1 Kronieken
1-5 Vrijwillige gaven van David 6-9 Vrijwillige gaven van de hoofden 10-13 David looft de HEERE 14-16 Alles is van en voor de HEERE 17-19 Gebed voor het volk en voor Salomo 20-21 De hele gemeente looft de HEERE 22-25 Salomo gezalfd 26-30 David sterft
Vrijwillige gaven van David

1Verder zei koning David tegen heel de gemeente: God heeft mijn zoon Salomo als enige uitgekozen, [nog] jong en onervaren. Dit werk daarentegen is groot, want het is geen bouwwerk voor een mens, maar voor God, de HEERE. 2Met heel mijn kracht heb ik voor het huis van mijn God gereedgemaakt: het goud voor de gouden [voorwerpen], het zilver voor de zilveren, het koper voor de koperen, het ijzer voor de ijzeren en het hout voor de houten voorwerpen, onyxstenen en [andere stenen als] opvulling, sierstenen en kleurrijke [stenen], allerlei edelstenen en marmeren stenen in overvloed. 3En omdat ik een behagen schep in het huis van mijn God, geef ik daarboven mijn persoonlijke vermogen aan goud en zilver voor het huis van mijn God, boven alles wat ik voor het huis van het heiligdom [al] gereedgemaakt heb: 4drieduizend talent goud, van het goud van Ofir, en zevenduizend talent gezuiverd zilver om de muren van de huizen te overtrekken; 5goud voor de gouden [voorwerpen], zilver voor de zilveren [voorwerpen], en voor ieder werk door de hand van de ambachtslieden. Wie is vandaag gewillig de HEERE zijn gave te schenken?

David spreekt vervolgens “heel de gemeente” van Israël toe (vers 11Verder zei koning David tegen heel de gemeente: God heeft mijn zoon Salomo als enige uitgekozen, [nog] jong en onervaren. Dit werk daarentegen is groot, want het is geen bouwwerk voor een mens, maar voor God, de HEERE.). Hij wijst hen op de jeugdigheid en onervarenheid van zijn zoon Salomo enerzijds en op de grootsheid en het belang van het werk van de bouw van de tempel anderzijds. De tempel is “geen bouwwerk voor een mens, maar voor God, de HEERE”. Ook wij moeten ons goed onze zwakheid en onbekwaamheid realiseren als we onze krachten en mogelijkheden vergelijken met de grootsheid van de gemeente van de levende God. Het gaat om niets minder dan het huis van Gód.

We weten dat ons lichaam een tempel van de Heilige Geest is: “Of weet u niet, dat uw lichaam [de] tempel is van [de] Heilige Geest Die in u is, Die u van God hebt en dat u niet van uzelf bent?” (1Ko 6:1919Of weet u niet, dat uw lichaam [de] tempel is van [de] Heilige Geest Die in u is, Die u van God hebt, en dat u niet van uzelf bent?). Ons lichaam is net als de tempel in Jeruzalem niet voor een mens, niet voor onszelf, maar voor God. Als we dat goed beseffen, beseffen we ook hoe zwak we zijn om in overeenstemming daarmee te leven. Is het ons verlangen daar ook in alle opzichten rekening mee te houden?

Hetzelfde geldt voor de gemeente die in zijn geheel ook de woonplaats van God in de Geest is (Ef 2:2222in Wie ook u mee opgebouwd wordt tot een woonplaats van God in [de] Geest.). Daaraan wordt ook gebouwd. De bouw van het huis van God als de gemeente van de levende God vindt vandaag plaats door “evangelisten, … herders en leraars” (Ef 4:1111En Hij heeft sommigen gegeven als apostelen, anderen als profeten, anderen als evangelisten, anderen als herders en leraars,). Evangelisten brengen “levende stenen” (1Pt 2:55en u wordt ook zelf als levende stenen gebouwd, als een geestelijk huis tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden te offeren, die voor God aangenaam zijn door Jezus Christus.) aan, terwijl herders en leraren deze stenen leren hun plaats in het huis in te nemen. Ook onderwijs is (op)bouw.

Het is belangrijk dat iedere bouwer zich bewust is van de grootsheid van het huis waaraan hij meebouwt. Paulus verwoordt het zo: “Niet dat wij uit onszelf bekwaam zijn iets te denken, alsof het uit onszelf [kwam], maar onze bekwaamheid is uit God, Die ons bekwaam gemaakt heeft als dienaars van het nieuwe verbond” (2Ko 3:5-6a5Niet dat wij uit onszelf bekwaam zijn iets te denken, alsof het uit onszelf [kwam], maar onze bekwaamheid is uit God,6Die ons ook bekwaam heeft gemaakt als dienaars van [het] nieuwe verbond, niet van [de] letter, maar van [de] Geest; want de letter doodt, maar de Geest maakt levend.). Die gezindheid behoort iedere werker aan Gods huis te hebben.

De materialen die David met heel zijn kracht voor het huis van God heeft gereedgemaakt (vers 22Met heel mijn kracht heb ik voor het huis van mijn God gereedgemaakt: het goud voor de gouden [voorwerpen], het zilver voor de zilveren, het koper voor de koperen, het ijzer voor de ijzeren en het hout voor de houten voorwerpen, onyxstenen en [andere stenen als] opvulling, sierstenen en kleurrijke [stenen], allerlei edelstenen en marmeren stenen in overvloed.), stellen iets van God voor. In het goud zien we Gods heerlijkheid; in het zilver de prijs die voor de verzoening is betaald; het koper is een beeld van de gerechtigheid van God die getoond wordt in het oordeel; het ijzer stelt Gods kracht voor (die in onze zwakheid wordt volbracht). David heeft zijn bijdrage uit liefde gedaan.

David noemt wat hij zelf heeft bijgedragen uit eigen bezittingen (verzen 3-5a3En omdat ik een behagen schep in het huis van mijn God, geef ik daarboven mijn persoonlijke vermogen aan goud en zilver voor het huis van mijn God, boven alles wat ik voor het huis van het heiligdom [al] gereedgemaakt heb:4drieduizend talent goud, van het goud van Ofir, en zevenduizend talent gezuiverd zilver om de muren van de huizen te overtrekken;5goud voor de gouden [voorwerpen], zilver voor de zilveren [voorwerpen], en voor ieder werk door de hand van de ambachtslieden. Wie is vandaag gewillig de HEERE zijn gave te schenken?). Voor ons geldt dat wij kunnen bijdragen aan de bouw van de gemeente door ons ervoor in te zetten met de capaciteiten en de middelen die wij tot onze beschikking hebben. Wij hebben die trouwens juist gekregen om die in te zetten voor de bouw van Gods huis. De vraag is of we ook bereid zijn ze daarvoor in te zetten. Die vraag wordt ons aan gesteld: Wie is vandaag gewillig de HEERE zijn gave te schenken?” (vers 5b5goud voor de gouden [voorwerpen], zilver voor de zilveren [voorwerpen], en voor ieder werk door de hand van de ambachtslieden. Wie is vandaag gewillig de HEERE zijn gave te schenken?)

