1 Korinthiërs
1-5 Zonde in de gemeente 6-13 Doet de boze uit uw midden weg
Zonde in de gemeente

1Men hoort algemeen van hoererij onder u, en zo’n hoererij als zelfs onder de volken niet [bestaat], dat iemand [de] vrouw van zijn vader heeft. 2En u bent opgeblazen, en hebt niet veeleer getreurd, opdat hij die deze daad begaan heeft, uit uw midden werd weggedaan? 3Want ik, naar het lichaam afwezig maar naar de geest aanwezig, heb reeds, alsof ik aanwezig was, hem geoordeeld die dit zo bedreven heeft, 4in de Naam van <onze> Heer Jezus <Christus> (als u en mijn geest vergaderd zijn met de kracht van onze Heer Jezus) 5zo iemand aan de satan over te geven tot verderf van het vlees, opdat de geest behouden wordt in de dag van de Heer <Jezus>.

Het is niet zo gemakkelijk om op een eenvoudige manier iets over dit belangrijke hoofdstuk te zeggen. En een belangrijk hoofdstuk is het. Je hebt hier een van de belangrijkste gedeelten in het Nieuwe Testament waarin je kunt lezen wat de plaatselijke gemeente moet doen als er bij hen zonde aanwezig blijkt te zijn.

Geen enkele plaatselijke gemeente kan voorkomen dat er gezondigd wordt. De gemeente bestaat uit gelovigen die helaas allemaal nog in staat zijn om te zondigen. De grote vraag is alleen hoe de gemeente reageert in het geval dat er een zonde van iemand bekend is geworden. Het antwoord op deze vraag is ook belangrijk om te kunnen constateren of een geloofsgemeenschap ook echt een gemeente genoemd kan worden. Tilt men niet zwaar aan de aanwezigheid van de zonde én reageert men niet op de oproep om de zonde weg te doen, dan heb je niet te maken met een gemeente van God.

Voordat je nu verder dit hoofdstuk gaat doornemen, moet je eerst zien dat er een verschil is tussen in de zonde vallen en in de zonde leven. In de zonde vallen betekent dat we iets doen wat zondig is; we begaan een verkeerde daad. Maar in de zonde leven is niet een eenmalig iets; het is een zondige levenspraktijk erop na houden. Het is verschrikkelijk als iemand een keer overspel pleegt. Het is nog veel verschrikkelijker als iemand in overspel leeft. Het laatste is in dit hoofdstuk aan de orde.

Er is nog iets wat je moet weten en dat is dat niet met iedere zonde op dezelfde manier moet worden gehandeld. Stel je voor dat jij een broeder of een zuster ziet zondigen. Hij of zij doet iets wat tegen de wil van God ingaat. Wat moet je dan doen? Moet je het dan gelijk aan de gemeente, aan alle broeders en zusters, gaan vertellen? Nee, dat moet niet! Wat je moet doen, kun je lezen in Mattheüs 18 (Mt 18:15-1715Als nu uw broeder <tegen u> zondigt, ga heen, overtuig hem tussen u en hem alleen;16als hij naar u luistert, hebt u uw broeder gewonnen. Als hij echter niet luistert, neem nog één of twee met u mee, opdat door [de] mond van twee of drie getuigen elk woord vaststaat.17Als hij echter hun geen gehoor geeft, zeg het aan de gemeente; als hij echter ook de gemeente geen gehoor geeft, laat hij voor u zijn als de heiden en de tollenaar.). Kort gezegd staat daar dat je eerst zelf naar je broeder of zuster die heeft gezondigd moet gaan om te proberen hem of haar te winnen. Als dat niet lukt, moet je nog iemand, één of twee, meenemen en opnieuw proberen hem of haar te winnen. Lukt het dan nog niet om de ander tot belijdenis van zijn of haar zonde te brengen, dan pas moet je het aan de gemeente vertellen. Dan gaat de gemeente zich met hem of haar bemoeien.

Stel je voor dat jij in een persoonlijk gesprek de ander hebt kunnen overtuigen van het verkeerde. Hij of zij heeft het dan beleden tegenover God en, als de zonde tegenover iemand anders is begaan, tegenover degene tegen wie gezondigd is. Niemand zal er dan verder iets weten. Denk je eens in wat er zou zijn gebeurd, wanneer je direct naar de gemeente zou zijn gestapt en alles daar zou hebben verteld. Dat zou toch wel tot grote schade van de ander, die een broeder of zuster is, zijn geweest.

