1 Kronieken
1-9 De zonen van David 10-16 Nakomelingen van Salomo tot Zedekia 17-24 Nakomelingen van Jechonia
De zonen van David

1Dit waren de zonen van David, die bij hem in Hebron geboren zijn: de eerstgeborene Amnon, bij Ahinoam uit Jizreël; de tweede Daniël, bij Abigaïl, uit Karmel; 2de derde Absalom, de zoon van Maächa, de dochter van Talmai, de koning in Gesur; de vierde Adonia, de zoon van Haggith; 3de vijfde Sefatja, van Abital; de zesde Jithream, bij zijn vrouw Egla. 4Zes [zonen] zijn hem in Hebron geboren. Hij regeerde daar zeven jaar en zes maanden. Drieëndertig jaar regeerde hij in Jeruzalem. 5Deze [zonen] zijn hem in Jeruzalem geboren: Simea, Sobab, Nathan en Salomo. [Deze] vier zijn [zonen] van Bath-Sua, de dochter van Ammiël; 6en [vervolgens] Jibchar, Elisama, Elifelet, 7Nogah, Nefeg, Jafia, 8Elisama, Eljada en Elifelet, negen [zonen]. 9[Zij zijn] allen zonen van David, naast de zonen van de bijvrouwen, en Tamar, hun zuster.

Dit hoofdstuk is helemaal gewijd aan de familie van David. Het uitgangspunt voor zijn geslachtsregister is Hebron (vers 11Dit waren de zonen van David, die bij hem in Hebron geboren zijn: de eerstgeborene Amnon, bij Ahinoam uit Jizreël; de tweede Daniël, bij Abigaïl, uit Karmel;), waar hij door heel Israël tot koning is gezalfd (1Kr 11:33Zo kwamen alle oudsten van Israël bij de koning in Hebron. En David sloot met hen in Hebron een verbond voor het aangezicht van de HEERE, en zij zalfden David tot koning over Israël overeenkomstig het woord van de HEERE door de dienst van Samuel.). Hebron spreekt ook van de dood: het is de begraafplaats van onder andere Sara (Gn 23:2,192En Sara stierf in Kirjath-Arba – het tegenwoordige Hebron – in het land Kanaän. Abraham ging de tent in om rouw te bedrijven over Sara en haar te bewenen.19Daarna begroef Abraham zijn vrouw Sara in de grot op de akker van Machpela, tegenover Mamre – het tegenwoordige Hebron – in het land Kanaän.) en Izak (Gn 35:2727Toen kwam Jakob bij Izak, zijn vader, in Mamre bij Kirjath-Arba, het [tegenwoordige] Hebron, waar Abraham en Izak als vreemdelingen gewoond hadden.). Maar van Hebron is ook Jozef uitgegaan om zijn broers te zoeken (Gn 37:1414En hij zei tegen hem: Ga toch [en] zie de welstand van je broers en de welstand van de kudde en breng verslag aan mij uit. Zo stuurde hij hem het dal van Hebron uit, en hij kwam naar Sichem.). Tevens is het een vrijstad en priesterstad (Jz 21:1313Zo gaven zij aan de nakomelingen van de priester Aäron de vrijstad voor hem die een doodslag begaan had, Hebron met zijn weidegronden en Libna met zijn weidegronden,).