David doet alles en geeft alles omdat hij Gods woning liefheeft (Ps 26:8a8HEERE, ik heb lief het huis waar U woont
en de tabernakel, de [woon]plaats van Uw eer.
)
. Hij noemt het huis van God drie keer “het huis van mijn God” (verzen 2-32Met heel mijn kracht heb ik voor het huis van mijn God gereedgemaakt: het goud voor de gouden [voorwerpen], het zilver voor de zilveren, het koper voor de koperen, het ijzer voor de ijzeren en het hout voor de houten voorwerpen, onyxstenen en [andere stenen als] opvulling, sierstenen en kleurrijke [stenen], allerlei edelstenen en marmeren stenen in overvloed.3En omdat ik een behagen schep in het huis van mijn God, geef ik daarboven mijn persoonlijke vermogen aan goud en zilver voor het huis van mijn God, boven alles wat ik voor het huis van het heiligdom [al] gereedgemaakt heb:). Hij heeft dat huis lief, omdat het het huis van zijn God is. We kunnen zijn liefde voor Gods huis vergelijken met de liefde die Christus heeft voor Zijn gemeente (Ef 5:2525Mannen, hebt uw vrouwen lief, evenals ook Christus de gemeente heeft liefgehad en Zichzelf voor haar heeft overgegeven,), die ook “de gemeente van God” is (Hd 20:2828Past op uzelf en op de hele kudde, waarin de Heilige Geest u als opzieners heeft gesteld, om de gemeente van God te hoeden, die Hij Zich heeft verworven door het bloed van Zijn eigen [Zoon].). We kunnen David ook voor onszelf tot voorbeeld nemen. Als wij de gemeente liefhebben, zullen we alles over hebben voor onze broeders en zusters, omdat zij door God geliefd zijn (2Th 2:1313Maar wij behoren God altijd te danken voor u, door [de] Heer geliefde broeders, dat God u als eerstelingen heeft verkoren tot behoudenis, in heiliging van [de] Geest en geloof van [de] waarheid,; vgl. 1Jh 3:16a16Hieraan hebben wij de liefde gekend, dat Hij Zijn leven voor ons heeft afgelegd; ook wij behoren het leven voor de broeders af te leggen.).

David heeft niets van zijn enthousiasme voor Gods huis verloren. Zoals hij vroeger voor de ark danste (2Sm 6:1414David huppelde uit alle macht voor het aangezicht van de HEERE; en David was gekleed in een linnen priesterhemd.), zo is hij hier vol van Gods woning. Hij is daarin een voorbeeld voor het hele volk. Na het voorbeeld te hebben gegeven van zijn geven voor Gods huis vraagt David wie bereid is om te geven. We kunnen alleen aan anderen iets vragen om voor de Heer te doen, als we dat zelf ook doen.

De uitdrukking “zijn gave te schenken” is letterlijk ‘zijn hand te vullen’, een uitdrukking die wordt gebruikt bij de wijding van Aäron en zijn zonen (Ex 28:4141U moet ze uw broer Aäron en zijn zonen met hem aantrekken en hen zalven, wijden en heiligen, zodat zij Mij als priester kunnen dienen.). De woorden “hen … wijden” die daar worden gebruikt, betekenen letterlijk ‘hun hand vullen’. Hier zien we dat geven voor de bouw van Gods huis op hetzelfde niveau staat als het tot priester gewijd worden. Zo hoog slaat God geven voor Zijn huis aan.


Vrijwillige gaven van de hoofden

6Toen gaven de hoofden van de families vrijwillig, met de leiders van de stammen van Israël, de leiders over duizend en over honderd, en de opzichters over het werk van de koning. 7Zij gaven voor de dienst van het huis van God vijfduizend talent goud, tienduizend drachmen, tienduizend talent zilver, achttienduizend talent koper en honderdduizend talent ijzer. 8Wat zij aan [edel]stenen bij zich vonden, gaven zij voor de schatkamer van het huis van de HEERE, in handen van de Gersoniet Jehiël. 9Het volk was verblijd over hun vrijwillig geven, want zij gaven met een volkomen hart vrijwillig aan de HEERE. Ook koning David verblijdde zich in hoge mate.

Het goede voorbeeld en de oproep van David brengen de harten en de handen van de hoofden van de families en de leiders van het volk in beweging (verzen 6-76Toen gaven de hoofden van de families vrijwillig, met de leiders van de stammen van Israël, de leiders over duizend en over honderd, en de opzichters over het werk van de koning.7Zij gaven voor de dienst van het huis van God vijfduizend talent goud, tienduizend drachmen, tienduizend talent zilver, achttienduizend talent koper en honderdduizend talent ijzer.). Ook zij geven vrijwillig. Goed voorbeeld doet goed volgen en liefde doet geven. Bij de bouw van de tabernakel zien we diezelfde bereidwilligheid (Ex 35:20-2920Toen ging heel de gemeenschap van de Israëlieten bij Mozes weg,21en ze kwamen [terug]: ieder wiens hart hem [daartoe] bewoog en ieder wiens geest hem gewillig maakte. Ze brachten het hefoffer voor de HEERE ten behoeve van het werk aan de tent van ontmoeting, voor al het dienstwerk daarin en voor de geheiligde kledingstukken.22Zo kwamen [ze], de mannen en de vrouwen. Ieder die gewillig van hart was, bracht sierspelden, oorringen, [zegel]ringen, halssieraden en allerlei gouden voorwerpen. Ja, iedereen die de HEERE een beweegoffer van goud bracht,23en iedereen bij wie blauwpurperen, roodpurperen en scharlakenrode [wol], fijn linnen, geiten[haar], roodgeverfde ramshuiden en zeekoeienhuiden te vinden was, die bracht [ze].24Ieder die een hefoffer van zilver of koper bracht, bracht [dat] als hefoffer voor de HEERE; en ieder bij wie acaciahout gevonden werd, bracht [het] voor al het werk ten behoeve van de dienst.25Elke vrouw die wijs van hart was, spon eigenhandig en bracht wat ze gesponnen had: blauwpurperen, roodpurperen en scharlakenrode [wol] en fijn linnen.26En al de vrouwen van wie het hart hen [daartoe] bewoog [en die] wijs van hart waren, sponnen het geiten[haar].27De leiders brachten ook onyxstenen en [andere edel]stenen [als] opvulling voor de efod en de borsttas,28specerijen en olie voor de lamp, voor de zalfolie en voor het geurige reukwerk.29Alle mannen en vrouwen van wie het hart gewillig was, droegen bij aan al het werk dat de HEERE door de dienst van Mozes geboden had te doen. De Israëlieten brachten het als een vrijwillige gave voor de HEERE.).

