gered heeft uit de macht van de duisternis en overgebracht in het koninkrijk van de Zoon van Zijn liefde,14in Wie wij de verlossing hebben, de vergeving van de zonden.15Hij is [het] Beeld van de onzichtbare God, [de] Eerstgeborene van [de] hele schepping,16want in Hem zijn alle dingen geschapen in de hemelen en op de aarde, de zichtbare en de onzichtbare, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten: alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen.17En Hij is vóór alle dingen en alle dingen bestaan samen in Hem.18En Hij is het Hoofd van het lichaam, de gemeente, Hij Die [het] begin is, [de] Eerstgeborene uit de doden, opdat Hij in alle dingen de eerste plaats zou innemen.19Want het behaagde de hele Volheid in Hem te wonen20en door Hem alle dingen tot Zichzelf te verzoenen, na vrede gemaakt te hebben door het bloed van Zijn kruis, <door Hem,> hetzij de dingen op de aarde, hetzij de dingen in de hemelen.21En u, die er vroeger vreemd aan was en vijandig gezind was door uw boze werken, heeft Hij echter nu verzoend22in het lichaam van Zijn vlees door de dood, om u heilig, onberispelijk en onstraffelijk voor Zich te stellen;23als u namelijk blijft in het geloof, gegrond en vast, en zich niet laat afbrengen van de hoop van het evangelie dat u gehoord hebt, dat gepredikt is in [de] hele schepping die onder de hemel is, waarvan ik, Paulus, een dienaar geworden ben.).

3. Uw hand met mij is” Dan vraagt Jabez om Gods ondersteuning, want in eigen kracht zal niets lukken. Voor ons betekent het dat wij beseffen dat wij zonder de Heer Jezus niets kunnen doen (Jh 15:5b5Ik ben de wijnstok, u de ranken; wie in Mij blijft en Ik in hem, die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt u helemaal niets doen.). Paulus roept daarom op dat wij ons zullen sterken in de Heer en in de kracht van Zijn sterkte (Ef 6:1010Overigens, sterkt u in [de] Heer en in de kracht van Zijn sterkte.). Hij heeft dat ook zelf ervaren (2Tm 4:1717Maar de Heer heeft mij bijgestaan en mij gesterkt, opdat de prediking door mij ten volle vervuld zou worden en al de volken haar zouden horen; en ik ben uit [de] leeuwenmuil gered.).

4. “en U het kwaad van mij wegdoet, zodat het mij geen droefheid brengt.” Ten slotte vraagt Jabez om bescherming tegen het kwaad. Hij erkent de aanwezigheid ervan en beseft dat alleen God hem ertegen kan beschermen. Voor ons betekent het dat wij ons bewust zijn dat er boze machten zijn die ons van het genot van ons erfdeel willen beroven. Om ons tegen die boze machten te kunnen verweren heeft God ons Zijn wapenrusting gegeven (Ef 6:11-1811Doet de hele wapenrusting van God aan, om te kunnen standhouden tegen de listen van de duivel.12Want onze strijd is niet tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis, tegen de geestelijke [machten] van de boosheid in de hemelse [gewesten].13Neemt daarom de hele wapenrusting van God op, om weerstand te kunnen bieden in de boze dag en om, na alles volbracht te hebben, stand te houden.14Houdt dan stand, uw lendenen omgord met [de] waarheid, en bekleed met het borstharnas van de gerechtigheid,15en de voeten geschoeid met [de] toerusting van het evangelie van de vrede,16terwijl u bovenal het schild van het geloof hebt opgenomen, waarmee u al de brandende pijlen van de boze zult kunnen uitblussen.17En neemt de helm van de behoudenis en het zwaard van de Geest, dat is [het] Woord van God,18terwijl u te allen tijde bidt in [de] Geest met alle gebed en smeking, en daartoe waakt met alle volharding en smeking voor alle heiligen,).

Kort gezegd bidt hij om
1. zegen,
2. uitbreiding,
3. gezelschap (gemeenschap) en
4. bewaring.

Jabez krijgt alles waar hij om vraagt. God stelt nooit teleur als we dingen van Hem vragen die Hem eren.

