1 Kronieken
Inleiding 1 Het verlangen van David 2-6 David mag geen huis voor God bouwen 7-15 Wat God voor David is 16-27 Het dankgebed van David
Inleiding

In dit hoofdstuk spreekt God tot David (verzen 1-151En het gebeurde, toen David in zijn huis zat, dat David tegen de profeet Nathan zei: Zie, ik verblijf in een huis van ceder[hout], maar de ark van het verbond van de HEERE onder tentkleden.2Nathan zei tegen David: Doe alles wat in uw hart is, want God is met u.3Maar in die nacht gebeurde het dat het woord van God tot Nathan kwam:4Ga en zeg tegen David, Mijn dienaar: Zo zegt de HEERE: Ú mag voor Mij geen huis bouwen om in te wonen.5Ik heb immers niet in een huis gewoond vanaf de dag dat Ik Israël [uit Egypte] deed optrekken tot deze dag toe, maar Ik ben van tent tot tent gegaan, en van tabernakel [tot tabernakel].6Heb Ik [ooit], overal waar Ik met heel Israël rondtrok, een woord gesproken tot een van de richters van Israël, die Ik bevolen had Mijn volk te weiden: Waarom bouwt u voor Mij geen huis van ceder[hout]?7Nu dan, dit moet u tegen Mijn dienaar zeggen, tegen David: Zo zegt de HEERE van de legermachten: Ik heb u van de schaapskooi vandaan gehaald, van achter het kleinvee, om een leider over Mijn volk Israël te zijn.8Ik was met u overal waar u heen ging, en heb al uw vijanden voor uw [ogen] uitgeroeid. Ik heb een naam voor u gemaakt, zoals de naam van de groten die op aarde zijn.9Ik heb aan Mijn volk Israël een plaats toegewezen en het [daar] geplant, zodat het in zijn eigen [gebied] woont en niet meer heen en weer gedreven wordt. En onrechtvaardige mensen zullen het niet meer verdrukken zoals vroeger,10en sinds de dagen waarop Ik richters aangesteld heb over Mijn volk Israël. Maar Ik heb al uw vijanden vernederd. Ook maak Ik u bekend dat de HEERE voor ú een huis zal bouwen.11En het zal gebeuren, wanneer uw dagen voorbij zijn en u heen gaat naar uw vaderen, dat Ik uw nakomeling na u, die [een] van uw zonen zal zijn, zal doen opstaan, en Ik zal zijn koningschap bevestigen.12Die zal voor Mij een huis bouwen, en Ik zal zijn troon voor eeuwig bevestigen.13Ík zal hem tot een Vader zijn, en híj zal Mij tot een zoon zijn, en Mijn goedertierenheid zal Ik niet van hem wegnemen, zoals Ik [die] weggenomen heb van hem die [er] vóór u was,14maar Ik zal hem in Mijn huis en in Mijn koningschap voor eeuwig stand doen houden, en zijn troon zal voor eeuwig zeker zijn.15Overeenkomstig al deze woorden en heel dit visioen, zo sprak Nathan tot David.) en spreekt David tot God (verzen 16-2716Toen ging koning David [de heilige tent] binnen en nam plaats voor het aangezicht van de HEERE. Hij zei: Wie ben ik, HEERE God, en wat is mijn huis dat U mij tot hiertoe gebracht hebt?17En dit was in Uw ogen [nog] gering, o God, en U hebt [ook nog] over het huis van Uw dienaar gesproken tot in verre [tijden]; en U hebt mij [als] een rij mensen gezien, [in] opgaande lijn, HEERE God!18Wat zal David nog meer tot U [spreken], vanwege [deze] eer aan Uw dienaar? Ú kent Uw dienaar immers.19HEERE, omwille van Uw dienaar en naar Uw hart hebt U al deze grote dingen gedaan, en al deze grote dingen bekendgemaakt.20HEERE, er is niemand zoals U, en er is geen God dan U alleen, [zoals blijkt] uit alles wat wij met onze [eigen] oren gehoord hebben.21En wie is als Uw volk Israël, het enige volk op de aarde dat God is gaan verlossen om voor Hem een volk te zijn, om Zich een Naam te maken [door het doen] van grote en ontzagwekkende dingen, door heidenvolken te verdrijven van voor [de ogen van] Uw volk, dat U uit Egypte verlost hebt.22U hebt Uw volk Israël voor U tot Uw volk gemaakt, voor eeuwig, en Ú, HEERE, bent hun tot een God geworden.23Nu dan, HEERE, laat dit woord dat U over Uw dienaar en over zijn huis gesproken hebt, voor eeuwig bewaarheid worden, en doe zoals U gesproken hebt.24Ja, laat het bewaarheid worden, en laat Uw Naam tot in eeuwigheid grootgemaakt worden door te zeggen: De HEERE van de legermachten, de God van Israël, is God over Israël, en laat het huis van Uw dienaar David zeker zijn voor Uw aangezicht.25Want U, mijn God, hebt voor het oor van Uw dienaar onthuld dat [U] voor hem een huis zult bouwen. Daarom heeft Uw dienaar [vrijmoedigheid] gevonden [dit gebed] voor Uw aangezicht te bidden.26Nu dan, HEERE, U bent die God, en U hebt dit goede over Uw dienaar gesproken.27Nu dan, het heeft U behaagd het huis van Uw dienaar te zegenen, dat het voor eeuwig voor Uw aangezicht zal zijn; want U, HEERE, hebt [het] gezegend, en [het] zal voor eeuwig gezegend zijn.). God spreekt nu tot ons door Zijn Woord en wij mogen in reactie daarop met Hem spreken in het gebed.

