1 Kronieken
1-15 5. De legeroversten van David 16-24 6. Hoofden van de twaalf stammen 25-34 7. Andere beambten en raadsheren
5. De legeroversten van David

1Dit zijn de Israëlieten volgens hun aantal, de hoofden van de families, de bevelhebbers over duizend en over honderd, met hun voormannen die de koning dienden in alle zaken betreffende de [leger]afdelingen die opkwamen en [met verlof] gingen, van maand tot maand, gedurende alle maanden van het jaar; elke afdeling telde vierentwintigduizend [man]. 2Over de eerste afdeling in de eerste maand ging Jasobam, de zoon van Zabdiël; tot zijn afdeling behoorden vierentwintigduizend [man]. 3Hij was [een] van de nakomelingen van Perez, [en] was het hoofd van alle legerbevelhebbers in de eerste maand. 4Over de afdeling in de tweede maand ging Dodai, uit Ahoah, en [in] zijn afdeling was ook Mikloth de leider; tot zijn afdeling behoorden vierentwintigduizend [man]. 5De derde legerbevelhebber in de derde maand was Benaja, de zoon van Jojada, de hoofdpriester; tot zijn afdeling behoorden vierentwintigduizend [man]. 6Deze Benaja was [een] van de dertig helden en ging over de dertig; [over] zijn afdeling ging Ammizabad, zijn zoon. 7De vierde, in de vierde maand, was Asahel, de broer van Joab, en na hem zijn zoon Zebadja; tot zijn afdeling behoorden vierentwintigduizend [man]. 8De vijfde, in de vijfde maand, was Samhuth, de Jizrahiet, de bevelhebber; tot zijn afdeling behoorden vierentwintigduizend [man]. 9De zesde, in de zesde maand, was Ira, de zoon van Ikkes, uit Tekoa; tot zijn afdeling behoorden vierentwintigduizend [man]. 10De zevende, in de zevende maand, was Helez uit Pelon, [een] van de nakomelingen van Efraïm; tot zijn afdeling behoorden vierentwintigduizend [man]. 11De achtste, in de achtste maand, was Sibbechai uit Husa, van de Zerahieten; tot zijn afdeling behoorden vierentwintigduizend [man]. 12De negende, in de negende maand, was Abiëzer uit Anathoth, van de Benjaminieten; tot zijn afdeling behoorden vierentwintigduizend [man]. 13De tiende, in de tiende maand, was Maharai uit Netofa, van de Zerahieten; tot zijn afdeling behoorden vierentwintigduizend [man]. 14De elfde, in de elfde maand, was Benaja uit Pirhathon, [een] van de nakomelingen van Efraïm; tot zijn afdeling behoorden vierentwintigduizend [man]. 15De twaalfde, in de twaalfde maand, was Heldai uit Netofa, van Othniël; tot zijn afdeling behoorden vierentwintigduizend [man].

De legeroversten zijn geen Levieten. Dat zijn alleen zij die de vier diensten verrichten die we hiervoor hebben gezien. Ondanks de rust die er is als David koning is en zijn vijanden heeft verslagen, houdt David elke maand vierentwintigduizend soldaten paraat om de vrede en de veiligheid te waarborgen en te bewaren.

De legeroversten die hier worden genoemd, worden ook in 1 Kronieken 11 onder de helden van David genoemd. Zij hebben met David zijn verwerping en beproeving gedeeld. Hier delen zij in zijn verheerlijking en regering; zij krijgen de hoge functie van legeroverste.

Wij zijn ook verworpen met de ware David en als beloning zullen we in Zijn verheerlijking delen (2Tm 2:12a12als wij verdragen, zullen wij ook met [Hem] regeren; als wij [Hem] verloochenen, zal Hij ons ook verloochenen;). Wie trouw is in de geestelijke strijd in het kleine, is het ook in het grote en krijgt een grotere verantwoordelijkheid. Helden worden gevormd in zware beproeving en kunnen later openlijk voor de Heer van de heren uittrekken. Iedere gelovige die nu al een bepaalde dienst in de openbaarheid heeft, heeft zijn proeve van bekwaamheid in het verborgene afgelegd. Niemand krijgt een openbare dienst als hij niet in het verborgen geoefend is.

