1 Kronieken
1 David zet een tent voor de ark op 2-15 De ark wordt naar Sion gebracht 16-22 Zangers 23-24 Bewakers 25-28 De ark wordt opgehaald 29 Michal veracht David
David zet een tent voor de ark op

1[David] bouwde voor zichzelf huizen in de stad van David; en hij maakte voor de ark van God een plaats gereed, en zette er een tent voor op.

De huizen die David voor zichzelf bouwt, zijn mogelijk huizen voor zijn vele vrouwen. Hiram heeft immers al voor een huis voor David gezorgd (1Kr 14:11En Hiram, de koning van Tyrus, stuurde boden naar David, met cederhout, metselaars en timmerlieden, om een huis voor hem te bouwen.). Ook zorgt David voor een huis waarin de ark kan wonen. Al zou het transport van de ark in 1 Kronieken 13 gelukt zijn, dan was er toen geen plaats voor klaargemaakt. Dat doet David nu. Als toepassing kunnen we zeggen, dat we wel voor onszelf mogen bouwen, maar dat we erop moeten toezien dat er ook een plaats is waar de Heer Jezus (van Wie de ark een beeld is) kan zijn.

David spant een tent voor de ark. Het is een eenvoudige woning, nog geen tempel. Ook als wij een woonplaats voor de Heer Jezus klaarmaken, zal dat een eenvoudig verblijf zijn en niet een woonplaats die indruk maakt op het vlees. Het is een plaats buiten het kamp, of de legerplaats (Hb 13:1313Laten wij daarom tot Hem uitgaan buiten de legerplaats, terwijl wij Zijn smaad dragen.), dat wil zeggen een plaats los van de christenheid als georganiseerd systeem. In een dergelijk systeem is de toegang tot God in het binnenste heiligdom voor de gelovigen gesloten en alleen via een officiële kerkelijke vertegenwoordiger mogelijk. Dat is een loochening van het volmaakte werk van Christus waardoor voor iedere gelovige die toegang is vrijgemaakt (Hb 10:19-2219Daar wij dus, broeders, vrijmoedigheid hebben om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus,20langs [de] nieuwe en levende weg die Hij ons heeft ingewijd door het voorhangsel heen, dat is Zijn vlees,21en [wij] een grote Priester over het huis van God [hebben],22laten wij naderen met een waarachtig hart, in volle zekerheid van [het] geloof, de harten door besprenkeling gezuiverd van [het] kwaad geweten en het lichaam gewassen met rein water.).

Ook vandaag is het mogelijk om samen te komen als gemeente om daar bij de Heer Jezus te zijn. Het gaat om wat in die tent is, de ark, zoals dat ook nu is waar de Heer Jezus is. Daarbij moeten we wel oog houden voor het hele volk van God, al blijven velen van Gods volk weg.

David kan de ark niet in de tabernakel brengen, omdat die er niet meer is (Ps 78:60-6160Daarom verliet Hij de tabernakel te Silo,
de tent [waarin] Hij woonde onder de mensen.
61Hij gaf Zijn macht over in gevangenschap,
Zijn luister in de hand van de tegenstander.
; Jr 7:12-1512Want ga toch naar Mijn plaats die in Silo was, daar waar Ik vroeger Mijn Naam heb laten wonen, en zie wat Ik daarmee gedaan heb vanwege de slechtheid van Mijn volk Israël.13Welnu, omdat u al deze daden doet, spreekt de HEERE, en Ik vroeg en laat tot u sprak, maar u niet geluisterd hebt, en Ik u geroepen heb, maar u niet geantwoord hebt,14zal Ik met dit huis waarover Mijn Naam is uitgeroepen, waarop u vertrouwt, en met deze plaats, die Ik u en uw vaderen gegeven heb, doen zoals Ik met Silo heb gedaan.15Ik zal u van voor Mijn aangezicht wegwerpen, zoals Ik al uw broeders weggeworpen heb, heel het nageslacht van Efraïm.)
. In de dagen van Eli staat de tabernakel in Silo. De ark wordt buitgemaakt door de Filistijnen en waarschijnlijk hebben zij ook de tabernakel geheel of gedeeltelijk verwoest. Dat is een ernstig oordeel. Het weinige wat er van over was, is terechtgekomen in Gibeon, zoals het brandofferaltaar waar Salomo komt om de HEERE te ontmoeten (2Kr 1:5-65En het koperen altaar dat Bezaleël, de zoon van Uri, de zoon van Hur, gemaakt had, had hij voor de tabernakel van de HEERE gezet. En Salomo bezocht dat met de gemeente.6En Salomo offerde daar, voor het aangezicht van de HEERE, op het koperen altaar dat bij de tent van ontmoeting hoorde. Duizend brandoffers bracht hij daarop.). God heeft het tabernakelsysteem terzijde gesteld. Daarom spant David zelf een tent voor de ark.

