1 Kronieken
Inleiding 1-3 Offers en zegen 4-7 De HEERE loven 8-22 Eerste deel (Ps 105:1-15) 23-33 Tweede deel (Ps 96) 34-36 Derde deel (Ps 106:1,47-48) 37-42 De dienst bij de ark 43 Ieder gaat naar zijn huis
Inleiding

Dit hoofdstuk sluit de beschrijving van de grote gebeurtenis van het plaatsen van de ark in de koningsstad af. Daarmee wordt de openbare aanbidding van God gedurende de regering van David bevestigd. Dat de ark niet naar Gibeon is gebracht, waar ook het altaar staat en wat er van de tabernakel over is, is van grote betekenis. Het betekent het oordeel over het hele stelsel dat met de tabernakel verbonden is.


Offers en zegen

1Toen zij de ark van God [de stad] binnenbrachten, zetten zij die midden in de tent die David ervoor gespannen had. En zij brachten brandoffers en dankoffers voor het aangezicht van God. 2Toen David klaar was met het brengen van het brandoffer en de dankoffers, zegende hij het volk in de Naam van de HEERE. 3Hij deelde aan iedereen in Israël, van de man tot de vrouw toe, aan ieder een rond brood, een klomp dadels en een rozijnenkoek uit.

Als de ark in de tent is gezet en als het ware tot rust is gekomen van zijn omzwervingen, is het gevolg dat er offers worden gebracht. Het neerzetten van de ark bewerkt aanbidding, waarvan het brandoffer spreekt, en gemeenschap, waarvan het dank- of vredeoffer spreekt. Van een zondoffer is hier geen sprake, dat past niet bij deze gebeurtenis.

Na het brengen van de genoemde offers deelt David zegen uit aan het hele volk. David is de koning-priester die als een ware Melchizedek voedsel uitdeelt (Gn 14:1818En Melchizedek, de koning van Salem, bracht brood en wijn; hij was een priester van God, de Allerhoogste.
)
. Ieder lid, zonder onderscheid tussen man en vrouw, krijgt een rond brood, een klomp dadels en een rozijnenkoek”. Als het om de zegeningen gaat die de gelovige in Christus heeft ontvangen, is er geen verschil tussen man en vrouw (Gl 3:2828Daar is geen Jood of Griek, daar is geen slaaf of vrije, daar is geen man of vrouw; want u bent allen één in Christus Jezus.).

Het ‘voedselpakket’ dat David uitdeelt, vertegenwoordigt in beeld een rijke zegen. Het ronde brood spreekt van de Heer Jezus: Hij is het brood van het leven. De klomp dadels spreekt van overwinning: dadels komen van de dadelpalmen, de palmboom is een symbool van overwinning. De rozijnenkoek spreekt van duurzame vreugde: rozijnen zijn gedroogde druiven en van druiven wordt de wijn gemaakt die het hart van God en mensen verheugt (Ri 9:1313Maar de wijnstok zei tegen hen: Zou ik mijn nieuwe wijn opgeven, die God en mensen vrolijk maakt, en zou ik weggaan om boven de [andere] bomen te zweven?).

We zien deze duurzame vreugde bij de apostel Paulus in de brief aan de Filippiërs. Zelfs de tranen die bij hem opkomen (Fp 3:1818Want velen wandelen, van wie ik u dikwijls heb gezegd en nu ook wenend zeg, dat zij de vijanden van het kruis van Christus zijn;), zijn niet in staat de aanwezigheid van die vreugde te verdrijven die zo kenmerkend is voor die brief. Dat heeft te maken met het feit dat het leven voor hem Christus is, wat we kunnen verbinden met de ark die gezet wordt “midden in de tent die David ervoor gespannen had”. Als Christus, van Wie de ark een beeld is, in ons leven centraal staat, is duurzame vreugde ons deel die we ook kunnen doorgeven. Dat doet David in het beeld van de rozijnenkoeken en dat doet Paulus naar de gelovigen in Filippi in zijn brief aan hen.

In beeld kunnen we hier zien dat de Heer Jezus in het midden van de gemeente is als die tot Zijn Naam samenkomt (Mt 18:2020Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in hun midden.). De gemeente is een plaats waar aanbidding en gemeenschap plaatsvinden, met als gevolg dat ieder lid geestelijk voedsel ontvangt.


De HEERE loven

4En hij stelde voor de ark van de HEERE [sommigen] uit de Levieten aan als dienaars, om van de HEERE, de God van Israël, melding te maken en [Hem] te loven en te prijzen. 5Asaf was het hoofd, Zacharja de tweede na hem; [verder] Jeïel, Semiramoth, Jehiël, Mattithja en Eliab, Benaja, Obed-Edom en Jeïel, met instrumenten [als] luiten en met harpen. En Asaf liet zich horen met cimbalen, 6maar Benaja en Jahaziël, de priesters, [deden dat] voortdurend met trompetten voor de ark van het verbond van God. 7Toen, op die dag, gaf David voor de eerste maal [deze psalm] om de HEERE te loven door de dienst van Asaf en zijn broeders.

Nadat de ark is geplaatst en de offers zijn gebracht, wordt door David geregeld dat van de Naam van de HEERE in de tegenwoordigheid van de ark melding wordt gemaakt en dat Hij wordt geloofd en geprezen. David introduceert muziek en zang in de eredienst. Hij stelt daarvoor een orde in en draagt op om de HEERE te loven. De plaats van eredienst is nu niet meer alleen een plaats van offerdienst, maar ook van lofgezang. David draagt Asaf op om de HEERE te loven.

