1 Kronieken
1-4 Van Adam tot Noach en zijn zonen 5-7 De nakomelingen van Jafeth 8-16 Nakomelingen van Cham 17-23 Nakomelingen van Sem 24-27 Van Sem tot Abraham 28-33 Nakomelingen van Abraham 34-42 Nakomelingen van Ezau 43-50 Koningen van Edom 51-54 Stamhoofden van Edom
Van Adam tot Noach en zijn zonen

1Adam, Seth, Enos, 2Kenan, Mahalaleël, Jered, 3Henoch, Methusalah, Lamech, 4Noach, Sem, Cham en Jafeth.

Van Adam tot Noach worden de namen van tien stamvaders genoemd.

In vers 44Noach, Sem, Cham en Jafeth. wordt in het geslachtsregister van Noach Sem het eerst genoemd. Maar als de geslachten worden opgesomd, gaan de geslachten van Jafeth (verzen 5-75De zonen van Jafeth waren Gomer, Magog, Madai, Javan, Tubal, Mesech en Tiras.6De zonen van Gomer waren Askenaz, Difath en Togarma.7En de zonen van Javan waren Elisa en Tarsisa, Chittim en Dodanim.) en Cham (verzen 8-168De zonen van Cham waren Cusj en Mizraïm, Put en Kanaän.9De zonen van Cusj waren Seba, Havila, Sabta, Raëma en Sabtecha. En de zonen van Raëma waren Sjeba en Dedan.10Cusj verwekte Nimrod; deze begon een geweldenaar op aarde te worden.11En Mizraïm verwekte de Ludieten, de Anamieten, de Lehabieten, de Naftuchieten,12de Pathrusieten, de Kasluchieten - uit wie de Filistijnen voortgekomen zijn - en de Kaftorieten.13Kanaän verwekte Sidon, zijn eerstgeborene, en Heth,14en de Jebusiet, de Amoriet, de Girgasiet,15de Heviet, de Arkiet, de Siniet,16de Arvadiet, de Zemariet en de Hamathiet.) voor.


De nakomelingen van Jafeth

5De zonen van Jafeth waren Gomer, Magog, Madai, Javan, Tubal, Mesech en Tiras. 6De zonen van Gomer waren Askenaz, Difath en Togarma. 7En de zonen van Javan waren Elisa en Tarsisa, Chittim en Dodanim.


Nakomelingen van Cham

8De zonen van Cham waren Cusj en Mizraïm, Put en Kanaän. 9De zonen van Cusj waren Seba, Havila, Sabta, Raëma en Sabtecha. En de zonen van Raëma waren Sjeba en Dedan. 10Cusj verwekte Nimrod; deze begon een geweldenaar op aarde te worden. 11En Mizraïm verwekte de Ludieten, de Anamieten, de Lehabieten, de Naftuchieten, 12de Pathrusieten, de Kasluchieten - uit wie de Filistijnen voortgekomen zijn - en de Kaftorieten. 13Kanaän verwekte Sidon, zijn eerstgeborene, en Heth, 14en de Jebusiet, de Amoriet, de Girgasiet, 15de Heviet, de Arkiet, de Siniet, 16de Arvadiet, de Zemariet en de Hamathiet.


Nakomelingen van Sem

17De zonen van Sem waren Elam, Assur, Arfachsad, Lud, Aram, Uz, Hul, Gether en Mesech. 18Arfachsad verwekte Selah, en Selah verwekte Heber. 19Bij Heber werden twee zonen geboren. De naam van de ene was Peleg, omdat in zijn dagen de aarde verdeeld werd, en de naam van zijn broer was Joktan. 20Joktan verwekte Almodad, Selef, Hazarmavet, Jerah, 21Hadoram, Uzal en Dikla, 22Ebal, Abimaël en Sjeba, 23Ofir, Havila en Jobab. Zij waren allen zonen van Joktan.

In vers 1919Bij Heber werden twee zonen geboren. De naam van de ene was Peleg, omdat in zijn dagen de aarde verdeeld werd, en de naam van zijn broer was Joktan. wordt aan de naam Peleg toegevoegd dat hij zo heet, “omdat in zijn dagen de aarde verdeeld werd”. Peleg betekent dan ook ‘verdeling’. Zijn naam verwijst naar de spraakverwarring die God tussen de mensen veroorzaakt als een oordeel over de hoog­moed om in te dringen in de hemel (Gn 11:1-91Heel de aarde had één taal en eendere woorden.2En het gebeurde toen zij naar het oosten trokken, dat zij een vlakte in het land Sinear vonden. Daar gingen zij wonen.3En zij zeiden allen tegen elkaar: Kom, laten wij kleiblokken maken en die goed bakken! En de kleiblokken dienden hun tot steen en het asfalt diende hun tot leem.4En zij zeiden: Kom, laten wij voor ons een stad bouwen en een toren waarvan de top in de hemel reikt, en laten we voor ons een naam maken, anders worden wij over heel de aarde verspreid!5Toen daalde de HEERE neer om de stad en de toren te zien die de mensenkinderen aan het bouwen waren,6en de HEERE zei: Zie, zij vormen één volk en hebben allen één taal. Dit is het begin van wat zij gaan doen, en nu zal niets van wat zij zich voornemen te doen, voor hen onmogelijk zijn.7Kom, laten Wij neerdalen en laten Wij hun taal daar verwarren, zodat zij geen van allen elkaars taal zullen begrijpen.8Zo verspreidde de HEERE hen vandaar over heel de aarde, en zij hielden op met het bouwen van de stad.9Daarom gaf men haar de naam Babel; want daar verwarde de HEERE de taal van heel de aarde, en vandaar verspreidde de HEERE hen over heel de aarde.).