Er zijn drie tenten in het Oude Testament als woonplaats voor God:
1. de tent waar Mozes God ontmoet (Ex 33:7-117En Mozes nam de tent en zette die voor zichzelf buiten het kamp op, een eind van het kamp vandaan; en hij noemde hem de tent van ontmoeting. Zo gebeurde het dat ieder die de HEERE zocht, naar de tent van ontmoeting moest gaan, die zich buiten het kamp bevond.8Telkens als Mozes naar de tent ging, gebeurde het dat heel het volk opstond en dat ieder bij de ingang van zijn tent ging staan en dat zij Mozes nakeken tot hij de tent was binnengegaan.9Zodra Mozes de tent binnenging, gebeurde het dat de wolkkolom neerdaalde en bij de ingang van de tent bleef staan en dat [de HEERE] met Mozes sprak.10En zodra heel het volk de wolkkolom zag staan bij de ingang van de tent, stond heel het volk op en boog zich neer, ieder in de opening van zijn tent.11De HEERE sprak tot Mozes van aangezicht tot aangezicht, zoals een man met zijn vriend spreekt. Daarna keerde hij terug naar het kamp, maar zijn dienaar Jozua, de zoon van Nun, een jongeman, week niet uit het midden van de tent.; 34:34-3534Maar telkens wanneer Mozes voor het aangezicht van de HEERE kwam om met Hem te spreken, deed hij de doek af, totdat hij [weer] naar buiten ging. En wanneer hij naar buiten gegaan was, sprak hij tot de Israëlieten wat hem geboden was.35En als de Israëlieten aan het gezicht van Mozes zagen dat de huid van het gezicht van Mozes glansde, dan deed Mozes de doek weer over zijn gezicht, totdat hij naar binnen ging om met Hem te spreken.),
2. de tabernakel (Ex 25-40) en
3. deze tent op Sion.


De ark wordt naar Sion gebracht

2Toen zei David: Niemand mag de ark van God dragen dan [alleen] de Levieten, want hen heeft de HEERE gekozen om de ark van God te dragen en Hem tot in eeuwigheid te dienen. 3Verder riep David heel Israël bijeen in Jeruzalem om de ark van de HEERE op te halen [en die] op zijn plaats [te brengen], die hij ervoor gereedgemaakt had. 4Vervolgens verzamelde David de nakomelingen van Aäron en de Levieten. 5Van de zonen van Kahath was Uriël de leider, en [van] zijn broeders waren [er] honderdtwintig. 6Van de zonen van Merari was Asaja de leider, en [van] zijn broeders waren [er] tweehonderdtwintig. 7Van de zonen van Gersom was Joël de leider, en [van] zijn broeders waren [er] honderddertig. 8Van de zonen van Elizafan was Semaja de leider, en [van] zijn broeders waren [er] tweehonderd. 9Van de zonen van Hebron was Eliël de leider, en [van] zijn broeders waren [er] tachtig. 10Van de zonen van Uzziël was Amminadab de leider, en [van] zijn broeders waren [er] honderdtwaalf. 11En David riep de priesters Zadok en Abjathar, en de Levieten Uriël, Asaja, Joël, Semaja, Eliël en Amminadab. 12Hij zei tegen hen: U bent familiehoofden van de Levieten. Heiligt u, u en uw broeders, om de ark van de HEERE, de God van Israël, op te halen [en] naar de [plaats te brengen die] ik voor hem gereedgemaakt heb. 13Want omdat u [dit] de eerste keer niet [gedaan hebt], heeft de HEERE, onze God, ons een zware slag toegebracht, omdat wij Hem niet hebben geraadpleegd overeenkomstig de bepaling. 14Toen heiligden de priesters en Levieten zich om de ark van de HEERE, de God van Israël, op te halen. 15En de nakomelingen van de Levieten droegen de ark van God op hun schouders, met de draagbomen eraan, zoals Mozes geboden had, overeenkomstig het woord van de HEERE.

Voor het brengen van de ark naar Sion geeft David nu de juiste orders (vers 22Toen zei David: Niemand mag de ark van God dragen dan [alleen] de Levieten, want hen heeft de HEERE gekozen om de ark van God te dragen en Hem tot in eeuwigheid te dienen.). Hier neemt hij als koning van Gods volk de verantwoordelijkheid in godsdienstige zaken. Op hem rust de plicht Gods volk op de goede manier voor te gaan in het eren van de HEERE.

Hij erkent dat het de vorige keer fout is gegaan omdat ze de HEERE “niet hebben geraadpleegd overeenkomstig de bepaling” (vers 1313Want omdat u [dit] de eerste keer niet [gedaan hebt], heeft de HEERE, onze God, ons een zware slag toegebracht, omdat wij Hem niet hebben geraadpleegd overeenkomstig de bepaling.). De bepaling luidt dat niemand anders dan de Levieten de ark mogen vervoeren en dat ze dat moeten doen door die “te dragen” (vers 22Toen zei David: Niemand mag de ark van God dragen dan [alleen] de Levieten, want hen heeft de HEERE gekozen om de ark van God te dragen en Hem tot in eeuwigheid te dienen.; vers 1515En de nakomelingen van de Levieten droegen de ark van God op hun schouders, met de draagbomen eraan, zoals Mozes geboden had, overeenkomstig het woord van de HEERE.; Nm 7:99Maar aan de zonen van Kahath gaf hij niets, want de dienst van de heilige dingen was hun [toegewezen]. Zij moesten [die] op de schouders dragen.). Het is niet genoeg dat we doen wat goed is, want het is ook belangrijk het op de goede, de wettige manier te doen (vgl. 2Tm 2:55En als iemand ook kampvechter is, wordt hij niet gekroond als hij niet wettig heeft gestreden.).

