1 Kronieken
Inleiding 1-4 David wil de ark naar Jeruzalem brengen 5-8 De ark op een nieuwe wagen 9-10 De dood van Uzza 11-14 De ark in het huis van Obed-Edom
Inleiding

1 Kronieken 11-12 kunnen we als inleiding beschouwen op de volgende hoofdstukken, waarin de hoofdonderwerpen de ark en de tempeldienst zijn. Met het oog daarop heeft God David geholpen in de bevestiging van zijn koningschap en heeft Hij het volk tot David gebracht.

In Deuteronomium lezen we over een plaats die God heeft uitgekozen (Dt 12:55Maar naar de plaats die de HEERE, uw God, uit al uw stammen zal uitkiezen om Zijn Naam daar te vestigen, naar Zijn woning moet u vragen en daarheen komen.) en een koning die God heeft verkozen (Dt 17:14-1514Wanneer u in het land komt dat de HEERE, uw God, u geeft, en u dat in bezit neemt en erin woont, en u [dan] zegt: Ik wil een koning over mij aanstellen, zoals al de volken die rondom mij zijn,15dan moet u voorzeker hem tot koning over u aanstellen die de HEERE, uw God, verkiezen zal. Uit het midden van uw broeders moet u een koning over u aanstellen; u mag geen buitenlander over u zetten, die uw broeder niet is.). Toen Saul koning was, is niet naar die plaats ge­zocht en Saul zelf is niet Gods keus, maar de keus van het volk (1Sm 12:1313Welnu, zie [hier] de koning die u gekozen hebt, die u verlangd hebt. Zie, de HEERE heeft een koning over u aangesteld.). Van David staat dat God hem verkozen heeft (Ps 78:7070Hij verkoos Zijn dienaar David
en haalde hem bij de schaapskooien vandaan.
)
. Pas wanneer Saul, die door het volk is gekozen om aan hun vleselijke verlangens te voldoen, terzijde is gesteld, kan de door God verkozen David de troon bestijgen.

Als David aan de macht is, gaat hij op zoek naar de plaats die God heeft uitgekozen om Zijn Naam daar te laten wonen. In Psalm 132 uit hij zijn verlangen daarnaar (Ps 132:3-53Nee, ik ga mijn tent, mijn huis, niet binnen,
ik leg mij op de rustbank, mijn bed, niet neer;
4ik gun mijn ogen geen slaap,
mijn oogleden geen sluimer,
5totdat ik voor de HEERE een plaats gevonden heb,
een woning voor de Machtige Jakobs!
)
. Daar lezen we ook dat Sion die plaats is (Ps 132:13-1413Want de HEERE heeft Sion verkozen,
Hij heeft het begeerd tot Zijn woongebied.
14Dit is, [zei Hij,] Mijn rustplaats tot in eeuwigheid,
hier zal Ik wonen, want naar haar heb Ik verlangd.
)
. Sion is de berg Moria (2Kr 3:11Toen begon Salomo het huis van de HEERE te bouwen, in Jeruzalem, op de berg Moria, waar [de HEERE] aan zijn vader David verschenen was, op de plaats die David bepaald had, op de dorsvloer van Ornan, de Jebusiet.). Op die berg heeft Abraham Izak op het altaar geofferd (Gn 22:1-141En het gebeurde na deze dingen dat God Abraham op de proef stelde. Hij zei tegen hem: Abraham! Hij zei: Zie, hier ben ik.2Hij zei: Neem toch uw zoon, uw enige, die u liefhebt, Izak, ga naar het land Moria, en offer hem daar als brandoffer op een van de bergen die Ik u zal noemen.3Toen stond Abraham 's morgens vroeg op, zadelde zijn ezel, nam twee van zijn knechten met zich mee, en Izak, zijn zoon. Hij kloofde hout voor het brandoffer, stond op en ging naar de plaats die God hem genoemd had.4Op de derde dag sloeg Abraham zijn ogen op, en hij zag die plaats in de verte.5Abraham zei tegen zijn knechten: Blijven jullie hier met de ezel, dan zullen ik en de jongen daarheen gaan. Als wij ons neergebogen hebben, zullen wij bij jullie terugkeren.6Daarop nam Abraham het hout voor het brandoffer en legde dat op zijn zoon Izak. Hijzelf nam het vuur en het mes in zijn hand. Zo gingen zij beiden samen verder.7Toen sprak Izak tot zijn vader Abraham en zei: Mijn vader! Hij zei: Zie, hier ben ik, mijn zoon. Hij zei: Zie, hier is het vuur en het hout, maar waar is het lam voor het brandoffer?8Abraham zei: God zal Zichzelf voorzien van het lam voor het brandoffer, mijn zoon. Zo gingen zij beiden samen verder.9En zij kwamen op de plaats die God hem genoemd had. Abraham bouwde daar het altaar, schikte het hout erop, bond zijn zoon Izak en legde hem op het altaar, boven op het hout.10Toen strekte Abraham zijn hand uit en nam het mes om zijn zoon te slachten.11Maar de Engel van de HEERE riep tot hem vanuit de hemel en zei: Abraham, Abraham! Hij zei: Zie, hier ben ik.12Toen zei Hij: Steek uw hand niet uit naar de jongen en doe hem niets, want nu weet Ik dat u godvrezend bent en uw zoon, uw enige, Mij niet onthouden hebt.13Toen sloeg Abraham zijn ogen op en keek om, en zie, achter hem zat een ram met zijn horens verstrikt in het struikgewas. Abraham ging erheen, nam die ram en offerde hem als brandoffer in de plaats van zijn zoon.14En Abraham gaf die plaats de naam: De HEERE zal erin voorzien. Daarom wordt heden ten dage gezegd: Op de berg van de HEERE zal erin voorzien worden.; Jk 2:2121Is onze vader Abraham niet op grond van werken gerechtvaardigd, toen hij zijn zoon Izaäk op het altaar geofferd had?). In die gebeurtenis zien we een beeld van de dood en de opstanding van de Heer Jezus (vgl. Hb 11:1919waaruit hij hem ook bij gelijkenis teruggekregen heeft.). David heeft Sion veroverd (1Kr 11:4-54David trok met heel Israël op naar Jeruzalem, dat is Jebus, want daar waren de Jebusieten, de inwoners van dat land.5Toen zeiden de inwoners van Jebus tegen David: U komt hier niet binnen! David nam echter de vesting Sion, dat is de stad van David, in.). Daar zal de ark uiteindelijk terechtkomen, in de tempel die daar door Salomo zal worden gebouwd.