De edelstenen worden gegeven voor de schatkamers van de tempel en daarmee toevertrouwd aan de zorg van de Gersoniet Jehiël (vers 88Wat zij aan [edel]stenen bij zich vonden, gaven zij voor de schatkamer van het huis van de HEERE, in handen van de Gersoniet Jehiël.). Van de nakomelingen van Jehiël staat dat ze toezicht houden op de schatkamers van de tempel (1Kr 26:20-2220Van de Levieten ging Ahia over de schatkamers van het huis van God, en over de schatkamers van de geheiligde [gaven].21De zonen van Ladan, zonen van de Gersoniet die bij Ladan hoorden, de familiehoofden die bij Ladan, de Gersoniet, hoorden: Jehiëli.22De zonen van Jehiëli, Zetham en zijn broer Joël, gingen over de schatkamers van het huis van de HEERE.). Edelstenen hebben allemaal een verschillende kleur. Een edelsteen spreekt van de gelovige die op zijn eigen unieke manier iets van de veelkleurigheid van de heerlijkheid van Christus weerspiegelt. De Heer Jezus geeft Zijn gaven aan de gemeente om bij de gelovigen ervoor te zorgen dat ze die heerlijkheid ook weerspiegelen. Elke weerspiegeling van Christus in de Zijnen is een bijdrage aan de schatkamers van Gods huis.

Het geven door de leiders brengt weer vreugde bij het volk (vers 99Het volk was verblijd over hun vrijwillig geven, want zij gaven met een volkomen hart vrijwillig aan de HEERE. Ook koning David verblijdde zich in hoge mate.). Van David lezen we dat hij zich “in hoge mate” verblijdt. Ware leiders geven het goede voorbeeld voor de inzet voor Gods huis om de bouw en inrichting ervan te bevorderen. Deze inzet wordt door de Heer Jezus ‘in hoge mate’ gewaardeerd. Het is een vreugde voor Zijn hart als Hij ziet dat wij ons inzetten voor het huis van God, als dat prioriteit heeft in ons leven, omdat het voor God prioriteit heeft. Hij ziet graag dat wij ons ervoor inzetten dat alles in de gemeente beantwoordt aan Wie Hij is en dat alleen Gods eer daar een plaats heeft.

De gaven worden gedaan ”voor de dienst van het huis van God” (vers 77Zij gaven voor de dienst van het huis van God vijfduizend talent goud, tienduizend drachmen, tienduizend talent zilver, achttienduizend talent koper en honderdduizend talent ijzer.), “voor de schatkamer van het huis van de HEERE” (vers 88Wat zij aan [edel]stenen bij zich vonden, gaven zij voor de schatkamer van het huis van de HEERE, in handen van de Gersoniet Jehiël.) en “aan de HEERE” (vers 99Het volk was verblijd over hun vrijwillig geven, want zij gaven met een volkomen hart vrijwillig aan de HEERE. Ook koning David verblijdde zich in hoge mate.). Dat laat op indrukwekkende wijze zien hoe bij hun geven zowel het huis van de HEERE als Hijzelf voor de aandacht staat. Het gaat om Hem en Zijn huis.

Dit geldt ook vandaag voor de gemeente. In alles behoren de Heer en Zijn gemeente op de eerste plaats te komen. Het is te wensen dat het bij ons ook zo is als Paulus van de gemeenten in Macedonië zegt: “Zij gaven zichzelf eerst aan de Heer en [daarna] aan ons door [de] wil van God” (2Ko 8:55En het was niet zoals wij verwachtten, maar zij gaven zichzelf eerst aan de Heer en [daarna] aan ons door [de] wil van God,).


David looft de HEERE

10Toen loofde David de HEERE voor de ogen van heel de gemeente. David zei: Geloofd zij U, HEERE, God van onze vader Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid! 11Van U, HEERE, is de grootheid, de macht, de luister, de kracht en de majesteit. Want alles wat in de hemel en op de aarde is, is [van U]. Van U, HEERE, is het Koninkrijk, en U hebt Zich verheven tot een Hoofd boven alles. 12Rijkdom en eer komen van voor Uw aangezicht, en U heerst over alles. In Uw hand is kracht en macht, in Uw hand is het om ieder groot te maken en sterk te maken. 13Nu dan, o onze God, wij loven U en prijzen Uw luisterrijke Naam.

Als David al deze vrijwilligheid ziet, brengt hem dat tot een lofzang aan de HEERE. Hij noemt Hem: “God van onze vader Israël”. Daarmee legt hij de nadruk op God als de God van de beloften, de God Die doet wat Hij heeft beloofd, en op Israël als het volk dat Hij heeft gezegend. De lofzegging vanwege wat is gegeven, kan alleen gezongen worden als we ons realiseren dat alles wat we geven van God is en van Hem komt.

David vertelt in zijn lofprijzing niet aan God wat hij en de oversten allemaal hebben gegeven, maar wat God heeft gegeven. Hij schrijft aan God onbeperkte grootheid toe
1. in tijd: “van eeuwigheid tot eeuwigheid” (vers 1010Toen loofde David de HEERE voor de ogen van heel de gemeente. David zei: Geloofd zij U, HEERE, God van onze vader Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid!),
2. in ruimte: “in de hemel en op de aarde” (vers 11a11Van U, HEERE, is de grootheid, de macht, de luister, de kracht en de majesteit. Want alles wat in de hemel en op de aarde is, is [van U]. Van U, HEERE, is het Koninkrijk, en U hebt Zich verheven tot een Hoofd boven alles.) en
3. in gezag: “als hoofd boven alles verheven” (vers 11b11Van U, HEERE, is de grootheid, de macht, de luister, de kracht en de majesteit. Want alles wat in de hemel en op de aarde is, is [van U]. Van U, HEERE, is het Koninkrijk, en U hebt Zich verheven tot een Hoofd boven alles.).
Alles behoort aan de HEERE, Hij heeft alle macht en alles komt van Hem.

Als mensen groot en sterk zijn, is dat door Hem. Hij stelt in staat om grote werken tot stand te brengen. In alles waartoe Hij in staat stelt, wordt Zijn luisterrijke Naam zichtbaar. Steeds en overal waar die Naam zichtbaar wordt en opgemerkt wordt, kan er niet anders dan lofprijzing aan Hem volgen.


Alles is van en voor de HEERE

14Want wie ben ik, en wat is mijn volk, dat wij de kracht zouden hebben om vrijwillig te geven zoals dit? Want van U is alles, en uit Uw hand hebben wij het U gegeven. 15Want wij zijn vreemdelingen voor Uw aangezicht en bijwoners, zoals al onze vaderen. Als een schaduw zijn onze dagen op de aarde, en er is geen hoop. 16HEERE, onze God, heel deze overvloed die wij gereedgemaakt hebben om voor U een huis te bouwen, voor Uw heilige Naam, dat is van Uw hand; het is alles van U.

Tegenover de majesteit van de HEERE vernedert David zich. Hij spreekt het uit: “Wie ben ik?” Zijn leven is een aaneenschakeling van ellende geweest. Saul die hem uit de weg heeft willen ruimen, zijn overspel met Bathseba, zijn moord op Uria, de opstand van zijn zonen tegen hem en hun rivaliteit onderling. Ook het volk waarover hij koning is geweest, kent hij als hij zegt: “Wat is mijn volk?” In het licht van dat alles wordt hij overweldigd door het werk van Gods genade in zijn hart en in het hart van zijn volk.