David betrekt “heel Israël” bij het opvoeren van de ark naar Jeruzalem (vers 33Verder riep David heel Israël bijeen in Jeruzalem om de ark van de HEERE op te halen [en die] op zijn plaats [te brengen], die hij ervoor gereedgemaakt had.). Voor ons betekent het dat alle gelovigen een taak hebben om de Heer Jezus in de samenkomst de plaats te geven die Hem toekomt. Voor de daadwerkelijke verplaatsing van de ark mobiliseert David de priesters en de Levieten, die met naam en aantal worden genoemd (verzen 4-104Vervolgens verzamelde David de nakomelingen van Aäron en de Levieten.5Van de zonen van Kahath was Uriël de leider, en [van] zijn broeders waren [er] honderdtwintig.6Van de zonen van Merari was Asaja de leider, en [van] zijn broeders waren [er] tweehonderdtwintig.7Van de zonen van Gersom was Joël de leider, en [van] zijn broeders waren [er] honderddertig.8Van de zonen van Elizafan was Semaja de leider, en [van] zijn broeders waren [er] tweehonderd.9Van de zonen van Hebron was Eliël de leider, en [van] zijn broeders waren [er] tachtig.10Van de zonen van Uzziël was Amminadab de leider, en [van] zijn broeders waren [er] honderdtwaalf.). David bepaalt in alle opzichten hoe en door wie het transport moet plaatsvinden.

Er worden twee priesters genoemd (vers 1111En David riep de priesters Zadok en Abjathar, en de Levieten Uriël, Asaja, Joël, Semaja, Eliël en Amminadab.). Ze komen uit de twee lijnen van de overgebleven zonen van Aäron, Eleazar en Ithamar (Lv 10:1,61De zonen van Aäron, Nadab en Abihu, namen beiden hun wierookschaal, deden vuur daarin, legden reukwerk daarop en brachten vreemd vuur voor het aangezicht van de HEERE, wat Hij hun niet geboden had.6En Mozes zei tegen Aäron, en tegen Eleazar en Ithamar, zijn zonen: Jullie mogen je hoofd[haar] niet los laten hangen en je kleding niet scheuren, opdat jullie niet sterven en er grote toorn over heel de gemeenschap komt; maar jullie broeders, heel het huis van Israël, zullen de brand bewenen, die de HEERE aangestoken heeft.). Zadok is een nakomeling van Aäron via Eleazar, en Abjathar is een nakomeling van Aäron via Ithamar. Via Zadok zal het priesterschap naar Gods gedachten worden voortgezet. Dat zien we later tijdens de regering van Salomo en ook in de tempeldienst in het vrederijk die in het boek Ezechiël wordt beschreven (Ez 40-48).

David spreekt ook over de voorwaarde, de geestelijke voorbereiding op de taak (vers 1212Hij zei tegen hen: U bent familiehoofden van de Levieten. Heiligt u, u en uw broeders, om de ark van de HEERE, de God van Israël, op te halen [en] naar de [plaats te brengen die] ik voor hem gereedgemaakt heb.). Deze voorbereiding is de eerste keer achterwege gebleven en is er de oorzaak van dat God hun een zware slag heeft moeten toebrengen. De voorwaarde is dat zij die zich bezighouden met de ark, zich moeten heiligen. Daardoor zullen ze voor een tweede zware slag worden bewaard. Het positieve aspect is, dat ze de vreugde van de HEERE zullen beleven.

Heiligen houdt in dat ze zich afzonderen van elke vorm van onreinheid. Als wij de zegen van de tegenwoordigheid van de Heer willen genieten, zullen wij ons moeten “reinigen van alle bevlekking van [het] vlees en van [de] geest, en [de] heiligheid volbrengen in [de] vrees van God” (2Ko 7:11Daar wij dan deze beloften hebben, geliefden, laten wij onszelf reinigen van alle bevlekking van [het] vlees en van [de] geest, en [de] heiligheid volbrengen in [de] vrees van God.).

Nadat de priesters hebben gedaan wat van hen is gevraagd, gaan ze de ark ophalen (vers 1414Toen heiligden de priesters en Levieten zich om de ark van de HEERE, de God van Israël, op te halen.). Dan wordt de ark vervoerd op de door de HEERE voorgeschreven wijze, dat is op de schouders van de Levieten (vers 1515En de nakomelingen van de Levieten droegen de ark van God op hun schouders, met de draagbomen eraan, zoals Mozes geboden had, overeenkomstig het woord van de HEERE.). De schouders van de Levieten zijn een beter transportmiddel dan de sterkste en mooiste wagen. We zien daarin het beeld dat God de heerlijkheid van de Heer Jezus heeft toevertrouwd aan de handen van Zijn dienaren, aan hun verantwoordelijkheid.

Bij het dragen van de ark op de schouders van de Levieten kunnen we ook denken aan de Goddelijke kracht die in Zijn dienaren werkt (Ef 3:2020Hem nu, Die in staat is zeer overvloedig te doen boven alles wat wij bidden of denken, naar de kracht die in ons werkt,). Levieten stellen de gaven van de Heer Jezus aan de gemeente voor en in dit verband misschien wel speciaal de leraren (Ef 4:1111En Hij heeft sommigen gegeven als apostelen, anderen als profeten, anderen als evangelisten, anderen als herders en leraars,). Door de kracht van Gods Geest krijgen zij het geestelijke vermogen om de glorie van Christus in al haar rijkdom hoog te houden en te tonen voor het oog van Gods volk.