V11Men hoort algemeen van hoererij onder u, en zo’n hoererij als zelfs onder de volken niet [bestaat], dat iemand [de] vrouw van zijn vader heeft.. Hier in Korinthe gaat het om een verschrikkelijke zonde. Het gaat om een geval van hoererij als zelfs onder de volken niet bestaat. De volken, die leven zonder God, leven in allerlei wellusten en uitspattingen. Maar wat hier in de gemeente van God wordt gevonden, is zelfs hun wat te gortig. Je kunt je afvragen of zoiets wel mogelijk is bij een gelovige. Ja, zoiets is mogelijk. Denk nooit dat jij, nu je een gelovige bent, niet tot zoiets in staat bent. Wie dat wel denkt, heeft de les nog niet geleerd: “Ik weet dat in mij, dat is in mijn vlees, geen goed woont” (Rm 7:18a18Want ik weet dat in mij, dat is in mijn vlees, geen goed woont; want het willen is bij mij aanwezig, maar het doen van het goede niet.). Dat moet niet een uit het hoofd geleerd lesje zijn, maar een diepe, innerlijke overtuiging. Hoe meer jij je dat bewust bent, hoe meer je bewaard zult blijven voor een vallen in de zonde.

V22En u bent opgeblazen, en hebt niet veeleer getreurd, opdat hij die deze daad begaan heeft, uit uw midden werd weggedaan?. Hoe reageren de gelovigen in Korinthe nu op deze zonde? Ze doen alsof er helemaal niets aan de hand is. Ze maken zich er totaal niet druk over. Integendeel, ze zijn “opgeblazen”, dat wil zeggen dat ze zich groter voordoen dan ze zijn, ze vinden zichzelf geweldig. Ze hebben immers enorm veel gaven?

Paulus prikt daar doorheen. Hij zegt tegen hen dat treuren, verdriet hebben over wat er is gebeurd, heel wat beter bij hen zou passen. Dan zou hij, die de zonde heeft begaan, uit hun midden zijn weggedaan. Want het is toch ondenkbaar dat zonde in het midden van de gemeente kan blijven bestaan? We kunnen God toch niet met zonde verbinden? God en de Heer Jezus kunnen onmogelijk blijven in een gemeente waar de zonde aanwezig blijft.

Waar het om gaat, is dat de Korinthiërs niet verdrietig zijn geworden door wat er onder hen gebeurt. Ze zijn ongevoelig voor het feit dat er iemand onder hen op zo’n zondige wijze leeft. Daarbij komt nog dat er algemeen in de wereld om hen heen over gesproken wordt (vers 11Men hoort algemeen van hoererij onder u, en zo’n hoererij als zelfs onder de volken niet [bestaat], dat iemand [de] vrouw van zijn vader heeft.). Wat een schande voor de Heer Jezus! Wanneer ze enig gevoel zouden hebben gehad van de heiligheid van God, zouden ze zich dan niet diep hebben gebogen voor de Heer en Hem hebben beleden dat zoiets onder hen heeft kunnen plaatsvinden? Je kunt er zeker van zijn dat de Heer dan duidelijk zou hebben gemaakt wat er moet gebeuren.

Voor ons is dit ook belangrijk. Stel je voor dat er in de gemeente zonde openbaar wordt en dat het gaat om een zonde waar zelfs in de (beschaafde) wereld schande over wordt gesproken. Dat is toch het geval in Korinthe? Wat doen we dan? Doen we of er niets aan de hand is? Gaan we gewoon door met onze samenkomsten alsof er niets is gebeurd, terwijl wij ons gelukkig prijzen dat we zoveel zegeningen hebben gekregen? Of treuren we erover? Schamen wij ons? Gaan we ermee naar de Heer, om Hem te vragen wat we moeten doen? Ik hoop het laatste.

V3-53Want ik, naar het lichaam afwezig maar naar de geest aanwezig, heb reeds, alsof ik aanwezig was, hem geoordeeld die dit zo bedreven heeft,4in de Naam van <onze> Heer Jezus <Christus> (als u en mijn geest vergaderd zijn met de kracht van onze Heer Jezus)5zo iemand aan de satan over te geven tot verderf van het vlees, opdat de geest behouden wordt in de dag van de Heer <Jezus>.. Voor Paulus is de zaak duidelijk. Voor hem zijn lange verhalen met duizend en één excuses overbodig. Hij heeft de boosdoener al aan de satan overgeleverd. Wat Paulus hier heeft gedaan, is een persoonlijke daad. Hij heeft als apostel daartoe het gezag. Zoiets kunnen wij niet doen.