Voordat het zover is en de ark zijn definitieve rustplaats krijgt, is er heel wat gebeurd met de ark en de tabernakel, waarin de ark zich bevond. Het is goed die gebeurtenissen kort na te gaan. We kunnen daarbij tegelijk een toepassing maken naar de Heer Jezus van Wie de tabernakel en de ark een beeld zijn.

Als het volk in het land is gekomen, wordt de tabernakel in Silo geplaatst (Jz 18:11Vervolgens verzamelde zich heel de gemeenschap van de Israëlieten in Silo, en zij zetten daar de tent van ontmoeting op, nadat het land aan hen onderworpen was.). Daar bevindt hij zich tot aan de geboorte van Samuel, dat is een periode van honderden jaren. Hierin kunnen we in beeld de tijd zien van het leven van de Heer Jezus op aarde.

Dan wordt de ark meegenomen door Hofni en Pinehas in de strijd tegen de Filistijnen (1Sm 4:3-43Toen het volk in het kamp [terug]gekomen was, zeiden de oudsten van Israël: Waarom heeft de HEERE ons vandaag vóór de Filistijnen verslagen? Laten wij vanuit Silo de ark van het verbond van de HEERE bij ons nemen, en laat die in ons midden komen, opdat die ons zal verlossen uit de hand van onze vijanden.4Toen zond het volk [boden] naar Silo, en men bracht vandaar de verbondsark van de HEERE van de legermachten, Die tussen de cherubs troont; en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, waren daar met de ark van het verbond van God.). Maar God laat niet toe dat deze goddeloze priesters het symbool van Zijn tegenwoordigheid misbruiken. Daarom verliet Hij de tabernakel te Silo, … Hij gaf Zijn macht over in gevangenschap, Zijn luister in de hand van de tegenstander (Ps 78:60-6160Daarom verliet Hij de tabernakel te Silo,
de tent [waarin] Hij woonde onder de mensen.
61Hij gaf Zijn macht over in gevangenschap,
Zijn luister in de hand van de tegenstander.
)
. Hij laat de ark buitmaken door de Filistijnen (1Sm 4:10-1110Toen streden de Filistijnen, en Israël werd verslagen, en zij vluchtten, ieder naar zijn tent. De nederlaag was zeer groot, er viel van Israël dertigduizend [man] voetvolk.11En de ark van God werd meegenomen, en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, stierven.; 5:11De Filistijnen hadden de ark van God [als buit] meegenomen en hem van Eben-Haëzer naar Asdod gebracht.). Hierin kunnen we een beeld zien van het overgeven van de Heer Jezus in de dood door God (vgl. Hd 2:2323Hem, door de bepaalde raad en voorkennis van God overgegeven, hebt u door [de] hand van wettelozen aan [het kruis] gehecht en gedood.).

De ark is zeven maanden in het land van de Filistijnen, maar keert dan terug naar het land van de HEERE (1Sm 6:1-2,11-131Toen de ark van de HEERE zeven maanden in het land van de Filistijnen geweest was,2riepen de Filistijnen de priesters en de waarzeggers, en zij vroegen: Wat zullen wij met de ark van de HEERE doen? Laat ons weten waarmee wij hem naar zijn [eigen] plaats moeten [terug]sturen.11Zij zetten de ark van de HEERE op de wagen, evenals het kistje met de gouden muizen en de beeldjes van hun gezwellen.12De koeien liepen regelrecht, in één spoor, de weg langs, op weg naar Beth-Semes; zij liepen al loeiend steeds maar door en weken niet af naar rechts of naar links. De stadsvorsten van de Filistijnen liepen erachteraan, tot aan het gebied van Beth-Semes.13De [inwoners] van Beth-Semes waren de tarweoogst aan het maaien in het dal. Toen zij hun ogen opsloegen en de ark zagen, waren zij verheugd [die] te zien.). Dit kunnen we zien als een beeld van het verblijf van de Heer Jezus in de dood, die Hem echter niet kon houden (Hd 2:24-2824Hem heeft God opgewekt door de weeën van de dood te ontbinden, aangezien het niet mogelijk was dat Hij door deze werd vastgehouden.25Want David zegt van Hem: ‘Ik zag de Heer altijd voor Mij, want Hij is aan Mijn rechterhand, opdat Ik niet wankel.26Daarom heeft Mijn hart zich verblijd en Mijn tong zich verheugd, ja, ook Mijn vlees zal rusten in hoop,27want U zult Mijn ziel niet aan [de] hades overlaten en Uw Heilige geen ontbinding te zien geven.28U hebt Mij [de] wegen van [het] leven bekendgemaakt; U zult Mij met blijdschap vervullen bij Uw aangezicht’.). De ark keert terug naar Israël, echter niet naar Silo, maar naar het huis van Abinadab in Kirjath-Jearim (1Sm 7:11Toen kwamen de mannen van Kirjath-Jearim, haalden de ark van de HEERE en brachten die in het huis van Abinadab, op de heuvel; en zij heiligden zijn zoon Eleazar om voor de ark van de HEERE zorg te dragen.). Hierin kunnen we een beeld zien van de opgestane Heer, Die niet meer door het hele volk, maar slechts in het verborgen door de Zijnen wordt gezien.