Het brengen van de ark naar Sion is om drie redenen belangrijk:
1. Het betekent dat Sion de plaats is waar de HEERE Zijn Naam wil laten wonen. Die plaats moeten wij ook zoeken. Dan vinden we de ark. Voor ons betekent het dat we de Heer Jezus vinden op de plaats waar Hij centraal staat en de dienst gebeurt in overeenstemming met Zijn Woord, want van Hem is de ark een beeld.
2. De ark was in ballingschap gevoerd en keert daaruit nu terug onder leiding van David. In de Schrift lezen we vier keer over een ballingschap:
   a. Israël in Egypte,
   b. de ark bij de Filistijnen,
   c. de twee stammen in Babylonische ballingschap en
   d. de ballingschap waarin Israël thans verkeert.
Telkens betekent de bevrijding uit ballingschap dat het volk, of een overblijfsel, terugkeert in het land.
   a1. We zien dat voor Israël gebeuren als het volk onder aanvoering van Mozes uit Egypte vertrekt om naar het beloofde land te gaan.
   b1. We zien het hier als David de ark naar Jeruzalem brengt.
   c1. Later zien we het als een overblijfsel uit de twee stammen onder leiding van Zerubbabel uit de Babylonische ballingschap naar Israël teruggaat.
   d1. We zullen het nog zien als de huidige ballingschap zal eindigen met een terugkeer naar het land door de komst van de Messias.
3. De naam van Christus wordt op bijzondere wijze verbonden met Sion doordat David de ark opbrengt naar die plaats. Sion stelt ook de genade voor (Hb 12:22a22maar u bent genaderd tot [de] berg Sion; en tot [de] stad van [de] levende God, [het] hemelse Jeruzalem; en tot tienduizenden van engelen,). Deze berg staat in contrast met de berg Sinaï (Gl 4:2525Hagar nu is de berg Sinaï in Arabië en komt overeen met het tegenwoordige Jeruzalem, want dit is in slavernij met haar kinderen;; Hb 12:18-2118Want u bent niet genaderd tot [de] tastbare <berg> en [het] brandende vuur, tot donkerheid, duisternis, onweer,19bazuingeschal en een geluid van woorden waarvan zij die ze gehoord hadden, smeekten dat [het] woord niet tot hen zou worden gericht20(want zij konden niet verdragen wat geboden werd: ‘Zelfs als een dier de berg aanraakt, zal het worden gestenigd’;21en zo vreselijk was het gezicht, dat Mozes zei: ‘Ik ben vol vrees en ik beef zeer’),), de berg die een symbool is van de mens onder de wet. Vanaf nu wordt de geschiedenis van Israël beheerst door Sion, hoewel hier letterlijk ook nog door de wet. Maar ten diepste handelt God op de grondslag van genade door middel van de ark, door David en door Zadok. Deze drie vinden we gecombineerd in de Heer Jezus.

Er worden vier namen voor de ark gebruikt. Dat kunnen we vergelijken met de inhoud van de vier evangeliën:
1. ‘De ark van de HEERE’ (vers 1212Hij zei tegen hen: U bent familiehoofden van de Levieten. Heiligt u, u en uw broeders, om de ark van de HEERE, de God van Israël, op te halen [en] naar de [plaats te brengen die] ik voor hem gereedgemaakt heb.) zien we in het evangelie naar Mattheüs. Deze naam doet eraan denken dat God Zijn beloften nakomt door het profetische woord in vervulling te laten gaan in de Koning van Israël.
2. In Exodus wordt de ark ook genoemd ‘de ark van de getuigenis’ (Ex 25:2222Dan zal Ik u daar ontmoeten en van boven het verzoendeksel, van tussen de twee cherubs, die zich op de ark van de getuigenis zullen bevinden, zal Ik met u spreken over alles wat Ik u voor de Israëlieten gebieden zal.). Dat zien we in het evangelie naar Markus, waarin de Heer Jezus als de Dienaar en Getuige van God wordt voorgesteld.
3. ‘De ark van het verbond van de HEERE’ (vers 2525Het waren David, de oudsten van Israël en de bevelhebbers over duizend die de ark van het verbond van de HEERE met blijdschap uit het huis van Obed-Edom gingen halen.) zien we in de Heer Jezus zoals het evangelie naar Lukas Hem beschrijft. De Heer Jezus als de ware Mens, de Mens naar Gods gedachten, is de grondslag van het nieuwe verbond als de uitdrukking van Gods goedgunstigheid in Christus tegenover de mens.
4. Het evangelie naar Johannes laat ons ‘de ark van God’ (vers 2424En Sebanja, Josafat, Nethaneël, Amasai, Zecharja, Benaja en Eliëzer, de priesters, bliezen op trompetten voor de ark van God uit; en Obed-Edom en Jehia waren bewakers van de ark.) zien. Johannes stelt de Heer Jezus voor als de Zoon van God.
Deze vier aspecten mogen we zien als we samenkomen op de plaats waar Hij in het midden is. Hij is het ware middelpunt van het samenkomen van de gemeente waarbij de harten naar Hem uitgaan in Zijn grote schoonheid.


Zangers

16Verder zei David tegen de leiders van de Levieten dat zij hun broeders, de zangers, op moesten stellen met muziekinstrumenten, [met] luiten, harpen en cimbalen, om luide en blijde klanken te laten horen. 17Toen stelden de Levieten Heman op, de zoon van Joël. En uit zijn broeders Asaf, de zoon van Berechja; en uit de zonen van Merari, hun broeders, Ethan, de zoon van Kusaja. 18En met hen hun broeders van de tweede orde: Zecharja, Ben, Jaäziël, Semiramoth, Jehiël, Unni, Eliab, Benaja, Maäseja, Mattithja, Elifele, Mikneja, Obed-Edom en Jeïel, de poortwachters. 19En de zangers Heman, Asaf en Ethan lieten zich horen met koperen cimbalen; 20en Zacharja, Aziël, Semiramoth, Jehiël, Unni, Eliab, Maäseja en Benaja met hooggestemde luiten; 21en Mattithja, Elifele, Mikneja, Obed-Edom, Jeïel en Azazja met laaggestemde harpen, om te begeleiden. 22En Chenanja, de leider van de Levieten, [ging] over de muziek. Hij onderwees [hen] in de muziek, want hij was iemand met inzicht.