Zij die vooraan gaan in de strijd, de legeroversten, kunnen zeggen hoe de strijd moet worden gevoerd omdat zij onderwezen zijn door de grote Aanvoerder, “de Bevelhebber van het leger van de HEERE” (Jz 5:1414Hij zei: Nee, maar Ik ben de Bevelhebber van het leger van de HEERE. Nu ben Ik gekomen. Toen wierp Jozua zich met het gezicht ter aarde, boog zich neer en zei tegen Hem: Wat [wil] mijn Heere tot Zijn dienaar spreken?). Jonge gelovigen doen er goed aan te letten op de ouderen en op hen te wachten tot zij het sein voor de strijd geven.


6. Hoofden van de twaalf stammen

16Over de stammen van Israël gingen: bij de Rubenieten Eliëzer, de zoon van Zichri, leider; bij de Simeonieten: Sefatja, de zoon van Maächa; 17bij de Levieten: Hasabja, de zoon van Kemuel; bij [de afstammelingen] van Aäron: Zadok; 18bij Juda: Elihu, [een] van de broers van David; bij Issaschar: Omri, de zoon van Michaël; 19bij Zebulon: Jismaja, de zoon van Obadja; bij Naftali: Jerimoth, de zoon van Azriël; 20bij de nakomelingen van Efraïm: Hosea, de zoon van Azazja; bij de halve stam van Manasse: Joël, de zoon van Pedaja; 21bij half Manasse in Gilead: Jiddo, de zoon van Zecharja; bij Benjamin: Jaäsiël, de zoon van Abner; 22bij Dan: Azarel, de zoon van Jeroham. Dit waren de leiders van de stammen van Israël. 23David nam echter het aantal van hen die twintig jaar oud en daarbeneden waren, niet op, omdat de HEERE gezegd had dat Hij Israël zo talrijk zou maken als de sterren aan de hemel. 24Joab, de zoon van Zeruja, was [wel] begonnen met tellen, maar hij voltooide het niet, omdat er daardoor grote toorn over Israël gekomen was. Daarom is het aantal niet opgenomen in de [lijst met] aantallen in de kronieken van koning David.

De hoofden van de twaalf stammen kunnen we toepassen op leiders die de Heer in een plaatselijke gemeente geeft. Dit zijn weer andere personen dan poortwachters en legeroversten. Deze leiders hebben de alledaagse leiding, als er geen sprake is van bijzondere situaties. We kunnen hierbij misschien denken aan “de genadegaven van … besturingen” hebben (1Ko 12:2828En God heeft sommigen in de gemeente gesteld: ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars, vervolgens krachten, vervolgens genadegaven van genezingen, hulpbetoningen, besturingen, allerlei talen.).

Aan het slot wordt nog een bijzonderheid vermeld over de volkstelling (verzen 23-2423David nam echter het aantal van hen die twintig jaar oud en daarbeneden waren, niet op, omdat de HEERE gezegd had dat Hij Israël zo talrijk zou maken als de sterren aan de hemel.24Joab, de zoon van Zeruja, was [wel] begonnen met tellen, maar hij voltooide het niet, omdat er daardoor grote toorn over Israël gekomen was. Daarom is het aantal niet opgenomen in de [lijst met] aantallen in de kronieken van koning David.). Uit deze verzen kunnen we leren dat het volk van God altijd groter is dan wij kunnen tellen. David wilde niet het exacte aantal inwoners weten, want dan zou hij twijfelen aan de belofte van God van een ontelbaar nageslacht (Gn 15:55Toen leidde Hij hem naar buiten en zei: Kijk toch naar de hemel en tel de sterren, als u ze kunt tellen. En Hij zei tegen hem: Zo [talrijk] zal uw nageslacht zijn.; 22:1717zal Ik u zeker rijk zegenen en uw nageslacht zeer talrijk maken, als de sterren aan de hemel en als het zand dat aan de oever van de zee is. Uw nageslacht zal de poort van zijn vijanden in bezit hebben.). Zijn zonde was dat hij de kracht van zijn volk wilde weten en daarom de strijdbare mannen liet tellen (1Kr 21:2,52David zei tegen Joab en tegen de leiders van het volk: Ga Israël tellen van Berseba tot Dan toe, en breng mij [de uitslag], zodat ik hun aantal weet.5Joab gaf David het aantal van het getelde volk: er waren in heel Israël één miljoen honderdduizend man die het zwaard [konden] hanteren, en [in] Juda vierhonderdzeventigduizend man, die het zwaard [konden] hanteren.).


