1 Kronieken
Inleiding 1-5 David bereidt de tempelbouw voor 6-14 Salomo voorbereid op de tempelbouw 15-19 Anderen helpen Salomo
Inleiding

Ook dit hoofdstuk moet een grote bemoediging zijn geweest voor hen die uit Babel zijn teruggekeerd naar Israël om het altaar, de tempel en de stad Jeruzalem te herbouwen. Zij zijn het immers voor wie de schrijver van Kronieken (Ezra?) zijn verhaal doet. De kroniekschrijver vertelt hoe David zich heeft ingespannen voor de bouw van Gods huis en hoe hij Salomo heeft aangemoedigd dit grote werk te doen. Daardoor zullen de teruggekeerden zijn gemotiveerd om het werk in hun dagen met dezelfde inzet en toewijding voor de HEERE te doen.

Dit hoofdstuk betekent, in de geestelijke betekenis ervan, ook een aanmoediging voor allen die te vergelijken zijn met de teruggekeerden uit Babel. Babel betekent ‘verwarring’ en is een beeld van de christenheid waar verwarring heerst. Ook vandaag is het mogelijk de ‘verwarring’ te verlaten en op de grondslag van de gemeente te gaan staan. Voor allen die willen bouwen aan wat vandaag Gods tempel is, bevat het verslag van de kroniekschrijver veel geestelijke lessen.


David bereidt de tempelbouw voor

1Toen zei David: Dit hier is het huis van de HEERE God, en dit is het brandofferaltaar voor Israël. 2Vervolgens zei David dat men de vreemdelingen moest verzamelen die in het land Israël waren, en hij stelde steenhouwers aan om gehouwen stenen uit te hakken om het huis van God te bouwen. 3David maakte een grote hoeveelheid ijzer gereed voor de spijkers aan de poortdeuren en voor de verbindingsstukken, en een grote hoeveelheid koper, waar geen wegen aan was; 4en [ook] ontelbaar [veel] cederhout, want de Sidoniërs en de Tyriërs brachten een grote hoeveelheid cederhout naar David. 5David zei [bij zichzelf]: Mijn zoon Salomo is [nog] jong en onervaren; en het huis dat voor de HEERE gebouwd moet worden, moet men buitengewoon groot maken, zodat [zijn] naam en luister in alle landen [bekend wordt]. Ik zal daarom voor hem [een voorraad] gereedmaken. Zo maakte David vóór zijn dood een grote hoeveelheid [voorraad] gereed.

De HEERE heeft David de plaats van de tempel en het altaar aangewezen (1Kr 21:15,18,2615Vervolgens zond God een engel naar Jeruzalem om er verderf aan te richten. Maar toen hij er verderf aanrichtte, zag de HEERE het, en Hij kreeg berouw over dit kwaad, en Hij zei tegen de engel die verderf [onder het volk] aanrichtte: Het is genoeg, trek uw hand nu terug. Nu stond de engel van de HEERE [op dat moment] bij de dorsvloer van Ornan, de Jebusiet.18Toen zei de engel van de HEERE tegen Gad dat hij tegen David moest zeggen dat David [de heuvel] op moest gaan om voor de HEERE op de dorsvloer van Ornan, de Jebusiet, een altaar op te richten.26Vervolgens bouwde David daar voor de HEERE een altaar, en bracht brandoffers en dankoffers. Toen hij de HEERE aanriep, antwoordde Hij hem door vuur uit de hemel, op het brandofferaltaar.). David sluit zich bij de keus van de HEERE aan. Hoewel er nog geen steen voor het huis is gelegd, zegt David: “Dit hier is het huis van de HEERE God” (vers 11Toen zei David: Dit hier is het huis van de HEERE God, en dit is het brandofferaltaar voor Israël.) Hij ziet in de geest het huis voor zich.

De woorden “dit hier” verwijzen naar de dorsvloer die David zojuist heeft gekocht. De grondslag voor het huis van God is een dorsvloer. De gemeente is ook gebouwd op een ‘dorsvloer’. Op de dorsvloer wordt het koren geslagen om het kaf van het koren te scheiden. Het is een beeld van het oordeel waarmee de Heer Jezus geslagen is, met als resultaat het ontstaan van Zijn gemeente. Het altaar dat op die plaats wordt gebouwd, spreekt van de Persoon van Christus en van het werk dat Hij als Offer heeft volbracht.