Othniël (vers 1313De zonen van Kenaz waren Othniël en Seraja; de zoon van Othniël was Hathath.) is de eerste richter van Israël in de tijd van de richters (Ri 3:9-119Toen riepen de Israëlieten tot de HEERE. En de HEERE deed voor de Israëlieten een verlosser opstaan, die hen verloste: Othniël, de zoon van Kenaz, de broer van Kaleb, die jonger was dan hij.10En de Geest van de HEERE was op hem en hij gaf leiding aan Israël en trok ten strijde. En de HEERE gaf Cusjan Risjataïm, de koning van Syrië, in zijn hand, zodat hij de overhand kreeg op Cusjan Risjataïm.11Toen had het land veertig jaar rust. En Othniël, de zoon van Kenaz, stierf.).

Er wordt ook een beroep genoemd, dat van de “handwerkers” (vers 1414Meonothai verwekte Ofra, Seraja verwekte Joab, de vader van de Vallei van de handwerkers; want zij waren handwerkslieden.). Het is een beroep dat wordt uitgeoefend in “de Vallei van de handwerkers”. Een vallei duidt op nederigheid. Dat wil zeggen dat het beroep van handwerker in nederigheid wordt uitgeoefend. Een goede handwerker is een kunstenaar. Bij zo iemand kan snel hoogmoed ontstaan vanwege een geleverde prestatie. Het is een beeld van de praktijk van het geloofsleven. Alleen als we nederig zijn, zal ons leven in de praktijk tot Gods eer zijn.

In Juda komt bijzonder Kaleb (vers 1515De zonen van Kaleb, de zoon van Jefunne, waren Iru, Ela en Naäm; en de zoon van Ela: Kenaz.) naar voren. Aan hem denkt God als het ware met vreugde terug en dat terwijl Kaleb van heidense oorsprong is – hij is een Keniet –, maar is ingeënt in Juda.

Er wordt nog een beroep genoemd, “linnenwevers” (vers 2121De zonen van Sela, de zoon van Juda, waren Er, de vader van Lecha, en Lada, de vader van Maresa, en de geslachten van het huis van de linnenwevers in het huis van Asbea.). Dat doet denken aan het kleed van de bruid in Openbaring 19 dat bestaat uit “blinkend, rein, fijn linnen”. Wat dit voorstelt, staat er direct achter: “Want het fijne linnen zijn de gerechtigheden [dat zijn de rechtvaardige daden] van de heiligen” (Op 19:88en haar is gegeven bekleed te zijn met blinkend, rein, fijn linnen, want het fijne linnen zijn de gerechtigheden van de heiligen.). We kunnen zeggen dat het fijne linnen het symbool is voor wat de mensen van ons zien. De linnenwevers stellen gelovigen voor die hun medegelovigen vertellen over wat ze zijn in Christus en hoe ze zich daarnaar in de praktijk kunnen gedragen. Het gaat erom dat wij de nieuwe mens hebben aangedaan en de kenmerken daarvan ook vertonen (Ef 4:20-2420Maar zo hebt u Christus niet geleerd,21waar u Hem immers hebt gehoord en in Hem bent onderwezen, zoals [de] waarheid in Jezus is:22dat u, wat uw vroegere wandel betreft, de oude mens hebt afgelegd, die ten verderve gaat overeenkomstig zijn bedrieglijke begeerten,23en vernieuwd bent in de geest van uw denken,24en de nieuwe mens hebt aangedaan, die overeenkomstig God geschapen is in ware gerechtigheid en heiligheid.; Ko 3:9-159Liegt niet tegen elkaar, daar u de oude mens met zijn daden hebt uitgedaan10en de nieuwe hebt aangedaan, die vernieuwd wordt tot kennis, naar [het] beeld van Hem Die hem geschapen heeft.11Daarin is niet Griek en Jood, besnijdenis en onbesnedenheid, barbaar, Scyth, slaaf, vrije; maar Christus is alles en in allen.12Doet dan aan als uitverkorenen van God, heiligen en geliefden: innige ontferming, goedertierenheid, nederigheid, zachtmoedigheid, lankmoedigheid,13elkaar verdragend en elkaar vergevend, als de een tegen de ander een verwijt heeft; zoals ook Christus u vergeven heeft, zo ook u.14En boven dit alles de liefde, dat is [de] band van de volmaaktheid.15En laat de vrede van Christus, waartoe u ook geroepen bent in één lichaam, in uw harten heersen; en weest dankbaar.).

