1 Kronieken
Inleiding 1-6 De dood van Saul en zijn drie zonen 7-10 De Filistijnen onteren Saul 11-12 Jabes bewijst Saul eer 13-14 Waarom Saul stierf
Inleiding

Het is niet het doel van 1 Kronieken om het leven van Saul in detail voor te stellen omdat het weinig bijdraagt aan het onderwerp van dit bijbelboek: het huis van God. De bijzonderheden van het leven van Saul worden in 1 Samuel gegeven. Er wordt verondersteld dat de lezer die kent. In 1 Samuel wordt het falen van de mens in zijn verantwoordelijkheid voorgesteld. Dan gaat God werken aan de vervulling van Zijn raadsbesluiten door het koninkrijk aan David te geven (vgl. Hd 13:21-2221En van toen af vroegen zij om een koning; en God gaf hun Saul, zoon van Kis, een man uit [de] stam van Benjamin, veertig jaar lang.22En na hem te hebben afgezet verwekte Hij hun David tot koning, van wie Hij ook aldus getuigenis gaf: ‘Ik heb David gevonden, de [zoon] van Isaï, een man naar Mijn hart, die Mijn hele wil zal doen’.). De man naar het hart van het volk wordt door God terzijde gesteld. De mens naar het vlees moet verdwijnen, wil er plaats komen voor de man naar Gods hart.


De dood van Saul en zijn drie zonen

1En de Filistijnen streden tegen Israël, en de mannen van Israël vluchtten voor de Filistijnen en vielen dodelijk gewond op het gebergte Gilboa. 2De Filistijnen hielden dicht op Saul en op zijn zonen aan, en de Filistijnen doodden Jonathan, Abinadab en Malchisua, de zonen van Saul. 3De strijd tegen Saul werd zwaar: de schutters, [de mannen] met de boog, troffen hem aan, en hij beefde [uit angst] voor de schutters. 4Toen zei Saul tegen zijn wapendrager: Trek uw zwaard en doorsteek mij daarmee. Anders komen deze onbesnedenen en drijven zij de spot met mij. Maar zijn wapendrager wilde niet, want hij was zeer bevreesd. Toen nam Saul het zwaard en liet zich erin vallen. 5Toen zijn wapendrager zag dat Saul dood was, liet ook hij zich in [zijn] zwaard vallen en stierf hij. 6Zo stierven Saul, zijn drie zonen en heel zijn huis; tegelijk stierven zij.

Omdat het doel van de kroniekschrijver is om het leven van David te beschrijven, is er in het leven van Saul slechts één moment waar hij belang in stelt en dat is zijn dood. De beginwoorden van vers 11En de Filistijnen streden tegen Israël, en de mannen van Israël vluchtten voor de Filistijnen en vielen dodelijk gewond op het gebergte Gilboa. wijzen op het verband met de voorgaande geschiedenis van Saul die in 1 Samuel wordt beschreven.

De geschiedenis van de dood van Saul wordt in bijna gelijke bewoordingen in 1 Samuel 31 beschreven. Als de Filistijnen tegen Israël strijden, ziet Saul zijn mannen vluchten en gedood worden. Hij ziet dat ook zijn einde nadert. Nog is er geen roepen tot God. Het enige wat hij nog wil, is voorkomen dat hij levend in handen van de Filistijnen valt. Hij zal uit het leven van Simson geweten hebben wat dat betekent (Ri 16:21-2521Toen grepen de Filistijnen hem en staken hem de ogen uit. En zij voerden hem af naar Gaza en bonden hem met twee bronzen kettingen. En hij maalde [meel] in de gevangenis.22Maar het haar van zijn hoofd begon [weer] te groeien, zoals toen hij geschoren werd.23En de Filistijnse stadsvorsten verzamelden zich om een groot offer te brengen aan hun god Dagon en om vrolijk te zijn. En zij zeiden: Onze god heeft onze vijand Simson in onze hand gegeven.24En toen het volk hem zag, prezen zij hun god, want zij zeiden: Onze god heeft onze vijand in onze hand gegeven: [de man] die ons land verwoest heeft, en die onze gesneuvelden talrijk heeft gemaakt.25En het gebeurde, toen hun hart vrolijk was, dat zij zeiden: Roep Simson en laat hem ons vermaken. En zij riepen Simson uit de gevangenis en hij vermaakte hen. En zij lieten hem tussen de pilaren staan.).

