1 Kronieken
Inleiding 1-13 De overwinningen van David 14-17 Regering en beambten van David
Inleiding

In het vorige hoofdstuk bevinden we ons in het heiligdom. In het hoofdstuk dat we nu voor ons hebben, bevinden we ons in de strijd erbuiten. Als David in het heiligdom bij God is geweest, komt hij gesterkt naar buiten en kan hij overwinningen op de vijanden behalen. David verbreidt naar alle zijden de heerlijkheid van Israël en van zijn regering. Hij is hierin een voorbeeld van de Heer Jezus. Als de Heer Jezus uit het heiligdom komt, zal Hij al Zijn vijanden onderwerpen en oordelen en Zijn rijk op de hele aarde vestigen.

De inhoud van dit hoofdstuk vinden we ook in 2 Samuel 8. Naar aanleiding van de gebeurtenissen die in dit hoofdstuk worden beschreven, heeft David Psalm 60 gedicht (Ps 60:1-21Een gouden kleinood van David, ter onderwijzing, voor de koorleider, op ‘De lelie van de getuigenis’;2toen hij gevochten had met de Syriërs van Mesopotamië en met de Syriërs van Zoba, en Joab terugkwam en de Edomieten versloeg in het Zoutdal: twaalfduizend [man].).

Het verslag van de overwinningen van David moet voor de teruggekeerde ballingen een grote bemoediging zijn geweest. Ook zij hebben met allerlei tegenstanders te maken. Ze komen terug uit ballingschap in een land dat zeventig jaar lang onverzorgd is gebleven. De overwinningen van David heeft hij niet aan zichzelf te danken, maar aan God. Op die God wordt het hart van het overblijfsel bovenal gericht. Wie Hij voor David is geweest, is Hij ook voor hen. Voor hen en voor ons geldt: “Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en tot in eeuwigheid” (Hb 13:88Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en tot in eeuwigheid.).


De overwinningen van David

1Daarna gebeurde het dat David de Filistijnen versloeg en hen onderwierp; en hij nam Gath en de bijbehorende [plaatsen] uit de macht van de Filistijnen. 2Ook versloeg hij Moab, zodat de Moabieten dienaren van David werden [en] zij schatting moesten afdragen. 3Verder versloeg David Hadadezer, de koning van Zoba, bij Hamath, toen die heentrok om zijn gezag te vestigen aan de rivier de Eufraat. 4David nam van hem duizend [wagens af] en [nam] zevenduizend ruiters en twintigduizend man voetvolk [gevangen]. Ook sneed David de hielpezen van alle wagen[paarden] door, maar hield er honderd wagen[paarden] van over. 5De Syriërs van Damascus kwamen om Hadadezer, de koning van Zoba, te helpen, maar David versloeg van de Syriërs tweeëntwintigduizend man. 6David legde [garnizoenen] in het Syrië van Damascus, en de Syriërs werden dienaren van David [en] moesten schatting afdragen. De HEERE gaf David de overwinning overal waar hij heen ging. 7David nam de gouden schilden die van de dienaren van Hadadezer geweest waren, en bracht ze naar Jeruzalem. 8En uit Tibchath en uit Chun, steden van Hadarezer, nam David zeer veel koper mee; daarvan heeft Salomo de koperen zee, de pilaren en de koperen voorwerpen gemaakt. 9Toen [nu] Toü, de koning van Hamath, hoorde dat David heel het leger van Hadadezer, de koning van Zoba, verslagen had, 10stuurde hij zijn zoon Hadoram naar koning David om hem naar [zijn] welstand te vragen en hem geluk te wensen, omdat hij tegen Hadadezer gestreden en hem verslagen had – Hadadezer voerde namelijk steeds strijd tegen Toü – en [hij stuurde hem ook] allerlei gouden, zilveren en koperen voorwerpen. 11Koning David heiligde ook die voor de HEERE, evenals het zilver en het goud dat hij meegebracht had van alle heidenvolken: van Edom, van Moab, van de Ammonieten, van de Filistijnen en van Amalek. 12Ook versloeg Abisaï, de zoon van Zeruja, de Edomieten in het Zoutdal, achttienduizend [man]. 13Hij legde garnizoenen in Edom, en alle Edomieten werden aan David onderworpen. De HEERE gaf David de overwinning overal waar hij heen ging.