We zien drie taken van de Levieten: ze dragen de ark (vers 1515En de nakomelingen van de Levieten droegen de ark van God op hun schouders, met de draagbomen eraan, zoals Mozes geboden had, overeenkomstig het woord van de HEERE.), ze verrichten de dienst van het gezang (vers 1616Verder zei David tegen de leiders van de Levieten dat zij hun broeders, de zangers, op moesten stellen met muziekinstrumenten, [met] luiten, harpen en cimbalen, om luide en blijde klanken te laten horen.) en ze zijn bewakers van de ark (vers 2323Berechja en Elkana waren bewakers van de ark.).

Waar de ark is, is vreugde. David heeft dat begrepen. Met het oog daarop heeft hij een heel nieuwe dienst aan die plaats verbonden: de dienst van de zangers. Bij de tabernakel lezen we niet over zangers, ze worden zelfs niet in de boeken Samuel en Koningen genoemd. Pas hier, in verbinding met de definitieve rustplaats van de ark, wordt deze vreugdevolle dienst vermeld. Op de plaats waar de ark staat, wordt gezongen.

Gods volk is een zingend volk. Dat geldt ook voor de gemeente (Ef 5:19-2019en spreekt tot elkaar in psalmen, lofzangen en geestelijke liederen, zingend en jubelend in uw hart tot de Heer,20en dankt te allen tijde voor alles de God en Vader in [de] Naam van onze Heer Jezus Christus,; Ko 3:16-1716Laat het Woord van Christus rijkelijk in u wonen, terwijl u in alle wijsheid elkaar leert en terechtwijst met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen [en] in <de> genade zingt in uw harten voor God.17En al wat u doet, in woord of in werk, [doet] alles in [de] Naam van [de] Heer Jezus, terwijl u God [de] Vader door Hem dankt.; Hb 13:1515Laten wij <dan> door Hem voortdurend een lofoffer brengen aan God, dat is [de] vrucht van [de] lippen die Zijn Naam belijden.), vooral wanneer de gemeente samenkomt rondom de Heer Jezus (1Ko 14:15b15Hoe is het dan? Ik zal met mijn geest bidden, maar ik zal ook met mijn verstand bidden; ik zal met mijn geest lofzingen, maar ik zal ook met mijn verstand lofzingen.; 1Ko 14:2626Hoe is het dan, broeders? Wanneer u samenkomt, heeft ieder een psalm, heeft een leer, heeft een openbaring, heeft een taal, heeft een uitlegging; laat alles gebeuren tot opbouwing.). Het is een dienst aan de Heer, in het volle besef van Zijn leiding in die dienst. Hij heft immers de lofzang aan (Hb 2:1212‘Ik zal Uw Naam aan Mijn broeders verkondigen, in [het] midden van [de] gemeente zal Ik U lofzingen’.).

In de dienst van het gezang zijn alle gelovigen betrokken. Daarom heeft de Heer ons de bekwaamheid om te zingen gegeven. Daarbij gaat het niet in de eerste plaats om de melodie. De melodie is de drager van de woorden die de gevoelens van het hart vertolken. Een lied is bij uitstek geschikt om de gevoelens van het geheel tot uitdrukking te brengen, waarbij toch iedere zanger zijn of haar eigen gevoelens heeft.

De samenkomsten van de gemeente zijn diensten “in geest en waarheid” (Jh 4:2323Maar er komt een uur, en het is er, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid; immers, de Vader zoekt zulke [personen] die Hem aanbidden.). Alle uiterlijke dingen die in de eredienst van het Oude Testament voor Israël belangrijk zijn, hebben in de samenkomsten van de gemeente geen plaats. Daarom doet ook het gebouw waarin de gelovigen samenkomen er niet toe. Ook zijn er geen letterlijke dierenoffers, is er geen priesterkleding, is er geen letterlijk altaar enzovoort.

De nieuwe vinding voor het transport van de ark in 1 Kronieken 13 is fout omdat het in strijd is met Gods voorschrift. Dat wil echter niet zeggen dat al het nieuwe fout is. Hier is voor de eerste keer sprake van de dienst van het gezang vóór de ark, vóór het symbool van de tegenwoordigheid van de HEERE. Mozes is gebruikt om de offers te introduceren; David wordt gebruikt om het gezang te introduceren. Zingen is een vorm van offeren. We worden ertoe opgeroepen God dank te offeren (Ps 50:14a14Offer dank aan God
en kom aan de Allerhoogste uw geloften na.
; Hs 14:22Bekeer u, Israël,
tot de HEERE, uw God,
want u bent gestruikeld door uw ongerechtigheid.
)
.