Er staan ook namen in die geen bewondering, maar schaamte oproepen (vers 2222Verder Jokim, en de mannen van Chozeba, en Joas en Saraf (die over de Moabieten geheerst hebben) en Jasubi-Lehem. Dit [alles] is echter lang geleden.). Ze kunnen wel wijzen op een roemrijk verleden. Toen heersten ze over de Moabieten. Maar op het moment dat de kroniekschrijver dit neerschrijft, moet hij erbij vermelden: “Dit [alles] is echter lang geleden.” Nu is dat dus blijkbaar niet meer zo.

In geestelijk opzicht is hier een belangrijke les te leren. Moab is een beeld van het zondige vlees (Js 16:66Wij hebben gehoord van de trots van Moab,
[dat] zeer hoogmoedig is,
van zijn hoogmoed, zijn trots en zijn overmoed;
zijn holle praat is niet gepast!
)
. Meestal is het zo dat iemand die pas tot bekering en geloof is gekomen, in zijn eerste enthousiasme helemaal voor de Heer leeft. Helaas kan het gebeuren dat bij het ouder worden, het zondige vlees toch weer kans krijgt zich te laten gelden. De eerste liefde is verlaten (vgl. Op 2:44Maar Ik heb tegen u, dat u uw eerste liefde hebt verlaten.). Dan is het leven in geloof iets van “lang geleden”. Geloof moet elke dag verfrist worden. Als we ons elke dag voeden met Gods Woord, zullen we voor de ervaring van de mannen die in vers 2222Verder Jokim, en de mannen van Chozeba, en Joas en Saraf (die over de Moabieten geheerst hebben) en Jasubi-Lehem. Dit [alles] is echter lang geleden. worden genoemd, bewaard blijven.

Ten slotte worden nog enkele beroepen genoemd (vers 2323Zij waren pottenbakkers en woonden in Netaïm en Gedera. Zij verbleven daar bij de koning, in zijn dienst.; vgl. vers 1414Meonothai verwekte Ofra, Seraja verwekte Joab, de vader van de Vallei van de handwerkers; want zij waren handwerkslieden.). De “pottenbakkers” maken potten. Het zijn lege potten of vaten die bedoeld zijn om iets in te doen. Potten of vaten stellen personen voor die bedoeld zijn om de Heer te dienen (Hd 9:1515De Heer zei echter tot hem: Ga, want deze is Mij een uitverkoren vat om Mijn Naam te dragen zowel voor volken als koningen en zonen van Israël;). Om bruikbaar te zijn voor de Meester moeten het vaten tot eer zijn, gereinigd van valse leer (2Tm 2:2121Als dan iemand zich van deze [vaten] reinigt, zal hij een vat zijn tot eer, geheiligd, bruikbaar voor de Meester, tot alle goed werk toebereid.). Een leeg vat kan worden gevuld met olie (2Kn 4:1-71Een vrouw, een van de vrouwen van de leerling-profeten, riep tot Elisa om hulp en zei: Uw dienaar, mijn man, is gestorven, en u weet zelf dat uw dienaar de HEERE vreesde. Maar [nu] is de schuldeiser gekomen om mijn beide kinderen als slaven met zich mee te nemen.2Elisa zei tegen haar: Wat kan ik voor u doen? Vertel mij wat u in huis hebt. En zij zei: Uw dienares heeft niets anders in huis dan een kruikje met olie.3Toen zei hij: Ga heen en vraag voor u buitenshuis kruiken, van al uw buren, lege kruiken; laat het er niet weinig zijn.4Ga dan naar binnen en sluit de deur achter u en achter uw zonen. Giet vervolgens [olie] in al die kruiken, en zet weg wat vol is.5Zo ging zij bij hem vandaan en sloot de deur achter zich en achter haar zonen. Die gaven haar [de kruiken] aan en zij goot [de olie] erin.6En het gebeurde, toen die kruiken vol waren, dat zij tegen haar zoon zei: Geef mij nog een kruik aan. Maar hij zei tegen haar: Er is geen kruik meer. Toen hield de olie op te stromen.7Zij kwam en vertelde het de man Gods. Hij zei: Ga de olie verkopen en betaal uw schuldeiser. En wat u [en] uw zonen betreft, u kunt leven van wat overblijft.). In een vat dat gevuld is met olie, zien we het beeld van de gelovige die vervuld is van de Geest (Ef 5:18b18En wordt niet dronken van wijn, waarin losbandigheid is, maar wordt vervuld met [de] Geest,). Olie wordt gebruikt om priesters, koningen en profeten te zalven. Olie is een beeld van de Heilige Geest (1Jh 2:2020En u hebt [de] zalving vanwege de Heilige en u weet alles.).