Je ziet wel dat hij het heeft gedaan met het oog op het behoud van de boosdoener. Het vlees moet verdorven worden, maar de geest behouden. De boosdoener is de lusten van zijn vlees gevolgd. Door hem aan de satan over te leveren krijgt de satan de vrije hand om hem te laten voelen wat het vlees daadwerkelijk is. De satan is hier een instrument in de hand van God om een van Zijn kinderen te laten voelen hoe dwaas het is om het eigen genot te zoeken. Dat het hier gaat om een gelovige, blijkt uit de tweede brief aan de Korinthiërs. In die brief lees je over de goede uitwerking die de toegepaste maatregelen hebben gehad (2Ko 2:1-111Maar ik heb dit bij mijzelf voorgenomen, niet weer met droefheid bij u te komen.2Want als ik het ben die u bedroef, wie is het dan die mij blij maakt, dan hij die door mij bedroefd werd?3En dit heb ik juist geschreven, opdat ik niet bij mijn komst droefheid zou hebben door hen over wie ik mij moest verblijden; daar ik van u allen vertrouw, dat mijn blijdschap [die] van u allen is.4Want in veel verdrukking en benauwdheid van hart heb ik u geschreven onder veel tranen, niet opdat u bedroefd zou worden, maar opdat u de liefde zou kennen die ik overvloedig tot u heb.5Maar als iemand heeft bedroefd, dan heeft hij niet mij bedroefd, maar min of meer (om [u] niet te veel te belasten) u allen.6Voor zo iemand is deze straf genoeg, die door de velen [uitgeoefend] is,7zodat u integendeel veeleer moet vergeven en vertroosten, opdat zo iemand niet door de overmatige droefheid wordt verslonden.8Daarom spoor ik u aan, dat u hem van [uw] liefde verzekert.9Want daartoe heb ik ook geschreven, opdat ik uw beproefdheid zou leren kennen, of u in alles gehoorzaam bent.10Wie u nu iets vergeeft, ik ook; want ook ik, wat ik heb vergeven – als ik iets heb vergeven, dan is het ter wille van u in [het] aangezicht van Christus, opdat de satan op ons geen voordeel zou behalen,11want zijn gedachten zijn ons niet onbekend.; 7:2-162Geeft ons plaats. Wij hebben niemand onrecht aangedaan, niemand te gronde gericht, van niemand ons voordeel gezocht.3Ik zeg dit niet tot [uw] veroordeling; want ik heb al gezegd dat u in onze harten bent, om samen te sterven en samen te leven.4Ik heb veel vrijmoedigheid tegenover u, ik heb veel roem over u; ik ben vervuld met troost, ik vloei over van blijdschap bij al onze verdrukking.5Immers, toen wij in Macedonië kwamen, had ons vlees geen rust, maar wij waren in alles verdrukt: van buiten strijd, van binnen vrees.6Maar God, Die de nederigen troost, heeft ons getroost door de komst van Titus,7en niet alleen door zijn komst, maar ook door de troost waarmee hij over u vertroost werd, doordat hij ons vertelde van uw vurig verlangen, uw treuren, uw ijver voor mij, zodat ik mij nog meer verblijdde.8Want al heb ik u ook door mijn brief bedroefd, ik heb er geen spijt van; al heb ik er spijt van gehad, <want> ik zie dat die brief, al is het voor een tijd, u bedroefd heeft.9Nu verblijd ik mij, niet omdat u bedroefd bent geworden, maar omdat u bedroefd bent geworden tot bekering toe; want u bent bedroefd geworden in overeenstemming met God, opdat u in niets schade van ons lijdt.10Want de droefheid in overeenstemming met God bewerkt een onberouwelijke bekering tot behoudenis; maar de droefheid van de wereld bewerkt [de] dood.11Want zie, juist doordat u bedroefd bent geworden in overeenstemming met God, wat een bereidwilligheid heeft het bij u bewerkt, ja zelfs verontschuldiging, zelfs verontwaardiging, zelfs vrees, zelfs vurig verlangen, zelfs ijver, zelfs bestraffing. In alles hebt u bewezen zelf rein te zijn in deze zaak.12Dus al heb ik u geschreven, het was niet om hem die onrecht had gedaan, ook niet om hem wie onrecht aangedaan was, maar opdat uw bereidwilligheid voor ons openbaar zou worden bij u voor Gods aangezicht.13Daarom zijn wij vertroost; en bij onze troost hebben wij ons nog veel overvloediger verblijd over de blijdschap van Titus, omdat zijn geest door u allen verkwikt is.14Want als ik bij hem enigermate over u heb geroemd, dan ben ik niet beschaamd geworden; maar zoals wij alles in waarheid tot u gesproken hebben, zo is ook onze roem bij Titus waarheid geworden;15en zijn genegenheid is des te overvloediger voor u, als hij zich de gehoorzaamheid van u allen herinnert, hoe u hem met vrees en beven hebt ontvangen.16Ik verblijd mij, dat ik in alles ten opzichte van u goede moed heb.).