7. Andere beambten en raadsheren

25Over de schatkamers van de koning ging Azmaveth, de zoon van Adiël; en over de voorraadschuren op het land, in de steden, in de dorpen en in de torens ging Jonathan, de zoon van Uzzia. 26Over de landarbeiders, voor het werk op het bouwland, ging Ezri, de zoon van Chelub. 27Over de wijngaarden ging Simeï uit Rama, maar over wat van de wijngaarden in de voorraadschuren voor de wijn kwam, ging Zabdi uit Sefam. 28Over de olijfbomen en de wilde vijgenbomen die in het Laagland waren, ging Baäl-Hanan uit Geder; en Joas ging over de schatkamers voor de olie. 29Over de runderen die in Saron weidden, ging Sitrai uit Saron, maar over de runderen in de dalen ging Safat, de zoon van Adlai. 30Over de kamelen ging de Ismaëliet Obil, en over de ezelinnen ging Jechdeja uit Meronoth. 31Over het kleinvee ging de Hagariet Jaziz. Dezen waren allen opzichters over de bezittingen die koning David had. 32Jonathan, de oom van David, was raadsman, een verstandig man; ook was hij schrijver. Jehiël, de zoon van Hachmoni, [trok op] met de zonen van de koning. 33Achitofel was raadsman van de koning; en Husai, de Archiet, was een vriend van de koning. 34Na Achitofel kwamen Jojada, de zoon van Benaja, en Abjathar; Joab was legerbevelhebber van de koning.

In dit gedeelte worden de zegeningen van het land genoemd en wie daarover het beheer hebben. Al die zegeningen staan onder de zorg van David. Hij kan daarvan door zijn beambten aan anderen te eten geven. Ook nu zijn er ‘beambten’ die voedsel kunnen uitdelen aan de gemeente (Mt 24:4545Wie is dan de trouwe en wijze slaaf, die de heer over zijn huisbedienden gesteld heeft om hun het voedsel te geven op [de] juiste tijd?). Elke vrucht die hier wordt genoemd, heeft zijn eigen geestelijke betekenis, evenals elk dier.

Strijden is belangrijk, maar het is ook een zware bezigheid. Hetzelfde geldt voor de rechter en poortwachter. Het geldt ook voor het geven van voedsel aan Gods volk. Hongerige harten te mogen voeden met wat onze Heer aan voorraden bezit, is ook niet altijd eenvoudig. Toch is dat meer een dankbaar werk. Het wordt vaker in dankbaarheid ontvangen.

De opsomming van de werkzaamheden van de beambten laat een grote verscheidenheid aan bezigheden zien. Zo is er in de gemeente een grote verscheidenheid aan gaven. Wie het werk op het veld moet doen, kan niet tegelijk voor de kudden zorgen. Hij heeft daar ook geen verstand van. Toch is er eensgezindheid in al die arbeid, want alles gebeurt voor koning David. Niemand moet zich ook bemoeien met het werk van een ander. Ieder moet trouw zijn in zijn eigen dienst.