David overwint achtereenvolgens de Filistijnen in het westen (vers 11Daarna gebeurde het dat David de Filistijnen versloeg en hen onderwierp; en hij nam Gath en de bijbehorende [plaatsen] uit de macht van de Filistijnen.), de Moabieten in het oosten (vers 22Ook versloeg hij Moab, zodat de Moabieten dienaren van David werden [en] zij schatting moesten afdragen.), de koning van Zoba en de Syriërs in het noorden (verzen 3-113Verder versloeg David Hadadezer, de koning van Zoba, bij Hamath, toen die heentrok om zijn gezag te vestigen aan de rivier de Eufraat.4David nam van hem duizend [wagens af] en [nam] zevenduizend ruiters en twintigduizend man voetvolk [gevangen]. Ook sneed David de hielpezen van alle wagen[paarden] door, maar hield er honderd wagen[paarden] van over.5De Syriërs van Damascus kwamen om Hadadezer, de koning van Zoba, te helpen, maar David versloeg van de Syriërs tweeëntwintigduizend man.6David legde [garnizoenen] in het Syrië van Damascus, en de Syriërs werden dienaren van David [en] moesten schatting afdragen. De HEERE gaf David de overwinning overal waar hij heen ging.7David nam de gouden schilden die van de dienaren van Hadadezer geweest waren, en bracht ze naar Jeruzalem.8En uit Tibchath en uit Chun, steden van Hadarezer, nam David zeer veel koper mee; daarvan heeft Salomo de koperen zee, de pilaren en de koperen voorwerpen gemaakt.9Toen [nu] Toü, de koning van Hamath, hoorde dat David heel het leger van Hadadezer, de koning van Zoba, verslagen had,10stuurde hij zijn zoon Hadoram naar koning David om hem naar [zijn] welstand te vragen en hem geluk te wensen, omdat hij tegen Hadadezer gestreden en hem verslagen had – Hadadezer voerde namelijk steeds strijd tegen Toü – en [hij stuurde hem ook] allerlei gouden, zilveren en koperen voorwerpen.11Koning David heiligde ook die voor de HEERE, evenals het zilver en het goud dat hij meegebracht had van alle heidenvolken: van Edom, van Moab, van de Ammonieten, van de Filistijnen en van Amalek.) en de Edomieten in het zuiden (verzen 12-1312Ook versloeg Abisaï, de zoon van Zeruja, de Edomieten in het Zoutdal, achttienduizend [man].13Hij legde garnizoenen in Edom, en alle Edomieten werden aan David onderworpen. De HEERE gaf David de overwinning overal waar hij heen ging.). Hij heeft succes, omdat de HEERE met hem is, want de HEERE is altijd met degene die met Hem is (verzen 6,136David legde [garnizoenen] in het Syrië van Damascus, en de Syriërs werden dienaren van David [en] moesten schatting afdragen. De HEERE gaf David de overwinning overal waar hij heen ging.13Hij legde garnizoenen in Edom, en alle Edomieten werden aan David onderworpen. De HEERE gaf David de overwinning overal waar hij heen ging.).

Dat betekent niet dat de overwinningen David in de schoot geworpen worden. Hij moet er werkelijk hard voor strijden. Voor het voeren van deze oorlogen heeft hij ook een harde oefenschool gehad in de tijd dat hij op de vlucht was voor Saul. De Heer geeft ook ons de overwinning, maar Hij doet dat alleen als wij ons volledig voor Hem inzetten.