De ark verblijft lange tijd in Kirjath-Jearim, tot hier de draad van de geschiedenis van de ark weer wordt opgenomen (1Kr 13; 2Sm 6). Het begint hier met de vaststelling dat er eensgezindheid is om de ark op te halen (verzen 1-41Daarop pleegde David overleg met de bevelhebbers over duizend en die over honderd, [en] met alle vorsten.2En David zei tegen heel de gemeente van Israël: Als het u goeddunkt en [als] het van de HEERE, onze God, is, laten wij ons [dan] verspreiden, laten wij [boden] sturen naar onze overige broeders in alle gebieden van Israël, en met hen [ook naar] de priesters en Levieten in de steden met hun weidegronden, en laten zij zich bij ons voegen.3En laten we de ark van onze God naar ons terughalen, want in de dagen van Saul hebben wij er niet naar gevraagd.4Toen zei heel de gemeente, dat men het zo doen zou, want die zaak was goed in de ogen van heel het volk.), zonder dat men zich afvraagt op welke wijze dat moet en waarheen.

Het is belangrijk hoe het vervoeren van de ark gebeurt. Dit brengt tot het eerste oordeel over de nieuwe regering, wat vrees voor God enerzijds en huiselijke zegen anderzijds tot gevolg heeft (verzen 12-1412David was op die dag bevreesd voor God, en zei: Hoe moet ik de ark van God bij mij brengen?13Daarom liet David de ark niet bij zich in de stad van David brengen, maar hij liet hem uitwijken naar het huis van Obed-Edom, de Gethiet.14Zo bleef de ark van God bij het gezin van Obed-Edom, in diens huis, drie maanden [lang]; en de HEERE zegende het huis van Obed-Edom en alles wat hij had.). Later, in 1 Kronieken 15, wordt de ark op de juiste wijze naar Jeruzalem gebracht. Dit kunnen we zien als een beeld van de hemelvaart van Christus. Het bewijs daarvoor is de aanhaling door Paulus in Efeziërs 4 van Psalm 68 in verbinding met de hemelvaart (Ef 4:8-108Daarom zegt Hij: ‘Opgevaren naar [de] hoge heeft Hij de gevangenschap gevangengenomen <en> heeft de mensen gaven gegeven’.9Dit nu: Hij is opgevaren, wat is het anders dan dat Hij ook is neergedaald naar de lagere <delen> van de aarde?10Hij Die is neergedaald, is ook Degene Die is opgevaren boven alle hemelen, opdat Hij alles zou vervullen.; Ps 68:1919U bent opgevaren naar omhoog, U hebt gevangenen weggevoerd,
U hebt gaven genomen [om uit te delen] onder de mensen,
ja, ook aan opstandigen: om [bij U] te wonen, HEERE God!
)
.

Ten slotte wordt de ark gebracht in het huis dat Salomo gebouwd heeft. Dan daalt de heerlijkheid van de HEERE in de tempel neer en vervult de tempel (2Kr 5:1414En de priesters konden, vanwege die wolk, niet blijven staan om te dienen, want de heerlijkheid van de HEERE had het huis van God vervuld.). Deze gebeurtenis kunnen we in verbinding brengen met het neerdalen van de Heilige Geest, waardoor de gemeente wordt gevormd tot het huis van de levende God (Hd 2:1-41En toen de dag van het Pinksterfeest werd vervuld, waren zij allen gemeenschappelijk bijeen.2En er kwam plotseling uit de hemel een geluid als van een geweldige, voortgedreven wind en deze vulde het hele huis waar zij zaten.3En er vertoonden zich aan hen tongen als van vuur, die zich verdeelden, en het zette zich op ieder van hen.4En zij werden allen vervuld met [de] Heilige Geest en ze begonnen in andere talen te spreken, zoals de Geest hun gaf uit te spreken.; 1Tm 3:1515Maar als ik uitblijf, [schrijf ik] opdat je weet hoe men zich moet gedragen in [het] huis van God, dat is [de] gemeente van [de] levende God, [de] pilaar en grondslag van de waarheid.). Dat is gebeurd nadat de Heer Jezus is verheerlijkt in de hemel (Jh 7:3939Dit nu zei Hij van de Geest, Die zij die in Hem geloven, zouden ontvangen; want [de] Geest was [er] nog niet, omdat Jezus nog niet was verheerlijkt.).