De woorden waarmee dat in de volgende verzen gebeurt, zijn citaten uit drie psalmen. Wie die psalmen heeft gemaakt, wordt niet meegedeeld. Aangezien David uit deze drie psalmen citeert, is het aannemelijk dat ze door hem gedicht zijn. We kunnen de lofzang in drie delen verdelen, in overeenstemming met de citaten uit de psalmen:
1. de verzen 8-228         Loof de HEERE, roep Zijn Naam aan,
                        maak Zijn daden bekend onder de volken.
9         Zing voor Hem, zing psalmen voor Hem,
                        spreek aandachtig van al Zijn wonderen.
10       Beroem u in Zijn heilige Naam,
                        laat het hart van wie de HEERE zoeken, zich verblijden.
11       Vraag naar de HEERE en Zijn kracht,
                        zoek Zijn aangezicht voortdurend.
12       Denk aan Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft,
                        aan Zijn tekenen en de oordelen van Zijn mond,
13       nakomelingen van Israël, Zijn dienaar,
                        kinderen van Jakob, Zijn uitverkorenen.
14       Hij is de HEERE, onze God,
                        Zijn oordelen gaan over de hele aarde.
15       Denk aan Zijn verbond voor eeuwig,
                        aan de belofte die Hij gedaan heeft, tot in duizend generaties,
16       [aan het verbond] dat Hij met Abraham gesloten heeft,
                        en Zijn eed aan Izak.
17       Voor Jakob heeft Hij het vastgesteld als een verordening,
                        voor Israël [tot] een eeuwig verbond,
18       door te zeggen: Ik zal u het land Kanaän geven,
                        het gebied dat uw erfelijk bezit is.
19       Toen u [met] weinig mensen was,
                        ja, [met] weinigen, en vreemdelingen daarin,
20       en zij van volk naar volk zwierven,
                        en van het ene koninkrijk naar het andere volk,
21       liet Hij niemand toe hen te onderdrukken,
                        ook bestrafte Hij koningen omwille van hen [en zei]:
22       Raak Mijn gezalfden niet aan,
                        doe Mijn profeten geen kwaad.
zijn, met een enkele wijziging, Psalm 105:1-15,
2. de verzen 23-3323       Zing voor de HEERE, heel de aarde,
                        breng de boodschap van Zijn heil van dag tot dag.
24       Vertel onder de heidenvolken Zijn eer,
                        onder alle volken Zijn wonderen.
25       Want de HEERE is groot en zeer te prijzen,
                        en Hij is ontzagwekkend boven alle goden.
26       Want al de goden van de volken zijn afgoden,
                        maar de HEERE heeft de hemel gemaakt.
27       Majesteit en glorie zijn voor Zijn aangezicht,
                        macht en vreugde zijn in Zijn plaats.
28       Geef de HEERE, geslachten van de volken,
                        geef de HEERE eer en macht.
29       Geef de HEERE de eer van Zijn Naam,
                        breng offers en kom voor Zijn aangezicht.
                                    Buig u neer voor de HEERE in Zijn heerlijke heiligdom;
30       beef voor Zijn aangezicht, heel de aarde.
                        Ja, vast staat de wereld, zij zal niet wankelen.
31       Laat de hemel zich verblijden en de aarde zich verheugen,
                        laat men onder de heidenvolken zeggen: De HEERE regeert.
32       Laat de zee bulderen met al wat zij bevat,
                        laat het veld van vreugde opspringen met al wat erin is.
33       Dan zullen de bomen van het woud juichen
                        voor het aangezicht van de HEERE, want Hij komt
                                    om de aarde te oordelen.
zijn, op enkele beginwoorden na, heel Psalm 96 en
3. de verzen 34-3634        Loof de HEERE, want Hij is goed,
                        want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
35       En zeg: Verlos ons, o God van ons heil,
                        en breng ons bijeen, en red ons vanuit de heidenvolken,
            opdat wij Uw heilige Naam loven
                        [en] ons beroemen in Uw lof.
36       Geloofd zij de HEERE, de God van Israël,
                        van eeuwigheid tot eeuwigheid!
En heel het volk zei: Amen! En het prees de HEERE.
zijn Psalm 106:1,47-48.

Psalmen 105 en 106 zijn de twee laatste psalmen van het vierde psalmboek. In het vierde psalmboek worden de wegen bezongen waarlangs God Zijn grote einddoel zal bereiken. Dat doel is de invoering van Zijn Zoon als de Zoon des Mensen in de wereld om Zijn koningschap te vestigen.

Psalm 96 hoort ook bij het vierde psalmboek, dat begint met Psalm 90, het gebed van Mozes, de man die het volk door de woestijn heen leidde. In een opklimmende reeks psalmen vindt dan de vestiging van het koningschap van de Messias plaats. Dat sluit aan bij wat we hier hebben, de vestiging van het koningschap van David, in verband met de ark en met Jeruzalem. Het is nog goed erop te wijzen dat we in Psalm 102 lezen over de basis van Gods einddoel, dat is het werk van de Heer Jezus aan het kruis. In Psalmen 105 en 106 horen we als resultaat daarvan dan de grote jubel.