Met het verslaan van de Filistijnen (vers 11Daarna gebeurde het dat David de Filistijnen versloeg en hen onderwierp; en hij nam Gath en de bijbehorende [plaatsen] uit de macht van de Filistijnen.) onderwerpt David een vijand die vele jaren lang, al vanaf de tijd van de richters, een plaag is geweest voor Israël. Zij hebben zelfs Saul zo benauwd dat hij zelfmoord heeft gepleegd en ze hebben zijn zonen gedood (1Sm 31:1-61En de Filistijnen waren in strijd gewikkeld met Israël. De mannen van Israël vluchtten voor de Filistijnen en vielen dodelijk gewond op het gebergte Gilboa.2De Filistijnen hielden dicht op Saul en zijn zonen aan, en de Filistijnen doodden Jonathan, Abinadab en Malchisua, de zonen van Saul.3De strijd tegen Saul werd zwaar: de schutters, de mannen met de boog, troffen hem aan, en hij beefde zeer [uit angst] voor de schutters.4Toen zei Saul tegen zijn wapendrager: Trek uw zwaard en doorsteek mij daarmee. Anders komen deze onbesnedenen, doorsteken zij mij en drijven zij de spot met mij. Maar zijn wapendrager wilde niet, want hij was zeer bevreesd. Toen nam Saul het zwaard en liet zich erin vallen.5Toen zijn wapendrager zag dat Saul dood was, liet ook hij zich in zijn zwaard vallen en stierf hij met hem.6Zo stierven Saul, zijn drie zonen, zijn wapendrager, en al zijn mannen tegelijk op die dag.). De Filistijnen hebben ook steden van Israël veroverd en zijn er zelf gaan wonen (1Kr 10:77Toen alle mannen van Israël die in het dal waren, zagen dat Saul en zijn zonen dood waren, verlieten zij hun steden en vluchtten. Daarna kwamen de Filistijnen en gingen er wonen.). David breekt hun macht. Door Gath en de bijbehorende plaatsen uit de macht van de Filistijnen te nemen verovert hij nu steden in plaats van andersom. Later wordt nog melding gemaakt van het doden van enkele overgebleven reuzen (1Kr 20:4-84Daarna gebeurde het dat er in Gezer opnieuw oorlog met de Filistijnen ontstond. Toen versloeg Sibbechai uit Husa, Sippai, die [een] van de kinderen van Rafa was, en zij werden vernederd.5Er was opnieuw oorlog met de Filistijnen, en Elhanan, de zoon van Jaïr, versloeg Lachmi, de broer van Goliath uit Gath. De schacht van zijn speer was als een weversboom.6Er was opnieuw oorlog in Gath. Er was een man van grote lengte die aan beide kanten zes vingers en zes tenen had, vierentwintig [in totaal]. Ook deze was bij Rafa geboren.7Hij hoonde Israël, maar Jonathan, de zoon van Simea, de broer van David, versloeg hem.8Deze waren bij Rafa geboren in Gath. Zij vielen door de hand van David en door de hand van zijn manschappen.).

David verslaat ook de Moabieten (vers 22Ook versloeg hij Moab, zodat de Moabieten dienaren van David werden [en] zij schatting moesten afdragen.). Net als over het verslaan van de Filistijnen is de kroniekschrijver daar kort over. Hij wijdt er, evenals aan het verslaan van de Filistijnen, slechts één vers aan. Het resultaat is dat de Moabieten David dienen en hem schatting moeten afdragen. Daardoor blijft David zijn macht over hen uitoefenen, waarmee hij het gevaar bezweert dat ze zich los van hem weer tot een gevaarlijke macht zullen ontwikkelen.

Op het moment dat Hadadezer, de koning van Zoba, zijn macht wil vestigen, verslaat David hem (vers 33Verder versloeg David Hadadezer, de koning van Zoba, bij Hamath, toen die heentrok om zijn gezag te vestigen aan de rivier de Eufraat.). Hij maakt de vijand tot gevangenen en hij maakt de middelen waarop zij hebben vertrouwd krachteloos (vers 44David nam van hem duizend [wagens af] en [nam] zevenduizend ruiters en twintigduizend man voetvolk [gevangen]. Ook sneed David de hielpezen van alle wagen[paarden] door, maar hield er honderd wagen[paarden] van over.). Als de vijanden zich verenigen om gezamenlijk tegen David te strijden, is die vereniging alleen maar als het verzamelen van “graanschoven op de dorsvloer” (vers 55De Syriërs van Damascus kwamen om Hadadezer, de koning van Zoba, te helpen, maar David versloeg van de Syriërs tweeëntwintigduizend man.; Mi 4:11-1211Nu verzamelen zich tegen u
vele heidenvolken.
Zij zeggen: Laat haar ontheiligd worden,
en laten onze ogen Sion aanschouwen.12Zíj echter kennen de gedachten van de HEERE niet.
Zij begrijpen Zijn raadsbesluit niet:
dat Hij hen bijeengebracht heeft als graanschoven op de dorsvloer.
)
. David hoeft dan niet tegen al die rijken afzonderlijk te strijden, maar kan ze in één oorlog verslaan.