Nadat de plaats is vastgesteld waar de tempel moet komen, gaat David voorbereidingen treffen voor de bouw van de tempel en de dienst daarin. De beschrijving daarvan beslaat de rest van 1 Kronieken. Na de afwending van het oordeel over Jeruzalem op grond van het offer, dat het oordeel plaatsvervangend heeft gedragen, is de plaats waar het offer is gebracht de grondslag van de tempel en de tempeldienst.

David stelt op grond van het offer – het offer is ook een type van de Heer Jezus – een tempeldienst in. Ook vandaag kennen wij een tempeldienst. De gemeente is immers “een tempel” (1Ko 3:1616Weet u niet, dat u Gods tempel bent en dat de Geest van God in u woont?; 2Ko 6:1616En welke overeenkomst heeft Gods tempel met afgoden? Want wij zijn [de] tempel van [de] levende God, zoals God gezegd heeft: ‘Ik zal onder hen wonen en wandelen, en Ik zal hun God zijn en zij zullen Mijn volk zijn’.). Dat is dan wel een geestelijke tempel. Bij die geestelijke tempel hoort een geestelijke priesterdienst (1Pt 2:55en u wordt ook zelf als levende stenen gebouwd, als een geestelijk huis tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden te offeren, die voor God aangenaam zijn door Jezus Christus.; Op 1:66en ons gemaakt heeft tot een koninkrijk, tot priesters voor Zijn God en Vader, Hem zij de heerlijkheid en de kracht tot in <alle> eeuwigheid! Amen.) met geestelijke offers (Hb 13:1515Laten wij <dan> door Hem voortdurend een lofoffer brengen aan God, dat is [de] vrucht van [de] lippen die Zijn Naam belijden.; 1Pt 2:55en u wordt ook zelf als levende stenen gebouwd, als een geestelijk huis tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden te offeren, die voor God aangenaam zijn door Jezus Christus.).

Deze geestelijke priesterdienst met zijn geestelijke offers vindt vooral plaats als de gemeente samenkomt om eredienst te doen, dat is om God te prijzen voor de gave van Zijn Zoon. Op grond van het offer wordt de offerplaats het centrum van een prachtige eredienst die is ingesteld rondom het altaar. Deze hoofdstukken geven de grote beginselen aan voor de huidige dienst in wat nu Gods tempel is.

De vreemdelingen worden opgeroepen “om het huis van God te bouwen” (vers 22Vervolgens zei David dat men de vreemdelingen moest verzamelen die in het land Israël waren, en hij stelde steenhouwers aan om gehouwen stenen uit te hakken om het huis van God te bouwen.). Ze moeten stenen uithakken. Iedere gelovige is vandaag van huis uit een vreemdeling, maar mag nu zijn steentje bijdragen aan de bouw van Gods huis. We lezen over buitenlanders die “een grote hoeveelheid cederhout” naar David brengen (vers 44en [ook] ontelbaar [veel] cederhout, want de Sidoniërs en de Tyriërs brachten een grote hoeveelheid cederhout naar David.). Steen en hout zijn de basiselementen voor het huis. Stenen zijn een beeld van de gelovigen, die “levende stenen” (1Pt 2:55en u wordt ook zelf als levende stenen gebouwd, als een geestelijk huis tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden te offeren, die voor God aangenaam zijn door Jezus Christus.) worden genoemd. Hout is een beeld van de mens als iemand die bij de aarde hoort. Later wordt dit alles met goud overtrokken. Daardoor wordt de gelovige mens iemand die Gods heerlijkheid vertoont.

Vervolgens wordt verteld dat David een grote hoeveelheid ijzer” gereed maakt “voor de spijkers aan de poortdeuren en voor de verbindingsstukken” (vers 33David maakte een grote hoeveelheid ijzer gereed voor de spijkers aan de poortdeuren en voor de verbindingsstukken, en een grote hoeveelheid koper, waar geen wegen aan was;). Deze materialen komen uit de voorraad van Davids oorlogsbuit. Ze worden ook in 1 Kronieken 28-29 genoemd. We zien hier dat het eerste wat van het huis wordt vermeld, te maken heeft met de deuren. Dat stelt het belang op de voorgrond om erop toe te zien wat wel en wat niet naar binnen mag. Dit is van vitaal belang voor de dienst in het huis.