Dit hoofdstuk is het hart van 1 Kronieken en gaat over het blijvende belang van de persoon en het werk van David in verbinding met “de ark van het verbond van de HEERE” (vers 11En het gebeurde, toen David in zijn huis zat, dat David tegen de profeet Nathan zei: Zie, ik verblijf in een huis van ceder[hout], maar de ark van het verbond van de HEERE onder tentkleden.), de volle naam van de ark.

Het gaat in dit hoofdstuk over drie huizen:
1. het huis dat David heeft gebouwd (vers 11En het gebeurde, toen David in zijn huis zat, dat David tegen de profeet Nathan zei: Zie, ik verblijf in een huis van ceder[hout], maar de ark van het verbond van de HEERE onder tentkleden.),
2. het huis dat voor God gebouwd zal worden (verzen 4,11,124Ga en zeg tegen David, Mijn dienaar: Zo zegt de HEERE: Ú mag voor Mij geen huis bouwen om in te wonen.11En het zal gebeuren, wanneer uw dagen voorbij zijn en u heen gaat naar uw vaderen, dat Ik uw nakomeling na u, die [een] van uw zonen zal zijn, zal doen opstaan, en Ik zal zijn koningschap bevestigen.12Die zal voor Mij een huis bouwen, en Ik zal zijn troon voor eeuwig bevestigen.) en
3. het geestelijk huis van David, de geslachtslijn die loopt tot Christus (verzen 16,23,2716Toen ging koning David [de heilige tent] binnen en nam plaats voor het aangezicht van de HEERE. Hij zei: Wie ben ik, HEERE God, en wat is mijn huis dat U mij tot hiertoe gebracht hebt?23Nu dan, HEERE, laat dit woord dat U over Uw dienaar en over zijn huis gesproken hebt, voor eeuwig bewaarheid worden, en doe zoals U gesproken hebt.27Nu dan, het heeft U behaagd het huis van Uw dienaar te zegenen, dat het voor eeuwig voor Uw aangezicht zal zijn; want U, HEERE, hebt [het] gezegend, en [het] zal voor eeuwig gezegend zijn.).


Het verlangen van David

1En het gebeurde, toen David in zijn huis zat, dat David tegen de profeet Nathan zei: Zie, ik verblijf in een huis van ceder[hout], maar de ark van het verbond van de HEERE onder tentkleden.

Het leven van David bereikt hier een nieuw stadium. Eerder is hij naar zijn eigen huis gegaan om het te zegenen (1Kr 16:4343Toen ging al het volk weg, ieder naar zijn huis; en David keerde terug om zijn huis te gaan zegenen.). Nu krijgt hij geestelijke oefeningen over Gods huis. Oefeningen over Gods huis vinden in het eigen huis, de eigen woonomgeving plaats. Als zulke oefeningen er thuis niet zijn, zijn ze er ook niet in Gods huis.