De rijke buit aan koper die deze strijd oplevert, zal worden gebruikt voor de bouw van de tempel (vers 88En uit Tibchath en uit Chun, steden van Hadarezer, nam David zeer veel koper mee; daarvan heeft Salomo de koperen zee, de pilaren en de koperen voorwerpen gemaakt.). “Koning David” – David twee keer nadrukkelijk koning genoemd (verzen 10-1110stuurde hij zijn zoon Hadoram naar koning David om hem naar [zijn] welstand te vragen en hem geluk te wensen, omdat hij tegen Hadadezer gestreden en hem verslagen had – Hadadezer voerde namelijk steeds strijd tegen Toü – en [hij stuurde hem ook] allerlei gouden, zilveren en koperen voorwerpen.11Koning David heiligde ook die voor de HEERE, evenals het zilver en het goud dat hij meegebracht had van alle heidenvolken: van Edom, van Moab, van de Ammonieten, van de Filistijnen en van Amalek.) – heiligt voor de HEERE zowel wat hij heeft gekregen aan geschenken als wat hij heeft veroverd aan buit, om dit te gebruiken voor de bouw en versiering van de tempel.

Door het verslaan van Hadadezer geeft David reden tot vreugde bij Toï, de koning van Hamath (verzen 9-119Toen [nu] Toü, de koning van Hamath, hoorde dat David heel het leger van Hadadezer, de koning van Zoba, verslagen had,10stuurde hij zijn zoon Hadoram naar koning David om hem naar [zijn] welstand te vragen en hem geluk te wensen, omdat hij tegen Hadadezer gestreden en hem verslagen had – Hadadezer voerde namelijk steeds strijd tegen Toü – en [hij stuurde hem ook] allerlei gouden, zilveren en koperen voorwerpen.11Koning David heiligde ook die voor de HEERE, evenals het zilver en het goud dat hij meegebracht had van alle heidenvolken: van Edom, van Moab, van de Ammonieten, van de Filistijnen en van Amalek.). Het verslaan van vijanden heeft zo een rijkere uitwerking dan alleen een persoonlijke vreugde. Zoals falen kwalijke gevolgen voor anderen heeft (1Kr 13:6-106Toen trok David met heel Israël naar Baäla, [dat is] naar Kirjath-Jearim, dat aan Juda toebehoort, om vandaar de ark van God de HEERE, Die tussen de cherubs troont, op te halen, [de ark] waar de Naam wordt aangeroepen.7Zij vervoerden de ark van God op een nieuwe wagen vanuit het huis van Abinadab, en Uzza en Ahio leidden de wagen.8En David en heel Israël huppelden voor het aangezicht van God, uit alle macht, met liederen, met harpen, met luiten, met tamboerijnen, met cimbalen en met trompetten.9Maar toen zij bij de dorsvloer van Chidon kwamen, strekte Uzza zijn hand uit om de ark vast te grijpen, omdat de runderen struikelden.10Toen ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Uzza, en Hij strafte hem, omdat hij zijn hand naar de ark had uitgestoken; en hij stierf daar voor het aangezicht van God.), zo heeft een overwinning in de kracht van God een goede uitwerking voor anderen. Het is verstandig van Toï om David daarvoor te bedanken. Het is een voorbeeld voor ons om ervoor te zorgen dat we vrienden worden met hen van wie we zien dat God met hen is.

De letterlijke vijanden van David en Israël stellen voor ons geestelijke vijanden voor. Onze strijd is niet tegen vlees en bloed, maar tegen machten in de hemelse gewesten (Ef 6:1212Want onze strijd is niet tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis, tegen de geestelijke [machten] van de boosheid in de hemelse [gewesten].). Het is goed om te beseffen dat in onszelf geen kracht is om welke vijand ook te overwinnen. Zoals er verschillende vijanden zijn van David, zo heeft de zonde, waar de boze machten in de hemelse gewesten gebruik van maken, veel verschijningsvormen, zoals jaloersheid en hoogmoed.