In deze verzen worden de zonen genoemd naar de plaatsen waar ze geboren zijn: Hebron (verzen 1-41Dit waren de zonen van David, die bij hem in Hebron geboren zijn: de eerstgeborene Amnon, bij Ahinoam uit Jizreël; de tweede Daniël, bij Abigaïl, uit Karmel;2de derde Absalom, de zoon van Maächa, de dochter van Talmai, de koning in Gesur; de vierde Adonia, de zoon van Haggith;3de vijfde Sefatja, van Abital; de zesde Jithream, bij zijn vrouw Egla.4Zes [zonen] zijn hem in Hebron geboren. Hij regeerde daar zeven jaar en zes maanden. Drieëndertig jaar regeerde hij in Jeruzalem.) en Jeruzalem (verzen 5-95Deze [zonen] zijn hem in Jeruzalem geboren: Simea, Sobab, Nathan en Salomo. [Deze] vier zijn [zonen] van Bath-Sua, de dochter van Ammiël;6en [vervolgens] Jibchar, Elisama, Elifelet,7Nogah, Nefeg, Jafia,8Elisama, Eljada en Elifelet, negen [zonen].9[Zij zijn] allen zonen van David, naast de zonen van de bijvrouwen, en Tamar, hun zuster.; 2Sm 3:2-52Bij David werden in Hebron zonen geboren. Zijn eerstgeborene was Amnon, van Ahinoam uit Jizreël;3zijn tweede was Chileab, van Abigaïl, de vrouw van Nabal, uit Karmel; de derde Absalom, de zoon van Maächa, de dochter van Talmai, koning van Gesur;4de vierde Adonia, de zoon van Haggith; de vijfde Sefatja, de zoon van Abital;5en de zesde Jithream, van Egla, de vrouw van David. Dezen zijn in Hebron bij David geboren.; 5:13-1613David nam [nog] meer bijvrouwen en vrouwen uit Jeruzalem, nadat hij uit Hebron gekomen was, en bij David werden [nog] meer zonen en dochters geboren.14Dit zijn de namen van hen die bij hem in Jeruzalem geboren zijn: Sammua, Sobab, Nathan, Salomo,15Jibchar, Elisua, Nefeg, Jafia,16Elisama, Eljada en Elifelet.; 13:11Daarna gebeurde [het volgende]. Absalom, de zoon van David, had een knappe zuster, en haar naam was Tamar. En Amnon, de zoon van David, kreeg haar lief.). Opmerkelijk is dat enkele zonen die in Hebron geboren zijn, worden verworpen, zoals Amnon, Absalom en Adonia. Pas als de regering definitief in Jeruzalem is gevestigd, komt in Salomo de man naar Gods raadsbesluiten naar voren.

De plaats van iemands geboorte kan van betekenis zijn voor zijn latere ontwikkeling. Ook in geestelijk opzicht is dit van belang. Welke opvoeding krijgt een pasbekeerde in een plaatselijke gemeente? Is er opbouw en een leven in Gods tegenwoordigheid? Of krijgt iemand verkeerd voedsel en wordt hem een verkeerd voorbeeld gegeven?


Nakomelingen van Salomo tot Zedekia

10De zoon van Salomo was Rehabeam, diens zoon was Abia, diens zoon was Asa, diens zoon was Josafat, 11diens zoon was Joram, diens zoon was Ahazia, diens zoon was Joas, 12diens zoon was Amazia, diens zoon was Azaria, diens zoon was Jotham, 13diens zoon was Achaz, diens zoon was Hizkia, diens zoon was Manasse, 14diens zoon was Amon, diens zoon was Josia. 15De zonen van Josia waren Johanan, de eerstgeborene, Jojakim, de tweede, Zedekia, de derde, [en] Sallum, de vierde. 16De zonen van Jojakim waren zijn zoon Jechonia, en zijn zoon Zedekia.

In deze verzen worden de nakomelingen van David opgesomd van Salomo tot Zedekia, dat is zolang het koninkrijk bestond. Zedekia is de laatste koning van het tweestammenrijk Juda. Tijdens zijn regering wordt Juda door Nebukadnezar, de koning van Babel, in ballingschap gevoerd.


Nakomelingen van Jechonia

17De zoon van Jechonia was Assir, diens zoon was Sealthiël, 18en [vervolgens] Malchiram, Pedaja, Senazar, Jekamja, Hosama en Nedabja. 19De zonen van Pedaja waren Zerubbabel en Simeï. De zonen van Zerubbabel waren Mesullam en Hananja, en Selomith was hun zuster. 20En [vervolgens] Hasuba, Ohel, Berechja, Hasadja, Jusabhesed, vijf [zonen]. 21De zonen van Hananja waren Pelatja en Jesaja. De zonen van Refaja, de zonen van Arnan, de zonen van Obadja, de zonen van Sechanja. 22De zoon van Sechanja was Semaja, en de zonen van Semaja waren Hattus, Jigeal, Bariah, Nearja en Safat, zes [zonen]. 23De zonen van Nearja waren Eljoënai, Hizkia en Azrikam, drie [zonen]. 24De zonen van Eljoënai waren Hodajeva, Eljasib, Pelaja, Akkub, Johanan, Delaja en Anani, zeven [zonen].

Hier worden de nakomelingen van David genoemd die tijdens en na de ballingschap hebben geleefd. God houdt Davids geslacht in stand ook als Hij Zijn volk niet meer als Zijn volk kan erkennen en Hij de regeringsmacht in handen van de volken heeft gegeven.

De enige namen die we in deze lijst enigszins kennen, zijn die van Sealthiël en diens (klein)zoon Zerubbabel. Onder aanvoering van Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, in werkelijkheid dus de kleinzoon, is na zeventig jaar ballingschap een restant uit Babel teruggekeerd naar het land Israël.


Lees verder