Hoewel het een persoonlijke daad van Paulus als apostel is, heeft hij het toch niet los van de Korinthiërs gedaan. Hij voelt zich in de geest met hen verbonden. Hij verwacht van de Korinthiërs dat zij zich een met hem zullen voelen. Dan zullen ze zich aansluiten bij wat Paulus met de boosdoener heeft gedaan. Het is namelijk belangrijk dat een tuchtmaatregel die op een gelovige wordt toegepast, door allen wordt erkend. Dat wil zeggen, dat allen aan het uitvoeren van de tuchtmaatregel meewerken als in een gemeente iemand uit het midden moet worden weggedaan. Zo iemand moet dan echt alleen komen te staan.

Het lijkt een harde maatregel. Het kan ook lijken of de gelovigen die dit moeten doen zich beter voelen. Maar is gehoorzaamheid aan Gods Woord iets wat we doen omdat we ons beter voelen? Is het niet onze plicht? Daar komt bij dat de boosdoener in wezen niet slechter is dan wij. Wij zijn precies hetzelfde. Als we dat beseffen, zal dat ons bewaren voor een harde opstelling.

In een gezin zie je hetzelfde. Ouders moeten hun kinderen straffen als ze verkeerde dingen hebben gedaan. Dat doen die ouders niet omdat ze beter zijn, maar in gehoorzaamheid aan Gods Woord en om hun kinderen voor ergere dingen te bewaren. De ouders moeten hun kinderen ook niet in drift en kwaadheid straffen. Ouders die echt van hun kinderen houden, zullen hen in liefde straffen omdat ze weten dat een juiste straf een goede uitwerking zal hebben.

Tot slot nog een aanvullende opmerking. De gemeente heeft de kracht of het gezag voor de maatregel die ze moet nemen, gekregen van de Heer Jezus. De gemeente is de gemeente van Jezus Christus. Wat de ene plaatselijke gemeente aan tuchtmaatregelen neemt over iemand uit hun midden, geldt dan ook voor alle plaatselijke gemeenten over de hele wereld (1Ko 4:17b17Daarom <juist> heb ik Timotheüs naar u toe gezonden, die mijn geliefd en trouw kind in [de] Heer is; die zal u mijn wegen, die in Christus <Jezus> zijn, in herinnering brengen, zoals ik overal in elke gemeente leer.). Dat betekent dat iemand die als boze uit de gemeente in A is weggedaan, niet door de gemeente in B als gelovige mag worden ontvangen.

Lees nog eens 1 Korinthiërs 5:1-5.

Verwerking: Wat moet je doen als er zonde in de plaatselijke gemeente aanwezig blijkt te zijn?


Doet de boze uit uw midden weg

6Uw roemen is niet goed. Weet u niet, dat een beetje zuurdeeg het hele deeg doorzuurt? 7Zuivert het oude zuurdeeg uit, opdat u een nieuw deeg bent; u bent immers ongezuurd. Want ook ons Pascha, Christus, is geslacht. 8Laten wij daarom feestvieren, niet met oud zuurdeeg, ook niet met zuurdeeg van slechtheid en boosheid, maar met ongezuurde [broden] van oprechtheid en waarheid. 9Ik heb u in de brief geschreven, dat u geen omgang moet hebben met hoereerders; 10niet in het algemeen met de hoereerders van deze wereld, of de hebzuchtigen en rovers, of afgodendienaars, want dan zou u wel de wereld moeten uitgaan. 11Maar nu heb ik u geschreven, dat als iemand die broeder genoemd wordt, een hoereerder is, of een hebzuchtige, afgodendienaar, lasteraar, dronkaard of rover, u met [hem] geen omgang moet hebben, dat u met zo iemand zelfs niet moet eten. 12Want wat heb ik hen die buiten zijn te oordelen? Oordeelt u niet hen die binnen zijn? 13Maar hen die buiten zijn, zal God oordelen. Doet de boze uit uw midden weg.