Wie echter alleen oog en tijd heeft voor zijn eigen huis, heeft geen tijd om zorg te besteden aan Gods huis (Hg 1:44Is het voor u wel de tijd
om in uw fraai overdekte huizen te wonen,
terwijl dit huis verwoest ligt?
)
. Wie ermee tevreden is om in de deur van zijn eigen tent te blijven, zal niet uitgaan naar de tent van God (Ex 33:7-107En Mozes nam de tent en zette die voor zichzelf buiten het kamp op, een eind van het kamp vandaan; en hij noemde hem de tent van ontmoeting. Zo gebeurde het dat ieder die de HEERE zocht, naar de tent van ontmoeting moest gaan, die zich buiten het kamp bevond.8Telkens als Mozes naar de tent ging, gebeurde het dat heel het volk opstond en dat ieder bij de ingang van zijn tent ging staan en dat zij Mozes nakeken tot hij de tent was binnengegaan.9Zodra Mozes de tent binnenging, gebeurde het dat de wolkkolom neerdaalde en bij de ingang van de tent bleef staan en dat [de HEERE] met Mozes sprak.10En zodra heel het volk de wolkkolom zag staan bij de ingang van de tent, stond heel het volk op en boog zich neer, ieder in de opening van zijn tent.). Wie zijn eigen huis niet kan besturen, kan ook geen zorg dragen voor de gemeente van God (1Tm 3:55– maar als iemand zijn eigen huis niet weet te besturen, hoe zal hij zorg dragen voor de gemeente van God? –). Het een kan niet los worden gezien van het ander.

Als David in rust in zijn huis zit, beseft hij de ongerijmdheid die er is tussen zijn eigen woonplaats en die van de ark. Ook voor ons mag de vraag zijn: kunnen wij voldoening hebben in onze eigen voorspoed, onze eigen, vaak luxe, woonomgeving, terwijl we geen oog hebben voor de stad als beeld van de gemeente in haar dagelijkse openbaring, waar God woont?


David mag geen huis voor God bouwen

2Nathan zei tegen David: Doe alles wat in uw hart is, want God is met u. 3Maar in die nacht gebeurde het dat het woord van God tot Nathan kwam: 4Ga en zeg tegen David, Mijn dienaar: Zo zegt de HEERE: Ú mag voor Mij geen huis bouwen om in te wonen. 5Ik heb immers niet in een huis gewoond vanaf de dag dat Ik Israël [uit Egypte] deed optrekken tot deze dag toe, maar Ik ben van tent tot tent gegaan, en van tabernakel [tot tabernakel]. 6Heb Ik [ooit], overal waar Ik met heel Israël rondtrok, een woord gesproken tot een van de richters van Israël, die Ik bevolen had Mijn volk te weiden: Waarom bouwt u voor Mij geen huis van ceder[hout]?

Uit wat David in vers 11En het gebeurde, toen David in zijn huis zat, dat David tegen de profeet Nathan zei: Zie, ik verblijf in een huis van ceder[hout], maar de ark van het verbond van de HEERE onder tentkleden. zegt, begrijpt Nathan wat hij bedoelt. Nathan zegt niet met zoveel woorden dat David de tempel mag bouwen, net zomin als David dat zelf heeft gezegd. Dit voornemen van David als zodanig is niet verkeerd. Daarom moedigt de profeet hem aan. Elkaar stimuleren om iets voor de Heer te doen, is goed. Toch is het advies van Nathan een eerste, menselijk goed te begrijpen reactie, maar niet het woord van de HEERE. In de nacht die volgt, krijgt Nathan te horen wat de HEERE van Davids voornemen vindt.

Om redenen die later worden gegeven, mag David de tempel niet bouwen (1Kr 22:88maar het woord van de HEERE kwam tot mij: U hebt een grote hoeveelheid bloed vergoten en u hebt grote oorlogen gevoerd. U mag voor Mijn Naam geen huis bouwen, omdat u een grote hoeveelheid bloed op de aarde voor Mijn aangezicht vergoten hebt.; 28:33God heeft echter tegen mij gezegd: U mag voor Mijn Naam geen huis bouwen, want u bent een man van oorlogen, en u hebt veel bloed vergoten.). Andere dingen moeten eerst gebeuren. David mg geen huis bouwen voor de HEERE, maar de HEERE zal voor David een huis bouwen. Hij schenkt aan David, die eerst een ontvanger moet worden. Wij kunnen de HEERE niets geven wat Hij nodig heeft, maar dat betekent niet dat we Hem niets kunnen geven. De HEERE ontvangt graag van ons wat wij Hem willen geven.