Van Sem tot Abraham

24Sem, Arfachsad, Selah, 25Heber, Peleg, Rehu, 26Serug, Nahor, Terah, 27Abram, dat is Abraham.

Van Sem tot Abraham hebben we, net als van Adam tot Henoch (verzen 1-41Adam, Seth, Enos,2Kenan, Mahalaleël, Jered,3Henoch, Methusalah, Lamech,4Noach, Sem, Cham en Jafeth.), tien stamvaders. Sem en Abraham herinneren beiden aan de speciale betrekking die God met Zijn volk heeft. Sem is het voorbeeld van de speciale verbindingen van de HEERE met een speciaal deel van de mensheid, de Semieten. Noach spreekt over “de HEERE, de God van Sem” (Gn 9:2626Ook zei hij:
Gezegend is de HEERE, de God van Sem!
Laat Kanaän een dienaar voor hem zijn!
)
. In Abraham zien we de Goddelijke verkiezing (Gn 12:22Ik zal u tot een groot volk maken, u zegenen en uw naam groot maken; en u zult tot een zegen zijn.; 17:77Ik zal Mijn verbond maken tussen Mij, u en uw nageslacht na u, [al] hun generaties door, tot een eeuwig verbond, om voor u tot een God te zijn, en voor uw nageslacht na u.). De reden van de verandering van de naam Abram in Abraham (vers 2727Abram, dat is Abraham.) wordt in Genesis 17 gegeven (Gn 17:55U zult niet meer Abram heten, [maar] uw naam zal Abraham zijn, want Ik zal u vader van een menigte van volken maken.).


Nakomelingen van Abraham

28De zonen van Abraham waren Izak en Ismaël. 29Dit zijn hun afstammelingen: de eerstgeborene van Ismaël was Nebajoth, en [vervolgens] Kedar, Adbeël en Mibsam, 30Misma en Duma, Massa, Hadad en Tema, 31Jetur, Nafis en Kedma. Dit zijn de zonen van Ismaël. 32De zonen van Ketura, de bijvrouw van Abraham: zij baarde Zimran, Joksan, Medan, Midian, Jisbak en Suah. De zonen van Joksan waren Sjeba en Dedan. 33De zonen van Midian waren Efa, Efer, Henoch, Abida en Eldaä. Zij allen waren zonen van Ketura.

We vinden in de diverse opsommingen in dit hoofdstuk het beginsel “niet het geestelijke is eerst, maar het natuurlijke; daarna het geestelijke” (1Ko 15:4646Maar niet het geestelijke is eerst, maar het natuurlijke; daarna het geestelijke.). We zien dat in vers 2929Dit zijn hun afstammelingen: de eerstgeborene van Ismaël was Nebajoth, en [vervolgens] Kedar, Adbeël en Mibsam,. Terwijl in vers 2828De zonen van Abraham waren Izak en Ismaël. van de zonen van Abraham eerst Izak en daarna Ismaël wordt genoemd, wordt in het volgende vers toch eerst het geslachtsregister van Ismaël gegeven. Ook bij de zonen van Izak zien we dat eerst het geslachtsregister van Ezau wordt genoemd (verzen 34-3534Abraham verwekte Izak. De zonen van Izak waren Ezau en Israël.35De zonen van Ezau waren Elifaz, Rehuël, Jeüs, Jaëlam en Korach.).

Van de zonen van Ketura (vers 3333De zonen van Midian waren Efa, Efer, Henoch, Abida en Eldaä. Zij allen waren zonen van Ketura.) is Midian bekend als een vijand van Israël. Hij heeft zich regelmatig laten gelden (Ri 6:1-61Maar de Israëlieten deden wat slecht was in de ogen van de HEERE. Toen gaf de HEERE hen over in de hand van Midian, zeven jaar.2Toen Midian de overhand kreeg over Israël, maakten de Israëlieten vanwege Midian voor zichzelf de holen gereed die in de bergen zijn, en de grotten en de bergvestingen.3Want het gebeurde, telkens als Israël gezaaid had, dat Midian optrok. Ook Amalek en de mensen van het oosten trokken tegen hen op.4Dan sloegen zij hun kamp tegen hen op en deden de opbrengst van het land teniet, tot waar men bij Gaza komt. En zij lieten in Israël niets over om van te leven: geen schaap, geen rund en geen ezel.5Want zij trokken op met hun vee en hun tenten: zo talrijk als sprinkhanen kwamen zij, zodat men hen en hun kamelen niet kon tellen. En zij kwamen in het land om dat teniet te doen.6Zo verarmde Israël zeer vanwege Midian. Toen riepen de Israëlieten tot de HEERE.). Van Midian worden ook nog eens vijf zonen genoemd (vers 3333De zonen van Midian waren Efa, Efer, Henoch, Abida en Eldaä. Zij allen waren zonen van Ketura.), wat misschien wel een aanwijzing is voor de veelzijdigheid van zijn tegenstand.