Saul noemt de Filistijnen “onbesnedenen”. Maar al is Saul wel uiterlijk besneden, en daarmee uiterlijk een lid van het volk van God, hij is onbesneden van hart (Rm 2:28-2928Want niet hij is een Jood die het uiterlijk is, en niet dat is de besnijdenis die iets uiterlijks is, in [het] vlees,29maar hij is een Jood die het in het verborgen is, en [dat is] besnijdenis: [die] van [het] hart, naar [de] Geest, niet naar [de] letter; zijn lof is niet van mensen, maar van God.). De besnijdenis is een beeld van het oordeel over het zondige vlees, de erkenning dat God dat heeft moeten oordelen in Christus (Ko 2:1111In Hem bent u ook besneden met een besnijdenis, niet met handen verricht, in het uittrekken van het lichaam van het vlees, in de besnijdenis van Christus,). Saul houdt de uiterlijke scheiding tussen hem als Israëliet en de Filistijnen vol, zonder te beseffen dat hij innerlijk zelf een Filistijn is.

Saul vraagt aan zijn wapendrager om hem te doden. Die schrikt daarvoor terug. Dan pleegt Saul zelfmoord. Het is de eerste zelfmoord die we in de Bijbel aantreffen. Naar het woord van Samuel sterven zo Saul en zijn zonen op één dag (1Sm 28:1919En de HEERE zal mét u ook Israël in handen van de Filistijnen geven, en morgen zullen u en uw zonen bij mij zijn; ook zal de HEERE het leger van Israël in handen van de Filistijnen geven.). Ze vallen door de hand van de vijanden die zij moesten bestrijden en uitroeien. Het is Saul niet gelukt, omdat hij zelf innerlijk ook geen verbinding met God had. Daardoor is hij krachteloos in zijn strijd tegen de Filistijnen, die om diezelfde reden oppermachtig zijn.

Er sneuvelen drie zonen van Saul met hem, onder wie Jonathan. De helden van David hebben de zijde van David gekozen als hij nog verworpen is. Jonathan is daar niet bij. Hij heeft alles aan David gegeven, behalve om zo te zeggen zijn schoenen (vgl. 1Sm 18:44Jonathan deed zijn mantel af die hij aanhad, en gaf hem aan David; ook zijn kleding, ja, tot zijn zwaard, tot zijn boog en tot zijn gordel toe.). Hij heeft gedacht David te kunnen dienen door bij zijn vader Saul te blijven. Op het kritieke moment, als duidelijk is dat David moet vluchten, volgt hij hem niet, maar keert terug naar de stad (1Sm 20:4343Daarna stond [David] op en ging weg. En Jonathan kwam in de stad.).

De kroniekschrijver gaat voorbij aan een vierde zoon van Saul, Isboseth, die nog door Abner koning is gemaakt in de plaats van zijn vader Saul. Omdat Isboseth volledig buiten de wil van God om koning is gemaakt, telt hij niet mee. Daarom zegt de kroniekschrijver van “Saul, zijn drie zonen en heel zijn huis” dat zij “tegelijk stierven” (vers 66Zo stierven Saul, zijn drie zonen en heel zijn huis; tegelijk stierven zij.). Daarmee heeft het huis van Saul het einde van zijn bestaan bereikt en is de weg vrij om David in te voeren.


De Filistijnen onteren Saul

7Toen alle mannen van Israël die in het dal waren, zagen dat Saul en zijn zonen dood waren, verlieten zij hun steden en vluchtten. Daarna kwamen de Filistijnen en gingen er wonen. 8En het gebeurde de volgende dag, toen de Filistijnen kwamen om de gesneuvelden te plunderen, dat zij Saul en zijn zonen vonden, liggend op het gebergte Gilboa. 9Zij trokken hem [zijn wapenrusting] uit en namen zijn hoofd en zijn wapenrusting en stuurden die rond in het land van de Filistijnen, om de boodschap te brengen aan hun afgoden en aan het volk. 10Zij legden zijn wapenrusting in het huis van hun god en zijn schedel staken zij [ergens] vast in het huis van Dagon.

