1 Kronieken
Inleiding 1-2 Het koningschap van David bevestigd 3-7 Gezin van David 8-12 David verslaat de Filistijnen 13-17 David verslaat de Filistijnen opnieuw
Inleiding

In 2 Samuel 6 volgt op het falen van David in het terughalen van de ark (2Sm 6:1-111Daarna verzamelde David opnieuw de beste van alle [mannen] in Israël, dertigduizend.2David stond op en ging [op weg] met al het volk dat bij hem was, vanuit Baälim-Juda, om vandaar de ark van God op te halen, [de ark] waarbij de Naam wordt aangeroepen: de Naam van de HEERE van de legermachten, Die daarop troont, tussen de cherubs.3Zij vervoerden de ark van God op een nieuwe wagen. Ze haalden hem uit het huis van Abinadab, dat op de heuvel lag, en Uzza en Ahio, zonen van Abinadab, leidden de nieuwe wagen.4Zij haalden [de wagen] uit het huis van Abinadab, dat op de heuvel lag, met de ark van God, en Ahio liep voor de ark uit.5David en het hele huis van Israël huppelden voor het aangezicht van de HEERE, met allerlei [muziekinstrumenten] van cipressenhout, met harpen, met luiten, met tamboerijnen, met rinkelbellen en met cimbalen.6Maar toen zij bij de dorsvloer van Nachon kwamen, strekte Uzza [zijn hand] uit naar de ark van God en greep die, omdat de runderen struikelden.7Toen ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Uzza, en God strafte hem daar om deze onbedachtzaamheid, en hij stierf daar bij de ark van God.8David ontstak [in woede], omdat de HEERE Uzza een zware slag had toegebracht, en hij noemde die plaats Perez-Uzza, tot op deze dag.9David was op die dag bevreesd voor de HEERE en zei: Hoe moet de ark van de HEERE bij mij komen?10David wilde de ark van de HEERE niet bij zich laten komen in de stad van David, maar David liet hem uitwijken naar het huis van Obed-Edom, de Gethiet.11Zo bleef de ark van de HEERE in het huis van Obed-Edom, de Gethiet, drie maanden [lang], en de HEERE zegende Obed-Edom en heel zijn huis.) direct het verhaal dat hij de ark wel op de goede manier naar Jeruzalem brengt (2Sm 6:12-1912Koning David werd de boodschap gebracht: De HEERE heeft het gezin van Obed-Edom en al wat hij heeft, gezegend vanwege de ark van God. Toen ging David [op weg] en bracht de ark van God met blijdschap vanuit het huis van Obed-Edom over naar de stad van David.13En het gebeurde, nadat de dragers van de ark van de HEERE zes stappen gedaan hadden, dat hij een rund en een gemest [kalf] offerde.14David huppelde uit alle macht voor het aangezicht van de HEERE; en David was gekleed in een linnen priesterhemd.15Zo brachten David en heel het huis van Israël de ark van de HEERE over, met gejuich en met bazuingeschal.16En het gebeurde, toen de ark van de HEERE in de stad van David kwam, dat Michal, de dochter van Saul, uit het venster neerkeek. Toen zij koning David zag springen en huppelen voor het aangezicht van de HEERE, verachtte zij hem in haar hart.17Toen zij de ark van de HEERE [de stad] binnenbrachten, zetten zij die op zijn plaats, midden in de tent die David ervoor gespannen had. En David bracht brandoffers voor het aangezicht van de HEERE, en dankoffers.18Toen David klaar was met het brengen van het brandoffer en de dankoffers, zegende hij het volk in de Naam van de HEERE van de legermachten.19Hij deelde aan heel het volk, aan heel de menigte van Israël, van de man tot de vrouw toe, aan ieder één broodkoek, één klomp dadels en één rozijnenkoek uit. Toen ging al het volk [zijns weegs], ieder naar zijn huis.). De kroniekschrijver doet dat niet. Voordat hij verder gaat met het beschrijven van het opbrengen van de ark in 1 Kronieken 15, vermeldt hij in dit hoofdstuk enkele gebeurtenissen die al eerder hebben plaatsgevonden. Het lijkt erop dat hij daarmee het overblijfsel wil bemoedigen. Hij wil hun vertellen dat David niet heeft afgedaan voor de HEERE, maar de man van Zijn welgevallen blijft.