Het eerste deel, de verzen 8-228         Loof de HEERE, roep Zijn Naam aan,
                        maak Zijn daden bekend onder de volken.
9         Zing voor Hem, zing psalmen voor Hem,
                        spreek aandachtig van al Zijn wonderen.
10       Beroem u in Zijn heilige Naam,
                        laat het hart van wie de HEERE zoeken, zich verblijden.
11       Vraag naar de HEERE en Zijn kracht,
                        zoek Zijn aangezicht voortdurend.
12       Denk aan Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft,
                        aan Zijn tekenen en de oordelen van Zijn mond,
13       nakomelingen van Israël, Zijn dienaar,
                        kinderen van Jakob, Zijn uitverkorenen.
14       Hij is de HEERE, onze God,
                        Zijn oordelen gaan over de hele aarde.
15       Denk aan Zijn verbond voor eeuwig,
                        aan de belofte die Hij gedaan heeft, tot in duizend generaties,
16       [aan het verbond] dat Hij met Abraham gesloten heeft,
                        en Zijn eed aan Izak.
17       Voor Jakob heeft Hij het vastgesteld als een verordening,
                        voor Israël [tot] een eeuwig verbond,
18       door te zeggen: Ik zal u het land Kanaän geven,
                        het gebied dat uw erfelijk bezit is.
19       Toen u [met] weinig mensen was,
                        ja, [met] weinigen, en vreemdelingen daarin,
20       en zij van volk naar volk zwierven,
                        en van het ene koninkrijk naar het andere volk,
21       liet Hij niemand toe hen te onderdrukken,
                        ook bestrafte Hij koningen omwille van hen [en zei]:
22       Raak Mijn gezalfden niet aan,
                        doe Mijn profeten geen kwaad.
, dat bestaat uit Psalm 105:1-15, toont de trouw van God in het bewaren van Zijn verbond. Het tweede deel, de verzen 23-3323       Zing voor de HEERE, heel de aarde,
                        breng de boodschap van Zijn heil van dag tot dag.
24       Vertel onder de heidenvolken Zijn eer,
                        onder alle volken Zijn wonderen.
25       Want de HEERE is groot en zeer te prijzen,
                        en Hij is ontzagwekkend boven alle goden.
26       Want al de goden van de volken zijn afgoden,
                        maar de HEERE heeft de hemel gemaakt.
27       Majesteit en glorie zijn voor Zijn aangezicht,
                        macht en vreugde zijn in Zijn plaats.
28       Geef de HEERE, geslachten van de volken,
                        geef de HEERE eer en macht.
29       Geef de HEERE de eer van Zijn Naam,
                        breng offers en kom voor Zijn aangezicht.
                                    Buig u neer voor de HEERE in Zijn heerlijke heiligdom;
30       beef voor Zijn aangezicht, heel de aarde.
                        Ja, vast staat de wereld, zij zal niet wankelen.
31       Laat de hemel zich verblijden en de aarde zich verheugen,
                        laat men onder de heidenvolken zeggen: De HEERE regeert.
32       Laat de zee bulderen met al wat zij bevat,
                        laat het veld van vreugde opspringen met al wat erin is.
33       Dan zullen de bomen van het woud juichen
                        voor het aangezicht van de HEERE, want Hij komt
                                    om de aarde te oordelen.
, dat bestaat uit Psalm 96, is een lofzang. Het derde deel, de verzen 34-3634        Loof de HEERE, want Hij is goed,
                        want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
35       En zeg: Verlos ons, o God van ons heil,
                        en breng ons bijeen, en red ons vanuit de heidenvolken,
            opdat wij Uw heilige Naam loven
                        [en] ons beroemen in Uw lof.
36       Geloofd zij de HEERE, de God van Israël,
                        van eeuwigheid tot eeuwigheid!
En heel het volk zei: Amen! En het prees de HEERE.
, dat bestaat uit het beginvers en de slotverzen van Psalm 106, bevat de gedachte aan bijeen vergaderen. In de onderwerpen van deze drie delen – trouw, lofzang en bijeen vergaderen – kunnen we de betekenis van de namen van de drie hoofdzangers herkennen. Heman betekent ‘trouw’, Jeduthun betekent ‘koor van lofprijzing’ en Asaf betekent ‘een die bijeen vergadert’.

De inhoud van het loven van de HEERE wordt door David aangegeven en door “Asaf en zijn broeders” in praktijk gebracht. Het is goed om van de Heer Jezus te leren hoe we God kunnen loven. Hij zingt de HEERE – voor ons: de Vader – lof toe in het midden van de gemeente (Hb 2:1212‘Ik zal Uw Naam aan Mijn broeders verkondigen, in [het] midden van [de] gemeente zal Ik U lofzingen’.) en de gemeente mag met Hem instemmen. David is hier een beeld van de Heer Jezus Die door de Geest Gods volk leidt in de aanbidding.

We kunnen hierbij de toepassing maken dat het goed is om van trouwe broeders te leren hoe we God kunnen aanbidden. Dat doen we niet door een cursus bij hen te volgen of alleen maar na te spreken wat zij zeggen, maar door naar hun dankzeggingen te luisteren en daarin met ons hart mee te gaan.


Eerste deel (Ps 105:1-15)

8         Loof de HEERE, roep Zijn Naam aan,
                        maak Zijn daden bekend onder de volken.
9         Zing voor Hem, zing psalmen voor Hem,
                        spreek aandachtig van al Zijn wonderen.
10       Beroem u in Zijn heilige Naam,
                        laat het hart van wie de HEERE zoeken, zich verblijden.
11       Vraag naar de HEERE en Zijn kracht,
                        zoek Zijn aangezicht voortdurend.
12       Denk aan Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft,
                        aan Zijn tekenen en de oordelen van Zijn mond,
13       nakomelingen van Israël, Zijn dienaar,
                        kinderen van Jakob, Zijn uitverkorenen.
14       Hij is de HEERE, onze God,
                        Zijn oordelen gaan over de hele aarde.
15       Denk aan Zijn verbond voor eeuwig,
                        aan de belofte die Hij gedaan heeft, tot in duizend generaties,
16       [aan het verbond] dat Hij met Abraham gesloten heeft,
                        en Zijn eed aan Izak.
17       Voor Jakob heeft Hij het vastgesteld als een verordening,
                        voor Israël [tot] een eeuwig verbond,
18       door te zeggen: Ik zal u het land Kanaän geven,
                        het gebied dat uw erfelijk bezit is.
19       Toen u [met] weinig mensen was,
                        ja, [met] weinigen, en vreemdelingen daarin,
20       en zij van volk naar volk zwierven,
                        en van het ene koninkrijk naar het andere volk,
21       liet Hij niemand toe hen te onderdrukken,
                        ook bestrafte Hij koningen omwille van hen [en zei]:
22       Raak Mijn gezalfden niet aan,
                        doe Mijn profeten geen kwaad.

In deze verzen gaat het om de onveranderlijke en onvoorwaardelijke beloften die God in genade aan de vaderen heeft gedaan. Psalm 105 bestaat uit twee delen. In het eerste deel (Ps 105:1-151Loof de HEERE, roep Zijn Naam aan,
maak Zijn daden bekend onder de volken.
2Zing voor Hem, zing psalmen voor Hem,
spreek aandachtig van al Zijn wonderen.
3Beroem u in Zijn heilige Naam,
laat het hart van wie de HEERE zoeken, zich verblijden.
4Vraag naar de HEERE en Zijn kracht,
zoek Zijn aangezicht voortdurend.
5Denk aan Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft,
aan Zijn tekenen en de oordelen van Zijn mond,
6nakomelingen van Abraham, Zijn dienaar,
kinderen van Jakob, Zijn uitverkorenen.7Hij is de HEERE, onze God,
Zijn oordelen gaan over heel de aarde.
8Hij denkt aan Zijn verbond voor eeuwig,
aan de belofte [die] Hij gedaan heeft, tot in duizend generaties,
9[aan het verbond] dat Hij met Abraham gesloten heeft,
en Zijn eed aan Izak.
10Voor Jakob heeft Hij het vastgesteld als een verordening,
voor Israël [als] een eeuwig verbond,
11door te zeggen: Ik zal u het land Kanaän geven,
het gebied dat uw erfelijk bezit is.12Toen zij [met] weinig mensen waren,
ja, [met] weinigen, en vreemdelingen daarin,
13en zij van volk naar volk zwierven,
van het ene koninkrijk naar het andere volk,
14liet Hij geen mens toe hen te onderdrukken.
Ook bestrafte Hij koningen omwille van hen [en zei]:
15Raak Mijn gezalfden niet aan,
doe Mijn profeten geen kwaad.
)
gaat het over de grote daden van God ten aanzien van de vaderen. In het tweede deel van de psalm gaat het om Gods wegen met Israël en Zijn zorg voor hen om de hun beloofde zegen te geven.