Saul heeft zijn opdracht, het land van de Filistijnen te bevrijden, niet vervuld. Integendeel, als hij gestorven is, komen de Filistijnen en gaan in de steden wonen die door de Israëlieten verlaten zijn. En waarvoor Saul bang is geweest, dat de spot met hem zou worden gedreven, gebeurt toch. Als de Filistijnen hem en zijn zonen vinden, ontdoen ze hem van zijn wapenrusting en zijn hoofd.

De Filistijnen sturen het hoofd en de wapenrusting van Saul rond in hun land. Dat doen ze om de boodschap van hun overwinning aan hun afgoden en aan het volk te brengen. Het toont de dwaasheid van hun afgoden aan. Hun afgoden weten niet wat er is gebeurd en moeten op de hoogte worden gebracht. Dan wordt de wapenrusting van Saul als eerbetoon aan hun god in diens huis gelegd. Het hoofd van Saul wordt mogelijk in het huis van hun afgoden gelegd (vgl. 1Sm 17:54,5754David nam het hoofd van de Filistijn en bracht het naar Jeruzalem, maar diens wapens legde hij in zijn tent.57Toen David terugkeerde van het verslaan van de Filistijn, nam Abner hem mee en bracht hem bij Saul, en het hoofd van de Filistijn was in zijn hand.; 31:8-108En het gebeurde de volgende dag, toen de Filistijnen kwamen om de gesneuvelden te plunderen, dat zij Saul en zijn drie zonen vonden, liggend op het gebergte Gilboa.9Zij hakten zijn hoofd af en trokken [hem] zijn wapenrusting uit, en zij stuurden die rond in het land van de Filistijnen, om de boodschap te brengen in het huis van hun afgoden en aan het volk.10Zij legden zijn wapenrusting in het huis van Astarte en zijn lichaam staken zij vast aan de muur van Beth-San.).


Jabes bewijst Saul eer

11Toen heel Jabes in Gilead alles hoorde wat de Filistijnen met Saul gedaan hadden, 12stonden alle strijdbare mannen op en namen zij het lichaam van Saul en de lichamen van zijn zonen weg. Zij brachten die naar Jabes en begroeven hun beenderen onder de eik bij Jabes, en zij vastten zeven dagen.

Er zijn nog mensen in Israël voor wie deze vernedering te ver gaat. De mannen van Jabes worden eervol vermeld. Ze handelen met de gezalfde van de HEERE zoals David hem heeft gerespecteerd. Zij offeren hun nachtrust ervoor op om het lichaam van Saul en de lichamen van zijn zonen op te halen en ze te begraven. Daarna vasten zij zeven dagen lang. Zij begrijpen iets van de smaad die op Israël is gelegd.


Waarom Saul stierf

13Zo stierf Saul vanwege zijn trouwbreuk, die hij tegenover de HEERE had gepleegd, vanwege het woord van de HEERE, dat hij niet in acht had genomen, en ook omdat hij een dodenbezweerder had geraadpleegd, 14en niet de HEERE had geraadpleegd. Daarom doodde Hij hem en liet Hij het koningschap overgaan op David, de zoon van Isaï.