Het is duidelijk niet best in Korinthe. Toch is Paulus deze brief begonnen met hen aan te spreken als “de gemeente van God die in Korinthe is”. Omdat ze dat zijn, kan en moet Paulus hen op hun fouten wijzen. Pas als ze niet luisteren naar wat hij hun schrijft, pas dan zijn ze niet meer een gemeente van God. Dat geldt nu nog steeds. Alleen wanneer een groep gelovigen luistert naar wat Paulus, onder de leiding van Gods Geest, in zijn brieven heeft geschreven, kun je zo’n groep erkennen als een ‘gemeente’ van God.

Je begrijpt natuurlijk wel dat we naar de hele Bijbel moeten luisteren omdat de hele Bijbel het Woord van God is. Toch zijn het vooral de brieven van Paulus waarvan veel christenen zijn afgeweken. En onder de brieven van Paulus is het vooral de eerste brief aan de Korinthiërs waaraan veel christenen een eigen uitleg hebben gegeven. Daardoor zijn er zoveel verschillende kerken en groeperingen ontstaan. Als je wilt weten hoe gemeente zijn in onze tijd moet plaatsvinden, vind je dat in de brief die je nu aan het lezen bent.

V66Uw roemen is niet goed. Weet u niet, dat een beetje zuurdeeg het hele deeg doorzuurt?. Zoals gezegd, is het daar verre van ideaal. Zij roemen in hun zegeningen, terwijl het grofste kwaad onder hen gebeurt, zonder dat zij zich er iets van aantrekken. Hierover wijst Paulus hen in de verzen 1-51Men hoort algemeen van hoererij onder u, en zo’n hoererij als zelfs onder de volken niet [bestaat], dat iemand [de] vrouw van zijn vader heeft.2En u bent opgeblazen, en hebt niet veeleer getreurd, opdat hij die deze daad begaan heeft, uit uw midden werd weggedaan?3Want ik, naar het lichaam afwezig maar naar de geest aanwezig, heb reeds, alsof ik aanwezig was, hem geoordeeld die dit zo bedreven heeft,4in de Naam van <onze> Heer Jezus <Christus> (als u en mijn geest vergaderd zijn met de kracht van onze Heer Jezus)5zo iemand aan de satan over te geven tot verderf van het vlees, opdat de geest behouden wordt in de dag van de Heer <Jezus>. op duidelijke wijze terecht.

In vers 66Uw roemen is niet goed. Weet u niet, dat een beetje zuurdeeg het hele deeg doorzuurt? maakt hij hun nog iets belangrijks duidelijk. Hij vergelijkt het kwaad, de zonde, met zuurdeeg. Om te begrijpen waarom hij deze vergelijking maakt, moet je weten wat zuurdeeg is. Zuurdeeg is een stukje deeg dat van een klomp brooddeeg wordt afgenomen en apart wordt gelegd. Langzamerhand verzuurt dat stukje helemaal. Wanneer dit kleine stukje verzuurd deeg nu in nieuw brooddeeg wordt gedaan, wordt daardoor het hele brooddeeg verzuurd. Dit beeld van de verzurende werking van een klein stukje zuurdeeg wordt hier door Paulus gebruikt. Er wordt trouwens vaker in de Bijbel over zuurdeeg gesproken. En overal waar je over zuurdeeg in de Bijbel leest, is het een voorstelling van het verkeerde, van de zonde.

Zoals uit het voorbeeld van het zuurdeeg blijkt, is de zonde niet alleen iets waarmee de persoon die zondigt te maken heeft. Zonde is ook iets waardoor anderen aangetast worden. Wanneer de zonde niet uit het midden van de gemeente wordt weggedaan, ziet God die hele gemeente als zondig. Het hoeft helemaal niet te betekenen dat de anderen in dezelfde zonde gaan leven. Paulus zegt niet dat allen in Korinthe nu hoereerders zijn geworden, maar omdat ze niets doen met de zonde die onder hen wordt gevonden, moet hij tegen hen zeggen dat ze zich een maken met de zonde.