Samen met de poortdeuren worden “de verbindingsstukken” genoemd. Behalve toezicht op wie wel en wie niet in de tempel mogen komen, is ook de onderlinge samenhang van de gelovigen van belang. Als de gelovigen goed aaneengesloten zijn door samen voor de Heer Jezus te leven en naar Gods Woord te luisteren, krijgt de vijand geen kans om onder hen zijn verderfelijke werk te doen. Zo zullen bijvoorbeeld valse leringen over de Heer Jezus of Gods Woord, die altijd verdeeldheid zaaien, geen kans krijgen binnen te dringen.

David plaatst de jeugdigheid en onervarenheid van Salomo tegenover het te bouwen huis voor de HEERE (vers 55David zei [bij zichzelf]: Mijn zoon Salomo is [nog] jong en onervaren; en het huis dat voor de HEERE gebouwd moet worden, moet men buitengewoon groot maken, zodat [zijn] naam en luister in alle landen [bekend wordt]. Ik zal daarom voor hem [een voorraad] gereedmaken. Zo maakte David vóór zijn dood een grote hoeveelheid [voorraad] gereed.). David wil dat het huis “buitengewoon groot” gemaakt wordt. De reden daarvan is dat [zijn] naam en luister in alle landen [bekend wordt]”. In wat David zegt, komt de tegenstelling tot uiting tussen de onbekwaamheid en onervarenheid van de mens en het enorme werk van de bouw van het glorieuze huis van God. Uit onszelf kunnen we niets. “Als de HEERE het huis niet bouwt, tevergeefs zwoegen de bouwlieden daaraan” (Ps 127:11Een pelgrimslied, van Salomo.
Als de HEERE het huis niet bouwt,
tevergeefs zwoegen zijn bouwers eraan;
als de HEERE de stad niet bewaart,
tevergeefs waakt de wachter.
)
. Maar als de Heer meewerkt, lukt het (vgl. Mk 16:2020En zij gingen uit en predikten overal, terwijl de Heer meewerkte en het Woord bevestigde door de tekenen die daarop volgden.>; Fp 4:1313Ik vermag alles door Hem Die mij kracht geeft.).

Ondanks zoveel wat door onze ontrouw van de luister van het huis is verdwenen, is het toch nog steeds mogelijk om Gods huis “aanzien te geven”, of ‘luisterrijk’ te maken, of te ‘versieren’. Dat doet ook het overblijfsel dat vanuit Babel is teruggekeerd in Israël (Ea 7:2727Geloofd zij de HEERE, de God van onze vaderen, Die het zo in het hart van de koning heeft gegeven om het huis van de HEERE dat in Jeruzalem [staat], aanzien te geven.). Dit ‘versieren’ kunnen we doen door een toegewijde wandel, door samenkomsten te houden waarin de Heer Jezus wordt verheerlijkt, door ons getuigenis in deze wereld, heel algemeen door onze volledige onderworpenheid aan de Heer (vgl. Tt 2:9-109[Vermaan] de slaven aan hun eigen meesters onderdanig te zijn, in alles welbehaaglijk te zijn, niet tegen te spreken,10niet te ontvreemden, maar alle goede trouw te bewijzen, opdat zij de leer van God, onze Heiland, in alles versieren.). Dan wordt er gebouwd met goed materiaal, met goud, zilver, kostbare stenen” (1Ko 3:12a12Als nu iemand op het fundament bouwt: goud, zilver, kostbare stenen, hout, hooi, stro, –) en is er voor het vlees geen plaats. Alle dienst die niet de opbouw van de gemeente voor ogen staat (Ef 4:11-1611En Hij heeft sommigen gegeven als apostelen, anderen als profeten, anderen als evangelisten, anderen als herders en leraars,12om de heiligen te volmaken, tot [het] werk van [de] bediening, tot [de] opbouwing van het lichaam van Christus;13totdat wij allen komen tot de eenheid van het geloof en van de kennis van de Zoon van God, tot een volwassen man, tot [de] maat van [de] volgroeidheid van de volheid van Christus,14opdat wij niet meer onmondigen zijn, heen en weer bewogen en rondgedreven door elke wind van de leer, door de bedriegerij van de mensen, door [hun] sluwheid om door listen te doen dwalen,15maar terwijl wij de waarheid vasthouden in liefde, in alles opgroeien tot Hem Die het hoofd is, Christus,16uit Wie het hele lichaam, samengevoegd en verbonden door elk gewricht dat de ondersteuning [verleent] naar [de] werking die elk deel is toegemeten, de groei van het lichaam bewerkt tot opbouwing van zichzelf in liefde.), is geen versiering voor Gods huis, maar brandbaar materiaal (1Ko 3:12b-1712Als nu iemand op het fundament bouwt: goud, zilver, kostbare stenen, hout, hooi, stro, –13ieders werk zal openbaar worden. Want de dag zal het aan het licht brengen, omdat deze in vuur geopenbaard wordt, en hoe ieders werk is, <dat> zal het vuur beproeven.14Als iemands werk dat hij daarop gebouwd heeft, zal blijven, zal hij loon ontvangen;15als iemands werk zal verbranden, zal hij schade lijden; maar zelf zal hij behouden worden, maar zo als door vuur heen.16Weet u niet, dat u Gods tempel bent en dat de Geest van God in u woont?17Als iemand de tempel van God verderft, God zal hem verderven. Want de tempel van God is heilig, en dat bent u.).