We kunnen veel toepassen op de gemeente. Wat ieder toevertrouwd heeft gekregen, blijft eigendom van de grote Koning, de Heer Jezus. Wat een verwarring ontstaat er als iemand het veld dat hij moet onderhouden, gaat beschouwen als zijn eigen veld. Dat is wat in de christenheid veel gebeurt, bijvoorbeeld als een predikant spreekt over ‘mijn gemeente’ en die ook als zodanig behandelt. Alleen de Heer Jezus mag “Mijn gemeente” zeggen (Mt 16:1818En ook Ik zeg je dat jij Petrus bent, en op deze rots zal Ik Mijn gemeente bouwen, en [de] poorten van [de] hades zullen haar niet overweldigen.).

“De schatkamers van de koning” (vers 25a25Over de schatkamers van de koning ging Azmaveth, de zoon van Adiël; en over de voorraadschuren op het land, in de steden, in de dorpen en in de torens ging Jonathan, de zoon van Uzzia.) stellen voor ons de schatten in de hemel voor die wij mogen verzamelen (Mt 6:2020maar verzamelt u schatten in [de] hemel, waar geen mot of afvreter ze bederft en waar dieven niet inbreken of stelen;). Daarbij kunnen we denken aan alles wat we in Christus bezitten, want in Hem zijn “al de schatten van de wijsheid en kennis verborgen” (Ko 2:33in Wie al de schatten van de wijsheid en kennis verborgen zijn.).

Verder zijn er nog de voorraadschuren op het land, in de steden, in de dorpen en in de torens” (vers 25b25Over de schatkamers van de koning ging Azmaveth, de zoon van Adiël; en over de voorraadschuren op het land, in de steden, in de dorpen en in de torens ging Jonathan, de zoon van Uzzia.). Jozef en Hizkia hebben voorraadschuren (Gn 41:49,5649Jozef sloeg koren op als het zand van de zee, zeer veel, totdat men ophield met tellen, want er was geen tellen [meer] aan.56Toen er honger in heel het land was, opende Jozef alle [korenschuren] en verkocht koren aan de Egyptenaren, want de honger werd sterk in het land Egypte.; 2Kr 31:5,7,105Toen dat woord zich verspreidde, brachten de Israëlieten veel eerstelingen van koren, nieuwe wijn, olie, honing en van heel de opbrengst van het veld, en zij brachten de tienden van alles in overvloed.7In de derde maand begonnen zij die stapels aan te leggen, en in de zevende maand waren zij klaar.10Azaria, de hoofdpriester, van het huis van Zadok, sprak daarop tot hem en zei: Sinds er begonnen is dit hefoffer naar het huis van de HEERE te brengen, is er tot verzadiging toe te eten geweest, ja, wij hebben overvloedig overgehouden, want de HEERE heeft Zijn volk zo gezegend dat deze overvloed overbleef.). Deze voorraadschuren dienen om uit te delen wat is ingezameld. Ze zijn overal aanwezig, op allerlei gebieden en in allerlei plaatsen. Het wijst op de overvloed van het land, waarin allen delen, waar ze ook wonen.

“De voorraadschuren op het land”, of op de akkervelden, ziet op de taak die in de wereld wordt gedaan. We kunnen daarbij denken aan de prediking van het evangelie, waardoor mensen tot bekering komen. Steden en dorpen zijn te vergelijken met grote en kleine plaatselijke gemeenten, waar mensen die tot bekering zijn gekomen, worden gebracht. Torens zijn uitkijkposten om te waarschuwen voor de komst van de vijand en bieden bescherming tegen de vijand.

In “de landarbeiders” (vers 2626Over de landarbeiders, voor het werk op het bouwland, ging Ezri, de zoon van Chelub.) kunnen we een beeld van het werk van de evangelisten zien. Zoals David iemand over zijn arbeiders aanstelt, geeft Paulus aan hoe er gewerkt moet worden op Gods akker (1Ko 3:6-86Ik heb geplant, Apollos heeft begoten, maar God heeft de groei gegeven.7Dus is noch hij die plant iets, noch hij die begiet, maar God Die de groei geeft.8En wie plant en wie begiet zijn een; maar ieder zal zijn eigen loon ontvangen naar zijn eigen arbeid.). Ook moet er met goed zaad worden gewerkt, dat wil zeggen dat het evangelie zuiver, dat is puur bijbels, moet worden gepredikt.