Wat we geven, mogen we teruggeven, overweldigd door Zijn zegeningen. De aanleiding tot de lofzang is het besef van de kleinheid van zichzelf tegenover de grootheid en majesteit van God, Zijn goedheid en zegeningen. Het gaat in dit geval niet om kleinheid door eigen slechtheid. Het hart van David is nederig. Hij is slechts een doorgeefluik. Wij hebben niets wat we niet ontvangen hebben (1Ko 4:7a7Want wie onderscheidt u? En wat hebt u, dat u niet hebt ontvangen? En als u het dan hebt ontvangen, waarom beroemt u zich, alsof u het niet had ontvangen?). Alles is geleend goed. We geven het Hem omdat het van Hem is.

Dit is niet alleen van toepassing op onze bezittingen, maar ook op onze bereidwilligheid om Hem te dienen en te aanbidden. Wat we geven en de gezindheid waarin we geven, komen beide van Hem, ze worden door Hem in ons hart gewerkt. Er is niets waarop we ons kunnen beroemen. Alle roem is uit Hem en door Hem en tot Hem.

Het is een prachtig gezicht: deze oude heilige, die zo door God is gebruikt en geëerd, ziet zichzelf aan het einde van zijn leven als totaal nietig en nederig. Er is bij David geen enkel roemen op alles wat hij heeft gedaan en tot stand heeft gebracht. Hoeveel mensen beroemen zich juist aan het einde van hun leven op al hun geleverde prestaties.

David vergelijkt de kortstondigheid van het leven met “een schaduw”. We hebben nog andere vergelijkingen in Gods Woord met betrekking tot de kortstondigheid van het leven:
1. Jakobus over het leven als “een damp” (Jk 4:1414u die niet weet wat morgen [gebeuren] zal. (Want hoe is uw leven? Want u bent een damp die een korte tijd gezien wordt en daarna verdwijnt)).
2. Petrus vergelijkt het leven met “een bloem van [het] gras” (1Pt 1:2424Want: ‘Alle vlees is als gras en al zijn heerlijkheid als een bloem van [het] gras. Het gras verdort en de bloem valt af,).
3. Job zegt van zijn dagen: “Mijn dagen zijn sneller gegaan dan een weversspoel” (Jb 7:66Mijn dagen zijn sneller gegaan dan een weversspoel,
ze zijn vergaan zonder hoop.
)
.
4. David zegt nog dat de HEERE zijn dagen “een handbreed gemaakt” heeft en dat ieder mens “niet meer dan een zucht” is (Ps 39:66Zie, U hebt mijn dagen een handbreed gemaakt
en mijn levensduur is voor U als niets.
Ja, ieder mens is niet meer dan een zucht,
[hoe] vast [hij] ook staat. /Sela/
)
.

Het is belangrijk dat wij beseffen dat er in ons geen kracht is. Alle kracht is bij God en wij zijn helemaal afhankelijk van Hem. Ook wat wij geven, kunnen we alleen geven omdat Hij het ons eerst heeft gegeven. Dat betekent dat alles wat nuttig is voor Gods huis van Goddelijke oorsprong moet zijn. Wij kunnen misschien wel goede ideeën hebben voor het functioneren van de gemeente, maar de vraag is waar die ideeën vandaan komen.

We moeten daarom steeds de toets van het Woord van God aanleggen om te weten of een bepaalde door ons gewenste bijdrage of verandering van God afkomstig is en dan ook Zijn goedkeuring heeft. Dat zal ons ervoor bewaren dingen te introduceren die de mens en zijn beleving centraal stellen en niet meer de Heer Jezus en Zijn eer.

De waarheid dat alles wat we hebben van God komt, is de basis voor de leer van het rentmeesterschap. We moeten altijd en bij alles bedenken dat alles van Hem is (Ps 24:11Een psalm van David.
De aarde is van de HEERE en al wat zij bevat,
de wereld en wie er wonen.
)
en dat dit betekent dat wat we hebben, ons tijdelijk is toevertrouwd en dat we het voor Hem hebben te gebruiken. We zijn Zijn slaven (Lk 17:1010Zo ook u, wanneer u alles hebt gedaan wat u is bevolen, zegt dan: Wij zijn nutteloze slaven; wat wij behoorden te doen, hebben wij gedaan.).

De Heer geeft ons dingen om ons de vreugde te doen kennen die het geven aan Hem tot gevolg heeft. God heeft Zelf niets nodig (Ps 50:10-1210want al de [wilde] dieren in het woud zijn van Mij,
de dieren op duizend bergen.
11Ik ken alle vogels van de bergen,
het wild van het veld is bij Mij.
12Als Ik honger had, Ik zou het u niet zeggen;
want van Mij is de wereld en al wat zij bevat.
)
. Als we geven, doen we wat Hij doet, want Hij is de grote Gever. Hij heeft alles gegeven in die alles te boven gaande gave, Zijn Zoon, de Heer Jezus. God heeft Hem gegeven uit liefde voor de wereld (Jh 3:1616Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat maar eeuwig leven heeft.). Zullen wij dan niet uit de grond van ons hart zeggen: “God zij dank voor Zijn onuitsprekelijke Gave” (2Ko 9:1515God zij dank voor Zijn onuitsprekelijke Gave.)?


Gebed voor het volk en voor Salomo

17En ik weet, mijn God, dat U het hart beproeft, en dat U behagen schept in wat billijk is. Ik heb met een oprecht hart al deze dingen vrijwillig gegeven, en ik heb nu met vreugde gezien dat Uw volk dat hier gevonden wordt, het U vrijwillig gegeven heeft. 18HEERE, God van onze vaderen Abraham, Izak en Israël, bewaar voor eeuwig deze gezindheid in het hart van Uw volk en richt hun hart tot U. 19En geef mijn zoon Salomo een volkomen hart om Uw geboden, Uw getuigenissen en Uw verordeningen in acht te nemen, om alles te doen en dit bouwwerk, waarvoor ik [een voorraad] gereedgemaakt heb, te bouwen.

David weet dat het bij God, Die Hij “mijn God” noemt, om het hart gaat (vers 1717En ik weet, mijn God, dat U het hart beproeft, en dat U behagen schept in wat billijk is. Ik heb met een oprecht hart al deze dingen vrijwillig gegeven, en ik heb nu met vreugde gezien dat Uw volk dat hier gevonden wordt, het U vrijwillig gegeven heeft.). Vanuit zijn persoonlijke relatie met God weet hij dat God “een oprecht hart” bij hem ziet. Hij spreekt voor God zijn vreugde uit over de vrijwilligheid van het volk. Dat is een belangrijke aanwijzing voor ons om vooral ook de Heer te danken voor wat Hij in anderen bewerkt. Tegelijk moeten we dan bidden, zoals David doet, dat een dergelijke gezindheid altijd in het hart van de ander zal blijven (vers 1818HEERE, God van onze vaderen Abraham, Izak en Israël, bewaar voor eeuwig deze gezindheid in het hart van Uw volk en richt hun hart tot U.). Het zal ook nodig zijn dat voor onszelf te bidden. Het is van belang ervoor te bidden dat het hart op de Heer Jezus wordt gericht, zoals David voor het volk doet.