V77Zuivert het oude zuurdeeg uit, opdat u een nieuw deeg bent; u bent immers ongezuurd. Want ook ons Pascha, Christus, is geslacht.. Wat moeten ze nu doen? Wat moeten wij doen als er zonde openbaar geworden is? De opdracht is: “Zuivert het oude zuurdeeg uit.” Dat wil zeggen dat de zonde moet worden weggedaan. Als de persoon die de zonde heeft begaan, die zonde niet wil belijden, dan moet die persoon worden weggedaan. Als dat gebeurt, is de gemeente weer een nieuw deeg. De gemeente is immers een ongezuurd deeg? Dat wil zeggen: de gemeente bestaat toch uit gelovigen die weten dat God hun zonden heeft weggedaan, geoordeeld in het werk van de Heer Jezus?

De Heer Jezus wordt hier voorgesteld als “ons Pascha”. Paulus herinnert de Korinthiërs hiermee aan Exodus 12. Daar kunnen zij, en kun jij, lezen dat het Pascha het feest is dat de Israëlieten vieren vlak voordat zij uit Egypte worden bevrijd (Ex 12:1-141De HEERE zei tegen Mozes en tegen Aäron in het land Egypte:2Deze maand zal voor u het begin van de maanden zijn. Hij zal voor u de eerste zijn van de maanden van het jaar.3Spreek tot heel de gemeenschap van Israël: Op de tiende [dag] van deze maand moet ieder voor zich een lam per familie nemen, een lam per gezin.4Maar als het gezin te klein is voor een lam, dan moet hij er [samen] met de buurman, die het dichtst bij zijn gezin [woont, één] nemen, overeenkomstig het aantal personen. U moet bij het lam rekening houden met wat ieder eten kan.5U moet een lam zonder enig gebrek hebben, een mannetje van een jaar oud. U moet [het] van de schapen of van de geiten nemen.6U moet het in bewaring houden tot de veertiende dag van deze maand, en heel de verzamelde gemeenschap van Israël zal het slachten tegen het vallen van de avond.7En zij zullen van het bloed nemen en het aan de beide deurposten strijken en aan de bovendorpel, aan de huizen waarin zij het eten zullen.8Zij moeten het vlees dezelfde nacht [nog] eten; op vuur gebraden, met ongezuurde [broden, en] met bittere kruiden moeten zij het eten.9U mag daarvan niets rauw eten, en zeker niet in water gekookt, maar [alleen] op vuur gebraden, [met] zijn kop, met zijn poten en zijn ingewanden.10U mag daarvan ook niets overlaten tot de morgen. Wat er de [volgende] morgen van over is, moet u met vuur verbranden.11En zo moet u het eten: uw middel omgord, uw schoenen aan uw voeten en uw staf in uw hand. U moet het met haast eten, het is Pascha voor de HEERE.12Want Ik zal in deze nacht door het land Egypte trekken en alle eerstgeborenen in het land Egypte treffen, van de mensen tot het vee. En Ik zal aan al de goden van de Egyptenaren strafgerichten voltrekken, Ik, de HEERE.13En het bloed zal u tot een teken zijn aan de huizen waarin u verblijft. Als Ik het bloed zie, zal Ik u voorbijgaan en er zal geen plaag onder u zijn die verderf [teweegbrengt], als Ik het land Egypte zal treffen.14Deze dag moet voor u een gedenk[dag] worden. U moet hem vieren als een feest voor de HEERE. U moet hem vieren als een eeuwige verordening, [al] uw generaties door.). De vader van het gezin neemt een lam en slacht het. Het bloed van dat lam wordt aan de deurposten en de bovendorpel gestreken. Dat gebeurt op voorschrift van God. God heeft namelijk gezegd dat Hij een engel door het hele land zal laten gaan om alle eerstgeborenen te doden. Maar wanneer hij het bloed aan de deurposten ziet, dan gaat hij voorbij. Daar is als het ware de dood al geweest. Het lam is gestorven in de plaats van de eerstgeborene. Zo mogen wij weten dat “ook ons Pascha, Christus, is geslacht”.