In dit gedeelte worden eerst de activiteiten van Gods volk bezongen (verzen 8-138         Loof de HEERE, roep Zijn Naam aan,
                        maak Zijn daden bekend onder de volken.
9         Zing voor Hem, zing psalmen voor Hem,
                        spreek aandachtig van al Zijn wonderen.
10       Beroem u in Zijn heilige Naam,
                        laat het hart van wie de HEERE zoeken, zich verblijden.
11       Vraag naar de HEERE en Zijn kracht,
                        zoek Zijn aangezicht voortdurend.
12       Denk aan Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft,
                        aan Zijn tekenen en de oordelen van Zijn mond,
13       nakomelingen van Israël, Zijn dienaar,
                        kinderen van Jakob, Zijn uitverkorenen.
)
en daarna de beloften van God (verzen 14-2214       Hij is de HEERE, onze God,
                        Zijn oordelen gaan over de hele aarde.
15       Denk aan Zijn verbond voor eeuwig,
                        aan de belofte die Hij gedaan heeft, tot in duizend generaties,
16       [aan het verbond] dat Hij met Abraham gesloten heeft,
                        en Zijn eed aan Izak.
17       Voor Jakob heeft Hij het vastgesteld als een verordening,
                        voor Israël [tot] een eeuwig verbond,
18       door te zeggen: Ik zal u het land Kanaän geven,
                        het gebied dat uw erfelijk bezit is.
19       Toen u [met] weinig mensen was,
                        ja, [met] weinigen, en vreemdelingen daarin,
20       en zij van volk naar volk zwierven,
                        en van het ene koninkrijk naar het andere volk,
21       liet Hij niemand toe hen te onderdrukken,
                        ook bestrafte Hij koningen omwille van hen [en zei]:
22       Raak Mijn gezalfden niet aan,
                        doe Mijn profeten geen kwaad.
)
. Het volk wordt in de verzen 8-128         Loof de HEERE, roep Zijn Naam aan,
                        maak Zijn daden bekend onder de volken.
9         Zing voor Hem, zing psalmen voor Hem,
                        spreek aandachtig van al Zijn wonderen.
10       Beroem u in Zijn heilige Naam,
                        laat het hart van wie de HEERE zoeken, zich verblijden.
11       Vraag naar de HEERE en Zijn kracht,
                        zoek Zijn aangezicht voortdurend.
12       Denk aan Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft,
                        aan Zijn tekenen en de oordelen van Zijn mond,
tot diverse activiteiten opgeroepen. De oproep wordt gedaan aan een volk dat in een bijzondere relatie tot God staat. Die relatie wordt gegeven in twee namen met elk een andere toevoeging. Ze zijn “nakomelingen van Israël”, waaraan wordt toegevoegd “Zijn dienaar” (vers 13a13       nakomelingen van Israël, Zijn dienaar,
                        kinderen van Jakob, Zijn uitverkorenen.
)
. “Israël”, dat betekent ‘vorst van God’, is de naam die wijst op hun bijzondere positie voor God. Hieraan wordt het woord “dienaar” verbonden. Wie zijn bijzondere positie kent, zal de Heer graag dienen.

Ze zijn ook “kinderen van Jakob”, waaraan wordt toegevoegd “Zijn uitverkorenen” (vers 13b13       nakomelingen van Israël, Zijn dienaar,
                        kinderen van Jakob, Zijn uitverkorenen.
)
. Bij “kinderen van Jakob” ligt de nadruk op de zwakheid van hun toewijding aan God en de verkeerde wegen die het volk is gegaan. Daarom is het ook zo mooi dat juist achter deze naam de toevoeging “Zijn uitverkorenen” staat, die ervan spreekt dat God hen ondanks hun zwakheid en verkeerde wegen heeft uitverkoren.

Als we de verzen 8-128         Loof de HEERE, roep Zijn Naam aan,
                        maak Zijn daden bekend onder de volken.
9         Zing voor Hem, zing psalmen voor Hem,
                        spreek aandachtig van al Zijn wonderen.
10       Beroem u in Zijn heilige Naam,
                        laat het hart van wie de HEERE zoeken, zich verblijden.
11       Vraag naar de HEERE en Zijn kracht,
                        zoek Zijn aangezicht voortdurend.
12       Denk aan Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft,
                        aan Zijn tekenen en de oordelen van Zijn mond,
lezen, zien we tot welke activiteiten het volk als nakomelingen van Israël en Jakob wordt opgeroepen. De activiteiten, die passen in een boek als 1 Kronieken, bestaan uit loven, aanroepen, bekendmaken (vers 88         Loof de HEERE, roep Zijn Naam aan,
                        maak Zijn daden bekend onder de volken.
)
, zingen, psalmzingen, aandachtig spreken (vers 99         Zing voor Hem, zing psalmen voor Hem,
                        spreek aandachtig van al Zijn wonderen.
)
, beroemen, verblijden, vragen, zoeken (verzen 10-1110       Beroem u in Zijn heilige Naam,
                        laat het hart van wie de HEERE zoeken, zich verblijden.
11       Vraag naar de HEERE en Zijn kracht,
                        zoek Zijn aangezicht voortdurend.
)
, denken (vers 1212       Denk aan Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft,
                        aan Zijn tekenen en de oordelen van Zijn mond,
)
.