Het verzorgen van “de wijngaarden” (vers 2727Over de wijngaarden ging Simeï uit Rama, maar over wat van de wijngaarden in de voorraadschuren voor de wijn kwam, ging Zabdi uit Sefam.) doet denken aan de zorg van God door Zijn dienaren. De Vader wil dat de Zijnen vrucht dragen voor Hem (Jh 15:1-21Ik ben de ware wijnstok en Mijn Vader is de Landman.2Elke rank in Mij die geen vrucht draagt, neemt Hij weg; en elke [rank] die vrucht draagt, die reinigt Hij, opdat zij meer vrucht draagt.). Het geeft Hem vreugde als er vrucht voor Hem is, waarvan “de voorraadschuren voor de wijn” spreken (Ri 9:1313Maar de wijnstok zei tegen hen: Zou ik mijn nieuwe wijn opgeven, die God en mensen vrolijk maakt, en zou ik weggaan om boven de [andere] bomen te zweven?).

Bij “de olijfbomen” (vers 2828Over de olijfbomen en de wilde vijgenbomen die in het Laagland waren, ging Baäl-Hanan uit Geder; en Joas ging over de schatkamers voor de olie.) kunnen we denken aan groei in het huis van God (Ps 52:10a10Maar ik zal zijn als een bladerrijke olijfboom
in het huis van God;
ik vertrouw op Gods goedertierenheid,
eeuwig en altijd.
; 92:1313De rechtvaardige zal groeien als een palmboom,
hij zal opgroeien als een ceder op de Libanon.
)
. Die groei gebeurt door de werking van Gods Geest, van Wie de olie een beeld is.

“De wilde vijgenboom” is een beeld van de gerechtigheid voor God. Als Adam en Eva hebben gezondigd, maken ze schorten van vijgenbladeren (Gn 3:77Toen werden de ogen van beiden geopend en zij merkten dat zij naakt waren. Zij vlochten vijgenbladeren samen en maakten voor zichzelf schorten.). Het is een eigengemaakt schort dat hun naaktheid voor God niet kan bedekken. Zo kan een eigen gerechtigheid niet voor God bestaan. Als er geen vrucht is, wordt de vijgenboom vervloekt (Mk 11:12-1412En de volgende dag, toen zij uit Bethanië gingen, had Hij honger.13En toen Hij in de verte een vijgenboom zag die bladeren had, ging Hij [kijken] of Hij daar misschien iets aan zou vinden; en daarbij gekomen vond Hij niets dan bladeren, want het was niet de tijd van de vijgen.14En Hij antwoordde en zei tot hem: Laat niemand meer vrucht van u eten in eeuwigheid! En Zijn discipelen hoorden het.). De enige gerechtigheid die God aanvaardt, is de gerechtigheid op grond van geloof. Die gerechtigheid schenkt Hij Zelf op grond van het werk van Zijn Zoon.

De “schatkamers van de olie” spreken van “[de] Heilige Geest, Die Hij rijkelijk over ons heeft uitgestort door Jezus Christus, onze Heiland” (Tt 3:5-65heeft Hij ons behouden, niet op grond van werken in gerechtigheid, die wij hadden gedaan, maar naar Zijn barmhartigheid, door [de] wassing van [de] wedergeboorte en [de] vernieuwing van [de] Heilige Geest,6Die Hij rijkelijk over ons heeft uitgestort door Jezus Christus, onze Heiland,; 1Jh 2:20,2720En u hebt [de] zalving vanwege de Heilige en u weet alles.27En wat u betreft, de zalving die u van Hem ontvangen hebt, blijft in u, en u hebt niet nodig dat iemand u leert; maar zoals Zijn zalving u over alles leert, en waar is en geen leugen, en zoals zij u geleerd heeft, blijft u in Hem.; Gl 5:22-2322Maar de vrucht van de Geest is: liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing.23Tegen zulke dingen is geen wet.). Het licht van de Geest wordt bewaard voor Zijn volk. Er kan waar daar ook maar behoefte aan onbeperkt gebruik van worden maken. Deze olie raakt nooit op.