Het gaat hier telkens om het hart. Ook voor zijn zoon bidt David dat de HEERE hem een “volkomen hart” zal geven om te doen wat Hij zegt (vers 1919En geef mijn zoon Salomo een volkomen hart om Uw geboden, Uw getuigenissen en Uw verordeningen in acht te nemen, om alles te doen en dit bouwwerk, waarvoor ik [een voorraad] gereedgemaakt heb, te bouwen.). Hij bidt niet voor zijn zoon dat God hem rijk, of geleerd, of groot zal maken. Zijn gebed is dat zijn hart voor altijd volkomen aan de HEERE zal zijn toegewijd.

Dat zal zich uiten in
1. gehoorzaamheid aan Gods geboden en vervolgens in
2. het volbrengen van de taak die hem is opgedragen.
We zien hier een belangrijke volgorde. Eerst wordt gehoorzaamheid genoemd en dan de werken. Gehoorzaamheid is een gezindheid. Als de goede gezindheid er is, kan er ook goed gewerkt worden. Laten we dit gebed van David voor zijn zoon ook voor onze kinderen bidden.


De hele gemeente looft de HEERE

20Daarna zei David tegen heel de gemeente: Loof nu de HEERE, uw God! Toen loofde heel de gemeente de HEERE, de God van hun vaderen; en zij knielden en bogen zich voor de HEERE neer, en voor de koning. 21Zij brachten de volgende dag de HEERE slachtoffers en brachten de HEERE brandoffers: duizend jonge stieren, duizend rammen, duizend lammeren, met hun plengoffers; en slachtoffers in overvloed voor heel Israël.

Nadat David de HEERE heeft geloofd en geprezen, roept hij het volk op de HEERE te loven. Dat doet het volk ook. Ze knielen en buigen zich voor Hem neer en ook voor David, de koning. De koning is de vertegenwoordiger van de HEERE. Hun lofprijzing wordt gevolgd door het brengen van een overvloed aan offers. Het hart van het volk is zozeer vervuld van Gods grootheid en genade, dat zij spontaan Hem een overvloed aan slachtoffers en brandoffers met plengoffers brengen.

Als wij vol zijn van alles wat God in ons leven heeft gedaan en wat Hij ook nu nog in Zijn gemeente doet, zullen we Hem verheerlijken en groot maken. Dat doen we door Hem veel te vertellen over de Heer Jezus, want Hij is het Offer dat in al deze offers wordt voorgesteld (Hb 10:5-105Daarom zegt Hij bij Zijn komen in de wereld: ‘Slachtoffer en offerande hebt U niet gewild, maar U hebt Mij een lichaam toebereid;6in brandoffers en zondoffers hebt U geen behagen gehad.7Toen zei Ik: zie, Ik kom (in [de] boekrol is over Mij geschreven) om Uw wil te doen, o God!’8Terwijl Hij vooraf zei: ‘Slachtoffers en offeranden, brandoffers en zondoffers hebt U niet gewild en U hebt er geen behagen in gehad’ (die naar [de] wet geofferd worden),9zei Hij daarna: ‘Zie, Ik kom om Uw wil te doen’. Hij neemt het eerste weg om het tweede te stellen.10Door die wil zijn wij geheiligd door middel van de offerande van het lichaam van Jezus Christus, eens voor altijd.). Alle offers van het Oude Testament hebben voor God alleen betekenis omdat ze een afbeelding zijn van en vooruitwijzen naar het ene offer van Zijn Zoon.


Salomo gezalfd

22Zij aten en dronken op die dag voor het aangezicht van de HEERE met grote blijdschap. En zij maakten Salomo, de zoon van David, voor de tweede [keer] koning en zalfden [hem] voor de HEERE tot vorst, en Zadok tot priester. 23Toen zat Salomo op de troon van de HEERE als koning in de plaats van zijn vader David, en hij was voorspoedig; en heel Israël luisterde naar hem. 24Alle bevelhebbers en helden en ook alle zonen van koning David gaven de hand, [als teken] dat zij onder koning Salomo [trouw] zouden zijn. 25Toen maakte de HEERE Salomo buitengewoon groot voor de ogen van heel Israël. Hij gaf hem [zoveel] koninklijke majesteit als geen enkele koning van Israël vóór hem had gehad.

Bij een eerdere gelegenheid heeft het volk gegeten en gedronken zonder de HEERE en verbonden met afgoderij (Ex 32:2-72En Aäron zei tegen hen: Ruk de gouden ringen die uw vrouwen, uw zonen en uw dochters in hun oren hebben, af, en breng ze bij mij.3Toen rukte heel het volk de gouden ringen die ze in hun oren hadden, af en zij brachten ze bij Aäron.4Hij nam ze van hen aan, hij bewerkte ze met een graveerstift en maakte er een gegoten kalf van. Toen zeiden zij: Dit zijn uw goden, Israël, die u uit het land Egypte geleid hebben.5Toen Aäron [dat] zag, bouwde hij er een altaar voor, en Aäron kondigde aan: Morgen is er een feest voor de HEERE!6Zij stonden de volgende dag vroeg op, brachten brandoffers en brachten [ook] dankoffers. Het volk ging daarna zitten om te eten en te drinken; vervolgens stonden zij op om uitbundig feest te vieren.7Toen sprak de HEERE tot Mozes: Ga, daal af, want uw volk, dat u uit het land Egypte hebt geleid, heeft verderfelijk gehandeld.). Hier eten en drinken ze “voor het aangezicht van de HEERE”, Hij is erbij. Bij deze gelegenheid wordt Salomo voor de tweede keer tot koning gemaakt, nu om op de troon plaats te nemen. David heeft Salomo al eerder koning gemaakt (1Kr 23:11Toen David oud en verzadigd van dagen was, maakte hij zijn zoon Salomo koning over Israël.) en daarmee het voornemen van God vervuld, maar hier regeert hij praktisch over het volk.

Zo is ook de Heer Jezus nu al door God “zowel tot Heer als tot Christus” gemaakt (Hd 2:3636Laat het hele huis van Israël dan zeker weten, dat God Hem zowel tot Heer als tot Christus heeft gemaakt, deze Jezus Die u hebt gekruisigd.), maar pas straks zal Hij daadwerkelijk Zijn heerschappij aanvaarden en zal elke tong belijden dat Hij Heer is (Fp 2:1111en elke tong belijdt dat Jezus Christus Heer is, tot heerlijkheid van God [de] Vader.).

Tegelijk met de zalving van Salomo wordt Zadok tot priester gezalfd. Zadok is de trouwe priester die God Zich zou verwekken (1Sm 2:3535Ik zal voor Mij een trouwe priester doen opstaan; die zal doen zoals het in Mijn hart en Mijn ziel is. Voor hem zal Ik een blijvend huis bouwen, en hij zal alle dagen voor [de ogen van] Mijn gezalfde wandelen.). Salomo en Zadok samen zijn een beeld van de Heer Jezus als de Koning-Priester (Zc 6:1313Ja, Híj zal de tempel van de HEERE bouwen,
Híj zal met majesteit bekleed zijn,
Hij zal zitten en heersen op Zijn troon.
Hij zal Priester zijn op Zijn troon;
tussen die Beiden zal vredesberaad plaatsvinden.
)
.