In al deze activiteiten worden de wonderdaden van de HEERE tot voorwerp van het lied gemaakt en worden de daden uitgestald waarin Hij Zich openbaart, ook ten aanschouwen van de volken (vers 8b8         Loof de HEERE, roep Zijn Naam aan,
                        maak Zijn daden bekend onder de volken.
)
. Wij mogen daarbij bedenken dat voor ons dit alles ver overtroffen wordt door de wonderdaden van de Heer Jezus bij Zijn komst in het vlees, Zijn werk op het kruis, Zijn opstanding en Zijn verheerlijking. Wat een aanleidingen om dat alles in aanbidding ‘uit te stallen’ voor God.

David wijst op de HEERE als “onze God” (vers 1414       Hij is de HEERE, onze God,
                        Zijn oordelen gaan over de hele aarde.
)
, Wiens oordelen over de hele aarde gaan. Is het niet meer dan terecht om ertoe op te roepen Hem te loven? Daarvoor worden in de volgende verzen nog extra redenen gegeven (verzen 15-1815       Denk aan Zijn verbond voor eeuwig,
                        aan de belofte die Hij gedaan heeft, tot in duizend generaties,
16       [aan het verbond] dat Hij met Abraham gesloten heeft,
                        en Zijn eed aan Izak.
17       Voor Jakob heeft Hij het vastgesteld als een verordening,
                        voor Israël [tot] een eeuwig verbond,
18       door te zeggen: Ik zal u het land Kanaän geven,
                        het gebied dat uw erfelijk bezit is.
)
. Het gaat in die verzen over Gods verbond met en Zijn belofte aan Abraham (Gn 17:7,13,197Ik zal Mijn verbond maken tussen Mij, u en uw nageslacht na u, [al] hun generaties door, tot een eeuwig verbond, om voor u tot een God te zijn, en voor uw nageslacht na u.13Degene die in uw huis geboren is én degene die met uw geld gekocht is, moeten zeker besneden worden. Zo zal mijn verbond in uw vlees tot een eeuwig verbond zijn.19God zei: Integendeel, uw vrouw Sara zal u een zoon baren en u moet hem de naam Izak geven. Ik zal Mijn verbond met hem maken, tot een eeuwig verbond voor zijn nageslacht na hem.), over Zijn eed aan Izak (Gn 26:2-5,23-242Toen verscheen de HEERE hem en zei: Trek niet naar Egypte, [maar] woon in het land dat Ik u noemen zal.3Verblijf als vreemdeling in dit land. Ik zal dan met u zijn en u zegenen, want aan u en uw nageslacht zal Ik al deze landen geven. Ik zal de eed gestand doen die Ik Abraham, uw vader, gezworen heb.4Ik zal uw nageslacht zo talrijk maken als de sterren aan de hemel en uw nageslacht al deze landen geven. In uw nageslacht zullen alle volken van de aarde gezegend worden,5omdat Abraham Mijn stem gehoorzaamd heeft en Mijn voorschriften, Mijn geboden, Mijn verordeningen en Mijn wetten in acht genomen heeft.23Hij vertrok vandaar naar Berseba.24De HEERE verscheen hem in die nacht en zei: Ik ben de God van Abraham, uw vader. Wees niet bevreesd, want Ik ben met u; Ik zal u zegenen en uw nageslacht talrijk maken omwille van Abraham, Mijn dienaar.), over de vastgestelde verordening voor Jakob en het eeuwig verbond voor Israël (Gn 28:13,1513En zie, de HEERE stond boven aan die [ladder] en zei: Ik ben de HEERE, de God van uw vader Abraham en de God van Izak; dit land waarop u ligt te slapen, zal Ik u en uw nageslacht geven.15En zie, Ik ben met u, Ik zal u beschermen overal waar u heen zult gaan en Ik zal u terugbrengen in dít land, want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik gedaan heb wat Ik tot u gesproken heb!; 35:9-139En God verscheen opnieuw aan Jakob, nadat hij uit Paddan-Aram gekomen was, en Hij zegende hem.10God zei toen tegen hem: Uw naam is Jakob, [maar] uw naam zal voortaan niet meer Jakob luiden, maar Israël zal uw naam zijn; en Hij gaf hem de naam Israël.11Verder zei God tegen hem: Ik ben God, de Almachtige. Wees vruchtbaar en word talrijk. Een volk, ja, een menigte van volken zal uit u ontstaan; koningen zullen uit uw lichaam voortkomen.12Dit land, dat Ik Abraham en Izak gegeven heb, dat zal Ik aan u geven; en aan uw nageslacht na u zal Ik dit land geven.13Toen voer God op, bij hem vandaan, van de plaats waar Hij met hem gesproken had.). Het gaat, kort gezegd, over Gods verkiezende genade en onberouwelijke beloften (Rm 11:2929Want de genadegaven en de roeping van God zijn onberouwelijk.), en dat alles met het oog op het land Kanaän als hun erfelijk bezit. Bij zoveel zegeningen en zekerheden kan het hart niet onbewogen blijven en de mond niet zwijgen.

In de laatste verzen hebben we wel de geschiedenis, maar niet de verantwoordelijkheid (verzen 19-2219       Toen u [met] weinig mensen was,
                        ja, [met] weinigen, en vreemdelingen daarin,
20       en zij van volk naar volk zwierven,
                        en van het ene koninkrijk naar het andere volk,
21       liet Hij niemand toe hen te onderdrukken,
                        ook bestrafte Hij koningen omwille van hen [en zei]:
22       Raak Mijn gezalfden niet aan,
                        doe Mijn profeten geen kwaad.
)
. In die verzen wordt het verleden van het volk beschreven, hoe zwak en kwetsbaar het was. Het laat zien hoe ook wij ons in de wereld kunnen voelen. Maar dan wordt het volk eraan herinnerd hoe in die omstandigheden, waarin zij een prooi leken te zijn voor vijandige machten, God voor hen is opgekomen. Wat in vers 2222       Raak Mijn gezalfden niet aan,
                        doe Mijn profeten geen kwaad.
wordt gezegd, vinden we terug in een gebeurtenis uit het leven van Abraham waarin hij is afgeweken van de weg van het geloof (Gn 20:6b-76God zei tegen hem in de droom: Ik weet ook dat u dit met een oprecht hart gedaan hebt. Ik heb u ook ervan weerhouden tegen Mij te zondigen en daarom heb Ik u niet toegelaten haar aan te raken.7Nu dan, geef de vrouw van die man terug, want hij is een profeet! Hij zal voor u bidden, zodat u in leven blijft. Als u haar echter niet teruggeeft, weet [dan] dat u zeker zult sterven, u en al wat van u is.).