Nergens lezen we dat Hij, toen Hij met het volk rondtrok, de opdracht heeft gegeven om voor Hem een huis te bouwen. Integendeel, de HEERE heeft Zich steeds bij Zijn volk aangepast. Toen het volk Israël een slaaf was, werd Hij hun Bevrijder; toen het volk in tenten woonde, was Zijn woning ook een tent; toen het volk strijden moest, openbaarde Hij Zich als de Vorst van het leger van de HEERE; als het in vrede zal zijn gevestigd, zal ook God Zich in het huis van Zijn heerlijkheid vestigen.

Zo is het met Christus ten opzichte van ons. Wij zijn geboren uit een vrouw, Hij ook; Zijn aardse volk Israël was onder de wet, dat was Hij het tijdens Zijn leven op aarde ook; nu Hij een hemels volk voor Zich vergadert, is Hij in de hemel voor ons; als Hij in heerlijkheid zal komen, komen wij met Hem in Zijn heerlijkheid; als Hij regeert, regeren wij met Hem.


Wat God voor David is

7Nu dan, dit moet u tegen Mijn dienaar zeggen, tegen David: Zo zegt de HEERE van de legermachten: Ik heb u van de schaapskooi vandaan gehaald, van achter het kleinvee, om een leider over Mijn volk Israël te zijn. 8Ik was met u overal waar u heen ging, en heb al uw vijanden voor uw [ogen] uitgeroeid. Ik heb een naam voor u gemaakt, zoals de naam van de groten die op aarde zijn. 9Ik heb aan Mijn volk Israël een plaats toegewezen en het [daar] geplant, zodat het in zijn eigen [gebied] woont en niet meer heen en weer gedreven wordt. En onrechtvaardige mensen zullen het niet meer verdrukken zoals vroeger, 10en sinds de dagen waarop Ik richters aangesteld heb over Mijn volk Israël. Maar Ik heb al uw vijanden vernederd. Ook maak Ik u bekend dat de HEERE voor ú een huis zal bouwen. 11En het zal gebeuren, wanneer uw dagen voorbij zijn en u heen gaat naar uw vaderen, dat Ik uw nakomeling na u, die [een] van uw zonen zal zijn, zal doen opstaan, en Ik zal zijn koningschap bevestigen. 12Die zal voor Mij een huis bouwen, en Ik zal zijn troon voor eeuwig bevestigen. 13Ík zal hem tot een Vader zijn, en híj zal Mij tot een zoon zijn, en Mijn goedertierenheid zal Ik niet van hem wegnemen, zoals Ik [die] weggenomen heb van hem die [er] vóór u was, 14maar Ik zal hem in Mijn huis en in Mijn koningschap voor eeuwig stand doen houden, en zijn troon zal voor eeuwig zeker zijn. 15Overeenkomstig al deze woorden en heel dit visioen, zo sprak Nathan tot David.