David besluit een voorraad gereed te maken waarmee Salomo kan beginnen het huis van God te bouwen. Hij doet dat met het oog op enerzijds de jeugdigheid en onervarenheid van zijn zoon Salomo en anderzijds de grootsheid en luister van dat huis. Hij doet het niet karig, maar hij maakt “een grote hoeveelheid” gereed. Alles wordt door David geregeld voor een huis dat nog niet is gebouwd. Zo is ook door Christus alles geregeld, voordat de gemeente als Zijn huis in heerlijkheid wordt geopenbaard.

Het laatste deel van Davids leven is gevuld met het aanleggen van voorraden voor zijn zoon Salomo om de tempel te bouwen. Wat een prachtig doel voor een oude man. Wat een prachtig voorbeeld voor alle oude gelovigen. Oude gelovigen mogen de belangen van Gods huis tot het laatst toe met alle inzet zoeken en dienen door jonge gelovigen te ondersteunen bij de bouw van Gods huis.


Salomo voorbereid op de tempelbouw

6Toen riep hij zijn zoon Salomo en gebood hem voor de HEERE, de God van Israël, een huis te bouwen. 7David zei tegen Salomo: Mijn zoon, ik zelf had het voornemen om voor de Naam van de HEERE, mijn God, een huis te bouwen, 8maar het woord van de HEERE kwam tot mij: U hebt een grote hoeveelheid bloed vergoten en u hebt grote oorlogen gevoerd. U mag voor Mijn Naam geen huis bouwen, omdat u een grote hoeveelheid bloed op de aarde voor Mijn aangezicht vergoten hebt. 9Zie, een zoon zal u geboren worden; díe zal een man van rust zijn, want Ik zal hem rust geven van al zijn vijanden van rondom. Ja, Salomo zal zijn naam zijn, want Ik zal in zijn dagen vrede en stilte over Israël geven. 10Hij is het die voor Mijn Naam een huis zal bouwen, en hij is het die Mij tot een zoon zal zijn, en Ik hem tot een Vader. En Ik zal de troon van zijn koninkrijk tot in eeuwigheid over Israël bevestigen. 11Nu [dan], mijn zoon, moge de HEERE met je zijn, en je zult voorspoedig zijn, en het huis van de HEERE, je God, bouwen, zoals Hij over jou gesproken heeft. 12Alleen, moge de HEERE je verstand en inzicht geven, als Hij je het bevel geeft over Israël, zodat je de wet van de HEERE, je God, in acht neemt. 13Dan zul je voorspoedig zijn, als je de verordeningen en bepalingen nauwlettend in acht neemt, die de HEERE aan Mozes voor Israël geboden heeft. Wees sterk en moedig, wees niet bevreesd en wees niet ontsteld! 14Zie, ik heb door [al] mijn verdrukking honderdduizend talent goud gereedgemaakt voor het huis van de HEERE, en een miljoen talent zilver; het koper en het ijzer is niet te wegen, want het is er in grote hoeveelheid. Ik heb ook hout en stenen gereedgemaakt; daar moet je [nog meer] aan toevoegen.