Tweede deel (Ps 96)

23       Zing voor de HEERE, heel de aarde,
                        breng de boodschap van Zijn heil van dag tot dag.
24       Vertel onder de heidenvolken Zijn eer,
                        onder alle volken Zijn wonderen.
25       Want de HEERE is groot en zeer te prijzen,
                        en Hij is ontzagwekkend boven alle goden.
26       Want al de goden van de volken zijn afgoden,
                        maar de HEERE heeft de hemel gemaakt.
27       Majesteit en glorie zijn voor Zijn aangezicht,
                        macht en vreugde zijn in Zijn plaats.
28       Geef de HEERE, geslachten van de volken,
                        geef de HEERE eer en macht.
29       Geef de HEERE de eer van Zijn Naam,
                        breng offers en kom voor Zijn aangezicht.
                                    Buig u neer voor de HEERE in Zijn heerlijke heiligdom;
30       beef voor Zijn aangezicht, heel de aarde.
                        Ja, vast staat de wereld, zij zal niet wankelen.
31       Laat de hemel zich verblijden en de aarde zich verheugen,
                        laat men onder de heidenvolken zeggen: De HEERE regeert.
32       Laat de zee bulderen met al wat zij bevat,
                        laat het veld van vreugde opspringen met al wat erin is.
33       Dan zullen de bomen van het woud juichen
                        voor het aangezicht van de HEERE, want Hij komt
                                    om de aarde te oordelen.

Psalm 96, waaruit het tweede deel van dit loflied komt, is een van de psalmen die spreken over de wederkomst van Christus. David roept op niet zijn eigen koningschap, maar het koningschap van de HEERE te bezingen. Davids koningschap en dat van de Heer Jezus zijn op het nauwst met elkaar verbonden, want de grote Zoon van David is de HEERE van de legermachten. Deze verzen zien vooruit naar de vervulling van de beloften, als de HEERE openlijk Zijn gezag over de naties uitoefent.

Na de lofprijzing van de HEERE om al Zijn geweldige daden en Zijn verbond volgt in vers 2323       Zing voor de HEERE, heel de aarde,
                        breng de boodschap van Zijn heil van dag tot dag.
de oproep van Israël aan de hele aarde om voor Hem te zingen. Het volk is overweldigd door de grote goedheid die hun deel is. Daarin willen ze de volken laten delen die met hen in verbinding zijn gebracht. Op hun beurt moeten die volken de boodschap van de behoudenis die Israëls deel is “van dag tot dag” brengen, dat wil zeggen voortdurend. Iets dergelijks wordt van ons verwacht: “Laten wij <dan> door Hem [dat is Christus] voortdurend een lofoffer brengen aan God, dat is [de] vrucht van de lippen die Zijn Naam belijden” (Hb 13:1515Laten wij <dan> door Hem voortdurend een lofoffer brengen aan God, dat is [de] vrucht van [de] lippen die Zijn Naam belijden.). Hier gebeurt het zingen voor de HEERE door de volken als een getuigenis van Zijn wonderen (vers 2424       Vertel onder de heidenvolken Zijn eer,
                        onder alle volken Zijn wonderen.
)
.

De directe reden voor deze oproep is de onvergelijkbare en ontzagwekkende grootheid van de HEERE boven alle afgoden, die niets zijn, terwijl de HEERE ook de Schepper is (verzen 25-2625       Want de HEERE is groot en zeer te prijzen,
                        en Hij is ontzagwekkend boven alle goden.
26       Want al de goden van de volken zijn afgoden,
                        maar de HEERE heeft de hemel gemaakt.
)
. Alles wat voor Zijn aangezicht is, wat zich dus in Zijn tegenwoordigheid bevindt, straalt majesteit en glorie uit (vers 2727       Majesteit en glorie zijn voor Zijn aangezicht,
                        macht en vreugde zijn in Zijn plaats.
)
. Hierbij kunnen we misschien onder andere denken aan engelen. Zij hebben macht en vreugde omdat ze zich in Zijn plaats, de plaats waar Hij is, bevinden. We kunnen bij “Zijn plaats” ook denken aan de ark hier. Het hele volk verheugt zich vanwege de aanwezigheid van de ark als de woonplaats van God.

Als dit voor engelen en Gods aardse volk al geldt, hoeveel te meer dan voor ons, die kinderen van God zijn en gezegend zijn in Christus met alle geestelijke zegen in de hemelse gewesten (Ef 1:33Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemelse [gewesten] in Christus,). Verheugen wij ons daar ook in?

In de volgende verzen zien we de volken in de tempel (verzen 28-3028       Geef de HEERE, geslachten van de volken,
                        geef de HEERE eer en macht.
29       Geef de HEERE de eer van Zijn Naam,
                        breng offers en kom voor Zijn aangezicht.
                                    Buig u neer voor de HEERE in Zijn heerlijke heiligdom;
30       beef voor Zijn aangezicht, heel de aarde.
                        Ja, vast staat de wereld, zij zal niet wankelen.
)
. Ze zijn gekomen om het aangezicht van de HEERE te zien. Ze zijn opgeroepen daar te komen met offers en zich voor Hem neer te buigen. Iemand kan alleen op grond van het offer van Christus en in een nederige gezindheid in Gods tegenwoordigheid komen. De hele aarde, dat wil zeggen alle volken van de aarde, wordt opgeroepen voor Hem te beven. Dat ziet op hun eerbied voor Hem. Aan hen bij wie dat wordt gevonden, geeft Hij onwankelbare vastheid.