Daarvoor worden in dit hoofdstuk gebeurtenissen beschreven en mededelingen gedaan die dit duidelijk maken, los van de chronologische volgorde. Het is een hoofdstuk vol met zegeningen die het deel van David zijn. Zoals David door zijn ontrouw niet heeft afgedaan voor de HEERE, zo mag het teruggekeerde overblijfsel, voor wie 1 Kronieken en 2 Kronieken geschreven zijn, weten dat zij ook niet hebben afgedaan voor de HEERE. Ze zijn een door de HEERE gezegend overblijfsel.

In de strijd tegen de Filistijnen in het tweede deel van dit hoofdstuk zien we nog een aspect. We zien daar dat David geoefend wordt om te leren de HEERE te raadplegen. De gezegende uitkomsten daarvan, de twee overwinningen, zijn bedoeld om David moed te geven om de ark alsnog op te brengen naar Jeruzalem. Dat gaat dan ook in het volgende hoofdstuk gebeuren.


Het koningschap van David bevestigd

1En Hiram, de koning van Tyrus, stuurde boden naar David, met cederhout, metselaars en timmerlieden, om een huis voor hem te bouwen. 2David besefte dat de HEERE hem tot koning over Israël bevestigd had, want zijn koningschap werd buitengewoon verheven ter wille van Zijn volk Israël.

De bemoedigende opmerkingen beginnen met de vermelding van de vriendschapsbetuigingen van Hiram, de koning van Syrië. Deze uitingen van vriendschap bestaan uit het sturen van materialen en mensen om voor David een huis te bouwen. In wat Hiram doet, zien we de vervulling van Gods beloften dat Hij Zijn volk zal zegenen door ook de volken aan Zijn volk dienstbaar te maken (Js 60:55Dan zult u het zien en stralen,
uw hart zal diep ontzag hebben en zich verruimen,
want de menigte van de zee zal zich naar u toekeren,
het vermogen van de heidenvolken zal naar u toe komen.
; 61:66Ú echter zult genoemd worden: priesters van de HEERE,
men zal u noemen: dienaren van onze God.
U zult het vermogen van heidenvolken eten,
u zult u beroemen in hun luister.
)
. Dergelijke vriendelijkheden heeft ook het uit de Babylonische ballingschap teruggekeerde overblijfsel ervaren (Ea 1:1-41In het eerste jaar nu van Kores, de koning van Perzië, wekte de HEERE de geest van Kores op, de koning van Perzië, opdat het woord van de HEERE, [dat Hij] bij monde van Jeremia [gesproken had], vervuld zou worden om door zijn hele koninkrijk een boodschap te laten gaan, ook in geschrifte:2Zo zegt Kores, de koning van Perzië: Alle koninkrijken van de aarde heeft de HEERE, de God van de hemel, aan mij gegeven, en Hij is het Die mij heeft opgedragen om een huis voor Hem te bouwen in Jeruzalem, dat in Juda ligt.3Wie er onder u ook maar tot al Zijn volk behoort – zijn God zij met hem – laat hij optrekken naar Jeruzalem, dat in Juda ligt, en laat hij het huis van de HEERE, de God van Israël, bouwen; Hij is de God Die in Jeruzalem [woont].4En ieder die achtergebleven is, uit alle plaatsen waar hij als vreemdeling verblijft, laten zijn plaatsgenoten hem helpen met zilver, met goud, met [allerlei] bezittingen en met vee, naast de vrijwillige gave voor het huis van God, Die in Jeruzalem [woont].; 6:88Ook wordt door mij bevel gegeven wat u moet doen voor de oudsten van deze Joden, om dit huis van God te herbouwen. Uit het bezit van de koning, uit de belasting aan de overzijde van de Eufraat, moeten de onkosten aan deze mannen zorgvuldig en zonder ophouden vergoed worden.).

De reputatie van David krijgt wijde bekendheid. Dat heeft hij niet aan zichzelf, maar aan de HEERE te danken. Hij geeft hem die grote naam. Hij doet dit niet in eerste instantie voor David, de man naar Zijn hart, maar “ter wille van Zijn volk Israël”. Door David zegent Hij Zijn volk. Hier zien we de grote liefde van God voor Zijn volk. Iets dergelijks horen we uit de mond van de koningin van Sjeba over Salomo. Zij zegt dat de HEERE Salomo tot koning heeft aangesteld over Israël “omdat de HEERE Israël voor eeuwig liefheeft” (1Kn 10:99Geloofd zij de HEERE, uw God, Die behagen in u heeft gehad, door u op de troon van Israël te zetten! Omdat de HEERE Israël voor eeuwig liefheeft, daarom heeft Hij u tot koning aangesteld, om recht en gerechtigheid te doen.).