De pottenbakkers wonen in “Netaïm en Gedera”. Deze plaatsnamen worden in andere vertalingen ook wel vertaald als “plantages en tuinen” (Statenvertaling) of “plantages en muren” (Duitse Elberfelder vertaling en Engelse Darby vertaling). Als het zo wordt weergegeven, bevat dit vers een les voor allen die als een vat dienst willen doen in het zorg dragen voor de planten in de (ommuurde) tuin van de Heer. De gemeente wordt immers vergeleken met een akker waar zorg is voor wat erop groeit (1Ko 3:6-96Ik heb geplant, Apollos heeft begoten, maar God heeft de groei gegeven.7Dus is noch hij die plant iets, noch hij die begiet, maar God Die de groei geeft.8En wie plant en wie begiet zijn een; maar ieder zal zijn eigen loon ontvangen naar zijn eigen arbeid.9Want Góds medearbeiders zijn wij, Góds akker, Góds gebouw bent u.). Het werk in de tuinen zien we bijvoorbeeld in wat Paulus en Apollos doen. Zij hebben geplant en begoten op Gods akker, opdat zij die geplant zijn in het huis van de HEERE, zullen groeien in de voorhoven van God (Ps 92:13-1413De rechtvaardige zal groeien als een palmboom,
hij zal opgroeien als een ceder op de Libanon.
14Wie in het huis van de HEERE geplant zijn,
die mogen groeien in de voorhoven van onze God.
)
.

Om op een goede manier de tuin te bewerken is het nodig om in de tegenwoordigheid van de Heer Jezus te zijn. Alleen zij die “verbleven … bij de koning” (vers 2323Zij waren pottenbakkers en woonden in Netaïm en Gedera. Zij verbleven daar bij de koning, in zijn dienst.), zijn in staat Zijn werk te doen.


De nakomelingen van Simeon

24De zonen van Simeon waren Nemuël, Jamin, Jarib, Zerah [en] Saul. 25Sallum was diens zoon; Mibsam was diens zoon; Misma was diens zoon. 26De zonen van Misma waren: diens zoon Hammuël, diens zoon Zakkur, [en] diens zoon Simeï. 27Simeï had zestien zonen en zes dochters, maar zijn broers hadden niet veel kinderen en hun hele geslacht werd niet zo talrijk als [dat] van de nakomelingen van Juda. 28Zij woonden in Berseba, Molada, Hazar-Sual, 29in Bilha, in Ezem, in Tolad, 30in Bethuel, in Horma, in Ziklag, 31in Beth-Markaboth, in Hazar-Susim, in Bethbiri en in Saäraïm. Dit waren hun steden, totdat David koning werd. 32Hun dorpen waren Etam, Aïn, Rimmon, Tochen en Asan, vijf steden; 33en al hun dorpen die rondom deze steden lagen, tot Baäl toe. Dit zijn hun woongebieden en de bij hen behorende geslachtsregisters. 34Mesobab, Jamlech, Josa, de zoon van Amazia, 35Joël, Jehu, de zoon van Jesibja, de zoon van Seraja, de zoon van Asiël, 36Eljoënai, Jaäkoba, Jesohaja, Asaja, Adiël, Jesimeël, Benaja, 37Ziza, de zoon van Sifi, de zoon van Allon, de zoon van Jedaja, de zoon van Simri, de zoon van Semaja – 38dezen werden [mannen] van naam, leiders in hun geslachten, en hun families breidden zich uit in menigte. 39Daarop gingen zij naar de ingang van Gedor tot aan het oosten van het dal, om weidegrond te zoeken voor hun kleinvee. 40Toen vonden zij een vruchtbare en goede weidegrond; het land was ruim, rustig en vreedzaam, want [nakomelingen] van Cham woonden daar vroeger. 41Deze bij name beschrevenen kwamen [daar] in de dagen van Hizkia, de koning van Juda. Zij vernielden de tenten en woningen van hen die daar aangetroffen werden, en sloegen hen met de ban, tot op deze dag. Zij gingen [daar] in hun plaats wonen, want daar was weidegrond voor hun kleinvee. 42Ook gingen er van hen, [dus] van de nakomelingen van Simeon, vijfhonderd mannen naar het gebergte van Seïr. En Pelatja, Nearja, Refaja en Uzziël, de zonen van Jiseï, waren hun hoofden. 43Zij versloegen het overblijfsel van hen die van de Amalekieten ontkomen waren, en zij wonen daar tot op deze dag.