Als de hele aarde zo haar plaats ten opzichte van de almachtige HEERE heeft ingenomen, wordt ook de hemel erbij betrokken. Hemel en aarde worden samen opgeroepen zich te verheugen (vers 3131       Laat de hemel zich verblijden en de aarde zich verheugen,
                        laat men onder de heidenvolken zeggen: De HEERE regeert.
)
. Deze situatie is het gevolg van de regering van de HEERE. Hij regeert altijd, maar dan zal het voor iedereen zichtbaar zijn. De hele schepping in al haar onderdelen, de zichtbare en de onzichtbare, wordt opgeroepen tot vreugde-uitingen, omdat het moment is aangebroken dat de HEERE plaatsneemt op Zijn troon om de aarde te oordelen (verzen 32-3332       Laat de zee bulderen met al wat zij bevat,
                        laat het veld van vreugde opspringen met al wat erin is.
33       Dan zullen de bomen van het woud juichen
                        voor het aangezicht van de HEERE, want Hij komt
                                    om de aarde te oordelen.
)
.

Dit is een indrukwekkend moment, een moment van ongekend belang. Het is het grote keerpunt in de geschiedenis van de mensheid. Nu gaat alles totaal anders worden, God gaat regeren door Zijn Zoon. Hij heeft heel het oordeel aan Hem gegeven, omdat Hij de Mensenzoon is (Jh 5:2727en Hij heeft Hem macht gegeven oordeel uit te oefenen, omdat Hij [de] Mensenzoon is.).


Derde deel (Ps 106:1,47-48)

34        Loof de HEERE, want Hij is goed,
                        want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
35       En zeg: Verlos ons, o God van ons heil,
                        en breng ons bijeen, en red ons vanuit de heidenvolken,
            opdat wij Uw heilige Naam loven
                        [en] ons beroemen in Uw lof.
36       Geloofd zij de HEERE, de God van Israël,
                        van eeuwigheid tot eeuwigheid!
En heel het volk zei: Amen! En het prees de HEERE.

De woorden van dit derde deel komen uit Psalm 106, de slotpsalm van het vierde psalmboek. In het eerste vers en de twee slotverzen van die psalm (Ps 106:1,47-481Halleluja!
Loof de HEERE, want Hij is goed,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
47Verlos ons, HEERE, onze God,
breng ons bijeen vanuit de heidenvolken,
opdat wij Uw heilige Naam loven
[en] ons beroemen in Uw lof.
48Geloofd zij de HEERE, de God van Israël,
van eeuwigheid tot eeuwigheid;
laat heel het volk zeggen: Amen.
Halleluja!
)
klinkt het halleluja, dat betekent ‘loof de HEERE’. Het woord ‘halleluja’ komen we in de psalmen voor het eerst tegen in Psalm 104. ‘Halleluja’ is het woord van het vrederijk, samen met het prijzen van de goedertierenheid van de HEERE dat we verderop in dit hoofdstuk vinden (vers 4141En met hen [waren] Heman en Jeduthun, en de overigen die gekozen waren, die met name aangewezen waren om de HEERE te loven; want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.).

Nog een keer klinkt de oproep “loof de HEERE” (vers 3434        Loof de HEERE, want Hij is goed,
                        want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
)
. Het is de oproep waarmee dit lied in vers 88         Loof de HEERE, roep Zijn Naam aan,
                        maak Zijn daden bekend onder de volken.
begon. De aanleiding is dat de HEERE goed is. Dat is Hij niet slechts even, maar “Zijn goedertierenheid is voor eeuwig”. Deze laatste uitspraak is kenmerkend voor het duizendjarig vrederijk.

Dit vertrouwen in Gods goedheid is de basis voor de roep tot God om hen te verlossen uit de macht van de heidenvolken (vers 3535       En zeg: Verlos ons, o God van ons heil,
                        en breng ons bijeen, en red ons vanuit de heidenvolken,
            opdat wij Uw heilige Naam loven
                        [en] ons beroemen in Uw lof.
)
. Ze noemen God de “God van ons heil”. Het heil is de behoudenis in de volle zin van het woord en betreft geest, ziel en lichaam en land. Het is verlossing van alle kwade machten en het ontvangen van alle beloofde zegeningen. Ze vragen die verlossing en redding om dan Gods heilige Naam te kunnen loven en zich te beroemen in Gods lof. Dat zal ten volle in het vrederijk zijn vervulling vinden.

Toch wachten ze niet tot het vrederijk is aangebroken, om dan pas Gods heilige Naam te loven. Dat doen ze hier direct al, als ze zeggen: “Geloofd zij de HEERE, de God van Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid!” (vers 36a36       Geloofd zij de HEERE, de God van Israël,
                        van eeuwigheid tot eeuwigheid!
En heel het volk zei: Amen! En het prees de HEERE.
)
.

De laatste woorden (vers 36b36       Geloofd zij de HEERE, de God van Israël,
                        van eeuwigheid tot eeuwigheid!
En heel het volk zei: Amen! En het prees de HEERE.
)
zijn woorden die direct op dit loflied volgen en die laten zien dat heel Israël een volk van zangers is. Het hele volk stemt in met het loflied dat door Asaf en zijn broeders is gezongen door er hun “amen” aan toe te voegen en zelf de HEERE te prijzen.


De dienst bij de ark

37Zo liet hij daar voor de ark van het verbond van de HEERE Asaf en zijn broeders achter om voortdurend dienst te doen voor de ark overeenkomstig het voorschrift voor elke afzonderlijke dag, 38en [ook] Obed-Edom met hun broeders, achtenzestig [man]; met Obed-Edom, de zoon van Jeduthun, en Hosa, als poortwachters, 39en de priester Zadok, en zijn broeders, de priesters, voor de tabernakel van de HEERE op de [offer]hoogte, die in Gibeon is, 40om de HEERE voortdurend, in de morgen en in de avond, brandoffers te brengen op het brandofferaltaar; en dat overeenkomstig alles wat geschreven staat in de wet van de HEERE, die Hij Israël geboden had. 41En met hen [waren] Heman en Jeduthun, en de overigen die gekozen waren, die met name aangewezen waren om de HEERE te loven; want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig. 42En bij hen waren Heman en Jeduthun, [met] trompetten en cimbalen voor hen die zich lieten horen, en [met] instrumenten voor muziek [tot eer] van God. De zonen van Jeduthun waren echter bij de poort.