Zo is ook de gemeente het voorwerp van de liefde van God, een liefde die Hij bewijst door Zijn Zoon zelfs als Hoofd boven alles aan de gemeente te geven (Ef 1:22-2322En Hij heeft alles aan Zijn voeten onderworpen en Hem als Hoofd over alles gegeven aan de gemeente,23die Zijn lichaam is, de volheid van Hem Die alles in allen vervult.). Christus is de Man naar Gods hart, door Wie Hij alle zegen aan ieder van de Zijnen persoonlijk en aan Zijn volk als geheel geeft. Ook wij behoren een zegen te zijn voor ieder lid van de gemeente individueel en voor de gemeente als geheel. In ruimere zin geldt dat wij voor alle mensen een zegen moeten zijn, dat wil zeggen dat wij de zegen doorgeven die wij zelf van de Heer hebben ontvangen. God wil dat wij in elk opzicht kanalen van Zijn zegen zijn.


Gezin van David

3David nam in Jeruzalem [nog] meer vrouwen, en David verwekte [nog] meer zonen en dochters. 4Dit zijn de namen van de kinderen, die bij hem in Jeruzalem [geboren zijn]: Sammua en Sobab, Nathan en Salomo, 5Jibchar, Elisua, Elpelet, 6Nogah, Nefeg, Jafia, 7Elisama, Beëljada en Elifelet.

David neemt nog meer vrouwen, naar de gewoonte van de koningen in de landen om hem heen. Het is geen goedkeuring van wat hij doet, want het is niet naar Gods gedachten vanaf het begin en het gaat ook in tegen de koningswet (Dt 17:17a17Ook mag hij voor zichzelf niet veel vrouwen nemen, anders zal zijn hart afwijken. Hij mag voor zichzelf ook niet al te veel zilver en goud nemen.). Het wordt hier vermeld om de genade van God te onderstrepen. We zien die genade daarin tot uiting komen, dat onder zijn kinderen “Nathan” en “Salomo” (vers 44Dit zijn de namen van de kinderen, die bij hem in Jeruzalem [geboren zijn]: Sammua en Sobab, Nathan en Salomo,) zijn. Nathan is de voorvader van Maria, en Salomo is de voorvader van Jozef. Via hen lopen de geslachtsregisters van de Heer Jezus die in Lukas 3 en Mattheüs 1 gegeven worden (Lk 3:31-3231van Meleas, van Menna, van Mattatha, van Nathan, van David,32van Isaï, van Obed, van Boaz, van Salmon, van Nahesson,; Mt 1:66en Isaï verwekte David, de koning. En David verwekte Salomo bij de [vrouw] van Uria;).


David verslaat de Filistijnen

8Toen de Filistijnen hoorden dat David tot koning over heel Israël gezalfd was, trokken alle Filistijnen op om David te zoeken. Toen David dat hoorde, trok hij uit hun tegemoet. 9Toen de Filistijnen kwamen, verspreidden zij zich in het dal Refaïm, 10en David vroeg aan God: Zal ik optrekken tegen de Filistijnen, en zult U hen in mijn hand geven? En de HEERE zei tegen hem: Trek op, en Ik zal hen in uw hand geven. 11Toen zij optrokken naar Baäl-Perazim, versloeg David hen daar; en David zei: God is door mijn hand door mijn vijanden heen gebroken als een doorbraak van water. Daarom gaven zij die plaats de naam Baäl-Perazim. 12Zij lieten daar hun goden achter; en David gaf bevel en zij werden met vuur verbrand.