De heilige begeerte van David om een huis voor de heerlijkheid van God te bouwen wordt de gelegenheid dat God gaat vertellen over wat Hij met David heeft gedaan (verzen 7-87Nu dan, dit moet u tegen Mijn dienaar zeggen, tegen David: Zo zegt de HEERE van de legermachten: Ik heb u van de schaapskooi vandaan gehaald, van achter het kleinvee, om een leider over Mijn volk Israël te zijn.8Ik was met u overal waar u heen ging, en heb al uw vijanden voor uw [ogen] uitgeroeid. Ik heb een naam voor u gemaakt, zoals de naam van de groten die op aarde zijn.) en wat Hij met hem zal gaan doen (verzen 9-149Ik heb aan Mijn volk Israël een plaats toegewezen en het [daar] geplant, zodat het in zijn eigen [gebied] woont en niet meer heen en weer gedreven wordt. En onrechtvaardige mensen zullen het niet meer verdrukken zoals vroeger,10en sinds de dagen waarop Ik richters aangesteld heb over Mijn volk Israël. Maar Ik heb al uw vijanden vernederd. Ook maak Ik u bekend dat de HEERE voor ú een huis zal bouwen.11En het zal gebeuren, wanneer uw dagen voorbij zijn en u heen gaat naar uw vaderen, dat Ik uw nakomeling na u, die [een] van uw zonen zal zijn, zal doen opstaan, en Ik zal zijn koningschap bevestigen.12Die zal voor Mij een huis bouwen, en Ik zal zijn troon voor eeuwig bevestigen.13Ík zal hem tot een Vader zijn, en híj zal Mij tot een zoon zijn, en Mijn goedertierenheid zal Ik niet van hem wegnemen, zoals Ik [die] weggenomen heb van hem die [er] vóór u was,14maar Ik zal hem in Mijn huis en in Mijn koningschap voor eeuwig stand doen houden, en zijn troon zal voor eeuwig zeker zijn.). Vers 99Ik heb aan Mijn volk Israël een plaats toegewezen en het [daar] geplant, zodat het in zijn eigen [gebied] woont en niet meer heen en weer gedreven wordt. En onrechtvaardige mensen zullen het niet meer verdrukken zoals vroeger, zal ten volle verwerkelijkt worden in het vrederijk. In dit vers en de volgende verzen zien we een verwijzing naar de Messias. Vers 1010en sinds de dagen waarop Ik richters aangesteld heb over Mijn volk Israël. Maar Ik heb al uw vijanden vernederd. Ook maak Ik u bekend dat de HEERE voor ú een huis zal bouwen. wordt in 1 Kronieken 18-20 uitgewerkt, als een voorafschaduwing van de oordelen die aan het vrederijk voorafgaan.

God noemt niet een bepaalde zoon, maar Hij spreekt in algemene zin over “[een] van uw zonen” (vers 1111En het zal gebeuren, wanneer uw dagen voorbij zijn en u heen gaat naar uw vaderen, dat Ik uw nakomeling na u, die [een] van uw zonen zal zijn, zal doen opstaan, en Ik zal zijn koningschap bevestigen.). Dat past in dit bijbelboek. “[Een] van uw zonen” ziet op de Messias en niet op Salomo als lijfelijke zoon. Het gaat om de Heer Jezus, de Zoon van God (Ps 2:77Ik zal het besluit bekendmaken:
De HEERE heeft tegen Mij gezegd: U bent Mijn Zoon,
Ík heb U heden verwekt.
; Hb 1:55Want tegen wie van de engelen heeft Hij ooit gezegd: ‘U bent Mijn Zoon, Ik heb U heden verwekt’? En opnieuw: ‘Ik zal Hem tot Vader zijn, en Hij zal Mij tot Zoon zijn’?; Hd 13:3333zoals ook in de tweede Psalm geschreven staat: ‘U bent Mijn Zoon, heden heb ik U verwekt’.; Hb 5:55Zo heeft ook Christus niet Zichzelf verheerlijkt om Hogepriester te worden, maar Hij Die tot Hem gesproken heeft: ‘U bent Mijn Zoon, Ik heb U heden verwekt’.)
, voor Wie God tot een Vader zal zijn en Die Hem tot een Zoon zal zijn (vers 1313Ík zal hem tot een Vader zijn, en híj zal Mij tot een zoon zijn, en Mijn goedertierenheid zal Ik niet van hem wegnemen, zoals Ik [die] weggenomen heb van hem die [er] vóór u was,; 1Kr 22:1010Hij is het die voor Mijn Naam een huis zal bouwen, en hij is het die Mij tot een zoon zal zijn, en Ik hem tot een Vader. En Ik zal de troon van zijn koninkrijk tot in eeuwigheid over Israël bevestigen.; 28:66Hij zei tegen mij: Uw zoon Salomo, hij is het die Mijn huis en Mijn voorhoven zal bouwen. Ja, Ik heb hem voor Mijzelf uitgekozen tot een zoon, en Ik zal hem tot een Vader zijn.).