Paulus blijft daar niet bij staan. Hij herinnert de Korinthiërs ook aan het Feest van de ongezuurde broden dat onmiddellijk op het Pascha volgt (Ex 12:15-2015Zeven dagen moet u ongezuurde [broden] eten. Meteen op de eerste dag moet u het zuurdeeg uit uw huizen wegdoen, want ieder die iets gezuurds eet, van de eerste tot de zevende dag, die persoon moet uit Israël worden uitgeroeid.16Op de eerste dag moet er een heilige samenkomst zijn, [en] ook moet u een heilige samenkomst hebben op de zevende dag. Geen enkel werk mag op die [dag] gedaan worden. Alleen dat wat door iedere persoon gegeten wordt, mag door u klaargemaakt worden.17Neem dan [het feest van] de ongezuurde [broden] in acht, want op deze zelfde dag zal Ik uw legers uit het land Egypte geleid hebben. Daarom moet u deze dag in acht nemen als een eeuwige verordening, [al] uw generaties door.18In de eerste [maand] moet u ongezuurde [broden] eten vanaf de avond van de veertiende dag van de maand tot de avond van de eenentwintigste dag van de maand.19Zeven dagen [lang] mag in uw huizen geen zuurdeeg gevonden worden, want ieder die iets gezuurds zal eten, die persoon moet uit de gemeenschap van Israël uitgeroeid worden, of hij [nu] een vreemdeling is of een ingezetene van het land.20U mag niets eten wat gezuurd is. In al uw woongebieden moet u ongezuurde [broden] eten.). Het is er onlosmakelijk aan verbonden. Het is een feest dat zeven dagen duurt. In die zeven dagen wordt het hele leven voorgesteld. Begrijp je het verband al een beetje? Bij Israël is het zo, dat na het Pascha het Feest van de ongezuurde broden komt; bij ons, de gemeente, is het zo, dat na de dood van Christus voor ons er in heel ons leven geen ruimte meer gegeven mag worden aan de zonde.

Als er toch weer iets van zonde in het leven van een gelovige binnenkomt, moet hij daar direct mee handelen en het uitzuiveren, of wegdoen. Dit betekent dat de zonde moet worden beleden voor God en waar nodig voor mensen en moet worden nagelaten. Dan pas spoort zijn praktijk weer met zijn positie. Wat ik je heb proberen duidelijk te maken, is in een paar woorden samen te vatten: Christus en de zonde kunnen niet samengaan.

En als een plaatselijke gemeente hier nu eens niet naar handelt en het kwaad niet uitzuivert? Dan staat in 2 Timotheüs 2 de opdracht voor iedere gelovige van die plaatselijke gemeente die naar de wil van God wil handelen. Daar staat dat zo iemand daar dan zelf moet weggaan. Hij moet ‘zichzelf uitzuiveren’. Vervolgens moet hij op zoek gaan naar anderen die dat ook hebben gedaan, om samen met hen de Heer aan te roepen uit een rein hart (2Tm 2:19-2219Evenwel, het vaste fundament van God staat en heeft dit zegel: [De] Heer kent hen die de Zijnen zijn; en: Laat ieder die de Naam van [de] Heer noemt, zich onttrekken aan ongerechtigheid.20In een groot huis nu zijn niet alleen gouden en zilveren vaten, maar ook houten en aarden; en sommige wel tot eer, maar andere tot oneer.21Als dan iemand zich van deze [vaten] reinigt, zal hij een vat zijn tot eer, geheiligd, bruikbaar voor de Meester, tot alle goed werk toebereid.22Maar ontvlucht de begeerten van de jeugd en jaag naar gerechtigheid, geloof, liefde en vrede met hen die de Heer aanroepen uit een rein hart.).

V88Laten wij daarom feestvieren, niet met oud zuurdeeg, ook niet met zuurdeeg van slechtheid en boosheid, maar met ongezuurde [broden] van oprechtheid en waarheid.. Na alles wat moet worden weggedaan en uitgezuiverd, komt in dit vers de oproep om feest te vieren. Met dit feestvieren wordt niet bedoeld wat ik wel eens op T-shirtjes heb zien staan: een paar grote, schuimende potten bier en daaronder de woorden: Het leven is één groot feest. Dat feestvieren hoort bij het oude zuurdeeg. Echt feestvieren doen we als we leven voor de Heer Jezus. Hij is het echte ongezuurde brood. In Zijn leven op aarde en Zijn leven in de hemel nu is niets van zonde aanwezig. Hij leeft in alles voor Zijn Vader en dat is Zijn vreugde.

V9-109Ik heb u in de brief geschreven, dat u geen omgang moet hebben met hoereerders;10niet in het algemeen met de hoereerders van deze wereld, of de hebzuchtigen en rovers, of afgodendienaars, want dan zou u wel de wereld moeten uitgaan.. In de wereld om ons heen leven heel wat mensen in de afschuwelijkste zonden. Het is onmogelijk om die contacten te vermijden als je midden in het leven staat. Je hebt met hen te maken op school, op je werk, in de buurt waar je woont. Als Paulus zegt dat we geen omgang met hoereerders mogen hebben, bedoelt hij daarmee dan ook niet de mensen in de wereld om ons heen.