De troon waarop Salomo plaats neemt, wordt hier genoemd “de troon van de HEERE”, wat ziet op de oorsprong en het gezag van de troon. Dit onderscheidt deze troon van alle tronen van de volken om Israël heen en ook van de troon van Saul. De troon van Salomo is de troon van Hem, Die “meer dan Salomo” (Mt 12:4242[De] koningin van [het] Zuiden zal worden opgewekt in het oordeel met dit geslacht en het veroordelen, want zij kwam van de einden der aarde om de wijsheid van Salomo te horen; en zie, meer dan Salomo is hier!) is. De Heer Jezus zal op de troon van God plaatsnemen als Gods tijd daarvoor is aangebroken. Alles bij Salomo komt van God. Dat ziet op wat God met de Heer Jezus zal doen.

Als Salomo op de troon van de HEERE zit, luistert heel Israël naar hem. Allen die David hebben gediend en ook alle zonen van koning David erkennen hem als koning. Wat een blijdschap en troost zal het voor David zijn geweest, dat na zoveel ellende met zijn zonen zij zich hier eensgezind scharen onder de heerschappij van Salomo.


David sterft

26Zo heeft David, de zoon van Isaï, geregeerd over heel Israël. 27De tijd nu die hij geregeerd heeft over Israël, is veertig jaar: in Hebron heeft hij zeven jaar geregeerd, en in Jeruzalem heeft hij drieëndertig [jaar] geregeerd. 28Hij stierf in goede ouderdom, verzadigd van dagen, rijkdom en eer; en zijn zoon Salomo regeerde in zijn plaats. 29De geschiedenis van koning David, van het begin tot het einde, zie, die is beschreven in de geschiedenis van de ziener Samuel, in de geschiedenis van de profeet Nathan, en in de geschiedenis van de ziener Gad; 30met alles over zijn koningschap en zijn macht, en de tijden die aan hem en aan Israël voorbijgegaan zijn, en over al de koninkrijken van de landen.

De kroniekschrijver besluit zijn beschrijving van het leven van David met de woorden: ”Zo heeft David, de zoon van Isaï, geregeerd over heel Israël” (vers 2626Zo heeft David, de zoon van Isaï, geregeerd over heel Israël.). Deze terugblik op het leven van David en ook de beschrijving van zijn sterven zijn in overeenstemming met het doel van Kronieken, waarin de geschiedenis wordt beschreven zoals God er graag aan terugdenkt, dat wil zeggen de geschiedenis zoals die verloopt naar Zijn raadsbesluiten. Aan het falen van David aan het einde van zijn leven wordt ook hier voorbijgegaan. De grootst denkbare volheid van leven ligt achter hem en we zien een zoon die hem opvolgt. Deze prachtige wijze van afscheid nemen van het leven is zeldzaam in het Oude Testament.

Het is opmerkelijk dat de vermelding “David, zoon van Isaï” zowel hier als aan het begin van de beschrijving van de regering van David voorkomt (1Kr 10:1414en niet de HEERE had geraadpleegd. Daarom doodde Hij hem en liet Hij het koningschap overgaan op David, de zoon van Isaï.). De beschrijving van het leven van David lijkt door deze twee vermeldingen te zijn omsloten.

Hij heeft in totaal veertig jaar geregeerd (vers 2727De tijd nu die hij geregeerd heeft over Israël, is veertig jaar: in Hebron heeft hij zeven jaar geregeerd, en in Jeruzalem heeft hij drieëndertig [jaar] geregeerd.), net als Saul. Ook Salomo zal veertig jaar regeren. Het getal veertig is het getal van beproeving. Saul, David en Salomo hebben dezelfde periode van beproeving gekregen, ongeacht hun karakter.

Alles in het leven en het sterven van David spreekt van Gods “betrouwbare gunstbewijzen aan David” (Js 55:33Neig uw oor en kom tot Mij,
luister, en uw ziel zal leven;
want Ik zal met u een eeuwig verbond sluiten:
de betrouwbare gunstbewijzen aan David.
)
. Ze blijven niet beperkt tot zijn leven en sterven. Paulus haalt dit vers aan om te laten zien dat die genadebewijzen ook in de opstanding van de Heer Jezus uit de doden worden gezien (Hd 13:3434En dat Hij Hem uit [de] doden heeft opgewekt om niet meer tot ontbinding terug te keren, heeft Hij zo gezegd: ’Ik zal u de betrouwbare weldadigheden van David geven’.). In de ware Zoon van David en Zijn regering vindt alles zijn vervulling wat aan David is bewezen. David wacht op die vervulling, evenals allen die in het geloof in Gods beloften zijn gestorven.

David sterft “in goede ouderdom, verzadigd van dagen, rijkdom en eer” (vers 2828Hij stierf in goede ouderdom, verzadigd van dagen, rijkdom en eer; en zijn zoon Salomo regeerde in zijn plaats.). Dit betekent dat hij door alles wat God aan Salomo heeft gegeven (vers 2525Toen maakte de HEERE Salomo buitengewoon groot voor de ogen van heel Israël. Hij gaf hem [zoveel] koninklijke majesteit als geen enkele koning van Israël vóór hem had gehad.) en wat hijzelf aan Gods huis heeft gegeven, niet minder en armer is geworden. Als we kijken naar het einde van David, is hier moeilijk te zeggen wat helderder schijnt: de ondergaande of de opgaande zon.

Als afsluiting van de beschrijving van het leven van David geeft de schrijver van Kronieken aan uit welke bronnen hij, geleid door Gods Geest, heeft geput (vers 2929De geschiedenis van koning David, van het begin tot het einde, zie, die is beschreven in de geschiedenis van de ziener Samuel, in de geschiedenis van de profeet Nathan, en in de geschiedenis van de ziener Gad;). Hij verwijst naar een drietal profeten die het leven van David op schrift hebben gesteld: de ziener Samuel, de profeet Nathan en de ziener Gad. In hun geschiedenissen hebben zij geschreven over Davids koninkrijk en macht en over de gebeurtenissen van hem, Israël en de andere koninkrijken (vers 3030met alles over zijn koningschap en zijn macht, en de tijden die aan hem en aan Israël voorbijgegaan zijn, en over al de koninkrijken van de landen.).