Hier wordt de draad van de geschiedenis met de ark en de dienst in verbinding daarmee (verzen 1-61Toen zij de ark van God [de stad] binnenbrachten, zetten zij die midden in de tent die David ervoor gespannen had. En zij brachten brandoffers en dankoffers voor het aangezicht van God.2Toen David klaar was met het brengen van het brandoffer en de dankoffers, zegende hij het volk in de Naam van de HEERE.3Hij deelde aan iedereen in Israël, van de man tot de vrouw toe, aan ieder een rond brood, een klomp dadels en een rozijnenkoek uit.4En hij stelde voor de ark van de HEERE [sommigen] uit de Levieten aan als dienaars, om van de HEERE, de God van Israël, melding te maken en [Hem] te loven en te prijzen.5Asaf was het hoofd, Zacharja de tweede na hem; [verder] Jeïel, Semiramoth, Jehiël, Mattithja en Eliab, Benaja, Obed-Edom en Jeïel, met instrumenten [als] luiten en met harpen. En Asaf liet zich horen met cimbalen,6maar Benaja en Jahaziël, de priesters, [deden dat] voortdurend met trompetten voor de ark van het verbond van God.) weer opgepakt. Er is sprake van tweeërlei dienst. We hebben de dienst bij de ark (vers 3737Zo liet hij daar voor de ark van het verbond van de HEERE Asaf en zijn broeders achter om voortdurend dienst te doen voor de ark overeenkomstig het voorschrift voor elke afzonderlijke dag,) en de dienst bij het brandofferaltaar (verzen 39-4039en de priester Zadok, en zijn broeders, de priesters, voor de tabernakel van de HEERE op de [offer]hoogte, die in Gibeon is,40om de HEERE voortdurend, in de morgen en in de avond, brandoffers te brengen op het brandofferaltaar; en dat overeenkomstig alles wat geschreven staat in de wet van de HEERE, die Hij Israël geboden had.). Hoe de tabernakel in Gibeon is terechtgekomen, weten we niet. Eerst stond de tabernakel in Silo, in de dagen van Eli. Er is geopperd, dat de Filistijnen Silo hebben verwoest en dat zij de tabernakel en toebehoren hebben overgelaten aan de Amorieten die deze hebben opgericht in Gibeon. Dat zou later weer veroverd zijn door de Israëlieten.

Hoe het ook zij, er is een scheiding gekomen tussen de tabernakel en de ark. Voor de ark wordt een tent gespannen door David. Hij moet hebben begrepen dat de tabernakel zijn tijd heeft gehad en heeft afgedaan voor God. De dienst die plaatsvindt, gebeurt bij de ark. Met de tempel, die door Salomo zal worden gebouwd, komt er een heel nieuw gebouw op een nieuwe plaats waar het brandofferaltaar komt. Dat betekent tegelijk dat de tabernakeldienst definitief ophoudt te bestaan.

Het verschil tussen de dienst en plaats van de ark en het brandofferaltaar duidt op verschillende belangen en genegenheden. Waar de ark is, daar is de dienst naar de wil van de HEERE. Waar het altaar staat, is de ark niet meer. Dat duidt op een traditie, die nog wel even kan voortgaan, als overgangsperiode. Gedurende die overgangsperiode kan God die dienst verdragen. Voor de ark wordt dagelijks de dienst van het gezang ver­richt, net als het brandoffer, dat ook elke morgen en elke avond wordt gebracht (Ex 29:38-4238Dit nu is het wat u op het altaar moet bereiden: elke dag twee lammeren van een jaar oud, [en dat] voortdurend.39Het ene lam moet u in de morgen bereiden en het andere lam moet u tegen het vallen van de avond bereiden,40met een tiende [efa] meelbloem, gemengd met een kwart hin [uit olijven] gestoten olie, en een plengoffer van een kwart hin wijn, voor het ene lam.41En het andere lam moet u bereiden tegen het vallen van de avond. U moet daarmee doen als met het ochtendgraanoffer en het bijbehorende plengoffer, als een aangename geur. Het is een vuuroffer voor de HEERE.42Het moet een voortdurend brandoffer zijn, [al] uw generaties door, bij de ingang van de tent van ontmoeting, voor het aangezicht van de HEERE. Daar zal Ik u ontmoeten om daar met u te spreken.; 1Kr 23:3030Vervolgens [moesten zij] elke morgen, en eveneens in de avond, [gereed]staan om de HEERE te loven en te prijzen,; Lk 2:3737En zij was een weduwe van ongeveer vierentachtig jaar, die niet uit de tempel week, terwijl zij met vasten en bidden [God] diende, nacht en dag.).

Wat we lezen in het laatste vers van dit gedeelte (vers 4242En bij hen waren Heman en Jeduthun, [met] trompetten en cimbalen voor hen die zich lieten horen, en [met] instrumenten voor muziek [tot eer] van God. De zonen van Jeduthun waren echter bij de poort.), vinden we geestelijk terug in de gemeente. Het huis van de vader in Lukas 15 is een huis van muziek en dans (Lk 15:2525Nu was zijn oudste zoon op [het] veld; en toen hij terugkeerde en het huis naderde, hoorde hij muziek en dans;). Als er muziek wordt gemaakt, moet dat dans ofwel vreugde-uitingen tot gevolg hebben. Muziek stelt de profetische bediening voor die de harten van de gelovigen in beweging moet brengen, hetzij in blijdschap, hetzij in droefheid, afhankelijk van de boodschap die de dienaren van de Heer brengen (vgl. Mt 11:16-1716Met wie echter zal Ik dit geslacht vergelijken? Het is gelijk aan kinderen die op de markten zitten en de anderen de woorden toeroepen:17Wij hebben voor jullie op de fluit gespeeld en jullie hebben niet gedanst; wij hebben klaagliederen gezongen en jullie hebben niet geweeklaagd.).


Ieder gaat naar zijn huis

43Toen ging al het volk weg, ieder naar zijn huis; en David keerde terug om zijn huis te gaan zegenen.

Iedereen gaat naar huis, David ook. Bij David staat erbij dat hij zijn gezin gaat zegenen. De vraag mag wel aan ons worden gesteld waar wij heen gaan na een samenkomst rondom de Heer Jezus. Voor sommigen is dat helaas een weer terugkeren naar de wereld, de wereldse atmosfeer. Bij anderen echter is het zo dat het gezin dezelfde sfeer ademt als de samenkomst. Daar wordt met elkaar gedeeld wat in de samenkomst van de Heer Jezus is genoten en wordt Hij bij alle dagelijkse dingen betrokken.


Lees verder