De Zoon zal een huis bouwen voor de HEERE. De regering en het koningschap van de Zoon zullen ‘zonder einde’ zijn (vers 12b12Die zal voor Mij een huis bouwen, en Ik zal zijn troon voor eeuwig bevestigen.; vers 1414maar Ik zal hem in Mijn huis en in Mijn koningschap voor eeuwig stand doen houden, en zijn troon zal voor eeuwig zeker zijn.; Lk 1:32-3332Deze zal groot zijn en Zoon van [de] Allerhoogste worden genoemd, en [de] Heer, God, zal Hem de troon van Zijn vader David geven,33en Hij zal over het huis van Jakob Koning zijn tot in eeuwigheid en aan Zijn koningschap zal geen einde zijn.; Dn 2:4444In de dagen van die koningen zal de God van de hemel echter een Koninkrijk doen opkomen dat voor eeuwig niet te gronde zal gaan en waarvan de heerschappij niet op een ander volk zal overgaan. Het zal al die [andere] koninkrijken verbrijzelen en tenietdoen, maar zelf zal het voor eeuwig standhouden.). Er wordt ook duidelijk gezegd dat het koningschap van de Zoon het koningschap van de HEERE is (“Mijn koningschap”).

Als een getrouwe gezant, die niets achterhoudt van de hele raad van God, brengt Nathan al de woorden van de HEERE aan David over (vers 1515Overeenkomstig al deze woorden en heel dit visioen, zo sprak Nathan tot David.). Hij is daarin net zo trouw als Paulus later is, die het tegen de oudsten van Efeze zegt: “Want ik heb niet nagelaten u de hele raad van God te verkondigen” (Hd 20:2727want ik heb niet nagelaten u de hele raad van God te verkondigen.).


Het dankgebed van David

16Toen ging koning David [de heilige tent] binnen en nam plaats voor het aangezicht van de HEERE. Hij zei: Wie ben ik, HEERE God, en wat is mijn huis dat U mij tot hiertoe gebracht hebt? 17En dit was in Uw ogen [nog] gering, o God, en U hebt [ook nog] over het huis van Uw dienaar gesproken tot in verre [tijden]; en U hebt mij [als] een rij mensen gezien, [in] opgaande lijn, HEERE God! 18Wat zal David nog meer tot U [spreken], vanwege [deze] eer aan Uw dienaar? Ú kent Uw dienaar immers. 19HEERE, omwille van Uw dienaar en naar Uw hart hebt U al deze grote dingen gedaan, en al deze grote dingen bekendgemaakt. 20HEERE, er is niemand zoals U, en er is geen God dan U alleen, [zoals blijkt] uit alles wat wij met onze [eigen] oren gehoord hebben. 21En wie is als Uw volk Israël, het enige volk op de aarde dat God is gaan verlossen om voor Hem een volk te zijn, om Zich een Naam te maken [door het doen] van grote en ontzagwekkende dingen, door heidenvolken te verdrijven van voor [de ogen van] Uw volk, dat U uit Egypte verlost hebt. 22U hebt Uw volk Israël voor U tot Uw volk gemaakt, voor eeuwig, en Ú, HEERE, bent hun tot een God geworden. 23Nu dan, HEERE, laat dit woord dat U over Uw dienaar en over zijn huis gesproken hebt, voor eeuwig bewaarheid worden, en doe zoals U gesproken hebt. 24Ja, laat het bewaarheid worden, en laat Uw Naam tot in eeuwigheid grootgemaakt worden door te zeggen: De HEERE van de legermachten, de God van Israël, is God over Israël, en laat het huis van Uw dienaar David zeker zijn voor Uw aangezicht. 25Want U, mijn God, hebt voor het oor van Uw dienaar onthuld dat [U] voor hem een huis zult bouwen. Daarom heeft Uw dienaar [vrijmoedigheid] gevonden [dit gebed] voor Uw aangezicht te bidden. 26Nu dan, HEERE, U bent die God, en U hebt dit goede over Uw dienaar gesproken. 27Nu dan, het heeft U behaagd het huis van Uw dienaar te zegenen, dat het voor eeuwig voor Uw aangezicht zal zijn; want U, HEERE, hebt [het] gezegend, en [het] zal voor eeuwig gezegend zijn.

We lezen, als een zeldzaamheid, dat iemand voor de HEERE plaatsneemt (vers 1616Toen ging koning David [de heilige tent] binnen en nam plaats voor het aangezicht van de HEERE. Hij zei: Wie ben ik, HEERE God, en wat is mijn huis dat U mij tot hiertoe gebracht hebt?). De vaker voorkomende lichaamshoudingen zijn dat iemand zich voor de HEERE neerwerpt, knielt of eerbiedig gaat staan. Hier bij David zien we dat hij vertrouwelijk ‘plaatsneemt’, wat mogelijk betekent dat hij bij de HEERE gaat zitten. Het is een mooi voorbeeld van vertrouwelijke omgang met de HEERE, waarbij hij tegelijk de grootste eerbied in acht neemt. Hij wil met de HEERE spreken over wat hij van Hem heeft gehoord en wat door Hem is beloofd.