David wil de ark naar Jeruzalem brengen

1Daarop pleegde David overleg met de bevelhebbers over duizend en die over honderd, [en] met alle vorsten. 2En David zei tegen heel de gemeente van Israël: Als het u goeddunkt en [als] het van de HEERE, onze God, is, laten wij ons [dan] verspreiden, laten wij [boden] sturen naar onze overige broeders in alle gebieden van Israël, en met hen [ook naar] de priesters en Levieten in de steden met hun weidegronden, en laten zij zich bij ons voegen. 3En laten we de ark van onze God naar ons terughalen, want in de dagen van Saul hebben wij er niet naar gevraagd. 4Toen zei heel de gemeente, dat men het zo doen zou, want die zaak was goed in de ogen van heel het volk.

Het eerste waar het hart van David naar uitgaat als hij koning is geworden, is de ark. Hij zoekt niet zijn gemak, maar het symbool van de tegenwoordigheid van God. De ark is de troon van God. God woont daarop te midden van Zijn volk. De ark is in het hart van David. Daar is hij altijd geweest. God heeft gewezen op een plaats waar Hij Zijn Naam zal laten wonen, een centrale plaats van eredienst. Zijn Naam is Zijn heerlijkheid. Die plaats moeten ze zoeken. Door de ark naar die plaats te brengen wordt de koninklijke stad de heilige stad, het centrum van de dienst aan God.

Dat geldt ook voor ons. Voor ons gaat het daarbij niet om een geografische plaats of een zichtbaar gebouw, maar om geestelijke kenmerken van het samenkomen van de gemeente. Als onze harten ervoor openstaan, zullen we op zoek gaan naar de plaats waar de Heer Jezus woont, waar Hij het middelpunt is van Zijn nieuwtestamentische volk, de gemeente (Mt 18:2020Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in hun midden.).

De oefening met betrekking tot het zoeken naar een woonplaats voor de ark is bij slechts één man, David, aanwezig (vers 11Daarop pleegde David overleg met de bevelhebbers over duizend en die over honderd, [en] met alle vorsten.; 1Kr 17:11En het gebeurde, toen David in zijn huis zat, dat David tegen de profeet Nathan zei: Zie, ik verblijf in een huis van ceder[hout], maar de ark van het verbond van de HEERE onder tentkleden.). David wordt niet door anderen aangestuurd of gedicteerd, maar wel door anderen bevestigd (vers 22En David zei tegen heel de gemeente van Israël: Als het u goeddunkt en [als] het van de HEERE, onze God, is, laten wij ons [dan] verspreiden, laten wij [boden] sturen naar onze overige broeders in alle gebieden van Israël, en met hen [ook naar] de priesters en Levieten in de steden met hun weidegronden, en laten zij zich bij ons voegen.). Zijn hart gaat uit naar de ark, terwijl hij beseft dat de ark van het hele volk is. Een hart dat uitgaat naar de Heer Jezus, gaat ook uit naar het hele volk van God.

Voor het terughalen van de ark pleegt David overleg met de bevelhebbers en vorsten. Het raadplegen van anderen in geval van een geestelijke oefening is geen zwakheid, maar wijsheid (vgl. 2Kr 20:2121Hij pleegde overleg met het volk en stelde voor de HEERE zangers aan en [mensen] die de heilige Majesteit prijzen zouden, terwijl zij voor de gewapende [mannen] uit trokken en zeiden:
Loof de HEERE,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig!
)
. Veel van het werk van de Heer kan niet goed worden uitgevoerd zonder een hartelijke gemeenschap met gelijkgezinden. Het is ook mooi om te zien dat David over het volk spreekt als “onze … broeders”. Hij is in waarheid een koning “uit het midden van uw broeders”, een “broeder” met een hart dat “zich niet verheft boven zijn broeders” (Dt 17:15,2015dan moet u voorzeker hem tot koning over u aanstellen die de HEERE, uw God, verkiezen zal. Uit het midden van uw broeders moet u een koning over u aanstellen; u mag geen buitenlander over u zetten, die uw broeder niet is.20opdat zijn hart zich niet verheft boven zijn broeders, opdat hij niet afwijkt van het gebod, naar rechts of naar links en opdat hij [zijn] dagen verlengt in zijn koninkrijk, hij en zijn zonen, te midden van Israël.).

Wat hier helaas bij David ontbreekt, is overleg met de HEERE. Dat wreekt zich dan ook op tragische wijze als zij hun plan uitvoeren. We kunnen wel met elkaar overleg plegen, maar als we daar de Heer en Zijn Woord niet bij betrekken, zal ons plan niet tot eer van de Heer kunnen worden uitgevoerd.

Het volk heeft niet naar Gods woonplaats gezocht “in de dagen van Saul”. Het is mooi om te zien dat David zichzelf erbij insluit door over “wij” te spreken. Hoewel hij er zelf wel naar heeft gezocht, maakt hij zich hier een met het volk (vgl. Dn 9:55wij hebben gezondigd, wij hebben onrecht gedaan, wij hebben goddeloos gehandeld, wij zijn in opstand gekomen door af te wijken van Uw geboden en bepalingen.). Dat er “in de dagen van Saul” niet naar Gods woonplaats is gezocht, houdt voor ons de les in dat een lid van Gods volk niet naar de Heer en Zijn dienst vraagt als hij naar het vlees leeft.