De runderen (vers 2929Over de runderen die in Saron weidden, ging Sitrai uit Saron, maar over de runderen in de dalen ging Safat, de zoon van Adlai.) dienen om aan God te offeren. Voor ons spreekt dat van geestelijke offers. Als de profeet Hosea het volk de woorden aanreikt om die als belijdenis uit te spreken, zegt hij: “Dan zullen wij de offers [letterlijk: jonge stieren] van onze lippen nakomen” (Hs 14:33Neem [deze] woorden met u mee,
bekeer u tot de HEERE.
Zeg tegen Hem:
Neem alle ongerechtigheid weg, neem het goede aan.
Dan zullen wij de offers van onze lippen nakomen.
)
. Hun uitgesproken belijdenis wordt vergeleken met het brengen van offerstieren. Dat duidt op het bewustzijn dat God hun belijdenis als een offer zal aannemen, met in hun hart de eerbied die daarbij hoort. Dat offer is in werkelijkheid door de Heer Jezus gebracht. Zijn offer is groot genoeg om de grootste zonde te kunnen vergeven. Paulus haalt dit vers uit Hosea aan om de gelovigen aan te sporen God te eren: “Laten wij <dan> door Hem voortdurend een lofoffer brengen aan God, dat is [de] vrucht van [de] lippen die Zijn Naam belijden” (Hb 13:1515Laten wij <dan> door Hem voortdurend een lofoffer brengen aan God, dat is [de] vrucht van [de] lippen die Zijn Naam belijden.). Hebben we daarvan een voorraad aangelegd?

“De kamelen” (vers 30a30Over de kamelen ging de Ismaëliet Obil, en over de ezelinnen ging Jechdeja uit Meronoth.) zijn lastdragers. De toepassing op ons komt in de aansporing: “Draagt elkaars lasten” (Gl 6:22Draagt elkaars lasten, en zo zult u de wet van Christus vervullen.). “De ezelinnen” (vers 30b30Over de kamelen ging de Ismaëliet Obil, en over de ezelinnen ging Jechdeja uit Meronoth.) zijn ook lastdragers, maar in de toepassing op ons zien we daarin meer het werk in een plaatselijke gemeente en ziet het meer op samenwerken met anderen. “Het kleinvee” (vers 31a31Over het kleinvee ging de Hagariet Jaziz. Dezen waren allen opzichters over de bezittingen die koning David had.) doet denken aan de “kleine kudde” (Lk 12:3232Wees niet bang, kleine kudde, want het is het welbehagen van uw Vader u het koninkrijk te geven.) die afhankelijk is van de zorg van de Heer.

“Dezen waren allen opzichters over de bezittingen die koning David had” (vers 31b31Over het kleinvee ging de Hagariet Jaziz. Dezen waren allen opzichters over de bezittingen die koning David had.). Hierbij kunnen wij eraan denken dat de Heer Jezus in Zijn zorg opzieners en herders gegeven heeft om Zijn kudde te weiden. Zij krijgen de opdracht: “Past op uzelf en op de hele kudde, waarin de Heilige Geest u als opzieners heeft gesteld, om de gemeente van God te hoeden, die Hij Zich heeft verworven door het bloed van Zijn eigen [Zoon]” (Hd 20:2828Past op uzelf en op de hele kudde, waarin de Heilige Geest u als opzieners heeft gesteld, om de gemeente van God te hoeden, die Hij Zich heeft verworven door het bloed van Zijn eigen [Zoon].; vgl. 1Pt 5:22hoedt de kudde van God die bij u is <en houdt toezicht>, niet gedwongen maar vrijwillig, in overeenstemming met God, ook niet om schandelijke winst, maar bereidwillig;).