De genoemde geschriften (vers 2929De geschiedenis van koning David, van het begin tot het einde, zie, die is beschreven in de geschiedenis van de ziener Samuel, in de geschiedenis van de profeet Nathan, en in de geschiedenis van de ziener Gad;) zijn niet bewaard gebleven. Samuel zalft David tot koning (1Sm 16:1313Toen nam Samuel de oliehoorn en zalfde hem te midden van zijn broers. En de Geest van de HEERE werd vaardig over David vanaf die dag en voortaan. Daarna stond Samuel op en ging naar Rama.). Nathan spreekt namens God met David over de bouw van de tempel (1Kr 17:1-151En het gebeurde, toen David in zijn huis zat, dat David tegen de profeet Nathan zei: Zie, ik verblijf in een huis van ceder[hout], maar de ark van het verbond van de HEERE onder tentkleden.2Nathan zei tegen David: Doe alles wat in uw hart is, want God is met u.3Maar in die nacht gebeurde het dat het woord van God tot Nathan kwam:4Ga en zeg tegen David, Mijn dienaar: Zo zegt de HEERE: Ú mag voor Mij geen huis bouwen om in te wonen.5Ik heb immers niet in een huis gewoond vanaf de dag dat Ik Israël [uit Egypte] deed optrekken tot deze dag toe, maar Ik ben van tent tot tent gegaan, en van tabernakel [tot tabernakel].6Heb Ik [ooit], overal waar Ik met heel Israël rondtrok, een woord gesproken tot een van de richters van Israël, die Ik bevolen had Mijn volk te weiden: Waarom bouwt u voor Mij geen huis van ceder[hout]?7Nu dan, dit moet u tegen Mijn dienaar zeggen, tegen David: Zo zegt de HEERE van de legermachten: Ik heb u van de schaapskooi vandaan gehaald, van achter het kleinvee, om een leider over Mijn volk Israël te zijn.8Ik was met u overal waar u heen ging, en heb al uw vijanden voor uw [ogen] uitgeroeid. Ik heb een naam voor u gemaakt, zoals de naam van de groten die op aarde zijn.9Ik heb aan Mijn volk Israël een plaats toegewezen en het [daar] geplant, zodat het in zijn eigen [gebied] woont en niet meer heen en weer gedreven wordt. En onrechtvaardige mensen zullen het niet meer verdrukken zoals vroeger,10en sinds de dagen waarop Ik richters aangesteld heb over Mijn volk Israël. Maar Ik heb al uw vijanden vernederd. Ook maak Ik u bekend dat de HEERE voor ú een huis zal bouwen.11En het zal gebeuren, wanneer uw dagen voorbij zijn en u heen gaat naar uw vaderen, dat Ik uw nakomeling na u, die [een] van uw zonen zal zijn, zal doen opstaan, en Ik zal zijn koningschap bevestigen.12Die zal voor Mij een huis bouwen, en Ik zal zijn troon voor eeuwig bevestigen.13Ík zal hem tot een Vader zijn, en híj zal Mij tot een zoon zijn, en Mijn goedertierenheid zal Ik niet van hem wegnemen, zoals Ik [die] weggenomen heb van hem die [er] vóór u was,14maar Ik zal hem in Mijn huis en in Mijn koningschap voor eeuwig stand doen houden, en zijn troon zal voor eeuwig zeker zijn.15Overeenkomstig al deze woorden en heel dit visioen, zo sprak Nathan tot David.; 2Sm 7:1-171En het gebeurde, toen de koning in zijn huis zat, en de HEERE hem rust gegeven had van al zijn vijanden van rondom,2dat de koning tegen de profeet Nathan zei: Zie toch, ik verblijf in een huis van ceder[hout], terwijl de ark van God te midden van tentdoek verblijft.3Nathan zei tegen de koning: Ga [uw gang], doe al wat in uw hart is, want de HEERE is met u.4Maar in die nacht gebeurde het dat het woord van de HEERE tot Nathan kwam:5Ga en zeg tegen Mijn dienaar, tegen David: Zo zegt de HEERE: Zou ú voor Mij een huis bouwen, voor Mij om in te wonen?6Ik heb immers niet in een huis gewoond, van de dag af dat Ik de Israëlieten uit Egypte deed optrekken tot deze dag toe, maar Ik ben in een tent, in een tabernakel rondgetrokken.7Heb Ik [ooit], overal waar Ik met al de Israëlieten rondtrok, een woord gesproken tot een van de stammen van Israël, die Ik bevolen had Mijn volk Israël te weiden: Waarom bouwt u voor Mij geen huis van ceder[hout]?8Nu dan, dit moet u tegen Mijn dienaar zeggen, tegen David: Zo zegt de HEERE van de legermachten: Ik heb u van de schaapskooi vandaan gehaald, van achter het kleinvee, om een leider over Mijn volk te zijn, over Israël.9Ik was met u overal waar u heen ging, en heb al uw vijanden voor uw [ogen] uitgeroeid. Ik heb een grote naam voor u gemaakt, zoals de naam van de groten die op aarde zijn.10Ik heb aan Mijn volk, aan Israël, een plaats toegewezen en het [daar] geplant, zodat het in zijn eigen [gebied] woont en niet meer heen en weer gedreven wordt. En onrechtvaardige mensen zullen het niet meer verdrukken zoals vroeger,11en sinds de dag waarop Ik richters aangesteld heb over Mijn volk Israël. Maar Ik heb u rust gegeven van al uw vijanden. Ook maakt de HEERE u bekend dat de HEERE voor ú een huis zal maken.12Wanneer uw dagen voorbij zijn en u met uw vaderen ontslapen bent, zal Ik uw nakomeling na u, die uit uw lichaam voortkomt, doen opstaan en Ik zal zijn koningschap bevestigen.13Die zal voor Mijn Naam een huis bouwen, en Ik zal de troon van zijn koningschap voor eeuwig bevestigen.14Ík zal hem tot een Vader zijn, en híj zal Mij tot een zoon zijn, wat [wil zeggen]: als hij zich misdraagt, zal Ik hem terechtwijzen met een stok [als] van mensen en met slagen [als] van mensenkinderen.15Maar Mijn goedertierenheid zal van hem niet wijken, zoals Ik die deed wijken van Saul, die Ik voor uw [ogen] weggenomen heb.16Uw huis en uw koningschap zullen voor uw [ogen] voor eeuwig vaststaan, uw troon zal voor eeuwig zeker zijn.17Overeenkomstig al deze woorden en heel dit visioen, zo sprak Nathan tot David.) en bestraft David vanwege zijn zonde met Bathseba (2Sm 12:1-121En de HEERE zond Nathan naar David. Toen die bij hem kwam, zei hij tegen hem: Er waren twee mannen in een stad, de één rijk en de ander arm.2De rijke had heel veel schapen en runderen.3Maar de arme had helemaal niets dan alleen één enkel klein ooilam, dat hij gekocht had. Hij hield het in leven en het werd groot, samen met hem en met zijn kinderen. Het at [mee] van zijn stuk [brood], dronk uit zijn beker en sliep in zijn schoot. Het was als een dochter voor hem.4Toen er een reiziger bij de rijke man kwam, kon hij er niet toe komen [een] van zijn [eigen] schapen en runderen te nemen, om [een maaltijd] te bereiden voor de reiziger die bij hem gekomen was. Daarom nam hij het ooilam van de arme man en bereidde het voor de man die bij hem gekomen was.5Toen ontstak David in grote woede tegen die man, en hij zei tegen Nathan: [Zo waar] de HEERE leeft, voorzeker, de man die dat gedaan heeft, is een kind des doods!6En dat ooilam moet hij viervoudig vergoeden, omdat hij dit gedaan heeft en geen medelijden had.7Toen zei Nathan tegen David: U bent die man! Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Ík heb u tot koning gezalfd over Israël en Ík heb u uit Sauls hand gered.8Ik heb u het huis van uw heer gegeven, en [bovendien] de vrouwen van uw heer in uw schoot. Ja, Ik heb u het huis van Israël en Juda gegeven. En als dat te weinig was geweest, zou Ik u nog wel meer gegeven hebben.9Waarom hebt u [dan] het woord van de HEERE veracht, door te doen wat slecht is in Zijn ogen? U hebt Uria, de Hethiet, met het zwaard gedood. Zijn vrouw hebt u tot vrouw genomen en hem hebt u door het zwaard van de Ammonieten gedood.10Welnu dan, het zwaard zal voor eeuwig niet van uw huis wijken, omdat u Mij veracht hebt en de vrouw van Uria, de Hethiet, genomen hebt om u tot vrouw te zijn.11Zo zegt de HEERE: Zie, Ik breng onheil over u uit uw [eigen] huis, en zal uw vrouwen voor uw ogen nemen en hen aan uw naaste geven; die zal op klaarlichte dag met uw vrouwen slapen.12Voorzeker, ú hebt in het geheim gehandeld, maar Ík zal dit doen ten aanschouwen van heel Israël en in het volle licht.). Gad bestraft David vanwege de volkstelling (2Sm 24:10-1410Het hart van David bonsde in hem, nadat hij het volk geteld had. En David zei tegen de HEERE: Ik heb zwaar gezondigd [in] wat ik gedaan heb. Maar nu, HEERE, neem de ongerechtigheid van Uw dienaar toch weg, want ik heb heel dwaas gehandeld.11Toen David 's morgens opstond, kwam het woord van de HEERE tot de profeet Gad, de ziener van David:12Ga [op weg] en spreek tot David: Zo zegt de HEERE: Drie dingen leg Ik u voor; kies er voor u één van uit, dan zal Ik dat bij u doen.13Zo kwam Gad bij David. Hij maakte hem dit bekend en zei tegen hem: Zal er zeven jaar hongersnood over u komen in uw land? Of [wilt] u drie maanden vluchten voor uw vijanden, terwijl die u achtervolgen? Of zal er drie dagen pest in uw land zijn? Welnu, overweeg [dit] en zie wat voor antwoord ik Hem Die mij gezonden heeft, moet brengen.14Toen zei David tegen Gad: Het benauwt mij zeer. Laten wij toch in de hand van de HEERE vallen, want Zijn barmhartigheid is groot. Laat mij echter niet in de hand van mensen vallen.; 1Kr 21:9-139De HEERE sprak tot Gad, de ziener van David:10Ga [op weg] en spreek tot David: Zo zegt de HEERE: Drie dingen leg Ik u voor; kies er voor u één daarvan uit, dan zal Ik dat bij u doen.11Toen kwam Gad naar David, en zei tegen hem: Zo zegt de HEERE: Kies voor u:12óf drie jaar hongersnood, óf drie maanden weggevaagd worden voor uw vijanden, terwijl het zwaard van uw vijanden [u] inhaalt; óf drie dagen het zwaard van de HEERE: de pest in het land, met de engel van de HEERE die in heel het gebied van Israël verderf aanricht. Welnu, zie wat voor antwoord ik Hem Die mij gezonden heeft, moet brengen.13Toen zei David tegen Gad: Het benauwt mij zeer. Laat mij toch in de hand van de HEERE vallen, want Zijn barmhartigheid is zeer groot. Laat mij echter niet in de hand van mensen vallen.).