Al die verschijningsvormen zijn vijanden die invloed willen hebben in ons leven. De Heer wil ons de kracht geven die vijanden te overwinnen. De wapenrusting van God wordt ons daarvoor aangereikt (Ef 6:13-1813Neemt daarom de hele wapenrusting van God op, om weerstand te kunnen bieden in de boze dag en om, na alles volbracht te hebben, stand te houden.14Houdt dan stand, uw lendenen omgord met [de] waarheid, en bekleed met het borstharnas van de gerechtigheid,15en de voeten geschoeid met [de] toerusting van het evangelie van de vrede,16terwijl u bovenal het schild van het geloof hebt opgenomen, waarmee u al de brandende pijlen van de boze zult kunnen uitblussen.17En neemt de helm van de behoudenis en het zwaard van de Geest, dat is [het] Woord van God,18terwijl u te allen tijde bidt in [de] Geest met alle gebed en smeking, en daartoe waakt met alle volharding en smeking voor alle heiligen,). Als wij die aan hebben, zonder een onderdeel te vergeten, zullen wij staande blijven.

Bij twee vijanden legt David ook nog “garnizoenen”. Hij doet dat in Syrië (vers 66David legde [garnizoenen] in het Syrië van Damascus, en de Syriërs werden dienaren van David [en] moesten schatting afdragen. De HEERE gaf David de overwinning overal waar hij heen ging.) en in Edom (vers 1313Hij legde garnizoenen in Edom, en alle Edomieten werden aan David onderworpen. De HEERE gaf David de overwinning overal waar hij heen ging.). Dat leert ons dat een eenmaal overwonnen vijand eronder moet worden gehouden. Een overwonnen vijand moet niet de kans krijgen opnieuw in opstand te komen.

We kunnen deze twee vijanden ook nog op een andere manier bezien. Syrië stelt een vijand voor die ons de zegeningen van het land wil afnemen, hij komt ze van ons roven. In de praktijk betekent het dat wij bijvoorbeeld door allerlei drukte er niet aan toe komen van de dingen van de Heer te genieten. Edom, dat is Ezau, staat erom bekend dat hem de zegen van het land helemaal niet interesseert. Het is de onverschilligheid voor de dingen van God die ons ook parten kan spelen. Edom stelt het vlees voor dat alleen is geïnteresseerd in hier-en-nu (Gn 25:29-3429[Eens] had Jakob iets gekookt, toen Ezau uit het veld kwam en moe was.30Toen zei Ezau tegen Jakob: Laat mij toch slurpen van dat rode, dat rode daar, want ik ben moe. Daarom gaf men hem de naam Edom.31Toen zei Jakob: Verkoop mij [dan] eerst je eerstgeboorterecht.32Ezau zei: Zie, ik ga [toch] sterven; wat [moet] ik dan [met] het eerstgeboorterecht?33Toen zei Jakob: Zweer het mij eerst. En hij zwoer het hem. Zo verkocht hij zijn eerstgeboorterecht aan Jakob.34Toen gaf Jakob Ezau brood, met de linzensoep. Hij at, dronk, stond op en ging weg. Zo verachtte Ezau het eerstgeboorterecht.). Het moet onderworpen worden gehouden, want op het kruis heeft God “de zonde in het vlees veroordeeld” (Rm 8:33Want wat voor de wet onmogelijk was, doordat zij door het vlees krachteloos was – God heeft, doordat Hij Zijn eigen Zoon in een [gedaante] gelijk aan [het] vlees van [de] zonde en voor [de] zonde heeft gezonden, de zonde in het vlees veroordeeld;).