Een opwekking begint bij een enkeling. Die enkeling zien we hier in David, de man naar Gods hart. Hij heeft die plaats al gezocht toen hij nog bij de schapen was en nog niets wist van het koningschap. Dat weten we uit wat hij daarover in Psalm 132 zegt. Hij heeft onvermoeibaar naar die plaats gezocht en heeft die ook gevonden (Ps 132:4-64ik gun mijn ogen geen slaap,
mijn oogleden geen sluimer,
5totdat ik voor de HEERE een plaats gevonden heb,
een woning voor de Machtige Jakobs!
6Zie, wij hebben [van de ark] gehoord in Efratha,
hem gevonden in de velden van Jaär.
)
. Toen hij de ark vond, vond hij die plaats, want de ark vertegenwoordigt de heerlijkheid van de HEERE. Hij vond die plaats in zijn hart toen hij nog als herder in Efratha was (Ps 132:66Zie, wij hebben [van de ark] gehoord in Efratha,
hem gevonden in de velden van Jaär.
)
, dat wil zeggen dat zijn hart ervan overtuigd werd dat de ark die woonplaats is.

Nu gaat hij er daadwerkelijk naar op zoek en vindt de ark. Hij vindt hem in de velden van Jaär, in het huis van Abinadab. Daar was de ark al lange tijd, vergeten door het volk, maar niet door deze toen nog jongeman. Wij kunnen ook nu weten waar we de Heer Jezus kunnen vinden en Zijn heerlijkheid kunnen aanschouwen. Dat is bij de twee of drie die als gemeente tot Zijn Naam samenkomen (Mt 18:2020Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in hun midden.).


De ark op een nieuwe wagen

5Vervolgens riep David heel Israël bijeen, van de Sichor in Egypte af tot aan Lebo-Hamath, om de ark van God uit Kirjath-Jearim [terug] te brengen. 6Toen trok David met heel Israël naar Baäla, [dat is] naar Kirjath-Jearim, dat aan Juda toebehoort, om vandaar de ark van God de HEERE, Die tussen de cherubs troont, op te halen, [de ark] waar de Naam wordt aangeroepen. 7Zij vervoerden de ark van God op een nieuwe wagen vanuit het huis van Abinadab, en Uzza en Ahio leidden de wagen. 8En David en heel Israël huppelden voor het aangezicht van God, uit alle macht, met liederen, met harpen, met luiten, met tamboerijnen, met cimbalen en met trompetten.

Het hele volk is het met David eens dat de ark moet worden opgehaald. Is dat door een eigen overtuiging of omdat ze in vergelijking met Saul in David de betere leider zien? Een leider wordt gevolgd, vooral als hij populair is (2Sm 15:1313Toen kwam er een boodschapper bij David en zei: Het hart van iedereen in Israël staat achter Absalom.; 1Kn 1:55Adonia nu, de zoon van Haggith, verhief zich en zei: Ík zal koning worden. Hij voorzag zich van wagens en ruiters, met vijftig man die voor hem uit snelden.; Gl 2:11-1311Maar toen Kefas in Antiochië kwam, weerstond ik hem in zijn gezicht, omdat hij te veroordelen was.12Want voordat er enigen van Jakobus kwamen, at hij met [die uit] de volken; maar toen zij gekomen waren, onttrok hij zich en zonderde zich af uit vrees voor die uit [de] besnijdenis;13en met hem huichelden <ook> de overige Joden, zodat zelfs Barnabas door hun huichelarij werd meegesleept.), maar op welke basis? Als door de tegenstanders van de Heer Jezus van Hem wordt gezegd: “De [hele] wereld is Hem achterna gelopen” (Jh 12:1919De farizeeën dan zeiden tot elkaar: U ziet dat u niets vordert; zie, de [hele] wereld is Hem achterna gelopen.), is dat ‘achterna lopen’ voor velen van hen niet meer dan nieuwsgierigheid.

Bij al de ijver van David lezen we niet dat hij het Woord van God raadpleegt. Waar dacht hij dat de draagbomen voor waren (Ex 25:1414Dan moet u de draagbomen door de ringen steken aan weerskanten van de ark, om de ark daarmee te dragen.; Ex 40:2020Toen nam hij de getuigenis en legde die in de ark. Hij bevestigde de draagbomen aan de ark en legde het verzoendeksel boven op de ark.)? En waren de zonen van Kahath niet aangewezen om de ark te dragen (Nm 4:15a15Als Aäron en zijn zonen bij het opbreken van het kamp het bedekken van het heiligdom en van alle voorwerpen in het heiligdom voltooid hebben, mogen de nakomelingen van Kahath daarna komen om [alles] te dragen; maar zij mogen dat heilige niet aanraken, opdat zij niet sterven. Dit is wat de nakomelingen van Kahath in de tent van ontmoeting moeten dragen.)? David schijnt het allemaal vergeten te zijn. Een nieuwe wagen lijkt hem een geschikt middel voor het transport van de ark. Davids nieuwe wagen is een eigen uitvinding, die afgekeken lijkt te zijn van de Filistijnen (1Sm 6:11a11Zij zetten de ark van de HEERE op de wagen, evenals het kistje met de gouden muizen en de beeldjes van hun gezwellen.). Op dezelfde manier worden door christenen om Christus te eren de methoden van de (godsdienstige) wereld overgenomen, terwijl de voorschriften van Gods Woord worden genegeerd.