Bij “de tijden die aan hem en aan Israël voorbijgegaan zijn” (vers 3030met alles over zijn koningschap en zijn macht, en de tijden die aan hem en aan Israël voorbijgegaan zijn, en over al de koninkrijken van de landen.) kunnen we denken aan tijden van vervolging, van beproeving, van doodsgevaar, van smart en van vreugde. Van al die tijden zegt David: “Mijn tijden zijn in Uw hand” (Ps 31:1616Mijn tijden zijn in Uw hand; red mij
uit de hand van mijn vijanden en van mijn vervolgers.
; vgl. Jb 24:11Waarom zijn de tijden niet verborgen voor de Almachtige,
terwijl zij die Hem kennen, Zijn dagen niet zien?
). “Al de koninkrijken van de landen” (vgl. 2Kr 12:88Zij zullen hem echter tot dienaren zijn, zodat zij [het verschil tussen] Mijn dienst en de dienst van de koninkrijken van de landen leren kennen.; 17:1010Toen kwam grote vrees voor de HEERE over alle koninkrijken van de landen die rond Juda lagen, zodat ze niet tegen Josafat streden.; 20:2929Grote vrees voor God kwam over alle koninkrijken van de landen, toen zij hoorden dat de HEERE tegen de vijanden van Israël gestreden had,) zijn de koninkrijken waarmee de Israëlieten in de tijd van David in contact zijn gekomen.

Met de dood van David eindigt 1 Kronieken. In dit bijbelboek is vrijwel alle aandacht gericht op koning David. In tegenstelling tot de beschrijving in 2 Samuel zijn de zonden van deze koning hier nauwelijks vermeld. David is hier veeleer de vorst die Godvrezend is en daarom rijk wordt gezegend. De zegen bestaat uit talrijke militaire overwinningen, waardoor hij heerser van een immens rijk wordt en over fabelachtige rijkdommen beschikt.

Deze zegeningen gebruikt hij niet voor eigen voordeel, maar stelt ze beschikbaar voor wat hij beschouwt als het hoogste doel voor Israël: de bouw van de tempel. Zelf mag hij dit werk niet uitvoeren, maar hij stelt wel alles in het werk om het voor te bereiden. Hij geeft een groot deel van zijn rijkdom, motiveert het volk om vrijwillig een deel van hun overvloed af te staan en stelt Salomo, de toekomstige tempelbouwer, voor aan het volk.

Het boek 1 Kronieken presenteert David als degene die gericht is op de bouw van de tempel en daarmee op de eer van God. In die zin is hij de ideale vorst, die niet zijn eigen eer, maar de eer van God zoekt. In de periode na de ballingschap – de tijd waarin 1 Kronieken en 2 Kronieken zijn geschreven – moet deze beschrijving van David sterk hebben aangesproken. In die periode is er immers aandacht voor de verbetering van de tempeldienst en voor een sterkere gerichtheid op de HEERE.

Tevens zal het beeld van de schatrijke koning David die zijn rijkdommen beschikbaar stelt voor de eer van God het verlangen naar een nieuwe David hebben gestimuleerd. Enkele eeuwen later komt de Heer Jezus als Dienaar, maar Hij zal in de toekomst komen als Vorst. Hij is als geen ander gericht op God.