Regering en beambten van David

14Zo regeerde David over heel Israël, en hij deed recht en gerechtigheid aan heel zijn volk. 15Joab, de zoon van Zeruja, ging over het leger en Josafat, de zoon van Ahilud, was kanselier. 16En Zadok, de zoon van Ahitub, en Abimelech, de zoon van Abjathar, waren priesters; en Sausa was schrijver. 17En Benaja, de zoon van Jojada, ging over de Krethi en de Plethi. De zonen van David waren naast de koning echter de voornaamsten.

We zien in deze verzen dat David ook intern voor rust zorgt door het handhaven van het recht. Hij zorgt voor een goed leger, want hij beseft dat, al zijn de vijanden overwonnen, er een dreiging van hen blijft uitgaan. Het leger is er niet alleen om de vrede ten opzichte van de volken om hen heen te handhaven, het wordt ook gebruikt om de vrede onder de leden van het volk zelf te handhaven. Ook intern mag er geen opstand uitbreken. God geeft mensen macht, niet opdat de mens daardoor zelf groot wordt, maar opdat hij er goed mee doet. Davids regering beantwoordt daaraan.

Als we dit toepassen op het leven van de gemeente, is de les dat ook bij onderlinge spanningen de ware David klaar staat om de rust en de vrede te herstellen. De Heer Jezus heeft een ‘leger’, dat zijn Zijn gaven aan de gemeente (Ef 4:11-1211En Hij heeft sommigen gegeven als apostelen, anderen als profeten, anderen als evangelisten, anderen als herders en leraars,12om de heiligen te volmaken, tot [het] werk van [de] bediening, tot [de] opbouwing van het lichaam van Christus;). Zij geven aanwijzingen waardoor de spanningen kunnen verdwijnen.

Een voorbeeld van die spanningen en ook hoe die worden weggenomen, zien we al in het prille begin van de gemeente (Hd 6:1-61In die dagen nu, toen de discipelen talrijker werden, ontstond er gemopper van de Griekssprekende [Joden] tegen de Hebreeën, omdat in de dagelijkse bediening hun weduwen over het hoofd werden gezien.2De twaalf nu riepen de menigte van de discipelen bijeen en zeiden: Het is niet bevredigend dat wij het Woord van God nalaten en [de] tafels dienen.3Ziet nu uit, broeders, naar zeven mannen uit u, met een [goed] getuigenis, vol van [de] Geest en van wijsheid, die wij over deze taak zullen stellen.4Wij echter zullen volharden in het gebed en in de bediening van het Woord.5En dit woord bevredigde de hele menigte; en zij kozen Stéfanus, een man vol van geloof en van [de] Heilige Geest, en Filippus, Próchorus, Nicánor, Timon, Pármenas en Nicolaüs, een proseliet van Antiochië,6die zij voor de apostelen stelden; en na gebeden te hebben legden zij hun de handen op.). Daar lezen we dat een groep gelovigen zich benadeeld voelt. Zij menen dat zij, vergeleken met anderen, te weinig krijgen. Als dit gemopper niet vlug verdwijnt, zal het een verwoestende uitwerking op de gemeente hebben. Het ‘leger’ van de Heer Jezus, de apostelen, komt met de oplossing, waardoor het gemopper ophoudt. Die oplossing ligt niet in het gebruik van geweld, maar in het tegemoet komen aan de klagers waar dat maar kan.

Voor zo’n oplossing is een geestelijke instelling nodig, dat wil zeggen de gezindheid van de Heer Jezus. Ieder van ons heeft de verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat in het eigen leven en in de gemeente van God het recht van God gehandhaafd wordt, dat houdt in dat er wordt gehoorzaamd aan wat Hij zegt in Zijn Woord. Dat kan niet gebeuren door kracht of geweld, maar door de Geest, Die werkt in voorgangers die de Heer heeft gegeven. Deze voorgangers zijn geen officieel aangestelde personen. Zoiets komt in de Bijbel niet voor. Het zijn door de Heer in de school van het leven opgeleide en gevormde dienaren. Wij worden vermaand hun te gehoorzamen en hun onderdanig te zijn (Hb 13:1717Weest aan uw voorgangers gehoorzaam en weest hun onderdanig, want zij waken over uw zielen als degenen die rekenschap zullen afleggen, opdat zij dit met vreugde en niet zuchtend doen, want dat is voor u niet nuttig.).


Lees verder