David roept Salomo en geeft hem de opdracht een huis voor de HEERE, de God van Israël” te bouwen (vers 66Toen riep hij zijn zoon Salomo en gebood hem voor de HEERE, de God van Israël, een huis te bouwen.). Salomo is daarvoor de geschikte persoon. Hij heeft er ook de capaciteiten voor. Om een werk voor de Heer te doen zijn een gave en een roeping nodig. Zonder gave en roeping zal wat gedaan wordt, geen stand houden omdat het niet van God is (vgl. Ea 4:1-31Toen de tegenstanders van Juda en Benjamin hadden gehoord dat de ballingen een tempel bouwden voor de HEERE, de God van Israël,2kwamen zij naar Zerubbabel toe en naar de familiehoofden en zeiden tegen hen: Laten wij samen met u bouwen, want zoals u zoeken [ook] wij uw God. En aan Hem offeren wij sinds de dagen van Esar-Haddon, de koning van Assyrië, die ons hierheen heeft laten trekken.3Maar Zerubbabel en Jesua en de overige familiehoofden van Israël zeiden tegen hen: Het is niet aan u en aan ons om [samen] een huis voor onze God te bouwen, want wíj alleen zullen [het] bouwen voor de HEERE, de God van Israël, zoals koning Kores, de koning van Perzië, ons geboden heeft.).

David getuigt tegen zijn zoon van het belang dat hij altijd heeft gesteld in een woonplaats voor God. Dit is ook een voorbeeld voor oude gelovigen. Zij kunnen, als het goed is, vertellen dat zij in hun leven ook altijd prioriteit hebben gegeven aan Gods huis. David vertelt Salomo dat het altijd in zijn hart is geweest om een huis voor de HEERE te bouwen (vers 66Toen riep hij zijn zoon Salomo en gebood hem voor de HEERE, de God van Israël, een huis te bouwen.). Hij vertelt erbij dat de HEERE hem heeft gezegd dat hij dat huis niet mocht bouwen en ook de reden daarvan (verzen 7-87David zei tegen Salomo: Mijn zoon, ik zelf had het voornemen om voor de Naam van de HEERE, mijn God, een huis te bouwen,8maar het woord van de HEERE kwam tot mij: U hebt een grote hoeveelheid bloed vergoten en u hebt grote oorlogen gevoerd. U mag voor Mijn Naam geen huis bouwen, omdat u een grote hoeveelheid bloed op de aarde voor Mijn aangezicht vergoten hebt.).

Tegelijk heeft hij de belofte gekregen dat een zoon, die toen nog geboren moest worden, het huis zal bouwen (vers 99Zie, een zoon zal u geboren worden; díe zal een man van rust zijn, want Ik zal hem rust geven van al zijn vijanden van rondom. Ja, Salomo zal zijn naam zijn, want Ik zal in zijn dagen vrede en stilte over Israël geven.). Ook heeft de HEERE gezegd dat die man “een man van rust” zal zijn, aan wie Hij rust zal geven van al zijn vijanden rondom hem. Daarom zal, zo zegt de HEERE, de naam van die zoon “Salomo” zijn. De naam ‘Salomo’ wordt direct verbonden met vrede. In die naam zit het woord sjalom, dat ‘vrede’ betekent. In zijn dagen zal de HEERE vrede en stilte over Israël geven”. Dat zijn de gepaste omstandigheden voor de bouw van de tempel, de woning van God, waar Hij in rust te midden van Zijn volk kan wonen en zij Hem offers kunnen brengen.

Het is een voorrecht voor Salomo dat hij als een man van rust voor de Naam van de HEERE een huis mag bouwen. Maar dat is niet het enige voorrecht. De HEERE zegt verder tegen David dat zijn zoon voor Hem tot een zoon zal zijn en Hij voor die zoon tot een Vader (vers 1010Hij is het die voor Mijn Naam een huis zal bouwen, en hij is het die Mij tot een zoon zal zijn, en Ik hem tot een Vader. En Ik zal de troon van zijn koninkrijk tot in eeuwigheid over Israël bevestigen.). Dit kan niet anders dan naar de grote Zoon van David, de Heer Jezus, verwijzen. Die gedachte wordt bevestigd door wat de HEERE zegt van de troon van Salomo. Dat zal een troon zijn die Hij “tot in eeuwigheid over Israël zal bevestigen”. Die troon is de troon van de Heer Jezus en van niemand anders.