V1111Maar nu heb ik u geschreven, dat als iemand die broeder genoemd wordt, een hoereerder is, of een hebzuchtige, afgodendienaar, lasteraar, dronkaard of rover, u met [hem] geen omgang moet hebben, dat u met zo iemand zelfs niet moet eten.. Nee, het gaat hem om “iemand die broeder genoemd wordt”, terwijl zo iemand in de zonde leeft. Hij geeft zich uit voor een gelovige, en misschien is hij het ook, maar in zijn leven laat hij dat niet zien. Integendeel, zijn leven is in strijd met de Bijbel. (Tussen haakjes, de lijst van zonden die in dit vers staat, is niet bedoeld om een compleet overzicht te geven van mogelijke zonden waarmee de gemeente zou moeten handelen. In deze lijst vind je bijvoorbeeld niet de moordenaar en de dief.)

Met “iemand die broeder genoemd wordt”, maar in de zonde leeft, mogen we geen omgang hebben. We mogen er zelfs niet gewoon mee gaan eten. Het is dan ook ondenkbaar dat zo iemand nog zou kunnen deelnemen aan het avondmaal van de Heer.

V12-1312Want wat heb ik hen die buiten zijn te oordelen? Oordeelt u niet hen die binnen zijn?13Maar hen die buiten zijn, zal God oordelen. Doet de boze uit uw midden weg.. Met de mensen van de wereld hebben wij in dit opzicht niets te maken. Die mensen zullen door God op Zijn tijd worden geoordeeld en wij mogen hun nu nog het evangelie verkondigen om aan dat oordeel te ontkomen. Maar de gemeente heeft wel de verantwoordelijkheid om te oordelen hen die tot de gemeente behoren. De boze moet door de gemeente uit haar midden worden weggedaan.

Er wordt wel eens gezegd dat de gemeente geen tucht moet uitoefenen. Als bewijs daarvoor wordt dan gewezen op een paar verzen uit een gelijkenis in Mattheüs 13, die van het onkruid onder de tarwe (Mt 13:28-3028Hij nu zei tot hen: Een vijandig mens heeft dat gedaan.29De slaven nu zeiden tot hem: Wilt u dan dat wij het gaan verzamelen? Hij echter zei: Nee, opdat u bij het verzamelen van de dolik niet misschien tegelijk daarmee de tarwe uittrekt.30Laat beide samen opgroeien tot de oogst; en in [de] oogsttijd zal ik tot de maaiers zeggen: Verzamelt eerst de dolik en bindt het in bossen om het te verbranden, maar brengt de tarwe bijeen in mijn schuur.). Wanneer je het gedeelte waarin dit vers staat (Mt 13:24-3024Een andere gelijkenis hield Hij hun voor en zei: Het koninkrijk der hemelen is gelijk geworden aan een mens die goed zaad in zijn akker zaaide.25Terwijl echter de mensen sliepen, kwam zijn vijand en zaaide dolik midden tussen de tarwe en ging weg.26Toen nu het graan opkwam en vrucht voortbracht, toen kwam ook de dolik tevoorschijn.27De slaven van de heer des huizes nu kwamen en zeiden tot hem: Heer, hebt u niet goed zaad in uw akker gezaaid? Waar heeft hij dan dolik vandaan?28Hij nu zei tot hen: Een vijandig mens heeft dat gedaan.29De slaven nu zeiden tot hem: Wilt u dan dat wij het gaan verzamelen? Hij echter zei: Nee, opdat u bij het verzamelen van de dolik niet misschien tegelijk daarmee de tarwe uittrekt.30Laat beide samen opgroeien tot de oogst; en in [de] oogsttijd zal ik tot de maaiers zeggen: Verzamelt eerst de dolik en bindt het in bossen om het te verbranden, maar brengt de tarwe bijeen in mijn schuur.), goed leest, zie je dat het daar niet gaat om de gemeente, maar om het koninkrijk der hemelen. Je hoeft je daar dan ook niet door van de wijs te laten brengen.

Als er echte liefde voor de Heer Jezus én voor Zijn gemeente is, zullen we in de gemeente niets willen toelaten wat Hem oneer aandoet. Waarop het aankomt, is of wij de kant van God kiezen tegenover de zonde.

Lees nog eens 1 Korinthiërs 5:6-13.

Verwerking: Waarom is het zo belangrijk dat de boze uit het midden van de gemeente wordt weggedaan?

Lees verder