De Filistijnen trekken tegen David op, zodra ze hebben gehoord dat David koning is over “heel Israël”. Dat plaatst ons in de tijd terug naar 1 Kronieken 11, waar David tot koning over heel Israël gezalfd wordt (1Kr 11:33Zo kwamen alle oudsten van Israël bij de koning in Hebron. En David sloot met hen in Hebron een verbond voor het aangezicht van de HEERE, en zij zalfden David tot koning over Israël overeenkomstig het woord van de HEERE door de dienst van Samuel.). Dit feit brengt de Filistijnen ertoe “om David te zoeken”, niet om hem net als Hiram te eren, maar om hem te doden. De strijd die de Filistijnen zoeken, is door de HEERE bedoeld als oefening voor David om hem te leren Hem te raadplegen. Dat heeft hij in het vorige hoofdstuk bij het opbrengen van de ark niet gedaan. Nu krijgt hij een herkansing om de HEERE te raadplegen. Dit is de praktische reden.

De geestelijke reden is, dat er geestelijke voorwaarden verbonden zijn aan wat we voor de Heer willen doen. De eerste voorwaarde is dat we, wat we voor de Heer willen doen, moeten doen op de manier die Hij aangeeft. Een andere voorwaarde is dat we bij het doen van de wil van de Heer ‘de Filistijnen’ zo ver mogelijk van ons vandaan houden. Filistijnen claimen dezelfde plaats als Gods volk, terwijl ze niet Gods volk zijn. Zij zijn een beeld van de naamchristenen, die wel belijden dat Jezus Heer is, maar in wezen Zijn vijanden zijn (Mt 7:22-2322Velen zullen in die dag tot Mij zeggen: Heer, Heer, hebben wij niet door Uw Naam geprofeteerd en door Uw Naam demonen uitgedreven en door Uw Naam vele krachten gedaan?23En dan zal Ik openlijk tot hen zeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, werkers van de wetteloosheid!).

David vraagt aan God, aan Hem Die de Almachtige is, of hij moet optrekken en ook of God zijn vijanden in zijn hand zal geven. De HEERE, de God van het verbond met Zijn volk, antwoordt op beide vragen bevestigend. Als David optrekt, verslaat hij de Filistijnen, zoals de HEERE heeft gezegd. Hij geeft God de eer van de overwinning en geeft de plaats waar dat gebeurt de naam die God als de Heer van de overwinning eert. “Baäl-Perazim” betekent ‘heer van de losbarstingen’

De naam Baäl-Perazim herinnert aan de naam Perez-Uzza (1Kr 13:1111David ontstak in woede, omdat de HEERE Uzza een zware slag had toegebracht; en hij noemde die plaats Perez-Uzza, tot op deze dag.), dat wil zeggen aan het losbarsten van de HEERE tegen Uzza (Perazim is het meervoud van Perez). Bij Uzza is het losbarsten van Gods toorn het gevolg van het niet raadplegen van de HEERE. Hier is de HEERE losgebarsten tegen de vijand omdat David God wel heeft gevraagd en wel in Zijn weg wandelt.

De beschrijving die David geeft van de manier waarop de overwinning is behaald – hij spreekt van “een doorbraak van water” –, doet denken aan het geweld van een neerstortende watervloed. Blijkbaar is David met zijn leger van de hoogten naar beneden gerend en heeft de vijanden onder de voet gelopen (vgl. Ri 4:14-1614En Debora zei tegen Barak: Sta op, want dit is de dag waarop de HEERE Sisera in uw hand gegeven heeft. Is de HEERE niet uitgetrokken voor u uit? Toen daalde Barak van de berg Tabor af met tienduizend man achter zich.15En de HEERE bracht Sisera met al [zijn] strijdwagens en heel [zijn] leger door de scherpte van het zwaard in verwarring vóór Barak, zodat Sisera van [zijn] wagen afklom en te voet vluchtte.16Barak joeg de strijdwagens en het leger na tot Haroseth-Haggojim. En heel het leger van Sisera viel door de scherpte van het zwaard; zelfs niet één bleef er over.).

De Filistijnen die weten te ontkomen, hebben in hun haast om te vluchten er niet aan gedacht hun goden mee te nemen. Hun goden, die ze hebben meegenomen om hen te helpen in hun strijd tegen David, hebben hun uiteraard niets gebaat. Hoe waardeloos ze zijn, wordt nog eens onderstreept als ze op bevel van David worden verbrand. Dat gebeurt in overeenstemming met het gebod van God (Dt 7:5,25a5Maar zo moet u met hen doen: hun altaren moet u afbreken, hun gewijde stenen in stukken slaan, hun gewijde palen omhakken en hun beelden met vuur verbranden.25De beelden van hun goden moet u met vuur verbranden. Het zilver en goud dat erop zit, mag u niet begeren of voor uzelf nemen, anders wordt u daardoor verstrikt, want het is voor de HEERE, uw God, een gruwel.).