Ook David is hier een beeld van Christus. Uit wat hij hier zegt, zien we dat de heerlijkheid van God in vrede te midden van Zijn volk altijd het voorwerp van het hart van Christus is. De lijdende Knecht van de HEERE had dat voor ogen toen Hij Zijn weg van lijden op aarde ging. David en Salomo zijn samen een beeld van de Heer Jezus: David in Zijn lijden en in de vestiging van het koningschap en Salomo in Zijn heerlijke en eeuwige regering.

Het is verder nog mooi om te zien dat er bij David geen sprake is van teleurstelling dat hij de tempel niet mag bouwen. Er is ook geen jaloersheid bij hem dat Salomo het mag doen. Hij ziet niet nukkig af van elke medewerking, maar accepteert wat God bepaalt. Met al de middelen die God hem heeft gegeven, zet hij zich in voor de bouw van de tempel.

Als een praktische toepassing zien we dat oudere gelovigen jongere gelovigen kunnen helpen in het vervullen van de taak die zij hebben, door voor deze jonge gelovigen beschikbaar te stellen wat zijzelf in de loop van de jaren hebben verzameld. Hierdoor wordt voor jongeren de taak aantrekkelijker en eenvoudiger gemaakt. Jongeren mogen daarvan dankbaar gebruikmaken.

David geeft enkele voorwaarden om het opgedragen werk te doen en tot een goed einde te brengen (verzen 11-1311Nu [dan], mijn zoon, moge de HEERE met je zijn, en je zult voorspoedig zijn, en het huis van de HEERE, je God, bouwen, zoals Hij over jou gesproken heeft.12Alleen, moge de HEERE je verstand en inzicht geven, als Hij je het bevel geeft over Israël, zodat je de wet van de HEERE, je God, in acht neemt.13Dan zul je voorspoedig zijn, als je de verordeningen en bepalingen nauwlettend in acht neemt, die de HEERE aan Mozes voor Israël geboden heeft. Wees sterk en moedig, wees niet bevreesd en wees niet ontsteld!). Deze voorwaarden gelden voor elk werk dat ook ons is opgedragen.
1. De eerste voorwaarde is, dat de Heer met ons is (vers 1111Nu [dan], mijn zoon, moge de HEERE met je zijn, en je zult voorspoedig zijn, en het huis van de HEERE, je God, bouwen, zoals Hij over jou gesproken heeft.). Dat zal Hij zijn, zolang ieder van ons zich houdt aan wat “Hij over jou gesproken heeft”.
2. De tweede voorwaarde is, dat het werk dat moet gebeuren, niet plaatsvindt op basis van onze eigen inzichten (vers 1212Alleen, moge de HEERE je verstand en inzicht geven, als Hij je het bevel geeft over Israël, zodat je de wet van de HEERE, je God, in acht neemt.). De Heer moet ons “verstand en inzicht” geven. Hij moet ons helpen in praktijk te brengen wat we weten.
3. De derde voorwaarde is gehoorzaamheid aan het woord dat door God aan Mozes is gegeven (vers 1313Dan zul je voorspoedig zijn, als je de verordeningen en bepalingen nauwlettend in acht neemt, die de HEERE aan Mozes voor Israël geboden heeft. Wees sterk en moedig, wees niet bevreesd en wees niet ontsteld!). Dit is een vereiste voor alle getrouwheid en elke opwekking na afwijking. De latere koning Josia gaat ook terug naar Mozes (2Kn 23:2525Vóór hem was er geen koning aan hem gelijk, die zich met heel zijn hart, heel zijn ziel en met heel zijn kracht tot de HEERE bekeerd had, overeenkomstig de hele wet van Mozes; en na hem stond zijns gelijke niet op.; 2Kr 35:66Slacht het paaslam en heilig u, en bereid [het] voor uw broeders door te doen overeenkomstig het woord van de HEERE, [gegeven] door de hand van Mozes.) en ook naar David (2Kr 35:44en maak u gereed, naar uw families, overeenkomstig uw afdelingen, volgens het voorschrift van David, de koning van Israël, en volgens de beschrijving van zijn zoon Salomo.).