Dan worden zeven mannen genoemd die tot het directe gevolg van David behoren (verzen 32-3432Jonathan, de oom van David, was raadsman, een verstandig man; ook was hij schrijver. Jehiël, de zoon van Hachmoni, [trok op] met de zonen van de koning.33Achitofel was raadsman van de koning; en Husai, de Archiet, was een vriend van de koning.34Na Achitofel kwamen Jojada, de zoon van Benaja, en Abjathar; Joab was legerbevelhebber van de koning.). Het zijn meer vertrouwensmannen dan beambten. De eerste die wordt genoemd, is “Jonathan, de oom van David” (vers 32a32Jonathan, de oom van David, was raadsman, een verstandig man; ook was hij schrijver. Jehiël, de zoon van Hachmoni, [trok op] met de zonen van de koning.). Hij is een raadgever en een wijs man met een taak als hofschrijver. De tweede persoon is “Jehiël, de zoon van Hachmoni” (vers 32b32Jonathan, de oom van David, was raadsman, een verstandig man; ook was hij schrijver. Jehiël, de zoon van Hachmoni, [trok op] met de zonen van de koning.) die optrekt met de zonen van de koning. Hier moeten we misschien denken aan iemand die zorg draagt voor de zonen van de koning, een taak die te maken heeft met het opvoeden en begeleiden.

De derde is “Achitofel … de raadsman van de koning” (vers 33a33Achitofel was raadsman van de koning; en Husai, de Archiet, was een vriend van de koning.). Van hem weten we dat hij, omdat David zijn raad bij de opstand van Absalom niet opvolgt, zelfmoord pleegt (2Sm 17:2323Toen Achitofel zag dat zijn raad niet uitgevoerd was, zadelde hij de ezel en maakte zich gereed. Hij ging naar zijn huis in zijn stad, regelde [de zaken] van zijn huis en hing zich op. Zo stierf hij en werd begraven in het graf van zijn vader.). De vierde is “Husai, de Archiet”, die wordt omschreven als “een vriend van de koning” (vers 33b33Achitofel was raadsman van de koning; en Husai, de Archiet, was een vriend van de koning.; 2Sm 15:3737Zo kwam Husai, de vriend van David, de stad binnen toen Absalom in Jeruzalem aankwam.). Hij is een bijzondere vertrouwensman van de koning (vgl. 1Kn 4:55En Azaria, de zoon van Nathan, ging over de opzichters, en Zabud, de zoon van Nathan, was priester en vriend van de koning.).

Na de dood van Achitofel wordt diens positie overgenomen door “Jojada, de zoon van Benaja” (vers 34a34Na Achitofel kwamen Jojada, de zoon van Benaja, en Abjathar; Joab was legerbevelhebber van de koning.), de vijfde op de lijst. De zesde is “Abjathar” (vers 34b34Na Achitofel kwamen Jojada, de zoon van Benaja, en Abjathar; Joab was legerbevelhebber van de koning.), de priester die weet te ontsnappen aan de slachting in Nob en zich bij David voegt (1Sm 22:2020Maar een van de zonen van Achimelech, de zoon van Ahitub, ontkwam. Zijn naam was Abjathar en hij vluchtte David achterna.). Ten slotte vermeldt de tekst de bekende “legerbevelhebber Joab” (vers 34c34Na Achitofel kwamen Jojada, de zoon van Benaja, en Abjathar; Joab was legerbevelhebber van de koning.).

“De raadsman” (verzen 32-3332Jonathan, de oom van David, was raadsman, een verstandig man; ook was hij schrijver. Jehiël, de zoon van Hachmoni, [trok op] met de zonen van de koning.33Achitofel was raadsman van de koning; en Husai, de Archiet, was een vriend van de koning.) stelt iemand voor die adviezen kan geven. Dit moet gebeuren vanuit een geestelijk en Schriftuurlijk gezichtspunt en niet vanuit menselijke wijsheid. Soms worden die adviezen ook schriftelijk vastgelegd. De brief aan de Filippiërs, de eerste en de tweede brief aan Timotheüs en de brief aan Filémon kunnen we als zulke ‘adviesbrieven’ beschouwen.


Lees verder