David verslaat de Filistijnen opnieuw

13Daarna verspreidden de Filistijnen zich opnieuw in dat dal. 14David vroeg God weer [om raad] en God zei tegen hem: U moet niet achter hen aan optrekken; maak een omtrekkende beweging van boven hen, zodat u bij hen komt van de zijde van de moerbeibomen. 15En laat het gebeuren, wanneer u het geluid van voetstappen in de toppen van de moerbeibomen hoort, dat u dan uittrekt ten strijde, want [dan] is God vóór u uitgegaan om het leger van de Filistijnen te verslaan. 16David deed zoals God hem geboden had en zij versloegen het leger van de Filistijnen van Gibeon af tot Gezer toe. 17Zo raakte de naam van David in alle landen verbreid, en op alle volken legde de HEERE grote vrees voor hem.

De Filistijnen hebben wel een nederlaag geleden, maar ze geven de strijd niet op. Wij moeten ook bedenken dat we met een onvermoeibare vijand te maken hebben die zich nooit gewonnen zal geven. Elke nederlaag die we hem toebrengen, zal vroeger of later gevolgd worden door een nieuwe aanval. Zo ook hier

Opnieuw zoeken de Filistijnen de aanval tegen David. Het zal uitmonden in een tweede slag, die als resultaat heeft dat nog meer vijanden worden verslagen en de macht en roem van David in alle landen wordt verbreid (vers 17a17Zo raakte de naam van David in alle landen verbreid, en op alle volken legde de HEERE grote vrees voor hem.). Ook komt er grote vrees voor hem bij alle volken, een vrees die door de HEERE op hen wordt gelegd (vers 17b17Zo raakte de naam van David in alle landen verbreid, en op alle volken legde de HEERE grote vrees voor hem.).

Als de vijanden David opnieuw bedreigen, vraagt hij God weer om raad. Hij is niet laks en negeert de vijand niet. Hij onderkent het gevaar. Tegelijk is hij ook niet overmoedig door ervan uit te gaan dat het wel weer goed zal zijn om de vijand aan te vallen omdat het de eerste keer ook goed was. God geeft ook nu antwoord, maar geeft wel aan dat David nu een andere tactiek moet volgen.

Het betekent een nieuwe oefening voor David in het volgen van de aanwijzingen van God. De oefening die hij nu krijgt, is groter dan de eerste. Hij moet wachten op God en goed luisteren of hij Hem hoort. Het geluid waarop hij moet letten, is het geluid van voetstappen in de toppen van de moerbeibomen”. Dit geluid zal niet het geritsel van de bladeren zijn geweest, maar het geluid van Iemand Die wandelt (vgl. Gn 3:8a8En zij hoorden de stem van de HEERE God, Die in de hof wandelde, bij de wind in de namiddag. Toen verborgen Adam en zijn vrouw zich voor het aangezicht van de HEERE God te midden van de bomen in de hof.). Het zal gaan om een leger van God, een engelenmacht, dat de vijanden van Israël tegemoet gaat.

Pas als God het sein op groen zet, mag David gaan. Dat doet hij dan ook. Het resultaat is dat de Filistijnen weer volledig worden verslagen. De gevluchte Filistijnen worden ver gevolgd en gedood.

Als wij Gods werk rondom ons opmerken, is dat als ‘het geluid van voetstappen in de toppen van de moerbeibomen’. Het moet ons opwekken tot gebed en overgave. Als we horen dat enkele gelovigen samen willen gaan bidden, is dat een ‘geluid van voetstappen van God’. Een tijd van crisis of tragiek in ons leven is ook als het geluid van voetstappen van God. Als we dat geluid horen, laten we dan meer dan tot nu toe in de strijd van het gebed gaan.

We kunnen in het gebed strijden voor een zegen op de prediking van Gods Woord, zowel in het evangelie als in de opbouw van de gemeente. God is bezig en gebruikt ons om Zijn werk te doen.

David trekt uit om de vijanden te verslaan en doet wat God hem heeft geboden en verslaat de vijanden. Doen wat God zegt, is de manier waarop overwinningen worden gehaald.


Lees verder