Over het transport van de ark heeft de HEERE heel eenvoudig gezegd dat hij moet worden gedragen (Nm 4:15a15Als Aäron en zijn zonen bij het opbreken van het kamp het bedekken van het heiligdom en van alle voorwerpen in het heiligdom voltooid hebben, mogen de nakomelingen van Kahath daarna komen om [alles] te dragen; maar zij mogen dat heilige niet aanraken, opdat zij niet sterven. Dit is wat de nakomelingen van Kahath in de tent van ontmoeting moeten dragen.). David houdt in zijn ijver en vreugde om de ark terug te brengen niet voldoende rekening met de gedachten van God. Hij gaat op Filistijnse wijze te werk en vervoert net als zij de ark op een wagen. Dat de hele optocht gebeurt door enthousiaste mensen onder begeleiding van een groot muziekkorps, kan niet verbloemen dat er wordt gehandeld in ongehoorzaamheid aan Gods Woord. Het brengen van de ark naar Jeruzalem is op zich niet verkeerd. Het is ook niet verkeerd om dat met enthousiasme te doen. Ook het gebruik hierbij van muziekinstrumenten is niet verkeerd. Het is alleen allemaal verkeerd, omdat er wordt gehandeld naar eigen inzicht, zonder de HEERE en Zijn Woord te raadplegen.

Vaak worden we ertoe verleid de aanbidding te beoordelen naar onze gevoelens, hoe wij ons erbij voelen. Maar als wij eraan denken dat aanbidding bedoeld is voor God, dan worden we naar Zijn Woord verwezen om te weten hoe Hij wil dat Hij aanbeden wordt (Jh 4:23-2423Maar er komt een uur, en het is er, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid; immers, de Vader zoekt zulke [personen] die Hem aanbidden.24God is een geest, en wie Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid.). Als we deze geschiedenis lezen, zien we dat het een zaak is van vreugde, zingen, allerlei muziekinstrumenten, een nieuwe wagen en runderen. Wat we missen is de vermelding van een nederig hart dat zich bewust is van de heiligheid van die God Die door de ark vertegenwoordigd wordt.

Het gebruik van een wagen laat zien dat er een alternatief is gezocht voor de wijze waarop God had gezegd dat de ark moest worden vervoerd. De ark wordt ook door de wagen ‘hooggehouden’, net zoals dat gebeurt als hij op de schouders van de priesters wordt gedragen. Waarom dan niet op deze wijze, zo zou men kunnen redeneren?

Maar ‘het vervoer op een wagen’ ziet in de geestelijke toepassing op een manier van ‘dragen’ die losstaat van de geestelijke inspanningen van hen ‘die de ark moeten dragen’. En die inspanningen en oefeningen zijn kostbaar voor God, want deze vergroten bij de ‘dragers’ het werkelijke geestelijke inzicht in de Persoon van Christus, van Wie de ark, zoals we weten, een beeld is. Het gebruik van andere middelen verhindert dat dit plaatsvindt.

David had zeker kunnen zijn van Gods wil, als hij had gehandeld naar de koningswet, waarvan hij als koning een afschrift in zijn bezit zou moeten hebben (Dt 17:18-2018Verder moet het [zó] zijn, als hij op de troon van zijn koninkrijk zit, dat hij voor zichzelf op een boekrol een afschrift van deze wet schrijft, vanuit [de rol] die onder het toezicht van de Levitische priesters is.19Dat moet bij hem zijn en hij moet er alle dagen van zijn leven in lezen om de HEERE, zijn God, te leren vrezen [en] om alle woorden van deze wet en deze verordeningen in acht te nemen door [ze] te houden,20opdat zijn hart zich niet verheft boven zijn broeders, opdat hij niet afwijkt van het gebod, naar rechts of naar links en opdat hij [zijn] dagen verlengt in zijn koninkrijk, hij en zijn zonen, te midden van Israël.). Daarom is de straf die hij krijgt zo groot. De Levieten en het hele volk hadden eveneens moeten weten hoe God wil dat de ark wordt vervoerd. De Levieten moesten immers ten aanhoren van het hele volk regelmatig de wet voorlezen (Dt 31:9-139En Mozes schreef deze wet op en gaf ze aan de priesters, de zonen van Levi, die de ark van het verbond van de HEERE droegen, en aan alle oudsten van Israël.10En Mozes gebood hun: Na verloop van zeven jaar, op de vastgestelde tijd van het jaar van de kwijtschelding, op het Loofhuttenfeest,11als heel Israël komt om te verschijnen voor het aangezicht van de HEERE, uw God, op de plaats die Hij zal uitkiezen, moet u deze wet ten aanhoren van heel Israël voorlezen.12Roep het volk bijeen, de mannen, de vrouwen en de kleine kinderen, en de vreemdeling die binnen uw poorten is, om te horen, en om te leren de HEERE, uw God, te vrezen en alle woorden van deze wet nauwlettend te houden.13Zodat hun kinderen die het niet weten, [het ook] horen, en leren de HEERE, uw God, te vrezen, al de dagen dat u leeft in het land waarvoor u de Jordaan oversteekt om het in bezit te nemen.).

Een en ander houdt ook een belangrijke les voor ons in. Het verlangen naar de plaats waar de Heer Jezus in het midden is, is één ding. Het is nog wat anders om dat verlangen op de goede wijze in praktijk te brengen. Al kennen we misschien precies Gods gedachten en de plaats waar Hij woont, wij blijven van Hem afhankelijk voor alle stappen die wij zetten. Goede bedoelingen, ijver, enthousiasme en blijdschap zijn niet genoeg. We moeten ook handelen naar de Schrift, ook als het gaat om het middelpunt en de wijze van samenkomen. Gehoorzaamheid is beter dan de offerande van ijver.

Anderen kunnen handelen naar het geloof dat zij hebben in een God Die ze niet persoonlijk kennen. Dat zien we bij de Filistijnen, die de ark terugsturen op een wagen. Het volk van God moet echter door Gods Woord worden geleid.