De redenen voor de verwerping van Saul worden gegeven:
1. Het niet in acht nemen van “het woord van de HEERE” (1Sm 13:8-148En [Saul] wachtte zeven dagen, tot het tijdstip dat Samuel bepaald had. Toen Samuel echter niet naar Gilgal kwam, begon het volk zich te verspreiden, bij hem vandaan.9Toen zei Saul: Breng een brandoffer bij mij, en dankoffers; en hij offerde het brandoffer.10En het gebeurde, toen hij gereed was met het brengen van het brandoffer, dat, zie, Samuel kwam. Saul ging [het kamp] uit hem tegemoet om hem te zegenen.11En Samuel zei: Wat hebt u gedaan? Toen zei Saul: Omdat ik zag dat het volk zich [begon te] verspreiden, bij mij vandaan, en omdat ú niet op de vastgestelde tijd kwam, en de Filistijnen in Michmas verzameld zijn,12zei ik [bij mijzelf]: Nu zullen de Filistijnen op mij afkomen in Gilgal, en ik heb niet getracht het aangezicht van de HEERE gunstig te stemmen. Daarom heb ik mijzelf gedwongen om het brandoffer te brengen.13Maar Samuel zei tegen Saul: U hebt dwaas gehandeld. U hebt het gebod van de HEERE, uw God, dat Hij u geboden heeft, niet in acht genomen. Anders zou de HEERE uw koningschap over Israël voor eeuwig bevestigd hebben,14maar nu zal uw koningschap geen stand houden. De HEERE heeft een man naar Zijn hart voor Zich uitgezocht, en de HEERE heeft hem de opdracht gegeven een vorst te zijn over Zijn volk, omdat u niet in acht genomen hebt wat de HEERE u geboden had.; 15:1-3,9-11,261Toen zei Samuel tegen Saul: De HEERE heeft mij gezonden om u tot koning te zalven over Zijn volk, over Israël. Luister daarom nu naar de woorden van de HEERE.2Zo zegt de HEERE van de legermachten: Ik heb acht geslagen op wat Amalek Israël aangedaan heeft, hoe hij zich tegen hem gekeerd heeft op de weg, toen hij uit Egypte kwam.3Ga nu heen, en versla Amalek, en sla alles wat hij heeft met de ban. Spaar hem niet, maar dood hen van man tot vrouw, van kind tot zuigeling, van rund tot schaap, [en] van kameel tot ezel.9Maar Saul en het volk spaarden Agag, de beste schapen en runderen, en wat bijna het beste was, de lammeren en alles wat goed was. Zij wilden die niet met de ban slaan. Maar elk gebruiksvoorwerp dat waardeloos en vergaan was, sloegen zij met de ban.10Toen kwam het woord van de HEERE tot Samuel:11Ik heb er berouw over dat Ik Saul tot koning aangesteld heb, omdat hij zich van achter Mij afgekeerd heeft en Mijn woorden niet uitgevoerd heeft. Samuel was hierdoor diep geschokt en hij riep de hele nacht tot de HEERE.26Maar Samuel zei tegen Saul: Ik zal niet met u terugkeren. Omdat u het woord van de HEERE verworpen hebt, heeft de HEERE u verworpen, zodat u geen koning [meer] over Israël zult zijn.). Dat hij niet in acht heeft genomen wat God heeft gezegd, betekent dat hij eraan is voorbijgegaan om het te bewaren, te bewaken en veilig te stellen. Hij heeft dat woord niet als richtsnoer voor zijn daden genomen. Het laat zijn negatieve houding ten opzichte van het goede zien.
2. Het raadplegen van de geest van een dode (1Sm 28:7-137Toen zei Saul tegen zijn dienaren: Zoek een vrouw voor mij die geesten van doden kan bezweren, zodat ik naar haar toe kan gaan en door haar raad kan vragen. Zijn dienaren zeiden tegen hem: Zie, er is in Endor een vrouw die geesten van doden bezweert.8Saul vermomde zich, trok andere kleren aan en ging op weg, en twee mannen met hem. Zij kwamen ‘s nachts bij de vrouw aan en hij zei: Voorzeg mij toch door de geest van een dode; roep voor mij op wie ik u zal zeggen.9Toen zei de vrouw tegen hem: Zie, u weet wat Saul gedaan heeft, dat hij de dodenbezweerders en de waarzeggers uit dit land heeft uitgeroeid. Waarom spant u dan een valstrik voor mijn leven, om mij te doden?10Saul zwoer haar bij de HEERE en zei: [Zo waar] de HEERE leeft, u zal om deze zaak geen straf overkomen.11Toen zei de vrouw: Wie zal ik voor u oproepen? En hij zei: Roep Samuel voor mij op.12Toen de vrouw Samuel zag, schreeuwde zij met luide stem. De vrouw zei tegen Saul: Waarom hebt u mij bedrogen? Want u bent Saul!13De koning zei tegen haar: Wees niet bevreesd, maar wat ziet u? Toen zei de vrouw tegen Saul: Ik zie een goddelijk wezen uit de aarde opkomen.), letterlijk dat hij een boze geest heeft ‘gevraagd om te zoeken’, in plaats van de HEERE te raadplegen. Hier zien we dat hij zich positief opstelt ten opzichte van het kwade. Waar het eerste niet aanwezig is, komt er ruimte voor het tweede.

Saul is niet omgekomen door de hand van de Filistijnen, ook niet door zijn eigen hand, maar door de hand van de HEERE. De tijd van Saul is voorbij. Gods tijd is gekomen voor de introductie van de man naar Zijn hart, David.


Lees verder