In vers 1717Toen stelden de Levieten Heman op, de zoon van Joël. En uit zijn broeders Asaf, de zoon van Berechja; en uit de zonen van Merari, hun broeders, Ethan, de zoon van Kusaja. worden drie hoofdzangers genoemd: Heman, Asaf en Ethan. Heman betekent ‘getrouw’, Asaf betekent ‘een die vergadert’, Ethan betekent ‘voortdurend’. Ethan is dezelfde als Jeduthun (1Kr 25:11Verder zonderde David met de legerbevelhebbers [mensen] af voor het dienstwerk uit de nakomelingen van Asaf, Heman en Jeduthun. Zij profeteerden onder [het spel van] harpen, luiten en cimbalen. Dit is hun aantal, van de mannen werkzaam voor hun dienstwerk.), dat ‘een koor van lofprijzing’ betekent. In de betekenis van deze namen zien we aanwijzingen voor een voortdurende dienst van lofprijzing in de gemeente (Hb 13:1515Laten wij <dan> door Hem voortdurend een lofoffer brengen aan God, dat is [de] vrucht van [de] lippen die Zijn Naam belijden.). Het lofprijzen als de gemeente samenkomt, behoort in trouw aan Gods Woord te gebeuren en zal samenbindend zijn, zodat er een koor van lofprijzing te horen is.

Bij de “broeders van de tweede orde” (vers 1818En met hen hun broeders van de tweede orde: Zecharja, Ben, Jaäziël, Semiramoth, Jehiël, Unni, Eliab, Benaja, Maäseja, Mattithja, Elifele, Mikneja, Obed-Edom en Jeïel, de poortwachters.) kunnen we misschien de toepassing maken op jongeren die deelnemen aan de dienst. Hoewel ze minder geoefend zijn dan de ouderen, kunnen zij zich toch laten horen. Onder Mozes mochten alleen de Levieten van dertig jaar en ouder aan de dienst van de tabernakel deelnemen, maar onder David mag dat al vanaf twintigjarige leeftijd. Dit veronderstelt dat zij die – in geestelijk opzicht – tussen de twintig en dertig jaar zijn, de groep van ‘de tweede orde’ vormen, om na onderwijs en ervaring door te groeien naar de eerste orde. God verwacht in de gemeente dat ook jonge gelovigen hun bijdrage aan de dienst leveren.

Er is sprake van twee soorten toonhoogten (verzen 20-2120en Zacharja, Aziël, Semiramoth, Jehiël, Unni, Eliab, Maäseja en Benaja met hooggestemde luiten;21en Mattithja, Elifele, Mikneja, Obed-Edom, Jeïel en Azazja met laaggestemde harpen, om te begeleiden.). Letterlijk staat er in vers 2020en Zacharja, Aziël, Semiramoth, Jehiël, Unni, Eliab, Maäseja en Benaja met hooggestemde luiten; “op Alamoth” (zie Statenvertaling), een uitdrukking die ook in het opschrift van Psalm 46 staat (“een lied op Alamoth”, Ps 46:11Een lied op Alamoth, voor de koorleider, van de zonen van Korach.). Het woord is verwant aan het woord ‘maagden’. Vandaar de gedachte dat de toonhoogte die van de sopraan is of, zoals het hier is vertaald, dat die toon “hooggestemd” is.

In vers 2121en Mattithja, Elifele, Mikneja, Obed-Edom, Jeïel en Azazja met laaggestemde harpen, om te begeleiden. staat letterlijk “op Scheminith” (zie Statenvertaling). Dit woord is ontleend aan een woord dat afstamt van het woord voor ‘acht’ (zie de opschriften boven Psalmen 6 en 12 in de HSV, Ps 6:11Een psalm van David, voor de koorleider, bij snarenspel, op ‘De achtste’.; Ps 12:11Een psalm van David, voor de koorleider, op ‘De achtste’.). Het woord wordt gebruikt om muziek in een lager octaaf aan te geven en is daarom in vers 2121en Mattithja, Elifele, Mikneja, Obed-Edom, Jeïel en Azazja met laaggestemde harpen, om te begeleiden. vertaald met “laaggestemd”. Dat geeft ook gelijk een contrast met vers 2020en Zacharja, Aziël, Semiramoth, Jehiël, Unni, Eliab, Maäseja en Benaja met hooggestemde luiten; aan: hooggestemd en laaggestemd. Het woord kan overigens ook betekenen dat het gaat om een instrument met acht snaren.

Er komt ‘hooggestemde’ en ‘laaggestemde’ lof bij ons op als we kijken naar de Heer Jezus als Degene Die is “opgevaren boven alle hemelen” nadat “Hij ook is neergedaald naar de lagere <delen> van de aarde” (Ef 4:8-108Daarom zegt Hij: ‘Opgevaren naar [de] hoge heeft Hij de gevangenschap gevangengenomen <en> heeft de mensen gaven gegeven’.9Dit nu: Hij is opgevaren, wat is het anders dan dat Hij ook is neergedaald naar de lagere <delen> van de aarde?10Hij Die is neergedaald, is ook Degene Die is opgevaren boven alle hemelen, opdat Hij alles zou vervullen.). Diezelfde gevoelens van bewondering komen bij ons op als we zien hoe Hij enerzijds Zichzelf heeft vernederd en gehoorzaam is geworden tot de dood, ja tot de kruisdood en anderzijds door God uitermate is verhoogd (Fp 2:6-116Die in [de] gestalte van God zijnde het geen roof geacht heeft God gelijk te zijn,7maar Zichzelf ontledigd heeft, [de] gestalte van een slaaf aannemend, de mensen gelijk wordend.8En uiterlijk als een mens bevonden heeft Hij Zichzelf vernederd, gehoorzaam wordend tot [de] dood, ja, [tot de] kruisdood.9Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de Naam geschonken die boven alle naam is,10opdat in de Naam van Jezus elke knie zich buigt van hen die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn,11en elke tong belijdt dat Jezus Christus Heer is, tot heerlijkheid van God [de] Vader.).