De dood van Uzza

9Maar toen zij bij de dorsvloer van Chidon kwamen, strekte Uzza zijn hand uit om de ark vast te grijpen, omdat de runderen struikelden. 10Toen ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Uzza, en Hij strafte hem, omdat hij zijn hand naar de ark had uitgestoken; en hij stierf daar voor het aangezicht van God.

Als de feeststoet bij “de dorsvloer van Chidon” komt, gebeurt wat niemand heeft voorzien of zelfs maar heeft verwacht. De dorsvloer is de plaats waar het koren wordt verzameld om het kaf van het koren te scheiden. In deze hele optocht is veel kaf en God gaat dat kaf wegblazen. De eigen gekozen methode voor het transport van de ark is kaf. Deze methode mag wel zekerder lijken dan de schouders van de Levieten, maar dat is slechts schijn.

We kunnen dit toepassen op allerlei door mensen uitgedachte vormen van godsdienst met de bedoeling om de eer van Christus te beschermen. Al die vormen zijn geen garantie gebleken voor het veiligstellen van die eer. Belijdenisgeschriften hebben de plaats van de Bijbel ingenomen en hebben het volk weggevoerd van de Schrift. Daardoor is de deur geopend voor gedachten over Christus en Zijn werk die tegen Gods gedachten zijn en die de christen naar de geestelijke dood leiden.

Over zulke methoden moet dan Gods oordeel komen, hoe goed gemeend de bedoelingen ook zijn. Methoden van het vlees passen niet bij geestelijke dingen. De goedbedoelde poging van Uzza om met zijn hand de ark te grijpen en hem daardoor voor vallen te bewaren, moet God oordelen. Het is een ongeoorloofde aanraking van de ark.

Voor wie niet geestelijk is, lijkt het tegenhouden van de ark door Uzza logisch en aan te bevelen. Maar wat tegen de Schrift ingaat, kan God niet behagen. “Wat hoog is bij mensen, is een gruwel voor God” (Lk 16:1515En Hij zei tot hen: U bent het die u rechtvaardig voordoet voor de mensen, maar God kent uw harten; want wat hoog is bij mensen, is een gruwel voor God.). De verheerlijkte Christus mag niet worden aangeraakt door vreemde leringen en tradities van mensen.

Dit is het eerste oordeel tijdens Davids regering, al direct bij het begin ervan. We zien dit oordeel ook bij het begin van het priesterschap en bij het begin van de gemeente. Zoals Nadab en Abihu en Ananias en Saffira voor Gods aangezicht sterven (Lv 10:1-21De zonen van Aäron, Nadab en Abihu, namen beiden hun wierookschaal, deden vuur daarin, legden reukwerk daarop en brachten vreemd vuur voor het aangezicht van de HEERE, wat Hij hun niet geboden had.2Toen ging een vuur uit van het aangezicht van de HEERE, en verteerde hen, zodat zij stierven voor het aangezicht van de HEERE.; Hd 5:1-111Een man nu genaamd Ananias, met zijn vrouw Saffira, verkocht een eigendom2en hield iets van de opbrengst achter met medeweten van zijn vrouw, en hij bracht een deel en legde het aan de voeten van de apostelen.3Petrus echter zei: Ananias, waarom heeft de satan uw hart vervuld om te liegen tegen de Heilige Geest en van de opbrengst van het land achter te houden?4Als het [onverkocht] was gebleven, bleef het niet van u en was na de verkoop [de opbrengst] niet in uw macht? Waarom hebt u zich deze daad in uw hart voorgenomen? U hebt niet tegen mensen gelogen, maar tegen God.5Toen nu Ananias deze woorden hoorde, viel hij neer en stierf. En er kwam grote vrees over allen die het hoorden.6De jongemannen nu stonden op, wikkelden hem in, droegen hem naar buiten en begroeven hem.7Het gebeurde nu ongeveer drie uur daarna, dat zijn vrouw binnenkwam, zonder te weten wat er was gebeurd.8Petrus nu antwoordde haar: Zeg mij: hebt u het land voor zóveel verkocht? En zij zei: Ja, voor zóveel.9Petrus nu zei tot haar: Waarom bent u onderling overeengekomen de Geest van [de] Heer te verzoeken? Zie, de voeten van hen die uw man hebben begraven, zijn voor de deur en zij zullen u naar buiten dragen.10En zij viel onmiddellijk neer aan zijn voeten en stierf. En de jongemannen kwamen binnen en vonden haar dood, en zij droegen haar naar buiten en begroeven haar bij haar man.11En er kwam grote vrees over de hele gemeente en over allen die dit hoorden.), zo sterft hier Uzza voor Gods aangezicht.


De ark in het huis van Obed-Edom

11David ontstak in woede, omdat de HEERE Uzza een zware slag had toegebracht; en hij noemde die plaats Perez-Uzza, tot op deze dag. 12David was op die dag bevreesd voor God, en zei: Hoe moet ik de ark van God bij mij brengen? 13Daarom liet David de ark niet bij zich in de stad van David brengen, maar hij liet hem uitwijken naar het huis van Obed-Edom, de Gethiet. 14Zo bleef de ark van God bij het gezin van Obed-Edom, in diens huis, drie maanden [lang]; en de HEERE zegende het huis van Obed-Edom en alles wat hij had.