In de verzen 39-4339Daarop gingen zij naar de ingang van Gedor tot aan het oosten van het dal, om weidegrond te zoeken voor hun kleinvee.40Toen vonden zij een vruchtbare en goede weidegrond; het land was ruim, rustig en vreedzaam, want [nakomelingen] van Cham woonden daar vroeger.41Deze bij name beschrevenen kwamen [daar] in de dagen van Hizkia, de koning van Juda. Zij vernielden de tenten en woningen van hen die daar aangetroffen werden, en sloegen hen met de ban, tot op deze dag. Zij gingen [daar] in hun plaats wonen, want daar was weidegrond voor hun kleinvee.42Ook gingen er van hen, [dus] van de nakomelingen van Simeon, vijfhonderd mannen naar het gebergte van Seïr. En Pelatja, Nearja, Refaja en Uzziël, de zonen van Jiseï, waren hun hoofden.43Zij versloegen het overblijfsel van hen die van de Amalekieten ontkomen waren, en zij wonen daar tot op deze dag. zien we dat Simeon zijn gebied uitbreidt. Als gevolg van zijn zonde is Simeon verstrooid onder Israël (Gn 49:5-75Simeon en Levi zijn broers,
hun wapens zijn werktuigen van geweld.
6Laat mijn ziel niet in hun geheim overleg komen,
en mijn eer niet aan hun bijeenkomst deelnemen;
want in hun woede hebben zij mannen doodgeslagen;
en in hun moedwil hebben zij runderen de pezen doorgesneden.
7Vervloekt zij hun woede, want die is hevig,
en hun verbolgenheid, want die is hard.
Ik zal hen verdelen over Jakob
en hen verspreiden in Israël.
)
en klein in getal gebleven, zonder eigen grondgebied. Voor het geloof is er echter toch uitbreiding mogelijk. Bij Simeon gebeurt dat in de dagen van een opwekking onder Hizkia (vers 4141Deze bij name beschrevenen kwamen [daar] in de dagen van Hizkia, de koning van Juda. Zij vernielden de tenten en woningen van hen die daar aangetroffen werden, en sloegen hen met de ban, tot op deze dag. Zij gingen [daar] in hun plaats wonen, want daar was weidegrond voor hun kleinvee.). Hij brengt in praktijk waar Jabez voor heeft gebeden. Hoe laat het ook is in de geschiedenis, er blijft altijd gebiedsuitbreiding mogelijk.

Enkele nakomelingen van Simeon zoeken goede weidegrond voor hun kudden. Dat is een belangrijk werk, het is het werk van een herder. Een goede herder zal goede weidegrond voor zijn kudde zoeken. De Heer Jezus geeft daarin het voorbeeld als “de goede Herder” (Jh 10:1111Ik ben de goede Herder; de goede Herder legt Zijn leven af voor de schapen;), “de grote Herder” (Hb 13:2020De God nu van de vrede, Die uit [de] doden heeft teruggebracht de grote Herder van de schapen, onze Heer Jezus, door [het] bloed van [het] eeuwig verbond,) en “de overste Herder” (1Pt 5:44En wanneer de overste Herder is verschenen, zult u de onverwelkelijke kroon van de heerlijkheid ontvangen.). Allen die zorg voor de kudde hebben, kunnen dat alleen doen als Hij hun voorbeeld is en ze beseffen dat het de kudde van God is en niet hun kudde (1Pt 5:22hoedt de kudde van God die bij u is <en houdt toezicht>, niet gedwongen maar vrijwillig, in overeenstemming met God, ook niet om schandelijke winst, maar bereidwillig;; Hd 20:2828Past op uzelf en op de hele kudde, waarin de Heilige Geest u als opzieners heeft gesteld, om de gemeente van God te hoeden, die Hij Zich heeft verworven door het bloed van Zijn eigen [Zoon].).


Lees verder