De woorden “wees sterk en moedig” waarmee David Salomo bemoedigt, zijn ook de woorden waarmee Mozes Jozua bemoedigt (Dt 31:66Wees sterk en moedig, wees niet bevreesd en schrik niet voor hen terug, want het is de HEERE, uw God, Die met u [mee]gaat. Hij zal u niet loslaten en u niet verlaten.; Jz 1:6,7,96Wees sterk en moedig, want ú zult dit volk het land dat Ik hun vaderen gezworen heb hun te geven, in erfbezit laten nemen.7Alleen, wees sterk en zeer moedig, door nauwlettend te handelen overeenkomstig heel de wet die Mozes, Mijn dienaar, u geboden heeft. Wijk daar niet van af, naar rechts of naar links, opdat u verstandig zult handelen overal waar u gaat.9Heb Ik het u niet geboden? Wees sterk en moedig, schrik niet en wees niet ontsteld, want de HEERE, uw God, is met u, overal waar u heen gaat.).

Wat David aan materiaal voor de bouw van Gods huis heeft klaarliggen, is door hem verzameld in zijn “verdrukking” (vers 1414Zie, ik heb door [al] mijn verdrukking honderdduizend talent goud gereedgemaakt voor het huis van de HEERE, en een miljoen talent zilver; het koper en het ijzer is niet te wegen, want het is er in grote hoeveelheid. Ik heb ook hout en stenen gereedgemaakt; daar moet je [nog meer] aan toevoegen.). Dat bepaalt ons erbij dat de Heer Jezus door de ‘verdrukking’ van het kruis Zijn gemeente kan bouwen. Salomo mag dit nog aanvullen. Dit doet denken aan de woorden van Paulus, als hij zegt dat hij in zijn vlees aanvult “wat nog ontbreekt aan de verdrukkingen van Christus voor Zijn lichaam, dat is de gemeente” (Ko 1:2424Thans verblijd ik mij in mijn lijden voor u en vul in mijn vlees aan wat nog ontbreekt aan de verdrukkingen van Christus voor Zijn lichaam, dat is de gemeente,).

Het lijden van Paulus is van hetzelfde karakter als het lijden van Christus. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat hij in dezelfde mate lijdt en al helemaal niet voor de verzoening. Aan de verzoening ontbreekt niets, die is compleet in zichzelf. God heeft door het lijden van de Heer Jezus op het kruis, door het bloed van Zijn eigen Zoon, de gemeente verworven (Hd 20:28b28Past op uzelf en op de hele kudde, waarin de Heilige Geest u als opzieners heeft gesteld, om de gemeente van God te hoeden, die Hij Zich heeft verworven door het bloed van Zijn eigen [Zoon].).

De Heer Jezus heeft in Zijn leven op aarde God geopenbaard, maar niet al Gods eeuwige plannen. Pas wanneer de Heilige Geest op aarde komt, krijgen de gelovigen inzicht in Gods plannen en wel door middel van de apostel Paulus (Hd 20:2727want ik heb niet nagelaten u de hele raad van God te verkondigen.). Het getuigen van die waarheid brengt voor Paulus overvloedig lijden met zich mee. Dit is geen plaatsvervangend lijden, het is een aanvullend lijden.


Anderen helpen Salomo

15Bij jou is een grote hoeveelheid [mensen] die het werk kunnen uitvoeren: steenhouwers en ambachtslieden [die] steen en hout [bewerken], en allerlei wijze [mannen] om allerlei werk [te doen]. 16Het goud, het zilver, het koper en het ijzer is ontelbaar. [Daarom], sta op en doe [het], en de HEERE zal met je zijn. 17Ook gebood David alle leiders van Israël, om zijn zoon Salomo te helpen. 18[Hij zei:] Is niet de HEERE, uw God, met u, en heeft Hij u geen rust gegeven van rondom? Want Hij heeft de inwoners van het land in mijn hand gegeven, en dit land is onderworpen voor het aangezicht van de HEERE, en voor Zijn volk. 19Nu [dan], richt uw hart en uw ziel erop om de HEERE, uw God, te zoeken. Sta op en bouw het heiligdom van de HEERE God, zodat men de ark van het verbond van de HEERE en de heilige voorwerpen van God in dit huis kan brengen, dat voor de Naam van de HEERE gebouwd zal worden.