Nakomelingen van Ezau

34Abraham verwekte Izak. De zonen van Izak waren Ezau en Israël. 35De zonen van Ezau waren Elifaz, Rehuël, Jeüs, Jaëlam en Korach. 36De zonen van Elifaz waren Teman, Omar, Zefi, Gaëtam, Kenaz, Timna en Amalek. 37De zonen van Rehuël waren Nahath, Zerah, Samma en Mizza. 38De zonen van Seïr waren Lotan, Sobal, Zibeon, Ana, Dison, Ezer en Disan. 39De zonen van Lotan waren Hori en Homam, en de zuster van Lotan was Timna. 40De zonen van Sobal waren Aljan, Manahath, Ebal, Sefi en Onam. De zonen van Zibeon waren Aja en Ana. 41De zoon van Ana was Dison. De zonen van Dison waren Hamran, Esban, Jithran en Cheran. 42De zonen van Ezer waren Bilhan, Zaävan en Jaäkan. De zonen van Disan waren Uz en Aran.

Uz (vers 4242De zonen van Ezer waren Bilhan, Zaävan en Jaäkan. De zonen van Disan waren Uz en Aran.) is de naam van de plaats waar Job heeft gewoond (Jb 1:11Er was een man in het land Uz, zijn naam was Job. En die man was vroom en oprecht; hij was Godvrezend en keerde zich af van het kwaad.). Hieruit is mogelijk af te leiden dat Job een vroege afstammeling van Ezau kan zijn (vgl. Kl 4:21a21Wees vrolijk en blij, dochter van Edom, sin
die in het land Uz woont!
De beker zal ook bij u langskomen:
u zult dronken worden en ontbloot worden.
)
. Evenzo is het niet onwaarschijnlijk dat Elifaz, de zoon van Ezau, de vader van Teman (vers 3535De zonen van Ezau waren Elifaz, Rehuël, Jeüs, Jaëlam en Korach.), een voorouder is van Jobs vriend Elifaz, de Temaniet (Jb 2:1111Toen de drie vrienden van Job van al dit onheil, dat hem overkomen was, hoorden, kwamen zij, elk uit zijn [woon]plaats: Elifaz, de Temaniet, Bildad, de Suhiet, en Zofar, de Naämathiet. Zij spraken met elkaar af om [naar hem toe] te gaan om hem hun medeleven te betuigen en hem te troosten.).


Koningen van Edom

43Dit zijn de koningen die geregeerd hebben in het land Edom, voordat er een koning over de Israëlieten regeerde: Bela, de zoon van Beor; en de naam van zijn stad was Dinhaba. 44Bela stierf, en in zijn plaats regeerde Jobab, een zoon van Zerah, van Bozra. 45Jobab stierf, en Husam, uit het land van de Temanieten, regeerde in zijn plaats. 46Husam stierf, en in zijn plaats regeerde Hadad, de zoon van Bedad, die de Midianieten in het veld van Moab versloeg; en de naam van zijn stad was Avith. 47Hadad stierf, en Samla, uit Masreka, regeerde in zijn plaats. 48Samla stierf, en Saul, van Rehoboth aan de rivier, regeerde in zijn plaats. 49Saul stierf, en Baäl-Hanan, de zoon van Achbor, regeerde in zijn plaats. 50Baäl-Hanan stierf, en Hadad regeerde in zijn plaats. De naam van zijn stad was Pahi, en de naam van zijn vrouw was Mehetabeël, dochter van Matred, de dochter van Mezahab.

Er regeerden koningen over Edom, voordat er een koning over Israël regeerde (vers 4343Dit zijn de koningen die geregeerd hebben in het land Edom, voordat er een koning over de Israëlieten regeerde: Bela, de zoon van Beor; en de naam van zijn stad was Dinhaba.). Dit laat zien dat, totdat Gods keus van een koning in David wordt bekendgemaakt, de naties hun eigen weg gaan en hun eigen regering regelen, onafhankelijk van God.

Uit het feit dat in deze lijst met koningen nergens wordt vermeld dat iemand koning wordt in de plaats van zijn vader, heeft men wel geconcludeerd dat men voor het koningschap werd gekozen. De zittende vorst regeerde tot zijn dood.


Stamhoofden van Edom

51Toen Hadad stierf, werden stamhoofden in Edom: het stamhoofd Timna, het stamhoofd Alja, het stamhoofd Jetheth, 52het stamhoofd Oholibama, het stamhoofd Ela, het stamhoofd Pinon, 53het stamhoofd Kenaz, het stamhoofd Teman, het stamhoofd Mibzar, 54het stamhoofd Magdiël, [en] het stamhoofd Iram. Dit zijn de stamhoofden van Edom.


Lees verder