Van Chenanja staat dat hij “over de muziek ging” en dat hij “onderwees in de muziek”, omdat hij “iemand met inzicht” is (vers 2222En Chenanja, de leider van de Levieten, [ging] over de muziek. Hij onderwees [hen] in de muziek, want hij was iemand met inzicht.). Hij weet hoe er gezongen moet worden. Dat heeft niets te maken met wat vandaag ‘aanbiddingsleider’ genoemd wordt. In geestelijk opzicht behoort iedere gelovige “iemand met inzicht” te zijn. Iedere gelovige wordt geacht zowel met zijn geest als met zijn verstand lof te zingen (1Ko 14:1515Hoe is het dan? Ik zal met mijn geest bidden, maar ik zal ook met mijn verstand bidden; ik zal met mijn geest lofzingen, maar ik zal ook met mijn verstand lofzingen.).

Het hoort bij het “aanbidden in geest en waarheid” (Jh 4:23-2423Maar er komt een uur, en het is er, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid; immers, de Vader zoekt zulke [personen] die Hem aanbidden.24God is een geest, en wie Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid.), waarmee wordt bedoeld dat aanbidding op een geestelijke manier gebeurt, met het hart, maar ook met inzicht in de waarheid van Gods Woord over Christus en Zijn werk. In extase raken, het kwijtraken van de controle over de eigen wil, is voor de christen dwaas en schadelijk. Het doet denken aan het werk van demonen (1Ko 12:1-21Wat nu de geestelijke [uitingen] betreft, broeders, wil ik niet dat u onwetend bent.2U weet dat toen u [van de] volken was, u tot de stomme afgoden werd heengedreven, al naar u geleid werd.).


Bewakers

23Berechja en Elkana waren bewakers van de ark. 24En Sebanja, Josafat, Nethaneël, Amasai, Zecharja, Benaja en Eliëzer, de priesters, bliezen op trompetten voor de ark van God uit; en Obed-Edom en Jehia waren bewakers van de ark.

Bewakers moeten waken voor de eer van de ark. Zij staan voor de ingang van de tent waarin de ark zich bevindt om ervoor te zorgen dat geen onbevoegde personen binnengaan en de ark aanraken. Zij begeleiden ook de ark onderweg naar Jeruzalem om erop toe te zien dat geen onheilige handen de ark aanraken.

In de gemeente is ieder lid ervoor verantwoordelijk dat niets de gemeente binnenkomt wat de eer van de Heer Jezus aantast. Dat betreft zowel de leer als het leven van ieder lid van de gemeente. Een speciale verantwoordelijkheid ligt hierin op de schouders van broeders die door leeftijd en ervaring in hun omgang met de Heer Gods gedachten kennen en als oudsten functioneren (Hd 20:28a28Past op uzelf en op de hele kudde, waarin de Heilige Geest u als opzieners heeft gesteld, om de gemeente van God te hoeden, die Hij Zich heeft verworven door het bloed van Zijn eigen [Zoon].).


De ark wordt opgehaald

25Het waren David, de oudsten van Israël en de bevelhebbers over duizend die de ark van het verbond van de HEERE met blijdschap uit het huis van Obed-Edom gingen halen. 26En het was omdat God de Levieten hielp, die de ark van het verbond van de HEERE droegen, dat zij zeven jonge stieren en zeven rammen offerden. 27David ging gekleed in een bovenkleed van fijn linnen, en [ook] alle Levieten die de ark droegen, de zangers en Chenanja, de leider van de muziek [en] van de zangers. Ook had David een linnen priesterhemd aan. 28Zo bracht heel Israël de ark van het verbond van de HEERE over, met gejuich en met bazuingeschal, met trompetten en met cimbalen; en zij lieten [muziek] horen met luiten en harpen.

Dan wordt “de ark van het verbond van de HEERE” – twee keer wordt hij nadrukkelijk zo genoemd (verzen 25-2625Het waren David, de oudsten van Israël en de bevelhebbers over duizend die de ark van het verbond van de HEERE met blijdschap uit het huis van Obed-Edom gingen halen.26En het was omdat God de Levieten hielp, die de ark van het verbond van de HEERE droegen, dat zij zeven jonge stieren en zeven rammen offerden.) – uit het huis van Obed-Edom opgehaald. De naam van Obed-Edom wordt diverse keren in dit hoofdstuk genoemd (verzen 18,21,24,2518En met hen hun broeders van de tweede orde: Zecharja, Ben, Jaäziël, Semiramoth, Jehiël, Unni, Eliab, Benaja, Maäseja, Mattithja, Elifele, Mikneja, Obed-Edom en Jeïel, de poortwachters.21en Mattithja, Elifele, Mikneja, Obed-Edom, Jeïel en Azazja met laaggestemde harpen, om te begeleiden.24En Sebanja, Josafat, Nethaneël, Amasai, Zecharja, Benaja en Eliëzer, de priesters, bliezen op trompetten voor de ark van God uit; en Obed-Edom en Jehia waren bewakers van de ark.25Het waren David, de oudsten van Israël en de bevelhebbers over duizend die de ark van het verbond van de HEERE met blijdschap uit het huis van Obed-Edom gingen halen.). Uit de vermelding van zijn naam spreekt de grote waardering die God voor hem heeft. Zijn trouw wordt beloond. Hij is trouw in zijn eigen huis en heeft nu een taak met betrekking tot het huis van God.