David wijst Salomo erop dat er een menigte arbeiders klaarstaat om hem te helpen (vers 1515Bij jou is een grote hoeveelheid [mensen] die het werk kunnen uitvoeren: steenhouwers en ambachtslieden [die] steen en hout [bewerken], en allerlei wijze [mannen] om allerlei werk [te doen].). Er is, net als bij de bouw van de tabernakel, grote bereidwilligheid iets voor de HEERE te doen. Ook bij het begin van de gemeente, het nieuwtestamentische huis van God, zien we bij allen die tot de gemeente behoren een grote toewijding aan de dingen van de Heer (Hd 4-5). Vandaag moet veel werk door slechts weinigen gebeuren, omdat ieder “zich uitslooft, … voor zijn eigen huis” (Hg 1:99U rekent op veel, maar zie, het wordt weinig.
Wat u in huis bracht, daar blies Ik in.
Waarom? spreekt de HEERE van de legermachten.
Vanwege Mijn huis, dat verwoest ligt,
terwijl u zich uitslooft, ieder voor zijn eigen huis.
)
, terwijl het huis van God er verwoest bij ligt.

De werklieden zijn nu de evangelisten die materiaal aanbrengen en de leraren die dit materiaal verder ‘bewerken’ zodat de stenen hun juiste plaats in het huis krijgen en innemen (vgl. Ko 1:28-2928Hem verkondigen wij, terwijl wij iedere mens terechtwijzen en iedere mens leren in alle wijsheid, om iedere mens volmaakt te stellen in Christus.29Hiervoor arbeid ik ook onder strijd naar Zijn werking, die in mij werkt met kracht.). Dat anderen Salomo moeten helpen, betekent voor ons dat niemand onafhankelijk van anderen kan bouwen. Paulus realiseert zich dat ook (Ko 4:11b11en Jezus, genaamd Justus, die uit [de] besnijdenis zijn. Alleen dezen zijn medearbeiders geweest voor het koninkrijk van God, die mij tot troost geweest zijn.).

Als David heeft gewezen op de grote hoeveelheid mensen en de ontelbare hoeveelheid materialen, geeft hij zijn zoon de opdracht op te staan en aan het werk te gaan. Hij kan wel alles hebben voorbereid, maar Salomo moet er wel mee aan het werk gaan. Bij de grote taak die hij daarmee Salomo op de schouders legt, ondersteunt hij hem bovenal met hem erop te wijzen dat de HEERE met hem zal zijn (vers 16b16Het goud, het zilver, het koper en het ijzer is ontelbaar. [Daarom], sta op en doe [het], en de HEERE zal met je zijn.).

De leiders van het volk kunnen Salomo ook helpen (vers 1717Ook gebood David alle leiders van Israël, om zijn zoon Salomo te helpen.). David geeft hun daartoe de opdracht. Net zoals hij bij Salomo heeft gedaan, wijst hij ook de leiders erop dat de HEERE met hen is (vers 1818[Hij zei:] Is niet de HEERE, uw God, met u, en heeft Hij u geen rust gegeven van rondom? Want Hij heeft de inwoners van het land in mijn hand gegeven, en dit land is onderworpen voor het aangezicht van de HEERE, en voor Zijn volk.). Ze hoeven maar om zich heen te kijken om het bewijs daarvan te zien. Is het niet overal om hen heen rustig? Nu ze geen oorlog meer hoeven te voeren, kunnen ze zich inzetten voor de bouw van Gods huis.

Alle inwoners van het land zijn door de HEERE in de hand van David gegeven. Het hele land is voor de HEERE en voor Zijn volk. Als in een plaatselijke gemeente alles onderworpen is aan het gezag van de Heer Jezus, is er werkelijk vrede onder de gelovigen. Wie dat ziet, zal zich met “hart en ziel” op de dienst aan het huis van God richten.

Als hart en ziel vervuld zijn met de dingen die het hart van God vervullen, komt de oproep om op te staan en het heiligdom van de HEERE God” te bouwen (vers 1919Nu [dan], richt uw hart en uw ziel erop om de HEERE, uw God, te zoeken. Sta op en bouw het heiligdom van de HEERE God, zodat men de ark van het verbond van de HEERE en de heilige voorwerpen van God in dit huis kan brengen, dat voor de Naam van de HEERE gebouwd zal worden.). Het doel daarvan is dat in dat huis “de ark van het verbond van de HEERE en de heilige voorwerpen van God” kunnen worden gebracht. Alles is erop gericht dat in dat huis de Naam van de HEERE zal worden verheerlijkt. Dat gebeurt als Hij daar woont tussen de cherubs op de ark en alle voorwerpen in het huis “heilig” zijn, dat wil zeggen aan Hem gewijd zijn.


Lees verder