Als David spreekt, heeft hij het niet meer over zijn wens die niet wordt ingewilligd. Hij is niet verdrietig of neerslachtig nu hij van de HEERE niet mag doen wat hij graag heet willen doen. In plaats van ontmoediging is er bij hem grote dankbaarheid. Hij vloeit over van blijdschap om wat de HEERE hem heeft beloofd aangaande zijn geslacht, wat Hij hem zal geven, hem en zijn huis. We zien later dat hij doet wat in zijn vermogen ligt om te verzamelen wat nodig is voor de tempel die niet hij, maar zijn zoon Salomo mag bouwen.

Dit is een voorbeeld voor ons. Wij kunnen met de middelen die de Heer ons heeft gegeven, meewerken aan een werk dat we graag zelf hadden willen doen, maar waarvoor de Heer een ander heeft aangewezen. We komen daartoe als we zien hoezeer wij ook zelf door de Heer begenadigd zijn. Dit is het eerste wat we bij David vinden.

In de tegenwoordigheid van de HEERE is de eerste opmerking van David over zichzelf “wie ben ik?” en over zijn huis “wat is mijn huis?” Hij is diep onder de indruk van de genade die hem en zijn huis is bewezen. Dat brengt hem ertoe te spreken over zijn eigen geringheid. Dit is het gepaste gevoel van ontvangen genade dat ook ons zou moeten kenmerken in onze omgang met de Heer.

Ook toont hij zijn geloof en vertrouwen. David erkent in zijn dankgebed wat de HEERE eerder heeft gezegd, dat het gaat om de toekomst, om de komst van de grote Zoon van David (vers 1717En dit was in Uw ogen [nog] gering, o God, en U hebt [ook nog] over het huis van Uw dienaar gesproken tot in verre [tijden]; en U hebt mij [als] een rij mensen gezien, [in] opgaande lijn, HEERE God!; vers 1313Ík zal hem tot een Vader zijn, en híj zal Mij tot een zoon zijn, en Mijn goedertierenheid zal Ik niet van hem wegnemen, zoals Ik [die] weggenomen heb van hem die [er] vóór u was,). In Hem, dat is in Christus, vindt een rij mensen in opgaande lijn in de verre toekomst het hoogtepunt. David is al koning en zijn geslacht is al uitverkoren, maar dat maakt hem niet hoogmoedig, want alles is het gevolg van de zegen van God. Hij is van nederige afkomst en is door God tot grote hoogte gevoerd. Het gevoel dat David daarvan heeft, is het gevoel dat Maria bezingt als ze te horen heeft gekregen dat ze de moeder van de Messias zal worden (Lk 1:46-4946En Maria zei: Mijn ziel maakt de Heer groot,47en mijn geest verheugt zich over God, mijn Heiland,48omdat Hij de geringheid van Zijn slavin heeft aangezien. Want zie, van nu aan zullen alle geslachten mij gelukkig prijzen,49omdat de Machtige grote dingen aan mij heeft gedaan; en heilig is Zijn Naam,).

David spreekt tot de HEERE over “David” (vers 1818Wat zal David nog meer tot U [spreken], vanwege [deze] eer aan Uw dienaar? Ú kent Uw dienaar immers.) en niet over ‘koning David’, want aardse heerlijkheid wordt in de tegenwoordigheid van de HEERE vergeten. David is niet sprakeloos, maar hij kan ook niets toevoegen aan de weldaden die hem zijn bewezen. Hij weet dat hij het voorwerp van de liefde en genade van de HEERE is. Dat is hij, niet om wie hij in zichzelf is, maar omdat het in het hart van de HEERE Zelf is (vers 1919HEERE, omwille van Uw dienaar en naar Uw hart hebt U al deze grote dingen gedaan, en al deze grote dingen bekendgemaakt.) zijn dienaar David te zegenen. Hij heeft hem dat ook bekend willen maken. Het zijn inderdaad “grote dingen”.

De Heer vindt het fijn om ook van ons te horen waarin we Zijn zegeningen waarderen. We mogen gebeden uitspreken waarin we onze behoeften uiten, maar het is ook mooi onze waardering van de door Hem gegeven zegeningen en beloften aan Hem vertellen.