De ark wordt “met blijdschap”, dat wil zeggen onder het laten horen van vreugde-uitingen, door “heel Israël” naar Jeruzalem gebracht. Het dragen van de ark gebeurt wel door de Levieten, maar het hele volk is erbij betrokken. Dat de ark nu wel zonder ongelukken in Jeruzalem aankomt, is omdat God de Levieten helpt om de ark te dragen. De dragers zijn in zichzelf niet beter dan Uzza. Dat het nu goed gaat, is aan de hulp van God te danken. Ook voor ons geldt, dat alleen met de hulp van God, de hulp van Zijn Geest, een dienst voor Hem kan gebeuren die Hem aangenaam is (vgl. 2Kr 18:3131Het gebeurde dan, zodra de bevelhebbers van de strijdwagens Josafat zagen, dat zij zeiden: Dat is de koning van Israël. Zij omringden hem om tegen hem te strijden, maar Josafat schreeuwde [om hulp]. De HEERE hielp hem en God wendde hen van hem af.; Hd 26:2222Daar ik nu hulp van God heb verkregen, sta ik tot op deze dag en getuig voor klein en groot, zonder iets te zeggen buiten wat de profeten en Mozes hebben gesproken dat zou gebeuren:).

Het besef dat God helpt, brengt hen ertoe om offers te brengen. De offers bestaan uit “zeven jonge stieren en zeven rammen”. Het getal zeven is het getal van volkomenheid. Een stier is bij uitstek het dier voor het brandoffer. De ram is bij uitstek het dier voor het wijdingsoffer.

Hier zien we dat het opbrengen van de ark (in beeld) gebeurt op de grondslag van het werk van de Heer dat Hij volkomen (zeven) tot Gods eer (brandoffer), in volle toewijding aan Hem (wijdingsoffer), heeft volbracht. De geestelijke toepassing is dat wij ook alleen een plaats voor de Heer Jezus kunnen gereedmaken, als we iets hebben begrepen van Zijn volmaakte werk als brandoffer en als wijdingsoffer.

David draagt bij deze gelegenheid niet zijn koninklijke gewaad, maar zowel een Levietenkleed als een priesterlijk kleed (vers 2727David ging gekleed in een bovenkleed van fijn linnen, en [ook] alle Levieten die de ark droegen, de zangers en Chenanja, de leider van de muziek [en] van de zangers. Ook had David een linnen priesterhemd aan.). Dat roept de gedachte op dat we hier een beeld hebben van de Heer Jezus als Degene Die Koning en Priester is in één Persoon.

Wat zich hier voor onze ogen afspeelt, wordt in Psalm 68 bezongen:
“O God, zij hebben Uw intocht gezien,
de intocht van mijn God, mijn Koning, in het heiligdom.
De zangers gingen voorop, de snarenspelers daarachter,
in het midden de trommelende meisjes” (Ps 68:25-2625O God, zij hebben Uw intocht gezien,
de intocht van mijn God, mijn Koning, in het heiligdom.
26De zangers gingen voorop, de snarenspelers daarachter,
in het midden de trommelende meisjes.
)
.


Michal veracht David

29En het gebeurde, toen de ark van het verbond van de HEERE bij de stad van David kwam, dat Michal, de dochter van Saul, door het venster naar beneden keek, en koning David zag dansen en huppelen. En zij verachtte hem in haar hart.

Michal veracht David, omdat ze het beneden zijn waardigheid als koning vindt om zich zo – in haar ogen uitzinnig – te gedragen. Het ongeloof begrijpt niets van de vreugde die het gelovig hart beleeft in de dingen van de Heer. Het is voor de vleselijk gezinde gelovige onmogelijk om te delen in de vreugde die de geestelijk gezinde gelovige beleeft in zijn gemeenschap met de Vader en de Zoon.

Dat zij “door het venster” kijkt, toont haar beperkte inzicht. Het stelt het raamwerk van haar eigen voorstellingsvermogen voor dat is bepaald door afkomst en opvoeding. Dat zij “naar beneden” kijkt, laat de hoogmoedige zelfingenomenheid zien waarmee ze zich aanmatigt David en zijn wijze van doen te kunnen beoordelen.

Het is een trieste zaak als in een huwelijk man en vrouw in geestelijk opzicht niet met elkaar overeenstemmen of dat er zelfs, zoals hier, een grote afstand tussen hen is. Het betreft hier (in beeld) niet een huwelijk van een gelovige met een ongelovige. Dat is verboden (2Ko 6:14a14Gaat niet met ongelovigen onder een ongelijk juk. Want welk deelgenootschap hebben gerechtigheid en wetteloosheid? Of welke gemeenschap heeft licht met duisternis?). Het gaat om een huwelijk tussen twee mensen die belijden tot Gods volk te behoren.

Het is van vitaal belang voor een huwelijk dat man en vrouw overeenstemmen in het doel van hun leven en dat is leven tot eer van de Heer. Mocht een van beiden daar anders over denken of gaan denken, dan is dat verdrietig. Het betekent echter niet dat dan de ander maar niet meer voor de Heer moet leven. Dat kunnen we hier ook van David leren. Hij blijft de Heer trouw en zet zich in voor Zijn eer.


Lees verder