David schikt zich niet zonder meer in dit oordeel, maar is misnoegd, hij is woedend. Het is de woede van de machteloosheid. Hij voelt zijn eigen onmacht om de ark naar Jeruzalem op te brengen. Ook voelt hij zich niet waardig dat de ark bij hem komt. Perez betekent ‘doorbraak’, omdat wat er is gebeurd, een doorbraak, een uitbarsting van Gods toorn is. Juist bij een zo nobel streven als het brengen van de ark naar de plaats waar hij hoort, komt het erop aan de aanwijzingen van Gods Woord te volgen. De HEERE zegt: “In hen die tot Mij naderen, zal Ik geheiligd worden” (Lv 10:33En Mozes zei tegen Aäron: Dit is wat de HEERE gesproken heeft: In hen die tot Mij naderen, zal Ik geheiligd worden, en voor [de ogen van] heel het volk zal Ik geëerd worden. Maar Aäron zweeg.; vgl. Ez 9:4-64En de HEERE zei tegen Hem: Trek midden door de stad, midden door Jeruzalem, en zet een merkteken op de voorhoofden van de mannen die zuchten en kermen over al de gruweldaden die in het midden ervan gedaan worden.5Maar tegen die [andere mannen] zei Hij ten aanhoren van mij: Trek achter Hem aan door de stad, en dood! Ontzie niemand en heb geen medelijden.6Dood ouderen, jongemannen en meisjes, kleine kinderen en vrouwen, om hen te gronde te richten. Raak echter niemand aan op wie het merkteken is. Begin vanuit Mijn heiligdom. Toen begonnen zij bij de oudere mannen die zich vóór het huis bevonden.). Dan krijgt de ark een thuis bij Obed-Edom, dat betekent ‘knecht van Edom’.

We kunnen ons afvragen op wie of waarop de woede van David zich richt. Het kan zijn dat David niet begrijpt wat de reden van de dood van Uzza is. Zijn boosheid kunnen we in dat geval frustratie noemen vanwege het feit dat de ark niet de plaats krijgt die hij wenst. Misschien moet David leren dat het niet de hoofdzaak is om de ark van God “bij mij” te brengen, zoals hij dat in vers 1212David was op die dag bevreesd voor God, en zei: Hoe moet ik de ark van God bij mij brengen? zegt. Het gaat om de plaats die de HEERE verkozen heeft en daar moet alle aandacht op gevestigd zijn. Het kost enige tijd om dat te ontdekken, maar dan komt het ook goed. Hij begrijpt dat hij de HEERE had moeten raadplegen zoals het behoort, want dan had hij in Gods licht ontdekt wat er aan schortte.

Het huis van Obed-Edom wordt gezegend, zoals dat later ook gebeurt bij Aquila en Priscilla als zij hun huis openen voor de gemeente en de dienst van het Woord (Hd 18:24-2824Een Jood nu genaamd Apollos, van geboorte een Alexandrijn, een welsprekend man, kwam in Efeze; hij was machtig in de Schriften.25Deze was onderwezen in de weg van de Heer, en vurig van geest sprak en leerde hij nauwkeurig de dingen betreffende Jezus, hoewel hij alleen de doop van Johannes kende.26En deze begon vrijmoedig te spreken in de synagoge. Toen nu Priscilla en Aquila hem hadden gehoord, namen zij hem met zich mee en legden hem de weg <van God> nauwkeuriger uit.27Toen hij nu naar Achaje wilde doorreizen, moedigden de broeders [hem] aan en schreven aan de discipelen hem te ontvangen. Daar aangekomen was deze door de genade de gelovigen tot grote steun,28want krachtig weerlegde hij de Joden in het openbaar door uit de Schriften te bewijzen dat Jezus de Christus is.; Rm 16:3-53Groet Prisca en Aquila, mijn medearbeiders in Christus Jezus4(die voor mijn leven hun hals gewaagd hebben; niet ik alleen dank hen, maar ook alle gemeenten van de volken),5en de gemeente in hun huis. Groet Epénetus, mijn geliefde, die [de] eersteling van Asia is voor Christus.). Obed-Edom wordt later beloond voor zijn trouw. Hij wordt poortwachter met een harp (1Kr 15:18,2118En met hen hun broeders van de tweede orde: Zecharja, Ben, Jaäziël, Semiramoth, Jehiël, Unni, Eliab, Benaja, Maäseja, Mattithja, Elifele, Mikneja, Obed-Edom en Jeïel, de poortwachters.21en Mattithja, Elifele, Mikneja, Obed-Edom, Jeïel en Azazja met laaggestemde harpen, om te begeleiden.; 16:3838en [ook] Obed-Edom met hun broeders, achtenzestig [man]; met Obed-Edom, de zoon van Jeduthun, en Hosa, als poortwachters,). Hij raakt niet iets kwijt als de ark uit zijn huis gaat, maar hij krijgt er steeds meer bij. Dat is altijd zo, als wij, wat we zelf hebben ontvangen, met anderen gaan delen. Dat doet Obed-Edom door de ark niet voor zichzelf te houden, maar hem te delen met heel Israël. Wat een zegen heeft David gemist, alleen omdat hij niet aan de HEERE heeft gevraagd hoe Hij wilde dat alles moest gaan. In het volgende hoofdstuk herstelt hij zich en doet hij dat wel (1Kr 14:10,1410en David vroeg aan God: Zal ik optrekken tegen de Filistijnen, en zult U hen in mijn hand geven? En de HEERE zei tegen hem: Trek op, en Ik zal hen in uw hand geven.14David vroeg God weer [om raad] en God zei tegen hem: U moet niet achter hen aan optrekken; maak een omtrekkende beweging van boven hen, zodat u bij hen komt van de zijde van de moerbeibomen.).


Lees verder