Dan volgt een belijdenis van de uniekheid van God (vers 2020HEERE, er is niemand zoals U, en er is geen God dan U alleen, [zoals blijkt] uit alles wat wij met onze [eigen] oren gehoord hebben.). Dat Hij een unieke God is, heeft Hij bewezen in het vrijkopen van Zijn volk (vers 2121En wie is als Uw volk Israël, het enige volk op de aarde dat God is gaan verlossen om voor Hem een volk te zijn, om Zich een Naam te maken [door het doen] van grote en ontzagwekkende dingen, door heidenvolken te verdrijven van voor [de ogen van] Uw volk, dat U uit Egypte verlost hebt.). Direct verbonden aan de uniekheid van God is de uniekheid van Gods volk (vers 2222U hebt Uw volk Israël voor U tot Uw volk gemaakt, voor eeuwig, en Ú, HEERE, bent hun tot een God geworden.). God en Zijn volk horen bij elkaar. Het volk dankt zijn uniekheid aan Wie God als de unieke God is. God heeft dat volk als enige volk tot Zijn eigendom gekozen. Hij heeft dat gedaan om Zich door middel van hen een Naam te maken op aarde. Zijn volk is Zijn eer omdat Hij Zijn eer aan hen heeft gegeven.

God wil gebeden zijn om wat Hij beloofd heeft (vers 2323Nu dan, HEERE, laat dit woord dat U over Uw dienaar en over zijn huis gesproken hebt, voor eeuwig bewaarheid worden, en doe zoals U gesproken hebt.). In Lukas 1 komt het vervolg op dit gebed als een eerste vervulling: de HEERE “zal Hem [dat is de Heer Jezus] de troon van Zijn vader David geven” (Lk 1:3232Deze zal groot zijn en Zoon van [de] Allerhoogste worden genoemd, en [de] Heer, God, zal Hem de troon van Zijn vader David geven,).

De inhoud van Davids gebed is van hoge orde. Hij spreekt de HEERE aan in de verwachting van Zijn verhoring: “Laat dit woord … bewaarheid worden, en doe” (vers 2323Nu dan, HEERE, laat dit woord dat U over Uw dienaar en over zijn huis gesproken hebt, voor eeuwig bewaarheid worden, en doe zoals U gesproken hebt.); “laat Uw Naam … groot gemaakt worden … laat het huis van uw dienaar David zeker zijn” (vers 2424Ja, laat het bewaarheid worden, en laat Uw Naam tot in eeuwigheid grootgemaakt worden door te zeggen: De HEERE van de legermachten, de God van Israël, is God over Israël, en laat het huis van Uw dienaar David zeker zijn voor Uw aangezicht.). De beloften voor de toekomst zijn de grond voor zijn gebed (vers 2525Want U, mijn God, hebt voor het oor van Uw dienaar onthuld dat [U] voor hem een huis zult bouwen. Daarom heeft Uw dienaar [vrijmoedigheid] gevonden [dit gebed] voor Uw aangezicht te bidden.). God houdt ervan dat Zijn ontwijfelbare beloften door de Zijnen zonder enige terughoudendheid worden aangenomen. Als Zijn beloften door een trouw hart als vast en zeker worden aanvaard, zal dat tot uiting komen in de dankbaarheid die Hem wordt gebracht.

Omdat de HEERE God is en Hij dit goede heeft gesproken (vers 2626Nu dan, HEERE, U bent die God, en U hebt dit goede over Uw dienaar gesproken.), vertrouwt David erop dat zijn gebed zal worden gehoord. Hij spreekt de zekerheid van de verhoring uit. Hij zegt dat de HEERE zijn huis gezegend heeft en dat het daarom tot in eeuwigheid gezegend zal zijn (vers 2727Nu dan, het heeft U behaagd het huis van Uw dienaar te zegenen, dat het voor eeuwig voor Uw aangezicht zal zijn; want U, HEERE, hebt [het] gezegend, en [het] zal voor eeuwig gezegend zijn.). Er is geen betere basis voor onze gebeden dan de beloften die God in Zijn Woord heeft gegeven. Dat geeft de zekerheid van de verhoring. Het tijdstip van de verhoring is de zaak van God.


Lees verder